Besluit van 27 oktober 2008, houdende de afwijking op een aantal onderdelen voor het personeel van de Kamers van Koophandel van de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries (Rechtspositiebesluit Kamers van Koophandel)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 juli 2008, nr. WJZ/8083077;
Gelet op artikel 14, derde lid, van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997;
De Raad van State gehoord (advies van 14 augustus 2008, nr. W10.08.0340/IIII);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 21 oktober 2008, nr. WJZ/8156570;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. ARAR: Algemeen Rijksambtenarenreglement ;
b. BBRA: Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 ;
c. kamer: een kamer van koophandel en fabrieken.
1.
Voor het personeel van een kamer wordt op de in de artikelen 2, tweede lid, tot en met 8 van dit besluit genoemde wijze afgeweken van de rechtspositieregels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij de ministeries.
2.
Daar waar in het ARAR , met uitzondering van artikel 110g, zesde lid, of het BBRA staat «van het Rijk» of «uit ’s Rijks kas» wordt telkens gelezen: van een kamer respectievelijk door de kamer waar betrokkene in dienst is. Daar waar in het ARAR staat «de rijksdienst» of «de Rijksdienst» wordt telkens gelezen: een kamer.
Artikel 3
De bepalingen met betrekking tot de Algemene Bestuursdienst, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van het ARAR zijn niet van toepassing op een kamer.
1.
In afwijking van artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van het ARAR en artikel 2, onderdeel g, van het BBRA en de op het ARAR en het BBRA berustende bepalingen wordt verstaan onder volledige arbeidsduur: een arbeidsduur welke gemiddeld 38 uur per week omvat.
2.
In afwijking van artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van het ARAR en artikel 2, onderdeel h van het BBRA en de op het ARAR en het BBRA berustende bepalingen wordt verstaan onder arbeidsduurfactor: een breuk, waarvan de teller bestaat uit de voor de ambtenaar vastgestelde arbeidsduur en de noemer uit het getal 38.
3.
In afwijking van artikel 21, tweede lid, van het ARAR bedraagt de arbeidsduur voor het personeel van een kamer gemiddeld ten hoogste 38 uur per week.
4.
In afwijking van artikel 21, derde lid, van het ARAR bedraagt het aantal te werken uren voor het personeel van een kamer per jaar: het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen, genoemd in artikel 21, zevende lid, onder a, van het ARAR, in dat jaar, vermenigvuldigd met 7,6 en vervolgens vermenigvuldigd met de voor het desbetreffende personeelslid geldende arbeidsduurfactor.
5.
Voor de toepassing van artikel 21a, eerste lid, van het ARAR wordt voor «36 uur» gelezen: 38 uur.
6.
Voor de toepassing van artikel 4 van de IKAP-regeling rijkspersoneel wordt voor «36 uur» gelezen: 38 uur.
1.
In afwijking van artikel 22, vierde lid, van het ARAR bedraagt de aanspraak op vakantie voor het personeel van een kamer met een volledige werktijd 174,8 uur en wordt onder volledige werktijd verstaan een werktijd welke gemiddeld 38 werkuren per week omvat.
2.
In afwijking van artikel 22, vijfde lid, van het ARAR bedragen de op grond van dat lid geldende aanspraken voor het personeel van een kamer: 7,6 uren, 15,2 uren, 22,8 uren respectievelijk 30,4 uren.
3.
Voor de toepassing van artikel 22, dertiende lid, van het ARAR wordt voor «144 uur» gelezen: 152 uur.
4.
Voor de toepassing van artikel 22, zestiende lid, van het ARAR wordt voor «108» uur gelezen: 114 uur.
5.
Voor de toepassing van artikel 23, tweede lid, van het ARAR wordt voor «108 uur» respectievelijk «72 uur» gelezen: 114 uur en 76 uur.
6.
Voor de toepassing van artikel 23, derde lid, van het ARAR wordt voor «57,6 uren» gelezen: 60,8 uren.
7.
Voor de toepassing van de artikelen 4 en 5 van de IKAP-regeling rijkspersoneel wordt voor «80 uur» respectievelijk «144 uur» gelezen: 84,4 uur en 152 uur.
1.
Een kamer kan in afwijking van artikel 71a, derde lid, van het ARAR haar eigen beoordelingsvoorschriften vaststellen.
2.
In afwijking van artikel 2, onderdeel b, van het BBRA wordt onder salaris per uur verstaan: 1/165 deel van het salaris bij een volledige werktijd.
3.
Voor de toepassing van hoofdstuk II van het BBRA geldt voor personeel van een kamer dat voor hen de minimum- en maximumsalarisbedragen van de salarisschalen van bijlage B bij het BBRA gelden, welke vermenigvuldigd worden met een factor 38/36. De treden tussen het minimum- en maximumsalaris kunnen worden ingevuld op de bij de kamers gebruikelijke wijze, mits deze tevoren kenbaar is gemaakt en de instemming heeft van het georganiseerd overleg van de kamers.
4.
In afwijking van artikel 7, vierde lid, van het BBRA kan een kamer een regeling vaststellen waarbij een salarisverhoging ingaat op een voor het gehele personeel gelijk moment.
5.
In afwijking van artikel 5, derde lid, van het BBRA mag een kamer gebruik maken van het functiewaarderingssysteem Universeel Systeem Berenschot. De als gevolg van de uitkomst van de functiewaardering toepasselijke salarisschaal van bijlage B bij het BBRA wordt bepaald aan de hand van de als bijlage bij dit besluit gevoegde Conversietabel Functiewaardering.
6.
In afwijking van de Regeling bezwarenprocedure functiewaardering BBRA 1984 kan het bevoegd gezag van een kamer, indien een personeelslid van die kamer bezwaar maakt tegen een vastgestelde waarderingsuitkomst, advies vragen aan een door een kamer aangewezen bezwarencommissie. Een kamer kan in afwijking van artikel 7 van de regeling een eigen regeling treffen met betrekking tot de samenstelling van deze commissie.
Artikel 7
In afwijking van artikel 51, derde lid, van het ARAR kan een kamer een eigen formulier vaststellen dat wordt gebruikt voor het afleggen van de eed of de belofte door het personeel van een kamer. Dit formulier behoeft de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister.
1.
De bepalingen in het ARAR en de IKAP-regeling rijkspersoneel ten aanzien van het meer of minder uren werken worden op het personeel van een kamer van toepassing op 1 januari 2010.
2.
Hoofdstuk VII van het ARAR is niet van toepassing op reorganisaties bij de kamers waarbij alle voorgenomen plaatsingsbesluiten zijn genomen op uiterlijk 31 december 2010. In plaats hiervan geldt het per 1 maart 2007 in werking getreden Sociaal Statuut 2007.
3.
Indien na 31 december 2008 bij of krachtens het ARAR of het BBRA regels worden gesteld inzake een aanspraak, een verplichting of een voorwaarde waaraan een arbeidsduur van 36 uur per week ten grondslag ligt, wordt deze voor toepassing op het personeel van een kamer steeds herleid tot een aanspraak, verplichting of voorwaarde waaraan een arbeidsduur van 38 uur per week ten grondslag ligt.
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.
Artikel 10
Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit Kamers van Koophandel.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 27 oktober 2008
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
Uitgegeven de achttiende november 2008
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht