Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2013. U leest nu de tekst die gold op -.

Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer

Uitgebreide informatie
Besluit van 19 maart 2001, houdende regels inzake het beperken van de emissie van vluchtige organische stoffen bij het gebruik van organische oplosmiddelen (Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 3 juli 2000, nr. MJZ2000075276, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op Richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEG L 85) en op artikel 8.44 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 28 september 2000, nr. W08.00.0268/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 maart 2001, nr. MJZ2001027745, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. richtlijn: richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEG L 85), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld;
b. wet: Wet milieubeheer ;
c. installatie: vaste technische eenheid waarbinnen een of meer van de activiteiten, genoemd in bijlage I , plaatsvinden en alle andere daar rechtstreeks mee samenhangende activiteiten die technisch verband houden met de binnen die eenheid verrichte activiteiten en van invloed kunnen zijn op emissies;
d. bestaande installatie: een installatie in bedrijf binnen een inrichting waarvoor vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is verleend of die is gemeld overeenkomstig artikel 8.41 van de wet of waarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag een volledige aanvraag om een vergunning is ingediend, mits de installatie uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit in gebruik wordt genomen;
e. kleine installatie: een installatie met de laagste drempelwaarde van de punten 1, 3, 4, 5, 8, 10, 13, 16 of 17 van bijlage IIa of, voor de andere activiteiten van bijlage IIa , die minder dan 10 ton oplosmiddel per jaar verbruikt;
f. belangrijke wijziging:
1°. voor een kleine installatie: een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen met meer dan 25%, alsmede elke verandering die naar de mening van het bevoegd gezag aanzienlijke negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu kan hebben;
2°. voor alle andere installaties: een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen met meer dan 10%, alsmede elke verandering die naar de mening van het bevoegd gezag aanzienlijke negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu kan hebben;
g. vergunning: omgevingsvergunning voor een inrichting;
h. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning voor de betrokken inrichting te verlenen;
i. emissie: uitstoot van vluchtige organische stoffen uit een installatie in het milieu;
j. diffuse emissies: emissies, in een andere vorm dan van afgassen, van vluchtige organische stoffen in lucht, bodem of water alsmede, tenzij anders vermeld in bijlage IIa , oplosmiddelen die zich in enig product bevinden, waaronder begrepen de niet opgevangen emissies die via ramen, deuren, ventilatiekanalen, ontluchtingen en soortgelijke openingen in het milieu terechtkomen;
k. afgassen: de uiteindelijke uitworp in de lucht van gassen met vluchtige organische stoffen of andere verontreinigende stoffen uit een afgaskanaal of uit nabehandelingsapparatuur, waarbij het volumetrisch debiet wordt uitgedrukt in kubieke meters per uur bij normale omstandigheden;
l. totale emissie: de som van diffuse emissies en emissies van afgassen;
m. emissiegrenswaarde: de massa van de vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als bepaalde specifieke parameters, concentratie, percentage of niveau van een emissie, berekend in normale omstandigheden (N) die gedurende een of meer periodes niet overschreden mogen worden;
n. stof: chemisch element en zijn verbindingen, die in de natuur voorkomen of door de industrie worden geproduceerd, in vaste of vloeibare of gasvorm;
o. mengsel: een mengsel of een oplossing bestaande uit twee of meer stoffen;
p. organische verbinding: verbinding die ten minste het element koolstof bevat en daarnaast een of meer van de volgende elementen: waterstof, halogenen, zuurstof, zwavel, fosfor, silicium of stikstof, met uitzondering van koolstofoxiden, anorganische carbonaten en bicarbonaten;
q. vluchtige organische stof (VOS): organische verbinding die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft, waarbij voor de toepassing van dit besluit de fractie creosoot die deze dampspanning overschrijdt bij 293,15 K, als een VOS geldt;
r. organisch oplosmiddel: vluchtige organische verbinding die alleen of in combinatie met andere stoffen en zonder een chemische verandering te ondergaan wordt gebruikt om grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen of als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen, dan wel als verdunner, als dispergeermiddel, om de viscositeit aan te passen, om de oppervlaktespanning aan te passen, als weekmaker of als conserveermiddel;
s. gehalogeneerd organisch oplosmiddel: organisch oplosmiddel dat ten minste één broom-, chloor-, fluor-, of iodiumatoom per molecule bevat;
t. coating: mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels, die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om op een oppervlak voor een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te zorgen;
u. kleefstof: mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels, die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om afzonderlijke delen van een product samen te kleven;
v. inkt: mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels, die organische oplosmiddelen bevatten, dat bij een drukactiviteit wordt gebruikt om een tekst of afbeelding op een oppervlak af te drukken;
w. lak: een doorzichtige coating;
x. verbruik: de totale input van organische oplosmiddelen per twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele VOS die voor hergebruik wordt teruggewonnen;
y. input: de hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in mengsels die tijdens het uitoefenen van een activiteit worden gebruikt, met inbegrip van de gerecycleerde oplosmiddelen, binnen en buiten de installatie, die telkens worden meegerekend wanneer zij worden gebruikt om de activiteit uit te oefenen;
z. hergebruik van organische oplosmiddelen: het gebruik van uit een installatie teruggewonnen organische oplosmiddelen voor elk technisch of commercieel doel, met inbegrip van het gebruik als brandstof maar met uitzondering van het verwijderen van deze teruggewonnen organische oplosmiddelen als afval;
aa. massastroom: hoeveelheid vrijgekomen VOS, uitgedrukt in de eenheid van massa per uur;
ab. nominale capaciteit: massa van de organische oplosmiddelen die een installatie gemiddeld over één dag maximaal als input gebruikt, als de installatie onder normale bedrijfsomstandigheden bij de ontwerpoutput functioneert;
ac. normaal bedrijf: alle perioden waarin een installatie of een activiteit in bedrijf is, met uitzondering van het opstarten, stilleggen en het onderhoud van apparatuur;
ad. normale omstandigheden: een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,3 kPa;
ae. gemiddelde over 24 uur: rekenkundig gemiddelde van alle valide waarden die gedurende een periode van 24 uur bij normaal bedrijf zijn geregistreerd;
af. opstarten en stilleggen: activiteiten die worden uitgevoerd wanneer een activiteit, een deel van de installatie of een reservoir in of buiten bedrijf wordt gesteld of in of uit de onbelaste toestand wordt gebracht, waarbij regelmatig oscillerende activiteitenfasen niet als opstarten of stilleggen gelden;
ag. risicozinnen: de bijzondere, aan het gebruik van een stof, die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer, verbonden gevaren als bedoeld in artikel 2 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten;
ah. richtlijn 2007/46/EG: richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (Pb EU L 263).
2.
Onder een bestaande installatie als bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt mede verstaan het deel van de installatie, dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan, of na een belangrijke wijziging voor het eerst onder dit besluit valt, mits de totale emissies van de gehele installatie niet hoger zijn dan is toegestaan, indien dat deel een nieuwe installatie zou zijn.
Artikel 2
Dit besluit is van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen die behoren tot een of meer van de categorieën van inrichtingen, die zijn genoemd in bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht , voor zover zich in de inrichting een installatie, een bestaande installatie of een kleine installatie bevindt.
1.
Degene die een inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de installatie die zich in die inrichting bevindt, ten minste voldoet aan:
a. de in bijlage IIa bepaalde emissiegrenswaarden voor afgassen en diffuse-emissiegrenswaarden of aan de totale emissiegrenswaarden en overige voorschriften, of
b. aan de eisen van het in bijlage IIb beschreven reductieprogramma.
2.
Voor diffuse emissies gelden diffuse-emissiegrenswaarden voor installaties als emissiegrenswaarde.
3.
Indien degene die een inrichting drijft, ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat de grenswaarde, bedoeld in het tweede lid, technisch en economisch niet haalbaar is, kan dat gezag voor de installatie een afwijkende grenswaarde vaststellen, mits er geen aanmerkelijke gevaren voor de menselijke gezondheid of het milieu zijn te verwachten en er ten genoegen van het bevoegd gezag wordt aangetoond dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek. Wanneer het bevoegd gezag van deze bevoegdheid gebruik maakt, zendt het een afschrift van het desbetreffende besluit aan Onze Minister.
4.
Voor activiteiten waarbij de vrijkomende VOS niet beheerst kan worden afgevangen en uitgestoten, kan worden afgeweken van de emissiegrenswaarden van bijlage IIa , voor zover deze mogelijkheid uitdrukkelijk in die bijlage is genoemd. In dat geval wordt het reductieprogramma van bijlage IIb gevolgd.
5.
Indien degene die een inrichting drijft, in een geval als bedoeld in het vierde lid, ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat het volgen van het reductieprogramma technisch en economisch niet haalbaar is, kan dat gezag voor de installatie afwijken van het reductieprogramma. In dat geval wordt ten genoegen van het bevoegd gezag aangetoond dat gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek. Wanneer het bevoegd gezag van deze bevoegdheid gebruik maakt, zendt het een afschrift van het desbetreffende besluit aan Onze Minister.
6.
Voor een installatie die het reductieprogramma niet volgt, voldoet alle emissieverminderende apparatuur die na de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt aangebracht, aan bijlage IIa.
1.
Degene die een inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de installatie waarin twee of meer activiteiten worden verricht die elk de drempelwaarden van bijlage IIa overschrijden, voldoet:
a. ten aanzien van de stoffen, genoemd in het tweede tot en met het vierde lid, voor elke activiteit afzonderlijk aan de in die leden vermelde eisen, en
b. ten aanzien van de andere stoffen:
1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 3, eerste lid, of
2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.
2.
Stoffen of mengsels waaraan een of meer van de gevarenaanduidingen H340, H350, H350i, H360D of H360F of de risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61 is of zijn toegekend of die van deze aanduidingen moeten zijn voorzien wegens hun gehalte aan VOS die krachtens de EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, voor zover mogelijk en rekening houdend met door de Europese Commissie krachtens artikel 7, eerste lid, van de richtlijn gepubliceerde richtsnoeren met betrekking tot het gebruik van vluchtige organische stoffen en mogelijke vervangingsproducten daarvoor, binnen zo kort mogelijke tijd vervangen door minder schadelijke stoffen of preparaten.
3.
Voor de uitstoot van de VOS, bedoeld in het tweede lid, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de in dat lid bedoelde etikettering verplicht is, in totaal 10 g/uur of meer bedraagt, wordt een emissiegrenswaarde van 2 mg/Nm 3 in acht genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
4.
Voor de uitstoot van gehalogeneerde VOS, waaraan de risicozinnen R40 en R68 zijn toegekend, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de vermelding van R40 en R68 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, wordt een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm 3 in acht genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.
5.
De uitstoot van VOS, bedoeld in het tweede of vierde lid, wordt beheerst afgevangen en uitgestoten, voor zover dit technisch en economisch haalbaar is, om de volksgezondheid en het milieu te beschermen.
6.
Bij uitstoot van VOS waaraan na de inwerkingtreding van dit besluit een van de risicozinnen, genoemd in het tweede of vierde lid, wordt toegekend of die van deze zinnen behoren te zijn voorzien, worden de emissiegrenswaarden, genoemd in onderscheidenlijk het derde en vierde lid, zo snel mogelijk in acht genomen.
Artikel 5
Degene die een inrichting drijft waarin zich een bestaande installatie bevindt, draagt zorg voor:
a. het voldoen van die installatie uiterlijk op 31 oktober 2007 aan de artikelen 3 en 4;
b. het aanmelden van de inrichting bij het bevoegd gezag uiterlijk op 31 oktober 2005, indien hij gebruik wil maken van het reductieprogramma van bijlage IIb .
1.
Degene die een inrichting drijft, neemt alle passende voorzorgsmaatregelen om de emissies van VOS bij het starten en stilleggen van de installatie tot een minimum te beperken.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die een inrichting drijft waarin zich een bestaande installatie bevindt, met ingang van de dag waarop die installatie voldoet aan de artikelen 3 en 4, doch uiterlijk op 31 oktober 2007.
Artikel 7
Een bestaande installatie die werkt met nabehandelingsapparatuur en voldoet aan de emissiegrenswaarden van:
a. 50 mg C/Nm 3 , bij verbranding, of
b. 150 mg C/Nm 3 , bij elke andere nabehandelingsapparatuur, is vrijgesteld van de emissiegrenswaarden voor afgassen, genoemd in de tabel van bijlage IIa , tot 1 april 2013, mits de totale emissies van de gehele installatie niet groter zijn dan het geval zou zijn indien aan de eisen van die tabel zou zijn voldaan.
1.
Het reductieprogramma, bedoeld in bijlage IIb , ontslaat degene die een inrichting drijft, die stoffen als bedoeld in artikel 4, tweede tot en met vierde lid, uitwerpt, niet van de plicht dat een installatie aan de eisen van die leden voldoet.
2.
Het reductieprogramma, bedoeld in bijlage IIb , noch artikel 7 ontslaat degene die een inrichting drijft waarin zich een bestaande installatie bevindt, die stoffen als bedoeld in artikel 4, tweede tot en met vierde lid, uitwerpt, van de plicht dat die installatie aan de eisen van die leden voldoet met ingang van de dag waarop het reductieprogramma en artikel 7 op die installatie van toepassing is, doch uiterlijk op 31 oktober 2007.
1.
Ter voldoening aan de artikelen 3 tot en met 8, kan het bevoegd gezag bij nadere eis stellen dat een installatie voldoet aan voorschriften van de Nederlandse emissierichtlijn.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de van toepassing zijnde Nederlandse emissierichtlijn.
Artikel 9a
In afwijking van de artikelen 3 tot en met 9 stelt het bevoegd gezag, indien tot de inrichting een gpbv-installatie behoort, voor een tot die gpbv-installatie behorende installatie strengere emissiegrenswaarden vast dan de in dit besluit voor die installatie gestelde emissiegrenswaarden, indien met laatstbedoelde emissiegrenswaarden niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.14 en 2.22 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.
Degene die een inrichting drijft, is verplicht een afgaskanaal waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en dat aan de uitlaatzijde gemiddeld in totaal meer dan 10 kilogram organische koolstof per uur uitwerpt, doorlopend te controleren of aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan.
2.
In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, is degene die een inrichting drijft, verplicht periodiek metingen uit te voeren, waarbij gedurende elke meting ten minste drie meetresultaten worden geregistreerd.
3.
Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent het meten en de beoordeling van meetresultaten.
4.
Metingen ter controle op de naleving van de emissiegrenswaarden zijn niet vereist indien nabehandelingsapparatuur niet noodzakelijk is om te voldoen aan dit besluit.
5.
Bij doorlopende metingen is aan de emissiegrenswaarden voldaan indien:
a. geen van de gemiddelden onder normale omstandigheden gedurende 24 uur normaal bedrijf hoger is dan de emissiegrenswaarden, en
b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
6.
Bij periodieke metingen is aan de emissiegrenswaarden voldaan indien bij die meting:
a. het gemiddelde van alle meetresultaten onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden, en
b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.
7.
Of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4, derde of vierde lid, wordt voldaan, wordt gecontroleerd op basis van de som van de massaconcentraties van de verschillende betrokken VOS. In alle andere gevallen wordt, indien in bijlage IIa niet anders is bepaald, gecontroleerd op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten.
8.
Het eerste tot en met het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een bestaande installatie met ingang van de dag waarop die installatie voldoet aan de artikelen 3 en 4, doch uiterlijk op 31 oktober 2007.
1.
Degene die een inrichting drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding aan de hand waarvan ten genoegen van het bevoegd gezag wordt aangetoond dat is voldaan aan:
a. de emissiegrenswaarden voor afgassen, de diffuse- en totale emissie- grenswaarden,
b. de eisen van het reductieprogramma krachtens bijlage IIb , of
c. artikel 3, vierde lid.
Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de afgassen af te koelen of te verdunnen indien dit technisch gerechtvaardigd is, maar worden niet meegeteld bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van de oplosmiddelenboekhouding.
3.
Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een bestaande installatie met ingang van de dag waarop die installatie aan de artikelen 3 en 4 voldoet, doch uiterlijk op 31 oktober 2007.
Artikel 12
Degene die een inrichting drijft, is verplicht na een belangrijke wijziging ten genoegen van het bevoegd gezag aan te tonen dat aan de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voldaan.
1.
Indien uit metingen of controles blijkt dat de installatie niet meer voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften, stelt degene die de inrichting drijft het bevoegd gezag daarvan terstond op de hoogte en neemt terstond maatregelen om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan die voorschriften wordt voldaan.
2.
Indien het eerste lid van toepassing is en er sprake is van een direct gevaar voor de menselijke gezondheid en zolang niet gewaarborgd kan worden dat overeenkomstig het eerste lid weer aan de eisen wordt voldaan, schort degene die de inrichting drijft verdere uitoefening van de activiteit op.
1.
Degene die een inrichting drijft, verstrekt op verzoek van het bevoegd gezag de gegevens die het nodig heeft om na te gaan of aan dit besluit wordt voldaan. Tot die gegevens behoren in elk geval de resultaten van de controles en metingen, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op degene die een inrichting drijft, indien hij de in dat lid bedoelde gegevens reeds verstrekt in het milieuverslag, bedoeld in artikel 12.4 van de wet.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het verstrekken van gegevens die het bevoegd gezag nodig heeft om na te gaan of aan dit besluit wordt voldaan.
Artikel 15
Het bevoegd gezag verstrekt de gegevens, bedoeld in de artikelen 13 en 14, op diens verzoek aan Onze Minister.
Artikel 16
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2001.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-Richtlijn milieubeheer.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 19 maart 2001
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven de dertigste maart 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsbepalingen en toepassingsgebied
+ § 2. Vereisten voor installaties
+ § 3. Metingen en controles
+ § 4. Oplosmiddelenboekhouding
+ § 5. Informatieverstrekking
+ § 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht