Let op. Deze wet is vervallen op 22 december 2009. U leest nu de tekst die gold op 21 december 2009.

Organiek Besluit Rijkswaterstaat

Uitgebreide informatie
Besluit van 14 januari 1971, tot uitvoering van artikel 5, tweede lid, Waterstaatswet 1900
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 oktober 1970, nr. R/O 60927, Hoofddirectie van de Waterstaat;
Gelet op artikel 5, tweede lid, van de Waterstaatswet 1900 ( Stb. 176);
De Raad van State gehoord (advies van 4 november 1970, nr. 19);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 januari 1971, nr. R/O 2004, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Waterstaatsrecht,
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan:
a. onder "Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. onder "de Directeur-Generaal": de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat.
Artikel 2
De Rijkswaterstaat is, voor zover een en ander aan Onze Minister is opgedragen en volgens diens aanwijzingen, belast met:
a. de uitoefening van het oppertoezicht over de waterstaat;
b. in het algemeen de behandeling van alle waterstaatsaangelegenheden, waaronder de zorg voor:
- de beveiliging van het land tegen het water;
- de waterhuishouding in kwantitatieve en kwalitatieve zin;
- scheepvaartwegen en havens;
- landwegen en oeververbindingen;
- een veilige en vlotte verkeersafwikkeling te water en op de weg;
c. de aanleg, het beheer en het onderhoud van waterkeringen, van werken ten behoeve van de waterhuishouding, van scheepvaartwegen en havens, van landwegen en oeververbindingen, de uitvoering van werken ten behoeve van landaanwinning;
d. het verzamelen van gegevens voor de kennis van de waterstaatkundige toestand van het land, van het verkeer te water en van het wegverkeer;
e. het bevorderen en het doen van onderzoekingen en proefnemingen ten behoeve van waterstaatsaangelegenheden, met inbegrip van de verkeersveiligheid; het geven van adviezen ter zake;
f. het wetenschappelijke en praktische onderzoek van de hoedanigheid van de oppervlaktewateren en van de wijze waarop deze kunnen worden beschermd tegen verontreiniging; het geven van adviezen betreffende de met het oog op die bescherming te treffen voorzieningen;
g. het voorbereiden van de te stellen regelen verband houdende met de taken genoemd in de voorgaande punten;
h. het voorbereiden van concessies op het gebied van de waterstaat;
i. de zorg voor de uitvoering en naleving van de gestelde regelen verband houdende met de taken genoemd in de voorgaande punten; het in verband hiermede verlenen van vergunningen en ontheffingen; de zorg voor de naleving van voorwaarden verbonden aan die vergunningen en ontheffingen, alsmede aan concessies op het gebied van de waterstaat;
j. de zorg voor de nakoming van de verplichtingen op waterstaatsgebied die de Staat der Nederlanden tegenover derden heeft aangegaan.
1.
Aan het hoofd van de Rijkswaterstaat staat de Directeur-Generaal.
2.
Onze Minister kan de Directeur-Generaal belasten met andere werkzaamheden dan die welke voortvloeien uit de leiding van de Rijkswaterstaat.
3.
Bij afwezigheid of bij ontstentenis van de Directeur-Generaal wordt zijn taak waargenomen door een der in artikel 5, tweede lid, genoemde functionarissen. Onze Minister stelt van deze functionarissen de volgorde vast volgens welke in de plaatsvervanging wordt voorzien.
1.
De Rijkswaterstaat is samengesteld uit:
a. de Hoofddirectie van de Waterstaat;
b. directies, diensten en overige instellingen van de Rijkswaterstaat.
2.
De Hoofddirectie van de Waterstaat is onder de Directeur-Generaal belast met de algemene leiding over de directies, diensten en overige instellingen bedoeld in het eerste lid onder b.
1.
De Hoofddirectie van de Waterstaat is samengesteld uit:
a. beleidsafdelingen, die als hoofdafdelingen worden aangeduid;
b. hulpafdelingen;
c. stafafdelingen;
d. een directiesecretariaat.
2.
Aan het hoofd van elk der hoofdafdelingen staat een (hoofd)directeur.
3.
Aan het hoofd van het directiesecretariaat staat een directiesecretaris.
1.
Er is een directieraad.
2.
De Directeur-Generaal raadpleegt de directieraad over de aangelegenheden, die voor de vorming en de uitvoering van het algemene beleid van belang zijn, en voorts in de gevallen, waarin hij dit nodig oordeelt.
3.
In de directieraad wordt het voorzitterschap bekleed door de Directeur-Generaal. De hoofden van de beleidsafdelingen, bedoeld in artikel 5, eerste lid onder a, zijn lid van de directieraad.
4.
Als secretaris van de directieraad treedt op de directiesecretaris.
1.
De directies, diensten en overige instellingen bedoeld in artikel 4, eerste lid onder b, worden onderscheiden in regionale en functionele.
2.
Zij kunnen worden verdeeld in organisatorische eenheden als arrondissementen, afdelingen, dienstkringen.
3.
Tot de bedoelde directies, diensten en overige instellingen behoort mede het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling, bedoeld in artikel 32 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Artikel 8
Onze Minister stelt in de beleidsafdelingen bedoeld in artikel 5, eerste lid onder a, en de directies, diensten en overige instellingen bedoeld in artikel 4, eerste lid onder b.
1.
Onze Minister wijst aan:
a. de functionarissen bedoeld in artikel 5, tweede lid;
b. de hoofden van de directies, diensten en instellingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder b.
2.
Voor zover krachtens het bepaalde in het eerste lid geen aanwijzing door Onze Minister vereist is, worden de hoofden van de dienstonderdelen door of namens de Directeur-Generaal aangewezen.
1.
Onze Minister stelt de instructie vast van:
a. de Directeur-Generaal;
b. de functionarissen bedoeld in artikel 5, tweede lid;
c. de hoofden van de directies, diensten en instellingen als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder b.
2.
De Directeur-Generaal stelt de instructie vast van de overige ambtenaren.
1.
De volgende Koninklijke besluiten worden ingetrokken:
a. het besluit van 7 december 1948 ( Stb. I 535);
b. het besluit van 13 november 1923 ( Stb. 517);
c. het besluit van 31 mei 1919 ( Stb. 270).
2.
De taak van de Dienst der Zuiderzeewerken behoort tot die van de Rijkswaterstaat.
Artikel 12
Dit besluit kan worden aangehaald als "Organiek Besluit Rijkswaterstaat".
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 14 januari 1971
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de elfde februari 1971.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken