Artikel 5
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen hoofdstuk I van titel II en hoofdstuk III van titel III van de hoger-onderwijswet en de ter uitvoering van die hoofdstukken gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.
Artikel 6
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder gymnasia, hogereburgerscholen, middelbare scholen voor meisjes en handelsdagscholen zowel zelfstandige scholen als afdelingen verstaan.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde gymnasia worden met ingang van 1 augustus 1968 gymnasia, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.
2.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1973. Voor het schooljaar 1973-1974 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog een zesde leerjaar volgens die voorschriften vormen.
Artikel 8
Tot 1 januari 1975 wordt aan de leerlingen van de gymnasia, bedoeld in artikel 7, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de gymnasia, die op 31 juli 1968 ingevolge de hoger-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
1.
De gemeentelijke gymnasia, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden.
2.
Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde gymnasia van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde gymnasia. De artikelen 7, tweede lid, en 8 zijn van toepassing.
3.
Een in het eerste lid bedoeld gymnasium blijft bij de toepassing van artikel 96 i van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten aanmerking, zolang het niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
Artikel 10
De vergoeding ten behoeve van een gemeentelijk gymnasium, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, waarvan een of meer leerjaren tevens vormen een of meer leerjaren van een rijksatheneum, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, wordt berekend volgens door Onze minister vast te stellen regelen.
Artikel 11
Tot 1 januari 1975 wordt de gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen gymnasium volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
Artikel 12
Met ingang van 1 augustus 1968 vervallen de middelbaar-onderwijswet en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde hogereburgerscholen A en B worden met ingang van 1 augustus 1968 athenea of scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, ter keuze van de gemeenteraad, indien het een gemeentelijke school betreft, en van het bevoegd gezag, indien het een rijksschool of een bijzondere school betreft. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt een hogereburgerschool A, waarvan de eerste drie leerjaren niet samenvallen met een hogereburgerschool B noch met een gymnasium, een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs.
3.
Indien een hogereburgerschool B of een hogereburgerschool A en B, waarvan niet een of meer leerjaren samenvallen met een gymnasium, in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 werd bezocht door ten minste 400 leerlingen, gerekend naar de toestand op 16 september, kan de school worden omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een atheneum en een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs dan wel in een atheneum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder b , van de Wet op het voortgezet onderwijs.
4.
Indien een hogereburgerschool B of een hogereburgerschool A en B, waarvan een of meer leerjaren samenvallen met een gymnasium, tezamen met dit gymnasium in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 werd bezocht door ten minste 600 leerlingen, gerekend naar de toestand op 16 september, kan deze school tezamen met het gymnasium worden omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een lyceum en een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs dan wel in een lyceum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 8, eerste lid onder b , van de Wet op het voortgezet onderwijs.
5.
Indien het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, doet het bevoegd gezag van het besluit tot omzetting van de hogereburgerschool, bedoeld in de vorige leden, voor 1 februari 1968 mededeling aan Onze minister.
6.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1972. Voor het schooljaar 1972-1973 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog een vijfde leerjaar volgens die voorschriften vormen. Indien de cursusduur van de hogereburgerschool met een jaar was verlengd, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1973 en kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, voor het schooljaar 1973-1974 alsnog een zesde leerjaar volgens die voorschriften vormen.
Artikel 14
Tot 1 januari 1974 wordt aan de leerlingen van de hogereburgerscholen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de hogereburgerscholen, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Indien de cursusduur van deze scholen met een jaar is verlengd, wordt die gelegenheid gegeven tot 1 januari 1975.
1.
De gemeentelijke hogereburgerscholen A en B, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden als athenea of als scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs. Op de omzetting in athenea of scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs is artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, van toepassing.
2.
Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde hogereburgerscholen van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde scholen. De artikelen 13, zesde lid, en 14 zijn van toepassing.
3.
Een in het eerste lid bedoelde hogereburgerschool blijft bij de toepassing van artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten aanmerking, zolang zij niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
Artikel 16
Tot 1 januari 1975 wordt de gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen hogereburgerschool volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde middelbare scholen voor meisjes worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.
2.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1972. Voor het schooljaar 1972-1973 kan het bevoegd gezag, voor zover het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft onder goedkeuring van Onze minister, alsnog een vijfde leerjaar volgens die voorschriften vormen.
Artikel 18
Tot 1 januari 1974 wordt aan de leerlingen van de middelbare scholen voor meisjes, bedoeld in artikel 17, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de middelbare scholen voor meisjes, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften.
1.
De gemeentelijke middelbare scholen voor meisjes, die op 31 juli 1967 niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, kunnen ten laste van de gemeente in stand worden gehouden als scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs.
2.
Voor de toepassing van afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs worden de in het eerste lid bedoelde middelbare scholen voor meisjes van 1 augustus 1968 af aangemerkt als uit de openbare kas bekostigde scholen. De artikelen 17, tweede lid, en 18 zijn van toepassing.
3.
Een in het eerste lid bedoelde middelbare school voor meisjes blijft bij de toepassing van artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten aanmerking, zolang zij niet uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde handelsdagscholen worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.
2.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1970, indien het een handelsdagschool met driejarige cursus betreft, en tot 1 augustus 1971, indien het een handelsdagschool met vierjarige cursus betreft. Het bevoegd gezag kan, indien het een handelsdagschool met driejarige cursus betreft, voor het schooljaar 1970-1971 en, indien het een handelsdagschool met vierjarige cursus betreft, voor het schooljaar 1971-1972 onder goedkeuring van Onze minister alsnog een hoogste leerjaar volgens die voorschriften vormen.
Artikel 21
Tot 1 januari 1972 wordt aan de leerlingen van de handelsdagscholen met driejarige cursus, bedoeld in artikel 20, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de handelsdagscholen met driejarige cursus, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd, de gelegenheid gegeven het eindexamen af te leggen volgens de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Deze gelegenheid wordt tot 1 januari 1973 gegeven aan de leerlingen van de handelsdagscholen met vierjarige cursus, bedoeld in artikel 20, eerste lid, alsmede aan de leerlingen van de handelsdagscholen met vierjarige cursus, die op 31 juli 1968 ingevolge de middelbaar-onderwijswet zijn aangewezen, doch niet uit ’s Rijks kas worden bekostigd.
1.
De vergoeding van de kosten van de scholen, bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, 13, eerste lid, 17, eerste lid, en 20, eerste lid, geschiedt tot 1 januari 1969 op de grondslag van de op 31 juli 1968 geldende voorschriften, waarbij 31 december 1968 als het einde van het lopende vijfjarige tijdvak wordt aangemerkt.
2.
De vaststelling van de uitgaven voor gemeentelijke scholen, bedoeld in artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vindt voor het eerst plaats over het jaar 1969.
1.
De op 31 juli 1968 uit ’s Rijks kas bekostigde handelsavondscholen kunnen tot 1 augustus 1975 in stand worden gehouden.
2.
Op de in het eerste lid bedoelde handelsavondscholen blijven van toepassing de op 31 juli 1968 geldende voorschriften. Wij kunnen deze voorschriften wijzigen, voor zover zij bij algemene maatregel van bestuur zijn gegeven.
Artikel 24
Een gymnasium en een atheneum, die met inachtneming van de artikelen 7 en 13 ontstaan uit een gymnasium en een hogereburgerschool, waarvan de eerste of de eerste en de tweede leerjaren gemeenschappelijk zijn, worden met ingang van 1 augustus 1968 een lyceum, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 25
Bij de toepassing van de artikelen 13, 17 en 20 wordt aan de desbetreffende school niet meer dan één school of afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs verbonden.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde avondlycea worden met ingang van 1 augustus 1968 avondlycea, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
De uit ’s Rijks kas bekostigde avondhogereburgerscholen worden met ingang van 1 augustus 1968 ter keuze van de gemeenteraad of het schoolbestuur, al naar gelang het gemeentelijke of bijzondere scholen betreft, avondathenea of avondscholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het bevoegd gezag doet van zijn beslissing voor 1 februari 1968 mededeling aan Onze minister.
3.
Onze minister kan op verzoek van de gemeenteraad of van het schoolbestuur, al naar gelang het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, goedkeuren, dat een avondlyceum met ingang van 1 augustus 1968 wordt omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een avondlyceum en een avondschool voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of in een avondlyceum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs. Onze minister kan eveneens op verzoek goedkeuren, dat een avondhogereburgerschool met ingang van die datum wordt omgezet in een scholengemeenschap, bestaande uit een avondatheneum en een avondschool voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of in een avondatheneum met een afdeling voor hoger algemeen voortgezet onderwijs.
1.
De uit ’s Rijks kas bekostigde hogereburgerscholen met driejarige cursus worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs. Zij vangen op die datum aan met het eerste leerjaar.
2.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1968 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften van toepassing tot 1 augustus 1970.
1.
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van de bijzondere scholen, bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, worden door de gemeente vergoed voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs.
2.
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten en inrichtingskosten van gemeentelijke scholen als bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2a.
De op 31 juli 1968 voor vergoeding in aanmerking genomen stichtingskosten van de bijzondere scholen, bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, blijven vergoed volgens de op die datum geldende voorschriften voor zover het betreft voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
3.
Voor de toepassing van artikel 83 van de Wet op het voortgezet onderwijs ten behoeve van bijzondere scholen, als bedoeld in de artikelen 7, 13, 17, 20 en 27, stelt Onze minister de waarde vast van de op 31 december 1968 in de school aanwezige inrichting, alsmede de waarde van de onderdelen van deze inrichting. De aldus vastgestelde bedragen worden in mindering gebracht op de vergoeding, bedoeld in artikel 83, tweede lid eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
In afwijking van artikel 28 kan Onze minister na overleg met het bevoegd gezag en met Onze minister van financiën bepalen, dat de vergoeding ingevolge de artikelen V of VI van de wet van 7 juli 1955, Stb. 320, wordt vervangen door een uitkering ineens.
2.
Artikel 101 van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft buiten toepassing, voor zover het betreft onroerende zaken, waarvoor de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, niet is vervangen door een uitkering ineens.
3.
Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 30
Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in dit hoofdstuk, blijft artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.
Artikel 30a
Indien een niet uit ’s Rijks kas bekostigde avondhogereburgerschool in het schooljaar 1967-1968 geheel of gedeeltelijk uit de gemeentekas werd bekostigd en de school wordt omgezet in een avondschool voor voortgezet onderwijs, blijft de gemeente ook na 31 juli 1968 tot gehele of gedeeltelijke bekostiging bevoegd tot het tijdstip waarop de school ingevolge titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
1.
De op 31 juli 1968 uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen voor de examens ter verkrijging van een middelbare akte, als bedoeld in titel VI van de middelbaar-onderwijswet, kunnen in stand worden gehouden tot een door Ons te bepalen tijdstip.
2.
De bekostiging van de in het eerste lid bedoelde opleidingen geschiedt onder de voorwaarden en volgens de regelen, die Onze minister vaststelt.
Inhoudsopgave
+ Titel I. Algemene bepalingen
+ Titel II. Wijzigingen in de Wet op het voortgezet onderwijs
+ Titel III. Inwerkingtreding van de Wet op het voortgezet onderwijs
- Titel IV. Inpassing van het bestaande onderwijs
+ Titel V. Wijzigingen in andere wetten
+ Titel VI. Overige inpassings- en overgangsregelingen
+ Titel VII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht