1.
Met ingang van 1 augustus 1968 zijn de Lager-onderwijswet 1920 en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften, tenzij bij deze wet anders is bepaald, niet meer van toepassing, voor zover zij betreffen het voortgezet gewoon en het uitgebreid lager onderwijs.
2.
Met ingang van 1 augustus 1973 vervalt de mogelijkheid, dat een uit de openbare kas bekostigde school voor basisonderwijs meer dan zes achtereenvolgende leerjaren omvat. Ten behoeve van het zevende en de hogere leerjaren van een school voor basisonderwijs, die voldoen aan de voorwaarden, genoemd in artikel 55 bis , vierde lid, van de Lager-onderwijswet 1920, blijven tot die datum de voorschriften van die wet betreffende het voortgezet gewoon lager onderwijs van kracht.
1.
De uit de openbare kas bekostigde scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor lager algemeen voortgezet onderwijs, scholen voor lager huishoud- en nijverheidsonderwijs of scholen voor lager economisch en administratief onderwijs, een en ander als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
De gemeenteraad of het schoolbestuur, al naar gelang het een gemeentelijke of een bijzondere school betreft, beslist, of zijn school een school wordt voor lager algemeen voortgezet onderwijs of een van de scholen voor beroepsonderwijs, genoemd in het eerste lid, en doet daarvan mededeling aan Onze minister voor 1 februari 1968.
3.
Een besluit tot omzetting van de school in een school voor lager economisch en administratief onderwijs leidt slechts tot bekostiging op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs , indien de school in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 werd bezocht door gemiddeld ten minste 150 leerlingen, gerekend naar de toestand op 16 januari, 16 mei en 16 september.
4.
Een besluit tot omzetting van de school in een school voor lager huishoud- en nijverheidsonderwijs leidt slechts tot bekostiging op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs , indien de school in elk van de jaren 1965, 1966 en 1967 in het tweede leerjaar werd bezocht door gemiddeld ten minste 40 meisjes, gerekend naar de toestand op 16 januari, 16 mei en 16 september.
Artikel 34
Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 33 bedoelde scholen in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot uiterlijk 1 augustus 1971.
1.
De uit de openbare kas bekostigde scholen voor uitgebreid lager onderwijs worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de uit de openbare kas bekostigde scholen voor uitgebreid lager onderwijs, waaraan in hoofdzaak handelsonderwijs wordt gegeven en waarvan de leerlingen voor 1 augustus 1967 niet deelnamen aan de landelijke mulo-examens. Deze scholen worden met ingang van 1 augustus 1968 scholen voor lager economisch en administratief onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
3.
Bij verschil van mening tussen het bevoegd gezag en Onze minister, of het eerste dan wel het tweede lid van toepassing is, beslist Onze minister, de Onderwijsraad gehoord.
Artikel 36
Indien de inrichting van het onderwijs van de in artikel 35 bedoelde scholen in het tweede en de volgende leerjaren niet voldoet aan de bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften, blijven de op 31 juli 1968 geldende voorschriften daarop van toepassing tot uiterlijk 1 augustus 1971.
1.
De op 31 juli 1968 nog niet geopende scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs, tot de stichting waarvan of tot medewerking aan de stichting waarvan de gemeenteraad voor 1 augustus 1967 heeft besloten of geacht wordt te hebben besloten, worden scholen voor lager algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.
De op 31 juli 1968 nog niet geopende scholen voor uitgebreid lager onderwijs, tot de stichting waarvan of tot medewerking aan de stichting waarvan de gemeenteraad voor 1 augustus 1968 heeft besloten of geacht wordt te hebben besloten, worden scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in afdeling I van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 38
Op besluiten van de gemeenteraad betreffende de stichting van openbare scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs en tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen, genomen of geacht te zijn genomen voor 1 augustus 1967, blijft de Lager-onderwijswet 1920 van toepassing. Wanneer de uitvoering van een besluit voor 1 augustus 1973 nog niet is aangevangen, wordt dit besluit geacht niet te zijn genomen.
Artikel 39
De gemeenteraad besluit na 31 juli 1967 niet tot stichting van openbare scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs of tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen en wordt na die datum niet ingevolge de artikelen 19 bis , zesde lid, of 76, eerste lid, van de Lager-onderwijswet 1920 geacht tot stichting of tot medewerking aan de stichting van scholen voor voortgezet gewoon lager onderwijs te hebben besloten.
1.
Besluiten van de gemeenteraad tot stichting van openbare scholen voor uitgebreid lager onderwijs en besluiten tot medewerking aan de stichting van overeenkomstige bijzondere scholen, genomen of geacht te zijn genomen na 31 juli 1967 en voor 1 augustus 1968, behoeven de goedkeuring van Onze minister.
2.
Onze minister weigert de goedkeuring, indien de stichting van de school niet in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen.
3.
Indien Onze minister de goedkeuring weigert, is artikel 71 van de Wet op het voortgezet onderwijs van overeenkomstige toepassing.
4.
Op besluiten van de gemeenteraad, als bedoeld in dit artikel, blijft de Lager-onderwijswet 1920 van toepassing, met uitzondering van de artikelen 19 bis , zesde lid tweede en derde volzin, 23, 23 bis en 76, tweede en derde lid, en met dien verstande dat geen waarborgsom verschuldigd is. Wanneer de uitvoering van een besluit voor 1 augustus 1973 nog niet is aangevangen, wordt dit besluit geacht niet te zijn genomen.
1.
Voor de stichtingskosten, de huren en de inrichtingskosten van openbare en bijzondere scholen, als bedoeld in de artikelen 33, 35 en 37, wordt tot 1 januari 1969 geen vergoeding uit ’s Rijks kas verleend. De gemeenten blijven tot die datum in het genot van de uitkeringen krachtens de Financiële-Verhoudingswet 1960.
2.
Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde bijzondere scholen blijven de artikelen 72 tot en met 86 van de Lager-onderwijswet 1920 tot 1 januari 1969 van toepassing, voor zover deze betrekking hebben op uitbreiding, verbouwing, herstel, verandering van inrichting en op aanschaffing van schoolmeubelen of leer- en hulpmiddelen en met dien verstande dat geen waarborgsom verschuldigd is.
3.
Met betrekking tot besluiten van de gemeenteraad ingevolge de artikelen 75 en 76 van de Lager-onderwijswet 1920 betreffende de in het vorige lid bedoelde voorzieningen blijven de artikelen 76, tweede lid, en 17 van die wet ook na 31 december 1968 van toepassing.
4.
De in het vorige lid bedoelde besluiten, dan wel de daarop in beroep genomen beslissingen worden ook na 31 december 1968 volgens de Lager-onderwijswet 1920 uitgevoerd.
1.
Met betrekking tot gebouwen, terreinen en roerende zaken, die ten behoeve van bijzondere scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs in bruikleen zijn gegeven of onder andere voorwaarden ter beschikking zijn gesteld, komen de gemeente en het schoolbestuur voor 1 januari 1969 nader overeen, op welke wijze deze gebouwen, terreinen en roerende zaken ter beschikking van het schoolbestuur blijven.
2.
Indien geen eigendomsoverdracht plaatsvindt, is de goedkeuring van Onze minister vereist.
3.
Indien geen overeenstemming wordt bereikt, beslist Onze minister.
1.
Voor 1 januari 1969 betaalt de gemeente aan de besturen van de bijzondere scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs de niet vervallen waarborgsommen of de niet vervallen gedeelten daarvan terug, een en ander met inbegrip van de geschatte waarde van de grond, bedoeld in artikel 74, tweede lid, van de Lager-onderwijswet 1920.
2.
Geschillen over de toepassing van dit artikel worden onderworpen aan de beslissing van gedeputeerde staten.
1.
Voor de exploitatiekosten van openbare en bijzondere scholen, als bedoeld in de artikelen 33, 35 en 37, wordt tot 1 januari 1969 geen vergoeding uit ’s Rijks kas verleend. De gemeenten blijven tot die datum in het genot van de uitkeringen krachtens de Financiële-Verhoudingswet 1960. De vaststelling van de uitgaven voor gemeentelijke scholen, bedoeld in artikel 88 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vindt voor het eerst plaats over het jaar 1969.
2.
De vaststelling van de uitgaven van openbare scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs en de vaststelling en de uitkering van de gemeentelijke vergoedingen ten behoeve van de overeenkomstige bijzondere scholen, betrekking hebbende op de jaren, voorafgaande aan 1 januari 1969, vinden plaats volgens de Lager-onderwijswet 1920, met dien verstande dat de artikelen 55 ter , tweede lid, 101, vierde lid, en 103, derde en zesde lid, van die wet worden toegepast over de jaren 1963 tot en met 1968.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op de uitgaven en de vergoedingen, bedoeld in artikel 101 bis van de Lager-onderwijswet 1920.
1.
Voor de kosten van stichting en eerste inrichting ten behoeve van een gemeentelijke of, voor zover die kosten ingevolge artikel 72 van de Lager-onderwijswet 1920 ten laste van de gemeente zijn gekomen, ten behoeve van een bijzondere school voor voortgezet gewoon of uitgebreid lager onderwijs, ontvangt de gemeente met ingang van 1 januari 1969 een vergoeding ten laste van het Rijk.
2.
Ter berekening van de vergoeding stelt Onze minister het bedrag vast van de werkelijke kosten, bedoeld in het eerste lid, alsmede het jaar, waarin het gebouw is voltooid.
3.
De vergoeding omvat per jaar tot het tijdstip, waarop veertig jaren na het in het tweede lid bedoelde jaar zijn verlopen, de som, die jaarlijks nog nodig zou zijn voor rente en aflossing van een veertigjarige geldlening tot het vastgestelde bedrag, aangegaan in het jaar van voltooiing, waarbij de aflossing op jaarlijks gelijke bedragen is gesteld en de rente wordt berekend over het niet afgeloste deel van die lening tegen een rentevoet, als ingevolge artikel 79, vijfde lid, van de Lager-onderwijswet 1920 is bepaald voor het jaar van voltooiing.
4.
Voor de berekening van de vergoeding wordt uitbreiding van een schoolgebouw met een of meer nieuwe lokalen aangemerkt als stichting van een nieuw gebouw.
5.
Indien en voor zover de gebouwen en terreinen van een gemeentelijke school niet meer ten behoeve van het voortgezet onderwijs worden gebruikt, eindigt de vergoeding met ingang van de daaropvolgende maand.
6.
Het eerste tot en met vijfde lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
Voor de kosten van latere voorzieningen ten behoeve van een gemeentelijke of, voor zover die kosten ingevolge artikel 72 van de Lager-onderwijswet 1920 ten laste van de gemeente zijn gekomen, van een bijzondere school voor voortgezet gewoon of uitgebreid lager onderwijs ontvangt de gemeente met ingang van 1 januari 1969 een vergoeding ten laste van het Rijk. Als latere voorzieningen worden aangemerkt de voorzieningen, genoemd in artikel 72 van de Lager-onderwijswet 1920, met uitzondering van die, genoemd in artikel 45 van deze wet.
2.
Ter berekening van de vergoeding stelt Onze minister het bedrag vast van de werkelijke kosten, bedoeld in het eerste lid, alsmede het jaar, waarin die voorzieningen zijn tot stand gekomen.
3.
De vergoeding omvat per jaar tot het tijdstip, waarop twintig jaren na het in het tweede lid bedoelde jaar zijn verlopen, de som, die jaarlijks nog nodig zou zijn voor rente en aflossing van een twintigjarige geldlening tot het vastgestelde bedrag, aangegaan in het jaar van totstandkoming, waarbij de aflossing op jaarlijks gelijke bedragen is gesteld en de rente wordt berekend over het niet afgeloste deel van die lening tegen een rentevoet, als ingevolge artikel 79, vijfde lid, van de Lager-onderwijswet 1920 is bepaald voor het jaar van totstandkoming.
4.
Artikel 45, vijfde lid, is van toepassing.
5.
Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
De jaarlijkse vergoeding, bedoeld in artikel 84 van de Lager-onderwijswet 1920, ten behoeve van scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs wordt met ingang van 1 januari 1969 vervangen door een vergoeding ten laste van het Rijk.
2.
De vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 45 en 46 zoals die artikelen luidden op 31 december 1996, met dien verstande dat slechts in aanmerking worden genomen de kosten, welke ten grondslag hebben gelegen aan de berekening van de jaarlijkse vergoeding, bedoeld in artikel 84 van de Lager-onderwijswet 1920.
3.
Indien en voor zover de gebouwen en terreinen niet meer ten behoeve van het voortgezet onderwijs worden gebruikt, eindigt de vergoeding met ingang van de daaropvolgende maand.
4.
Een gebouw, waarin op 31 juli 1968 zowel een school voor gewoon lager onderwijs als een school voor voortgezet gewoon of uitgebreid lager onderwijs is gevestigd, wordt niet door het enkele feit van de omzetting van laatstbedoelde scholen in scholen voor voortgezet onderwijs een gebouw, als bedoeld in artikel 84 van de Lager-onderwijswet 1920.
1.
Onze minister kan na overleg met het bevoegd gezag en met Onze minister van financiën bepalen, dat vergoedingen, bedoeld in de artikelen 45, 46 en 47, worden vervangen door een uitkering ineens.
2.
Het eerste lid is slechts van toepassing op andere vormen van voortgezet onderwijs als bedoeld in afdeling IV van titel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.
1.
De jaarlijkse vergoeding voor gebouwen en terreinen van scholen voor voortgezet gewoon en uitgebreid lager onderwijs, als bedoeld in artikel 205, eerste en vijfde lid, van de Lager-onderwijswet 1920, wordt met ingang van 1 januari 1969 vervangen door een uitkering ineens ten laste van het Rijk, gelijkstaande met 30% van het bedrag, waarover de vergoeding voor het jaar 1968 werd berekend.
2.
Zolang de uitkering ineens niet heeft plaatsgevonden, is het Rijk voor elke volle maand na 31 december 1968 aan het bevoegd gezag verschuldigd een twaalfde van de oorspronkelijk door de gemeente betaalde vergoeding.
Artikel 50
In alle gevallen, waarin de toepassing van de artikelen 41, 45, 46, 47 en 49 zoals die artikelen luidden op 31 december 1996 redelijkerwijs niet mogelijk is of tot ernstige onbillijkheden zou leiden, kan Onze minister in overeenstemming met Onze minister van financiën een afwijkende regeling treffen.
Artikel 50a
Voor de toepassing van de artikelen 82 en 83 van de Wet op het voortgezet onderwijs ten behoeve van scholen, als bedoeld in artikel 35, stelt Onze minister de waarde vast van de op 31 december 1968 in de school aanwezige inrichting, alsmede, voor zover het bijzondere scholen betreft, de waarde van de onderdelen van deze inrichting. De aldus vastgestelde bedragen worden in mindering gebracht op de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 82, tweede lid onder a, en 83, tweede lid eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 51
Met betrekking tot de uit ’s Rijks kas bekostigde scholen, bedoeld in de artikelen 33, 35 en 37, blijft artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs buiten toepassing, zolang het onderwijs niet in alle leerjaren is ingericht volgens afdeling I van titel II van die wet.
Artikel 52
Indien een avondschool voor uitgebreid lager onderwijs in het schooljaar 1967-1968 geheel of gedeeltelijk uit de gemeentekas wordt bekostigd en de school wordt omgezet in een school voor voortgezet onderwijs, blijft de gemeente ook na 31 juli 1968 tot gehele of gedeeltelijke bekostiging bevoegd tot het tijdstip, waarop de school ingevolge titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs uit ’s Rijks kas wordt bekostigd.
Artikel 53
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Inhoudsopgave
+ Titel I. Algemene bepalingen
+ Titel II. Wijzigingen in de Wet op het voortgezet onderwijs
+ Titel III. Inwerkingtreding van de Wet op het voortgezet onderwijs
- Titel IV. Inpassing van het bestaande onderwijs
+ Titel V. Wijzigingen in andere wetten
+ Titel VI. Overige inpassings- en overgangsregelingen
+ Titel VII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht