Let op. Deze wet is vervallen op 18 juni 2003. U leest nu de tekst die gold op 17 juni 2003.

Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel

Uitgebreide informatie
Besluit van 28 februari 1985, houdende vaststelling en invoering van een rechtspositieregeling voor het personeel in het basis-, speciaal, voortgezet speciaal en voortgezet onderwijs, bij het leerlingwezen, het vormingswerk voor jeugdigen, het vormingswerk voor jonge volwassenen, bij de proefprojecten nieuw en deeltijd vervolg/beroepsonderwijs en voor het personeel werkzaam bij instellingen bedoeld in artikel B3 van de pensioenwet
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, mede namens Onze Ministers van Landbouw en Visserij en van Binnenlandse Zaken van 5 oktober 1984, nr. 148 927, Directie Arbeidsvoorwaardenbeleid;
Overwegende, dat het wenselijk is te komen tot het onderbrengen van de verschillende voor het onderwijspersoneel geldende rechtspositieregelingen in één rechtspositiebesluit voor het onderwijspersoneel;
Gelet op artikel 5 van de Kleuteronderwijswet;
artikel 9 bis van de Lager-onderwijswet 1920;
de artikelen 17 [Red: Artikel 17 van de WBO komt niet meer voor in de WPO.] , 32, vierde lid, 33, tweede lid, 52, 59, eerste lid, 62, vijfde lid, en 64 van de Wet op het primair onderwijs;
de artikelen 32, vierde lid, 33, tweede lid, 55, 65, vijfde lid, en 66 van de Wet op de expertisecentra;
de artikelen 152, vierde lid, 153, tweede lid, 173, 183, vijfde lid, en 184 van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
de artikelen 4 en 4 a van de Experimentenwet onderwijs;
de artikelen 38, 39, tweede lid, 40, 43, derde lid, 53, vierde lid, 61, 62 en 63 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
de artikelen 21, eerste lid, 23, tweede en derde lid, 25, vierde lid, en 26 van de Wet op het leerlingwezen;
de artikelen 19, 21, tweede lid, en 22 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen;
de artikelen 27, eerste lid, 29, eerste lid, en 30, eerste lid, van het Besluit proefprojecten nieuw vervolg/beroepsonderwijs en de artikelen 25, eerste lid, 27, eerste lid, en 28, eerste lid, van het Besluit proefprojecten deeltijd vervolg/beroepsonderwijs;
De Raad van State gehoord (advies van 11 februari 1985, nr. W 05.84.0594/07.5.96);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, mede namens Onze Ministers van Landbouw en Visserij en Binnenlandse Zaken van 15 februari 1985, nr. 149431, directie Arbeidsvoorwaardenbeleid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel wordt als volgt vastgesteld:
Artikel I-A1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor wat betreft het landbouwonderwijs, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
a1. Informatie Beheer Groep: de Informatie Beheer Groep, genoemd in de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank ;
b. tijdelijke dienst: het dienstverband van bepaalde duur;
c. vaste dienst: het dienstverband van onbepaalde duur;
d. instelling:
1. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere basisschool of speciale school voor basisonderwijs in de zin van de Wet op het primair onderwijs ;
2. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de zin van de Wet op de expertisecentra dan wel een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
3. [vervallen;]
4. De privaatrechtelijke rechtspersoon die optreedt als landelijk orgaan als bedoeld in artikel 2.38 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;
5.
a. een vormingsinstituut als bedoeld in het Besluit vormingswerk voor jeugdigen;
b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een vormingsinstituut, als bedoeld onder a , en één of meer scholen als bedoeld onder d 6, d 14, d 17 of d 18;
d6. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor basiseducatie als bedoeld in artikel 1 onder h van de Rijksregeling basiseducatie ( Stb. 1986, 433);
7. een B3-lichaam als bedoeld in artikel 1, onder g , dan wel als bedoeld in artikel 2, derde 3, onderdeel b , juncto artikel 3 van de WPA, waarop dit besluit door Onze Minister van toepassing is verklaard;
8. [vervallen;]
9. [vervallen;]
10. een instituut voor landbouwpraktijkonderwijs met één of meerdere lokaties (Innovatie en Praktijkcentrum) (IPC), dat wordt gesubsidieerd met toepassing van artikel 61 van de Wet op het voortgezet onderwijs, vallende onder één bevoegd gezag en waarbij de leiding berust bij één centrale directie;
11. [vervallen;]
d12. een verzorgingsinstelling als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de onderwijsverzorging ( Stb. 1986, 635);
13. Een ondersteuningsinstelling als bedoeld in de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991
a. een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale, plaatselijke of provinciale instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie, die door Onze minister op grond van artikel 42, derde lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 als zodanig is aangewezen;
b. een publiekrechtelijke of uit de openbare kas bekostigde privaatrechtelijke regionale instelling ter ondersteuning van de volwasseneneducatie als bedoeld in artikel 41, derde lid, tweede volzin, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991;
c. een landelijke ondersteuningsinstelling als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991.
14.
a. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover bekostigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een instelling voor middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld onder a , en één of meer scholen als bedoeld onder d 5, d 6, d 17 of d 18;
15. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere scholengemeenschap voor lager en middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs alsmede voor beroepsbegeleidend onderwijs in de zin van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs (Agrarisch Opleidingscentrum) voor zover bekostigd door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
16. een centrale dienst als bedoeld in artikel 68 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 69 van de Wet op de expertisecentra of artikel 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
17.
a. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs ;
b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een instelling voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld onder a , en één of meer scholen als bedoeld onder d 5, d 6, d 14 of d 18;
18.
a. een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs in de zin van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs voor zover bekostigd door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
b. een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 2, bestaande uit een instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs als bedoeld onder a , en een of meer scholen als bedoeld onder d 5, d 6, d 14 of d 17.
e. betrokkene:
e1. de bij een bevoegd gezag aan een of meer instellingen, bedoeld onder d 1, benoemde directeur, adjunct-directeur, lid van het onderwijsgevend personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel voor wie de salarissen en de toelagen worden vastgesteld in het Koninklijk Besluit ter uitvoering van artikel 33, tweede lid onder b van de Wet op het primair onderwijs. De leraar in opleiding wordt aangemerkt als een lid van het onderwijsgevend personeel;
2. de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d 2, benoemde directeur, adjunct-directeur, lid van het onderwijsgevend personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel voor wie de salarissen en de toelagen worden vastgesteld in het koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 33, tweede lid onder b, van de Wet op de expertisecentra of artikel 153, tweede lid onder b, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
3. [vervallen;]
4. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d 4, benoemde personeel;
5. het bij een bevoegd gezag aan een of meer instellingen, genoemd onder d 5, benoemde personeel;
e6. de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d 6, benoemde directeur/coördinator, adjunct-directeur/coördinator, lid van het educatief personeel of lid van het onderwijsondersteunend personeel;
7. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d 7, benoemde personeel;
8. [vervallen;]
9. [vervallen;]
10. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d 10, benoemde personeel;
11. [vervallen;]
e12. het lid van het personeel dat is benoemd aan een instelling genoemd onder d 12;
e13. de bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d 13, benoemde directeur, adjunct-directeur of lid van het inhoudelijk personeel dan wel van het ondersteunend personeel;
14. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d 14, benoemde personeel;
15. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d 15, benoemde personeel;
16. Het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d16, benoemde onderwijsondersteunend en beheerspersoneel, respectievelijk het onderwijsgevend personeel dat is benoemd op basis van formatierekeneenheden als bedoeld in artikel 68, eerste lid onder d, van de Wet op het primair onderwijs;
17. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d 17, benoemde personeel;
18. het bij een bevoegd gezag aan één of meer instellingen, genoemd onder d 18, benoemde personeel;
f. bevoegd gezag:
1. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d 1 of d 2 voor wat betreft:
- een rijksschool: Onze minister;
- een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel, wanneer de school van meer dan één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
- een bijzondere school: het schoolbestuur;
2. ten aanzien van een instelling genoemd onder d 4: het bestuur;
3. ten aanzien van een instelling genoemd onder d 5: het bestuur;
f4. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d 6, d 14, d 15, d 17 en d 18 voor wat betreft:
- een gemeentelijke instelling: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel, wanneer de instelling van meer dan één gemeente uitgaat, het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegd orgaan;
- een bijzondere instelling: het instellingsbestuur;
5. ten aanzien van een instelling genoemd onder d 7: het bestuur;
6. [vervallen;]
7. ten aanzien van een instelling genoemd onder d 10 en d 12: het bestuur;
8. [vervallen;]
f9. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d 13 voor wat betreft:
- een gemeentelijke instelling: het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan bij een publiekrechtelijke regionale instelling dan wel het college van burgemeester en wethouders bij een publiekrechtelijke plaatselijke instelling, voorzover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hen te stellen regelen;
- een publiekrechtelijke provinciale instelling: het college van Gedeputeerde Staten, voor zover de Provinciale Staten niet anders bepalen en, indien de Provinciale Staten dit wenselijk oordelen, met inachtneming van door hen te stellen regelen;
- een privaatrechtelijke instelling: het instellingsbestuur;
10. ten aanzien van de instellingen genoemd onder d 16:
het bestuur;
g. werktijdfactor: het gedeelte van de normbetrekking waarvoor een personeelslid is benoemd, waarbij de uitkomst rekenkundig wordt afgerond op vier cijfers achter de komma.
h. inspectie:
de inspectie belast met het toezicht op de desbetreffende instelling;
i. normbetrekking: de betrekking of de betrekkingen waarvan de omvang op jaarbasis na aftrek van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid, eerste volzin en na aftrek van het verlof op grond van artikel I-C41, gelijk is aan 1659 uren en waarbij de gemiddelde weektaak op jaarbasis gelijk is aan 36,86 uren.
j. bezoldiging: de som van het salaris en de toelagen, genoemd in de artikelen I-P5, vierde lid, I-P16, I-P55, tweede lid, I-P58, I-P60, I-P83, I-Q209b, I-S107, I-S108, V-P4, V-P5, V-R102, tweede lid, derde lid en vierde lid, en V-R103, tweede lid, derde lid en vierde lid waarop de betrokkene ingevolge dit besluit aanspraak heeft;
k. diensttijd: de tijd die in aanmerking komt voor pensioen dan wel daarvoor in aanmerking zou komen, indien van het recht van inkoop was gebruik gemaakt, alsmede ten aanzien van de betrokkene genoemd onder e 5, e 6, e 8 of e 9, vermeerderd met de diensttijd doorgebracht in dienst van een vormingsinstituut vóór het daarop van toepassing verklaren van de WPA en het daarop berustende pensioenreglement;
l. WPA: de Wet privatisering ABP ;
ll. het pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
m. pensioen: een pensioen, als bedoeld in en vastgesteld bij of krachtens de WPA;
n. schooljaar: het administratieve schooljaar, zijnde het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli, dan wel, voor de instellingen bedoeld in artikel I-A1, onder d 6, en d 12, het kalenderjaar;
o. benoeming of aanstelling: de benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 34, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 154, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 2.47, eerste lid onder h , van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, onderscheidenlijk de benoeming bij een privaatrechtelijke verzorgingsinstelling of bij een privaatrechtelijke instelling als bedoeld onder d 13 en de aanstelling bij een publiekrechtelijke verzorgingsinstelling of bij een publiekrechtelijke instelling als bedoeld onder d 13.
q. "akte van benoeming": de akte van benoeming bij het bijzonder onderwijs dan wel de arbeidsovereenkomst met het bestuur van een privaatrechtelijke verzorgingsinstelling of van een privaatrechtelijke instelling als bedoeld onder d 13 en de akte van aanstelling bij het openbaar onderwijs, bij een publiekrechtelijke verzorgingsinstelling of bij een publiekrechtelijke instelling als bedoeld onder d 13, een en ander als bedoeld in hoofdstuk I-B, dan wel het Koninklijk besluit bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs;
r. "dagschool": de instelling waaraan de te geven lessen geheel of in overwegende mate aanvangen vóór 18.00 uur;
s. "avondschool": de instelling waaraan de te geven lessen geheel of in overwegende mate aanvangen na 18.00 uur;
t. "contractactiviteiten": werkzaamheden die aan een instelling naast de door het Rijk bekostigde taken worden verricht ingevolge een daartoe met een derde door het bevoegd gezag gesloten overeenkomst en waarvoor de door het Rijk bekostigde formatie door het bevoegd gezag wordt uitgebreid, een en ander als bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen artikel 2.7 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;
u. "contractperiode": de periode gedurende welke het bevoegd gezag de voor een instelling door het Rijk bekostigde formatie heeft uitgebreid in verband met een overeenkomst met een derde tot het verrichten van contractactiviteiten;
v. echtgeno(o)t(e): voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenote of echtgenoot mede begrepen de levensparter met wie de ambtenaar samenwoont en - met het oogmerk duurzaam samen te leven - een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding, dan wel de persoon met wie een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede begrepen de achtergebleven levenspartner, dan wel de achtergebleven geregistreerde partner. Tot gezinslid wordt in voorkomend geval mede gerekend de levenspartner of geregistreerde partner. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner of geregistreerde partner worden aangemerkt.
Onze Minister kan verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit blijkt dat een samenlevingscontract als bedoeld in de eerste volzin is gesloten.
Artikel I-A2. Tervisielegging
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een bijgewerkt exemplaar van dit besluit en de overige van toepassing zijnde rechtspositionele regelingen op een voor de betrokkene steeds toegankelijke plaats op de instelling ter inzage beschikbaar is.
Artikel I-A3. Aanvang termijnen
Indien de betrokkene ten genoege van de bevoegde instantie aannemelijk maakt dat de aanvang van een in dit besluit gestelde termijn gedurende welke een aanspraak kan worden geldend gemaakt, hem niet tijdig bekend kon zijn en hij hierdoor in zijn belangen is geschaad, wordt de termijn geacht te zijn aangevangen op het tijdstip waarop de betrokkene naar het oordeel van de bevoegde instantie redelijkerwijs heeft kunnen kennisdragen van het ontstaan van zijn aanspraken.
Algemene termijnenwet van Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel">
Artikel I-A4. Algemene termijnenwet
De Algemene termijnenwet ( Stb. 1964, 314) is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld, met uitzondering van die, genoemd in de artikelen II-A8, eerste lid, II-C4, tweede en vierde lid, en II-D10, tweede en vierde lid.
Artikel I-A5. Wijzigingen salarisbedragen en toelagen
De salarisbedragen, tegemoetkomingen en toelagen, genoemd in de bijlagen van dit besluit, kunnen worden gewijzigd bij ministeriële regeling.
Artikel I-A6. Niet-bekostigd personeel
Indien het ingevolge de desbetreffende bekostigingswet mogelijk is dan wel toegestaan wordt, personeel te benoemen voor wie de salaris- en andere kosten niet voor vergoeding van Rijkswege in aanmerking komen, is - tenzij uitdrukkelijk anders bepaald - ten aanzien van dit personeel het bepaalde in dit besluit van toepassing.
1.
In gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, beslist Onze minister.
2.
Onze minister geeft nadere voorschriften omtrent de toepassing van dit besluit in geval van samenvoeging of splitsing van instellingen.
3.
Onze minister kan nadere regelen geven voor de uitvoering van dit besluit.
1.
Bij zijn indiensttreding ontvangt de betrokkene een akte van benoeming waarin tenminste is vermeld:
a. de datum van ingang van de benoeming;
b. de functie waarin de betrokkene wordt benoemd en de daarbij behorende maximumschaal;
c. de bepaling of de benoeming in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de duur van de benoeming;
d. de omvang van de betrekking, uitgedrukt in een werktijdfactor.
e. het op de dag van zijn benoeming van toepassing zijnde begintraject, aanlooptraject of de van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer;
f. de instelling of instellingen waaraan de betrokkene werkzaam zal zijn en de verdeling van de uren over die instellingen.
g. de van toepassing zijnde afvloeiingsregeling.
h. andere voor de rechtspositie van belang zijnde zaken.
2.
Wijziging van:
a. de aard van het dienstverband,
b. de functie waarin hij is benoemd, of
c. de omvang van de betrekking, uitgedrukt in een werktijdfactor, of
d. de instelling of instellingen waaraan de betrokkene werkzaam zal zijn.
3.
Wanneer voor de betrokkene die nog niet volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal bedoeld in artikel I-P1, onder d , wordt bezoldigd, een schaal met een hoger maximumsalaris bedoeld in artikel I-P1, onder g , gaat gelden, wordt hem schriftelijk medegedeeld:
a. de datum waarop voor hem een andere schaal gaat gelden;
b. de schaal welke vanaf de onder a bedoelde datum van toepassing zal zijn;
c. het op de onder a bedoelde datum binnen de onder b bedoelde schaal van toepassing zijnde salarisnummer en het daarbij behorende bruto maandsalaris bij een normbetrekking.
4.
Bij het einde van zijn dienstverband ontvangt de betrokkene van het bevoegd gezeg een schriftelijke verklaring waarin is vermeld:
a. het begintraject, aanlooptraject of de schaal welke op de dag direct voorafgaande aan het ontslag van toepassing was;
b. het op de dag direct voorafgaande aan het ontslag van toepassing zijnde salarisnummer binnen het onder a bedoelde begintraject of aanlooptraject dan wel binnen de onder a bedoelde schaal;
c. de datum vanaf welke voor de betrokkene het onder a bedoelde begintraject of aanlooptraject dan wel de onder a bedoelde aanloopschaal en het onder b bedoelde salarisnummer gold en de mate waarin de betrokkene aan de voor hem geldende promotiecriteria heeft voldaan.
Artikel I-B3. Verklaring omtrent het gedrag
De verklaring omtrent het gedrag, welke vereist is voor benoeming bij een bevoegd gezag van aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1, d 2, en d 4 tot en met d 6, d 10, d 12 tot en met d 15 alsmede d 17 en d 18, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag ( Stb. 1955, 395), is bij overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder dan zes maanden, te rekenen vanaf de dag van afgifte.
1.
Ter zake van werving en selectie van personeel neemt het bevoegd gezag een sollicitatiecode in acht.
2.
De sollicitatiecode wordt niet vastgesteld dan nadat met de personeelsorganisaties, bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs” artikel 2.51 en 2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 20 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 61 van de Wet op de onderwijsverzorging of artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie 1991 dan wel met verenigingen van het aan de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d 6 en d 7, verbonden personeel, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.
3.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de sollicitatiecode op een voor de betrokkene toegankelijke plaats ter inzage in de instelling beschikbaar is en hem op diens verzoek een exemplaar van de sollicitatiecode ter beschikking wordt gesteld.
Artikel I-B8. Slotbepaling
Onze minister kan nadere regels geven ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk.
Artikel I-C1. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, voor zover het betreft, onder:
1. e 1, de directeur, de adjunct-directeur of het lid van het onderwijsgevend personeel;
2. e 2, de directeur, de adjunct-directeur of het lid van het onderwijsgevend personeel;
3.
a. [vervallen;]
b. e 15, het lid van de centrale directie als bedoeld in artikel I-Q1302 en het lid van het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel I-R1305;
3. [Red: Abusievelijk is bij Stb. 1998/413 een tweede onderdeel 3 toegevoegd.] e16, een lid van het onderwijsgevend personeel dat is benoemd op basis van formatierekeneenheden als bedoeld in artikel 68, eerste lid, onder d, van de Wet op het primair onderwijs.
b. vakanties: de voor de instelling van de betrokkene geldende vakanties;
c. dag: iedere dag die volgens het schema van werkzaamheden dan wel het normale lesrooster een werkdag is van de instelling; een dag kan worden verdeeld in 2 halve dagen.
1.
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, geniet de betrokkene gedurende de schoolvakanties dan wel de periode waarin de instelling geen onderwijs verzorgt of examens afneemt, vakantieverlof met behoud van bezoldiging.
2.
Het bevoegd gezag kan op verzoek na omzetting van de dienst verlof verlenen op andere tijdstippen aan:
a. de directeur, de adjunct-directeur en de leraar die is benoemd als adjunct-directeur;
b. het lid van de centrale directie.
3.
Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen en nadat vóór de contractperiode met de betrokkene die werkzaamheden in het kader van contractactiviteiten gaat verrichten daarover overeenstemming is bereikt, in plaats van het verlof bedoeld in het eerste lid, verlof verlenen op andere tijdstippen. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de inspectie.
4.
De betrokkene houdt zich zo nodig gedurende enkele dagen van het verlof ter beschikking van het bevoegd gezag ten behoeve van werkzaamheden van onderwijskundige of schoolorganisatorische aard.
5.
Het totale vakantieverlof van de betrokkene, bedoeld in artikel I-C1, onder a 1, a2 en a3, kan bij toepassing van het vierde lid met niet meer dan twee dagen per schooljaar worden verminderd. Voor die vermindering komen slechts in aanmerking de eerste en de laatste twee dagen van de zomervakantie.
6.
[Vervallen.]
7.
Het bevoegd gezag bepaalt tijdig na overleg met de betrokkene of, en zo ja, welke dagen voor de toepassing van het vierde lid van dit artikel in aanmerking komen.
8.
Van het eerste tot en met het zevende lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.
1.
De betrokkene, werkzaam in deelbetrekking aan meer dan één instelling, waarvan de zomervakanties ten gevolge van vakantiespreiding niet in dezelfde periode vallen, heeft aanspraak op een aaneengesloten lesvrije periode van ten minste drie weken. Het bevoegd gezag van de instelling of instellingen waar de zomervakantie het laatst aanvangt, verleent daartoe aan de betrokkene desgevraagd zoveel dagen bijzonder vakantieverlof dat genoemde termijn wordt bereikt. Dit bijzondere vakantieverlof wordt verleend in de periode die direct voorafgaat aan de aanvang van de zomervakantie van bedoelde instelling of instellingen.
2.
Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde in artikel I-C2, vierde tot en met zevende lid, niet van toepassing.
1.
Voor de betrokkene, die een benoeming heeft voor korter dan één jaar aan een instelling of instellingen met een jaarcursus, geldt artikel I-C2, eerste lid, met dien verstande, dat alleen in aanmerking komen de vakanties, gelegen tussen de eerste en de laatste dag van zijn werkzaamheden, tenzij de betrokkene is benoemd vóór 1 maart en zijn werkzaamheden voortzet tot aan de zomervakantie, in welk geval in aanmerking komen de vakanties, gelegen tussen de eerste dag van zijn werkzaamheden en het einde van het schooljaar.
2.
Het eerste lid laat onverlet de aanspraak op een evenredig gedeelte van vier weken vakantie per schooljaar.
1.
Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bevoegd gezag doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.
2.
Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.
1.
Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bevoegd gezag doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.
2.
Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.
1.
Aan de betrokkene verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging. Het verlof wordt bij voorkeur in de schoolvakanties verleend.
2.
De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar bedraagt 184 uren. De duur van het verlof wordt met 8 uren verlengd indien de bezoldiging of de som van de bezoldigingen in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding, gelijk is aan of hoger is dan het maximum van schaal 8 vermeld in de bijlagen 1A en 1B.
3.
De ingevolge het tweede lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
Leeftijd Verlenging
18 jaar (en jonger) 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren
4.
Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.
5.
Op verzoek van de betrokkene, en voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt hem het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.
1.
Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene opnieuw verleend.
2.
Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken.
3.
Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.
4.
Het geheel of gedeeltelijk ingetrokken aantal uren vakantieverlof komt niet in aanmerking bij de berekening van het aantal genoten verlofuren.
Artikel I-C10. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 4;
b. uur: klokuur
1.
Aan de betrokkene verleent het bevoegd gezag in elk kalenderjaar vakantieverlof met behoud van bezoldiging.
2.
De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar wordt afhankelijk van het salaris in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding vastgesteld volgens onderstaande tabel, waarbij onder schaal wordt verstaan de desbetreffende schaal bedoeld in hoofdstuk I-P.
3.
De ingevolge het tweede lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
Leeftijd Verlenging
18 jaar (en jonger) 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren
4.
Het derde lid is niet van toepassing op de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V.
5.
Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.
6.
Op verzoek van de betrokkene en voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt hem het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel I-C11, vierde lid, heeft de betrokkene gedurende de eerste 6 maanden van zijn betrekking slechts aanspraak op vakantieverlof naar reden van 1/12 gedeelte van het naar artikel I-C11, tweede en derde lid, berekende aantal uren vakantieverlof voor iedere volle kalendermaand, dat hij in genoemd tijdvak werkelijke dienst heeft vervuld.
2.
Het aantal uren waarop ingevolge het vorige lid aanspraak op vakantie bestaat wordt zonodig naar beneden afgerond op hele uren.
1.
Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene opnieuw verleend.
2.
Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bevoegd gezag doet hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.
3.
Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het verlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.
4.
Het geheel of gedeeltelijk ingetrokken aantal uren vakantieverlof komt niet in aanmerking bij de berekening van het aantal genoten verlofuren.
Artikel I-C15. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 6;
b. betrokkene behorend tot het educatief personeel: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 6, voor zover het betreft de directeur/coördinator, adjunct-directeur/coördinator en educatief werker;
c. betrokkene behorend tot het overige personeel: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 6, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel;
d. betrokkene bij het vormingswerk, mbo, vavo en bbo: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 5, e 14, e 17 en e 18 voor zover het betreft:
1. het lid van de centrale directie;
2. de leraar, met uitzondering van de leraar, bedoeld in de artikelen I-R1212, eerste of derde lid, I-R1412, eerste of derde lid en I-R1512, eerste of derde lid;
e. uur: klokuur.
1.
De betrokkene behorend tot het educatief personeel, bedoeld in artikel I-C15, onderdeel b , en onderdeel d heeft per kalenderjaar recht op 184 uren vakantieverlof met behoud van bezoldiging.
2.
Aan de betrokkene, behorend tot het overige personeel, verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging. De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar wordt afhankelijk van het salaris in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding vastgesteld volgens onderstaande tabel, waarbij onder schaal wordt verstaan de desbetreffende schaal, bedoeld in hoofdstuk I-P.
3.
De ingevolge het vorige lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
Leeftijd Verlenging
18 jaar (en jonger) 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren
4.
Voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.
5.
Het tijdstip van het vakantieverlof wordt na overleg met de betrokkene door het bevoegd gezag vastgesteld. Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 5, geschiedt dit in de periode, waarin geen vormingsactiviteiten met de deelnemers plaatsvinden.
6.
In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag op verzoek van de betrokkene vakantieverlof verlenen buiten de periode, genoemd in het vijfde lid.
7.
Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen en nadat vóór de contractperiode met de betrokkene die werkzaamheden in verband met contractactiviteiten gaat verrichten daarover overeenstemming is bereikt, in plaats van het verlof, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, verlof verlenen in de periode waarin vormingsactiviteiten met de deelnemers plaatsvinden. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de inspectie.
8.
Het vierde lid is niet van toepassing op de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V.
9.
Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.
1.
De betrokkene, die slechts een gedeelte van het kalenderjaar in dienst is, heeft in dat kalenderjaar recht op een evenredig deel van het in artikel I-C16, eerste en tweede lid, vastgestelde aantal uren vakantieverlof met behoud van bezoldiging.
2.
Het derde en vierde lid van artikel I-C16 is van toepassing.
1.
Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene opnieuw verleend.
2.
Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag met goedvinden van de betrokkene het vakantieverlof intrekken.
3.
Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het vakantieverlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.
4.
Voor de betrokkene komt het geheel of gedeeltelijk ingetrokken aantal uren vakantieverlof niet in aanmerking bij de berekening van het aantal genoten verlofuren.
1.
Aan de betrokkene, behorend tot het educatief dan wel onderwijzend personeel, wordt bovendien, boven het vakantieverlof bedoeld in de artikelen I-C16 en I-C17, verlof met behoud van bezoldiging verleend met Kerstmis en Pasen.
2.
Het verlof met Kerstmis omvat de dagen in een aaneengesloten periode van 10 kalenderdagen. Eerste kerstdag, tweede kerstdag en nieuwjaarsdag moeten binnen de in de eerste volzin bedoelde periode vallen.
3.
Het verlof met Pasen omvat de dagen in een aaneengesloten periode van 10 kalenderdagen. Goede Vrijdag, eerste paasdag en tweede paasdag moeten binnen de in de eerste volzin bedoelde periode vallen.
4.
Het bevoegd gezag stelt de begindata vast van de in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde periode.
5.
Het bepaalde in artikel I-C18, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel I-C20. Afwijking vakantieverlof vormingswerk-, mbo-, vavo-, en bbo-instellingen
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-C19 mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft en voor zover het dienstbelang zich niet tegen die afwijking verzet.
Artikel I-C21. Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 7, e 12 en e 13.
Artikel I-C22. Vakantieverlof
Aan de betrokkene verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging met inachtneming van de regelen, gesteld in deze paragraaf.
1.
Het bevoegd gezag verleent het vakantieverlof in beginsel gedurende de perioden waarom de betrokkene heeft verzocht. De perioden kunnen vallen buiten de vakanties van de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 of d 2. Slechts in bijzondere omstandigheden kan het bevoegd gezag in verband met het dienstbelang beslissen dat het vakantieverlof niet of niet geheel in de gevraagde periode wordt verleend. Bij splitsing van het vakantieverlof wordt dit voor ten minste de helft van de ingevolge artikel I-C24 geldende duur aaneengesloten verleend.
2.
Aan de betrokkene wordt in enig kalenderjaar niet genoten vakantieverlof zoveel mogelijk in een volgend kalenderjaar verleend, met dien verstande dat in geen kalenderjaar meer uren vakantieverlof kunnen worden opgenomen dan anderhalf maal het hem volgens artikel I-C24 toekomende aantal.
3.
Indien de betrokkene in enig kalenderjaar meer vakantie heeft genoten, dan waarop hij ingevolge deze paragraaf recht heeft, wordt dit meerdere verrekend met het hem over één of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantieverlof. Het bepaalde in de vorige volzin geldt met dien verstande, dat uit dien hoofde in enig kalenderjaar het vakantieverlof nimmer met meer dan een derde gedeelte van hetgeen de betrokkene ingevolge het bepaalde in de artikelen I-C24 en I-C25 toekomt, mag worden verminderd.
1.
De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar bedraagt 184 uren. De duur van het verlof wordt met 8 uren verlengd indien de bezoldiging of de som van de bezoldigingen in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding, gelijk is aan of hoger is dan het maximum van schaal 9 vermeld in de bijlagen 1A en 1B.
2.
De ingevolge het eerste lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
Leeftijd Verlenging
18 jaar (en jonger) 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren
3.
Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.
1.
Indien het dienstverband van de betrokkene zich niet over een geheel kalenderjaar uitstrekt, wordt de duur van het vakantieverlof, bedoeld in artikel I-C24, verminderd naar evenredigheid met de werkelijke duur van zijn dienstverband.
2.
Indien de betrokkene niet met een volledige weektaak is belast, heeft hij aanspraak op vakantieverlof gedurende een tijd die evenredig is aan de duur van het vakantieverlof in een normbetrekking.
3.
De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt zonodig naar boven afgerond op een geheel aantal uren.
1.
Op verzoek van de betrokkene trekt het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof en in andere daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende gevallen het verleende vakantieverlof in. Het niet genoten vakantieverlof wordt in overleg met de betrokkene op een ander tijdstip verleend.
2.
Bij rampen en in andere zeer buitengewone omstandigheden kan het bevoegd gezag het vakantieverlof van de betrokkene intrekken. Het bepaalde in de laatste zin van het eerste lid is van toepassing.
3.
Indien de betrokkene als gevolg van de intrekking van het vakantieverlof materiële schade lijdt, wordt deze schade hem door het bevoegd gezag vergoed.
Artikel I-C28. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. jaar:
1. ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 of e16, voor zover het niet betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel: een schooljaar;
2. ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 of e16, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend personeel, alsmede de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 4 tot en met e 7 en e 10, e 12 tot en met 18: een kalenderjaar;
b. dag: elke dag die volgens het schema van werkzaamheden dan wel het lesrooster een werkdag is van de instelling; een dag kan worden verdeeld in twee halve dagen, tenzij de verlofgrond zich daartegen verzet.
1.
Het bevoegd gezag verleent de betrokkene kort buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging, behoudens het bepaalde in het derde lid, voor zover zijn werkzaamheden samenvallen met één of meer van de navolgende omstandigheden:
a. de uitoefening van het kiesrecht, indien en voor zover deze niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;
b. het voldoen aan een wettelijke verplichting, indien en voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;
c. het afleggen van een van rijkswege afgenomen of erkend examen of tentamen, voor zover die niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;
d. het bijwonen van vergaderingen of zittingen van of het verrichten van werkzaamheden voor publiekrechtelijke colleges, waarin de betrokkene is benoemd of gekozen, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden;
e. , het uitoefenen van het lidmaatschap van een van rijkswege ingestelde of erkende examencommissie of het optreden als rijksgecommitteerde bij een examen, voor in totaal ten hoogste 14 dagen per jaar in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen;
f. verhuizing in geval van verandering van standplaats: indien de betrokkene een eigen huishouding heeft, voor twee, in bijzondere gevallen ten hoogste vier dagen en indien de betrokkene geen eigen huishouding heeft, voor ten hoogste twee dagen;
g. verhuizing anders dan in geval van verandering van standplaats: indien de betrokkene een eigen huishouding heeft, voor ten hoogste twee dagen per jaar;
h. het zoeken van een woning in geval van verandering van standplaats, voor ten hoogste twee dagen;
i. ondertrouw of de aangifte van het voornemen om een geregistreerd partnerschap aan te gaan, van de betrokkene, voor één dag;
j. burgerlijk of kerkelijk huwelijk of registratie van het partnerschap van de betrokkene, voor in totaal vier dagen, voor zover de huwelijksdag of -dagen of de dag van registratie van het partnerschap hier binnen vallen;
k. huwelijk of registratie van het partnerschap van bloed- of aanverwanten van de eerste of tweede graad, voor één dag of ten hoogste twee dagen, al naar gelang dit huwelijk of deze registratie van het partnerschap wordt gesloten in of buiten de woonplaats van de betrokkene;
l. ernstige ziekte van echtgenoot, ouders of kinderen, stief-, schoon- of pleegfamilieleden daaronder begrepen, voor ten hoogste twee weken, tenzij blijkens een over te leggen geneeskundige verklaring gedurende een langere termijn de voortdurende aanwezigheid van de betrokkene bij de zieke, anders dan ter verpleging, noodzakelijk is;
m. overlijden van de onder l bedoelde personen, voor vier dagen; van bloed- of aanverwanten in de tweede graad, voor twee dagen; van bloed- of aanverwanten in de derde of vierde graad, voor ten hoogste één dag; is de betrokkene in de twee laatstgenoemde gevallen belast met de regeling van de begrafenis of van de nalatenschap, dan wordt verlof verleend voor ten hoogste vier dagen;
n. bevalling van de echtgenote, voor ten hoogste twee dagen;
o. het 25-, 40- en 50-jarig ambts- of huwelijksjubileum dan wel jubileum van de registratie van het partnerschap van de betrokkene en het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksjubileum dan wel jubileum van de registratie van het partnerschap van zijn ouders, stief-, schoon- of pleegouders daaronder begrepen, voor één dag;
p. kerkelijke bevestiging of eerste communie van de betrokkene, zijn echtgenote en kinderen, stief-, schoon- of pleegkinderen daaronder begrepen, voor één dag;
q. adoptie van een kind, voor ten hoogste vijf dagen; in geval van adoptie van een buitenlands kind wordt, indien verlof noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen in het desbetreffende land het nodige te verrichten, éénmaal per geval van adoptie, verlof verleend voor de duur van de noodzakelijke reis- en verblijftijd tot ten hoogste zes weken;
r. het voldoen aan een verzoek van een commissie van beroep, als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 63, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 181, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs” artikel 93 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, artikel 2.49 en 2.57 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 22 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 64 van de Wet op de onderwijsverzorging en artikel 11 van de Kaderwet Volwasseneducatie 1991, van dit besluit, om als getuige of deskundige te worden gehoord, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden en omzetting van dienst niet mogelijk is;
s. jeugd- en jongerenwerk als bedoeld in de door Onze Minister getroffen regeling, voor telkens ten hoogste 5 dagen, met dien verstande dat per schooljaar in totaal niet meer dan 10 dagen verlof worden verleend;
t. voor zover het betreft de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1 onder e 1: het vervullen van een stage in het kader van deelname aan een door Onze Minister aan te wijzen applicatiecursus basisonderwijs, voor twee dagen per schooljaar;
u. voor zover het betreft de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 6: het volgen van een cursus, die naar het oordeel van het bevoegd gezag in het belang van de basiseducatie wordt geacht, en voor zover Onze minister op een verzoek van het betrokken bevoegd gezag instemmend heeft beschikt;
v. een calamiteit, waaronder wordt verstaan een plotseling optredende gebeurtenis, die uit zijn aard niet te voorzien is en waarvoor zonder uitstel maatregelen door betrokkene moeten worden genomen, voor ten hoogste een werkdag en maximaal 3 calamiteiten per jaar.
2.
Indien de in het eerste lid, onder d, genoemde omstandigheid zich voordoet en de betrokkene een vaste vergoeding ontvangt in verband met de aktiviteiten waarvoor hem verlof wordt verleend, wordt op zijn bezoldiging een inhouding toegepast over de tijd, dat hij het verlof geniet. Deze inhouding gaat hetgeen de betrokkene kan worden geacht te ontvangen als vaste vergoeding voor de aktiviteiten verricht gedurende de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.
3.
Indien de betrokkene er naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in slaagt achteraf aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onder v , kan het op het verlof betrekking hebbende salaris in mindering worden gebracht op het salaris, dan wel kan het verlof bij een betrokkene in de zin van hoofdstuk I-S, in mindering worden gebracht op het vakantieverlof.
Artikel I-C29a. Kort buitengewoon verlof in verband met nascholing
Het bevoegd gezag verleent de betrokkene gedurende een door Onze minister te bepalen aantal dagen of uren kort buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging indien deze met toestemming van het bevoegd gezag deelneemt aan een door Onze Minister aan te wijzen nascholingscursus en voor zover zijn werkzaamheden daarmee samenvallen.
Artikel I-C30. Kort buitengewoon verlof (facultatief)
In andere dan in artikel I-C29, eerste en tweede lid, bedoelde gevallen kan het bevoegd gezag de betrokkene bovendien kort buitengewoon verlof verlenen voor ten hoogste vier dagen per jaar, al dan niet met behoud van bezoldiging.
1.
Het bevoegd gezag kan aan een betrokkene op diens verzoek uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden lang buitengewoon verlof verlenen. Indien dit verlof wordt verleend is het bepaalde in één van de artikelen I-C32, I-C33 of I-C34 van toepassing, al naar gelang het betreft verlof uitsluitend in het persoonlijk belang, mede in het algemeen belang, dan wel overwegend in het algemeen belang.
2.
Het verlof gaat niet eerder in dan nadat de betrokkene zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de voorwaarden waaronder het verlof wordt verleend.
3.
De voorwaarden bevatten in ieder geval een regeling met betrekking tot de betaling van door de betrokkene aan het bevoegd gezag verschuldigde premiebijdragen ter zake van pensioenen, vervroegde uittreding en sociale verzekeringen, volgens bij of krachtens dit besluit nader te stellen regels.
4.
Het verlof strekt zich naar evenredigheid geheel of gedeeltelijk uit over de schoolvakantie dan wel wordt het vakantieverlof naar evenredigheid verminderd.
5.
Op verzoek van de betrokkene kan het bevoegd gezag in geval van samenloop met andere vormen van verlof, niet zijnde vakantieverlof en in andere daarvoor in aanmerking komende gevallen het verleende verlof opschorten dan wel intrekken en op een ander tijdstip opnieuw verlenen.
6.
De voorschriften in dit artikel zijn niet van toepassing, indien met medewerking van alle betrokkenen het beoogde doel door een omzetting van dienst is te bereiken.
Artikel I-C32. Lang buitengewoon verlof in het persoonlijk belang
Het verlof, bedoeld in artikel I-C31, dat uitsluitend strekt in het persoonlijk belang van de betrokkene, kan voor ten hoogste 6 maanden worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 6 maanden worden verlengd. Dit verlof wordt verleend zonder behoud van bezoldiging.
Artikel I-C33. Lang buitengewoon verlof mede in het algemeen belang
Het verlof, bedoeld in artikel I-C31, dat:
a. is aan te merken als studieverlof, dan wel,
b. ten doel heeft de betrokkene in de gelegenheid te stellen een andere functie te vervullen,
en dat naar het oordeel van Onze minister mede het algemeen belang dient, kan, onverminderd het bepaalde in de artikelen I-C34 en I-C35, voor ten hoogste 1 jaar worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 1 jaar worden verlengd. Dit verlof wordt in beginsel verleend zonder behoud van bezoldiging.
1.
Het verlof, bedoeld in artikel I-C31, dat ten doel heeft de betrokkene in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst een functie te vervullen:
a. in dienst van een volkenrechtelijke organisatie,
b. ten behoeve van de Nederlandse Antillen of Aruba,
c. als deskundige ten behoeve van een vreemde mogendheid,
d. in het kader van internationale hulpverlening aan ontwikkelingslanden, kan, indien Onze minister heeft verklaard, dat met de verlofverlening het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, voor ten hoogste drie jaren worden verleend en kan ten hoogste tweemaal voor ten hoogste 1 jaar worden verlengd. Dit verlof wordt in beginsel verleend zonder behoud van bezoldiging.
2.
Verlof verleend voor de vervulling van functies aan een instelling van onderwijs, door de regering van het ontvangende land in stand gehouden dan wel erkend, wordt in ieder geval geacht in overwegende mate het algemeen belang te dienen.
1.
De betrokkene die:
a. het lidmaatschap van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
b. de functie van lid van Gedeputeerde Staten van een provincie,
c. de functie van substituut-ombudsman,
aanvaardt, geniet van rechtswege lang buitengewoon verlof, zonder behoud van bezoldiging.
2.
Aan de betrokkene die de functie van wethouder van een gemeente aanvaardt, verleent het bevoegd gezag op zijn verzoek voor het geheel of een deel van zijn werkzaamheden lang buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging. Voor zover de uitoefening van de taak bij de instelling wordt geschaad, kan dit verlof door het bevoegd gezag onder goedkeuring van Onze minister ook eigener beweging worden verleend, mits de betrokkene te voren is gehoord.
3.
Tijdens dit verlof heeft de betrokkene zo nodig aanspraak op een nonactiviteitswedde op de voet van het daaromtrent in de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement ten aanzien van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bepaalde.
1.
Indien de betrokkene na afloop van een hem verleend lang buitengewoon verlof, als bedoeld in de artikelen I-C31 tot en met I-C35, als gevolg van beperking van de formatieomvang van de instelling zijn werkzaamheden, mede gezien de afvloeiingsregeling, geheel of gedeeltelijk niet kan hervatten, vormt zulks een grond voor ontslag, respectievelijk vermindering van de taakomvang.
2.
De betrokkene die na afloop van een hem verleend lang buitengewoon verlof zijn werkzaamheden niet te bestemder tijd hervat, wordt voor de toepassing van dit besluit geacht te zijn ontslagen.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing indien de betrokkene binnen een redelijke termijn aannemelijk maakt dat hij geldige redenen had zijn dienst niet te hervatten, in welk geval het verlof geacht wordt te zijn verlengd tot het tijdstip, waarop bedoelde redenen hebben opgehouden te bestaan.
Artikel I-C37. Borstkind
Het bevoegd gezag verleent aan de vrouwelijke betrokkene die een borstkind heeft en die hiervan aan hem kennis heeft gegeven behoorlijke gelegenheid haar kind te zogen.
1.
Het bevoegd gezag verleent de betrokkene, indien daartoe volgens door Onze minister te geven nadere regels aanleiding bestaat, desgevraagd kort of lang buitengewoon verlof uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden voor:
a. het verrichten van werkzaamheden van rechtspositionele aard in of ten behoeve van commissies voor georganiseerd overleg als bedoeld in onderscheidenlijk de hoofdstukken IV-C, IV-E en IV-F van dit besluit en het Overlegbesluit onderwijspersoneel ;
b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid vertegenwoordigde centrale van verenigingen van ambtenaren of een bij zo’n centrale aangesloten vereniging waarvan hij lid is;
c. het op uitnodiging van een Centrale of vereniging als bedoeld onder b , als cursist deelnemen aan een cursus voor ten hoogste 6 dagen per twee schooljaren, voor zover omzetting van de dienst niet mogelijk is.
2.
Het bevoegd gezag verleent de betrokkene, indien daartoe volgens door Onze minister te geven nadere regels aanleiding bestaat, desgevraagd kort of lang buitengewoon verlof uit het geheel of een deel van zijn werkzaamheden voor:
a. het verrichten van werkzaamheden van onderwijskundige aard in of ten behoeve van de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg, dan wel één van de onder de Centrale Commissie voor Onderwijsoverleg ressorterende commissies voor onderwijsoverleg;
b. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van door Onze minister aan te wijzen adviescommissies.
3.
Het verlof, bedoeld in het eerste of het tweede lid, wordt verleend met behoud van bezoldiging. Omtrent de wijze waarop dit verlof wordt aangevraagd, de maximumduur en de omvang, alsmede de overige voorwaarden en gevolgen van dit verlof, geeft Onze minister nadere regels.
4.
In afwijking van het bepaalde in het derde lid wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, dat met name ten doel heeft de betrokkene in staat te stellen de functie van bezoldigd bestuurder van een onder b van dat lid bedoelde Centrale of vereniging te vervullen, voor ten hoogste twee jaren en zonder behoud van bezoldiging verleend.
5.
Indien op grond van het eerste of het tweede lid lang buitengewoon verlof wordt verleend, is ten aanzien van de afloop daarvan het bepaalde in artikel I-C36 van overeenkomstige toepassing.
1.
Het bevoegd gezag verleent de betrokkene desgevraagd buitengewoon verlof in verband met ouderschap. Het ouderschapsverlof wordt zonder behoud van bezoldiging verleend en wordt uitsluitend verleend aan de betrokkene van wie het dienstverband in het onderwijs ten minste twaalf maanden heeft geduurd op de ingangsdatum van het verlof. De aanvraag gaat vergezeld van bewijsstukken waarmee het recht op verlof en de omvang van dat recht worden aangetoond en wordt afgehandeld uiterlijk 4 weken nadat deze door het bevoegd gezag is ontvangen.
2.
Een betrokkene die als ouder in familierechtelijke betrekking staat totéé n kind heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof. Indien een betrokkene als ouder tegelijkertijd tot meer dan één kind in een familierechtelijke betrekking staat, bestaat er ten aanzien van elk ander kind dan het eerste kind recht op 415 uur ouderschapsverlof.
3.
Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één kind en met het oog op adoptie de verzorging en opvoeding van dat kind op zich heeft genomen, heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof. Indien een betrokkene tegelijkertijd de verzorging en opvoeding van meer dan één kind op zich heeft genomen, bestaat er ten aanzien van elk ander kind recht op 415 uur ouderschapsverlof.
4.
Een betrokkene die blijkens een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als één of meer kinderen en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind of die kinderen als eigen kind of kinderen op zich heeft genomen, heeft recht op 995 uur ouderschapsverlof.
5.
Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang die afwijkt van een normbetrekking wordt het ouderschapsverlof naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op hele uren.
6.
Geen recht op ouderschapsverlof bestaat na de datum waarop een kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.
7.
Het ouderschapsverlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar. In afwijking van de vorige volzin kan een betrokkene het bevoegd gezag vragen het ouderschapsverlof te kunnen opnemen over een langere periode dan één jaar. Het bevoegd gezag stemt in met het verzoek tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
8.
Voor een betrokkene, bedoeld in het tweede dan wel derde lid, geldt het zevende lid telkens per kind.
9.
Een betrokkene vraagt het ouderschapsverlof schriftelijk aan, ten minste acht weken voor het gewenste tijdstip van ingang van het verlof en onder opgave van de periode, het aantal verlofuren per week en de spreiding daarvan over de week. Zodra dat mogelijk is, deelt de betrokkene ook de naam en geboortedatum mee van het kind of de kinderen waarvoor ouderschapsverlof wordt gevraagd. De betrokkene kan de tijdstippen van ingang en einde van het ouderschapsverlof afhankelijk stellen van de datum van bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
10.
Het bevoegd gezag kan, na overleg met de betrokkene, de spreiding van de verlofuren over de week op grond van gewichtige redenen wijzigen, tot vier weken voor het beoogde tijdstip van ingang van het ouderschapsverlof.
11.
Het bevoegd gezag stemt in met een verzoek van de betrokkene om het ouderschapsverlof niet op te nemen of niet voort te zetten op grond van onvoorziene omstandigheden, tenzij gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Het bevoegd gezag beslist uiterlijk vier weken nadat het verzoek is gedaan, in voorkomend geval onder opgave van de gewichtige redenen. In het geval dat het ouderschapsverlof met toepassing van de eerste volzin na het tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het recht op het overige deel van dat verlof tenzij het verlof wegens ziekte van de betrokkene op zijn verzoek wordt opgeschort.
1.
Voor de betrokkene die is benoemd in een normbetrekking geldt op jaarbasis een arbeidsduur van 1710 uren respectievelijk 1790 uren, waarbij aanspraak bestaat op 51 uren respectievelijk 131 uren verlof.
2.
Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op hele uren.
3.
Het verlof, bedoeld in het eerste lid, wordt in gehele werkdagen opgenomen, met dien verstande dat een restant dat kleiner is dan een gehele werkdag voor een gedeelte van een werkdag wordt genoten. Tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, kan het verlof op verzoek van betrokkene anders dan in gehele werkdagen worden verleend.
4.
Teneinde voor een betrokkene als bedoeld in hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R, artikel I-S203 en artikel I-S303, het verbruik van het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, te berekenen, wordt de in het eerste en het tweede lid bedoelde verlofaanspraak uitgedrukt in lesgevende taken, lesgebonden taken of behandeltaken en wel door de in het eerste lid bedoelde verlofaanspraak bij een arbeidsduur op jaarbasis van 1710 uren vast te stellen op 31 uren en bij een arbeidsduur op jaarbasis van 1790 uren op 80 uren. Vervolgens wordt voor elk dagdeel dat een betrokkene als bedoeld in hoofdstuk I-Q, hoofdstuk I-R, artikel I-S203 en artikel I-S303, verlof geniet op grond van dit artikel, de verlofaanspraak van betrokkene verminderd met het aantal uren dat op de betreffende dagdelen in de vier hoogste groepen wordt lesgegeven.
5.
Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kunnen van het vierde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
6.
Het bevoegd gezag en betrokkene maken afspraken over het tijdstip waarop het verlof, bedoeld in dit artikel, wordt opgenomen. Indien geen overeenstemming wordt bereikt over het tijdstip van opnemen van het verlof, beslist het bevoegd gezag. Voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S met uitzondering van een functie als bedoeld in artikel I-S203 of artikel I-S303 geldt dat 51 uur van het verlof op grond van dit artikel op verzoek van betrokkene buiten de schoolvakanties wordt verleend en wordt vermeld in de werktijdenregeling, bedoeld in artikel I-S105, tweede lid.
7.
Onder door Onze minister te stellen voorwaarden kan het verlof, bedoeld in dit artikel, worden opgenomen in een later schooljaar.
1.
Tot een nader door Onze Minister te bepalen datum kan aan de betrokkene behorend tot het onderwijsgevend personeel die op zijn verzoek geen gebruik maakt van de voor hem geldende arbeidsduurverkorting door een verlaging van de normbetrekking met ingang van 1 augustus 1991, na een periode van minimaal 4 jaar en maximaal 8 jaar verlof worden verleend, waarvan de tijdsduur overeenkomt met de tijd van de niet genoten arbeidsduurverkorting.
2.
Het in het eerste lid bedoelde verlof wordt vermeerderd met extra verlof waarvan de tijdsduur overeenkomt met een percentage van de niet genoten arbeidsduurverkorting.
3.
Onze Minister geeft nadere voorschriften voor de toepassing van het in dit artikel bedoelde verlof.
Artikel I-D1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. burgerlijke beloning: de bezoldiging, bedoeld in artikel I-A1, onder j ;
b. militaire beloning: hetgeen als zodanig door Onze Ministers van Defensie en Financiën is aangemerkt.
1.
De betrokkene die ingevolge wettelijke verplichting op grond van de Kaderwet dienstplicht als militair in werkelijke dienst is, geniet van rechtswege verlof.
2.
Hij behoudt tijdens dit verlof zijn burgerlijke beloning, voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk hem daarop aanspraak geven.
3.
Op de betrokkene die is benoemd in tijdelijke dienst, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk slechts van toepassing, zolang hij aan de instelling is verbonden.
4.
Op de betrokkene, die is benoemd in één of meer betrekkingen die elk voor zich kleiner zijn dan de omvang van een normbetrekking, zijn de voorschriften in de artikelen I-D3 en I-D7 van toepassing naar evenredigheid van:
a. de omvang van de betrekking die kleiner is dan de omvang van een normbetrekking ten opzichte van de totale omvang van de betrekkingen;
b. - ingeval de totale omvang van de betrekkingen kleiner is dan een normbetrekking - die omvang van de betrekking die kleiner is dan de omvang van een normbetrekking ten opzichte van de normbetrekking.
Artikel I-D3. Verlof wegens opleiding en oefening
De betrokkene die ingevolge wettelijke verplichting voor opleiding en oefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning tot een bedrag, gelijk aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en de Vut-bijdrage ingevolge de regels van het bestuur VUT-fonds met betrekking tot financiering VUT-aanspraken.
1.
De belanghebbende die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning, voor zover deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventueel bedrag wegens genot van voeding en huisvesting.
3.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden met herhalingsoefening gelijkgesteld:
a. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan de militair wordt verdacht of beklaagd;
b. het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven teneinde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer;
c. het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij de Kroon of bij Onze Minister van Defensie ingediend bezwaarschrift;
d. het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens:
1. ziekte;
2. net niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte;
3. het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte;
e. hetgeen voorts door Onze Minister van Defensie als zodanig is aangemerkt.
1.
Gedurende 2 weken na zijn opkomst in werkelijke dienst geniet de betrokkene de volle aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning indien hij bij zijn opkomst in werkelijke dienst anders dan voor herhalingsoefening de eerste 12 maanden van de opleiding en oefening of zoveel korter als deze opleiding en oefening duurt reeds in werkelijke dienst heeft doorgebracht.
2.
Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn is het bepaalde in artikel I-D3, van toepassing.
Artikel I-D6. Verlof tijdens vakantieverlof
Voor zover de werkelijke dienst, niet zijnde de opleiding en oefening, wordt vervuld tijdens zijn vakantieverlof, geniet de betrokkene de volle aan zijn betrekking verbonden burgerlijke beloning.
1.
Het bepaalde in dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene die:
a. is te werk gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ( Stb. 1962, 370);
b. op grond van een verbintenis bij het Korps Nationale Reserve in werkelijke dienst is;
c. op grond van een verbintenis bij het reservepersoneel der krijgsmacht als militair in werkelijke dienst is;
d. op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid onder a of b , van de Rechtstoestandregeling reserve-politie ( Stb. 1964, 473) of van een overeenkomstige verbintenis als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in werkelijke dienst is;
e. op grond van een tijdelijke verbintenis als legeraalmoezenier, legerpredikant of anderszins als geestelijk verzorger in werkelijke dienst is;
f. op grond van een verbintenis als monumentenwachter in de zin van het Besluit Monumentenwacht ( Stb. 1964, 477) in werkelijke dienst is;
g. op grond van een andere bijzondere verbintenis in werkelijke of daarmee gelijk te stellen dienst is, indien dit bij koninklijk besluit is bepaald.
2.
De betrokkenen, bedoeld in het eerste lid onder d en e , worden gelijkgesteld met de betrokkene, die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is.
Artikel I-F1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. overledene: hij, die op de dag van zijn overlijden betrokkene was.
b. uitkeringsbasis:
1. in het geval, bedoeld onder a 1:
de tot een maandbedrag herleide bezoldiging welke voor de betrokkene gold op de dag van overlijden, vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand, met dien verstande dat de overledene die werkzaam was aan een instelling voor voortgezet onderwijs met een cursusduur van minder dan 12 maanden, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wordt zijn totale jaarlijkse bezoldiging te hebben ontvangen in 12 gelijke maandelijkse termijnen;
c. bevoegd gezag: voor wat betreft:
1. een betrokkene als bedoeld onder a 1: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel I-A1, onder f ;
2. een gewezen betrokkene als bedoeld onder a 2 en a 3: Onze minister.
1.
In aanmerking voor een uitkering bij overlijden komen in navolgende rangorde:
a. de weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde;
b. de minderjarige kinderen van de overledene;
c. de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters voor wie de overledene kostwinner was.
2.
Onder kinderen in de zin van het eerste lid worden mede begrepen natuurlijke kinderen en kinderen voor wie de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
1.
De uitkering bij overlijden is gelijk aan het bedrag dat gevormd wordt door de uitkeringsbasis met 3 te vermenigvuldigen.
2.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen een maand na het overlijden, door het bevoegd gezag uitgekeerd.
1.
Gedurende de maand van het overlijden en de volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het recht op het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de overledene woonden.
2.
Indien door de overledene voor het gebruik van de dienstwoning of voor het verbruik van verwarming, gas, elektriciteit en water een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd, gedurende welke zij het gebruik van de dienstwoning behouden.
1.
Indien de nabestaanden, bedoeld in artikel I-F2, aanspraak hebben op een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 1639 l , tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, wordt de uitkering bij overlijden bedoeld in dit hoofdstuk slechts uitbetaald, voor zover deze de eerstgenoemde uitkering te boven gaat.
2.
In geval van overlijden als militair in werkelijke dienst wordt de uitkering bij overlijden verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering, die uit hoofde van militaire dienst ter zake wordt gedaan.
3.
In geval van overlijden als gewezen betrokkene, bedoeld in artikel I-F1, onder a 3, wordt de uitkering bij overlijden verminderd met het bedrag van de uitkering waarop de nabestaanden van de gewezen betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens artikel Q6 van de pensioenwet dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid.
Artikel I-F6. Vermindering wegens reeds genoten inkomsten
Op de ingevole de voorgaande artikelen berekende uitkering bij overlijden wordt de reeds vóór zijn overlijden aan de betrokkene uitbetaalde bezoldiging over een na zijn overlijden gelegen tijdvak, in mindering gebracht.
Artikel I-F7. Geen nabestaanden
Indien de overledene geen nabestaanden als bedoeld in artikel I-F2 nalaat, kan het bedrag, bedoeld in artikel I-F3, door het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, voor zover de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Artikel I-G1. Algemeen
Ontslag op grond van opheffing van de instelling of de betrekking dan wel wegens zodanige verandering in de inrichting of de dienst van de instelling dat de werkzaamheden van een of meer betrokkenen overbodig worden, geschiedt aan de hand van een afvloeiingsregeling.
1.
Het bevoegd gezag stelt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie maanden na de datum waarop dit besluit voor de instelling van toepassing is geworden, een afvloeiingsregeling vast voor het personeel in vaste dienst, waarin de belangen van de instelling en van de betrokkenen zoveel mogelijk gelijkelijk in acht worden genomen. Het bevoegd gezag kan deze taak overdragen aan de vereniging van instellingsbesturen waarbij de instelling is aangesloten.
2.
De regeling wordt niet vastgesteld dan nadat met verenigingen als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs” artikel 2.51 en 2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 20 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 61 van de Wet op de onderwijsverzorging of artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie dan wel verenigingen van het aan de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d 6 en d 7, verbonden personeel, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.
3.
Bij samenvoeging stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling is vastgelegd op welke wijze op het moment van samenvoeging de afvloeiingsvolgorden, zoals vastgesteld aan de bij de samenvoeging betrokken scholen tot één volgorde worden gemaakt.
4.
Bij omzetting van een benoeming in een bestuursbenoeming stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling wordt een voorziening geboden voor het reeds aan de instelling benoemde personeel dat geen omzetting van de benoeming wenst.
5.
Ter vermijding van kennelijke onbillijkheid en wanneer het belang van de instelling dit kennelijk vereist, kan bij de verlening van ontslag van de vastgestelde afvloeiingsregeling worden afgeweken, met dien verstande, dat indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt naar een bepaald vooraf vastgesteld en aan de betrokkenen kenbaar gemaakt plan.
Artikel I-G3. Tervisielegging
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de regeling steeds op een voor de betrokkenen toegankelijke plaats ter inzage in de instelling beschikbaar is.
1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e 1, e 2, e 4, e 5, e 6, e 7, e 10, e 12 tot en met e 18;
b. instelling: de instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d 1, d 2, d 4, d 5, d 6, d 7, d 10, d 12 tot en met d 18;
c. hoofdinstelling: indien de betrokkene werkzaam is aan:
- één instelling: de desbetreffende instelling;
- twee of meer instellingen: de instelling waaraan hij de meeste tijd werkzaam is;
- twee of meer instellingen waaraan hij dezelfde tijd werkzaam is: de instelling met de kleinste afstand tot de woning van betrokkene.
d. standplaats: de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van die gemeente, waarin door belanghebbende voor de hoofdinstelling de meeste werkzaamheden worden verricht. Indien door belanghebbende voor de hoofdinstelling in verschillende gemeenten evenveel werkzaamheden worden verricht: de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van die gemeente, met de kleinste afstand tot de woning van belanghebbende;
e. standplaatsbetrekking: een betrekking of een combinatie van betrekkingen met een omvang van tenminste het 6/10 deel van de normbetrekking;
f. gebouw: de plaats waar de belanghebbende zijn werkzaamheden verricht;
g. plaats van tewerkstelling: het gebouw van de hoofdinstelling in de standplaats waar belanghebbende werkzaam is. Wanneer in de standplaats binnen de hoofdinstelling sprake is van meerdere gebouwen is de plaats van tewerkstelling het gebouw waar belanghebbende de meeste werkzaamheden verricht. Wanneer in de standplaats binnen de hoofdinstelling sprake is van meerdere gebouwen, waar door belanghebbende evenveel werkzaamheden worden verricht, wordt het gebouw met de kleinste afstand tot de woning van belanghebbende als plaats van tewerkstelling aangemerkt. Indien de uitoefening van de functie van belanghebbende aan de hoofdinstelling zich uitstrekt over een meer of minder omvangrijk geografisch gebied (rayon of regio): de door het bevoegde gezag aangewezen plaats;
h. woonplaats: de gemeente of het met name bekende afzonderlijk liggend deel van die gemeente, waar de belanghebbende metterwoon is gevestigd;
i. zone: de eenheid waarin het bus- en tramlijnennet is verdeeld en die de basis vormt van de strippenkaart in het stad- en streekvervoer;
j. jaarbezoldiging: de bezoldiging of de som van de bezoldigingen in de maand van verhuizen, tot ten hoogste de bezoldiging verbonden aan een normbetrekking vermeerderd met het percentage van de vakantieuitkering met inachtneming van het minimumbedrag, in voorkomende gevallen verhoogd met:
1. een eventueel in die maand genoten uitkering als bedoeld in het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel , alsmede de daarmede overeenkomende uitkeringsregelingen, als door Onze minister aan te geven;
2. een eventueel in die maand genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag of de Uitkeringswet gewezen militairen , zoals deze uitkering is of zou zijn vastgesteld indien de leeftijd van 50 jaar nog niet is of zou zijn bereikt; een en ander herleid tot een jaarbedrag;
k. gezamenlijke jaarbezoldiging: de jaarbezoldiging vermeerderd met de inkomsten onder welke benaming dan ook genoten, door de echtgenoot die geen belanghebbende is;
l. berekeningstijdstip
1e. de datum waarop de belanghebbende verhuist;
2e. indien de belanghebbende verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van het werkzaam zijn in een standplaatsbetrekking;
m. voor het eerst in diensttreden: in dienst treden bij een instelling anders dan in geval van een overgang binnen een maand:
1e. van de ene naar een andere instelling,
2e. van de overheid naar een instelling, terwijl de tijd gedurende welke een ontslaguitkering wordt genoten niet als een onderbreking tussen beide benoemingen wordt beschouwd;
n. verplaatsing: verandering van de standplaats van de belanghebbende in opdracht van het bevoegd gezag;
o. gezinsleden: de echtgeno(o)t(e) van de belanghebbende en de eigen kinderen, stief- en pleegkinderen die deel uitmaken van het gezin;
p. dienstwoning: de door het bevoegd gezag aan de belanghebbende in verband met de uitoefening van de functie ter bewoning aangewezen woning, waarvoor van rijkswege een tegemoetkoming in de stichtingskosten of onderhoudskosten aan het bevoegd gezag is verleend;
q. dienstreis: de reis, welke, anders dan bedoeld in artikel I-J9, in het belang van het onderwijs dan wel van de instelling en in opdracht van het bevoegd gezag in of buiten de standplaats wordt gemaakt;
Artikel I-J2. Standplaatsbetrekking bij vervangingswerkzaamheden en contractactiviteiten
Voor het ontstaan van een standplaatsbetrekking blijven vervangingswerkzaamheden en werkzaamheden die voor een periode van drie of minder aaneengesloten schooljaren aan een belanghebbende zijn toegekend in het kader van contractactiviteiten, buiten beschouwing.
1.
De belanghebbende, die is verhuisd en een woning heeft betrokken die gelegen is op of binnen een afstand van 5 zones van de plaats van tewerkstelling, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend indien:
a. hij is benoemd in een standplaatsbetrekking;
b. hij voor tenminste één jaar is benoemd;
c. hij op een afstand van 6 of meer zones woonde van de plaats van tewerkstelling;
d. de reisafstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling als gevolg van de verhuizing met tenminste 5 zones is bekort.
2.
Een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt slechts éénmaal in de vijf jaar verleend, tenzij de verhuizing verband houdt met een verandering van betrekking die het gevolg is van een ontslag of van het vooruitzicht op ontslag, dat niet op eigen verzoek is verleend en niet aan schuld of toedoen van de belanghebbende is te wijten.
3.
De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt verleend onder de voorwaarde dat de belanghebbende vooraf schriftelijk heeft verklaard dat hij bekend is met de terugbetalingsverplichting bedoeld in artikel I-J8.
1.
De belanghebbende, die in opdracht van het bevoegd gezag, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend, tenzij het verlaten van de dienstwoning het gevolg is van een ontslag, dat op zijn verzoek anders dan wegens het bereiken of bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, of anders dan met recht op uitkering voor vervroegd uittreden is verleend, of aan schuld of toedoen van de belanghebbende is te wijten.
2.
Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden van de belanghebbende, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.
1.
De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:
a. Een tegemoetkoming in de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de belanghebbende en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken, en in de te maken reiskosten ter bezichtiging van woonruimte en in de eventuele opknapkosten aan de nieuwe woning en dubbele woonkosten, van in totaal een bedrag als aangegeven in de bijlage J1 onder 1, van dit besluit.
b. een tegemoetkoming voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten.
2.
Indien de verhuizing door belanghebbende in eigen beheer wordt uitgevoerd, ontvangt belanghebbende slechts de helft van het in het eerste lid, onder a , bedoelde bedrag.
3.
Het in het eerste lid, onder b , bedoelde bedrag wordt, afhankelijk van het aantal woon/slaapvertrekken dat de achter te laten woning telde, gesteld op een percentage van de jaarbezoldiging die de belanghebbende genoot op de dag waarop de nieuwe woning kon worden betrokken zoals aangegeven in de bijlage J1, onder 2, van dit besluit.
4.
Voor de belanghebbende, die inwonend was bij de ouders is het laagst genoemde percentage zoals aangegeven in de bijlage J1, onder 2, van dit besluit van toepassing.
5.
De belanghebbende, die een woning heeft betrokken op een reisafstand van meer dan 2 zones van de plaats van tewerkstelling, ontvangt slechts 80% van het bedrag van de in het eerste lid onder a en b bedoelde tegemoetkomingen.
6.
De tegemoetkoming in de verhuiskosten voor de belanghebbende, die voor het eerst bij een instelling in dienst treedt en op enig tijdstip wordt benoemd in een standplaatsbetrekking, bedraagt in afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid, de helft van de vergoeding waarop hij ingevolge die leden aanspraak zou hebben.
1.
Bij een verhuizing van een gezin, waarvan beide echtgenoten terzake van de verhuizing aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van dit hoofdstuk, ontvangt, met overeenkomstige toepassing van artikel I-J5, tweede tot en met zesde lid:
ieder van beiden de helft van de in artikel I-J5, eerste lid, onder a en b bedoelde vergoedingen.
De volgens artikel I-J5, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.
2.
Indien het betreft een verhuizing van een gezin waarvan een van de echtgenoten aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van dit hoofdstuk en de andere echtgenoot uit anderen hoofde terzake van deze verhuizing aanspraak maakt op een tegemoetkoming, wordt de tegemoetkoming in verhuiskosten aan de belanghebbende slechts verleend voorzover deze de tegemoetkoming welke uit anderen hoofde wordt ontvangen te boven gaat.
3.
De berekening van de tegemoetkoming voor de in het tweede lid bedoelde belanghebbende geschiedt door, met overeenkomstige toepassing van artikel I-J5, tweede tot en met zesde lid, het totaal van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel I-J5, eerste lid, te verminderen met de tegemoetkoming die de echtgenoot uit andere hoofde ontvangt. De volgens artikel I-J5, derde lid, vast te stellen vergoeding wordt berekend over de gezamenlijke jaarbezoldiging.
1.
Aan de betrokkene wordt geen tegemoetkoming in de verhuiskosten voor een verhuizing verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen drie jaar na de datum waarop betrokkene is benoemd in een standplaatsbetrekking doch binnen twee jaar na benoeming in vaste dienst in een standplaatsbetrekking.
2.
Aan de belanghebbende wordt geen tegemoetkoming in de verhuiskosten voor een verhuizing in verband met een verplaatsing verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na de datum van de verplaatsing.
1.
De betrokkene, aan wie een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt verleend, is, behoudens het tweede lid, gehouden de ontvangen tegemoetkoming terug te betalen indien zijn dienstverband op zijn verzoek of ten gevolge van aan hemzelf te wijten feiten of omstandigheden wordt beëindigd, tenzij deze beëindiging ingaat twee jaren of langer na de datum waarop de betrokkene in een standplaatsbetrekking is benoemd of is verplaatst en deze beëindiging heeft plaatsgevonden een jaar of langer na de datum van de verhuizing.
2.
Geen terugbetalingsverplichting bestaat, indien de belanghebbende bedoeld in het eerste lid, ontslag neemt uit een standplaatsbetrekking teneinde aansluitend een zodanige betrekking aan een andere instelling te aanvaarden, mits de plaats van tewerkstelling binnen of op een afstand van 5 zones van zijn woonplaats is gelegen.
3.
De belanghebbende, die binnen twee jaar na de verhuizing, anders dan in verband met het beëindigen van het dienstverband bij de instelling waarvoor hem deze tegemoetkoming werd toegekend of wegens een verplaatsing van deze instelling, verhuist naar een woonplaats die verder weg is gelegen van de plaats van tewerkstelling, is gehouden de ontvangen tegemoetkoming in de verhuiskosten terug te betalen:
a. gedeeltelijk, indien hij zich in een woonplaats binnen of op een afstand van 5 zones van zijn plaats van tewerkstelling gevestigd heeft en wel voor zover de tegemoetkoming meer bedraagt dan de tegemoetkoming die hem zou zijn toegekend indien hij zich direct in deze woonplaats zou hebben gevestigd;
b. geheel, indien hij zich in een woonplaats op een afstand van meer dan 5 zones van zijn plaats van tewerkstelling gevestigd heeft.
1.
Aan de belanghebbende wordt door het bevoegd gezag maandelijks, onverminderd het bepaalde in artikel I-J11, een tegemoetkoming in de reiskosten tussen de woning en het gebouw of de gebouwen verleend, indien de te reizen afstand tussen de woning en het gebouw of de gebouwen meer dan twee zones bedraagt.
2.
De tegemoetkoming wordt per betrekking, en voor elk gebouw binnen de betrekking afzonderlijk, afhankelijk van de reisafstand in zones tussen de woning en het gebouw of de gebouwen en van het aantal dagen dat per week naar dit gebouw of deze gebouwen wordt gereisd, vastgesteld aan de hand van de in de bijlage J2 bij dit besluit opgenomen tabel.
3.
De in het tweede lid bedoelde tabel is slechts van toepassing indien in een maand gemiddeld ten minste één keer per week wordt gereisd tussen de woning en hetzelfde gebouw. Voor de toepassing van de tabel in hiervan afwijkende gevallen zijn in de bijlage J2 richtlijnen gegeven.
1.
Indien door een betrokkene over een aaneengesloten tijdvak van meer dan één week anders dan in verband met vakantieverlof niet is gereisd tussen de woning en het gebouw of de gebouwen, wordt de aan de betrokkene toe te kennen tegemoetkoming in de reiskosten vanaf de tweede week naar evenredigheid verlaagd.
2.
Indien door een belanghebbende in verband met de datum van indiensttreding of ontslag slechts een deel van een maand tenminste één keer per week wordt gereisd tussen de woning en hetzelfde gebouw, dient de tegemoetkoming in de reiskosten naar evenredigheid te worden vastgesteld.
1.
De belanghebbende, bedoeld in paragraaf 1 van hoofdstuk I-C, die voor een heel schooljaar is benoemd, heeft per betrekking slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten over ten hoogste tien kalendermaanden per schooljaar. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald over de maanden juli en augustus.
2.
De belanghebbende, bedoeld in de paragrafen 2 tot en met 5 van hoofdstuk I-C, die voor een geheel schooljaar is benoemd, heeft per betrekking slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten over ten hoogste elf kalendermaanden per schooljaar. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald over de maand juli.
3.
Indien de belanghebbende in een betrekking is benoemd voor een kortere periode dan een geheel schooljaar, vindt er, voor zover de in het eerste respectievelijk tweede lid, genoemde termijnen niet worden overschreden, geen inhouding plaats van de tegemoetkoming in de gemaakte reiskosten.
1.
De aan belanghebbende toe te kennen tegemoetkoming in reiskosten bedraagt per schooljaar per betrekking of combinatie van betrekkingen niet meer dan het bedrag als aangegeven in bijlage J1 onder 3, van dit besluit.
2.
De tegemoetkoming in de reiskosten bedraagt per betrekking vanaf het tweede jaar na indiensttreding voor het totaal van het gebouw of de gebouwen binnen deze betrekking niet meer dan het volgens de tabel in de bijlage J2 vanaf het tweede jaar na indiensttreding geldende bedrag bij vier of meer reisdagen per week over een reisafstand van vijf zones.
1.
Een belanghebbende, die bij een verhuizing in aanmerking zou komen voor een tegemoetkoming in verhuiskosten, en die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in de gelegenheid is dagelijks heen en weer te reizen tussen zijn woning en de plaats van tewerkstelling, heeft gedurende het eerste jaar, gerekend vanaf de datum waarop betrokkene in een standplaatsbetrekking is benoemd, aanspraak op een tegemoetkoming in pensionkosten, indien hij een pension betrekt dat gelegen is op of binnen een afstand van 5 zones van de plaats van tewerkstelling.
2.
De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt 90% van de werkelijk gemaakte pensionkosten, met een maximum als aangegeven in de bijlage J1 onder 4, bij dit besluit.
3.
De belanghebbende heeft slechts aanspraak op een tegemoetkoming in de te maken reiskosten binnen Nederland, voor zover hij die éénmaal per week maakt voor het bezoeken van zijn woonplaats.
1.
Aan de belanghebbende die een dienstreis maakt, wordt door het bevoegd gezag een tegemoetkoming toegekend in de gemaakte reis- en verblijfkosten volgens nader door Onze minister vast te stellen regels.
2.
De belanghebbende ontvangt voor het gebruik van een eigen motorvoertuig, waarvoor door het bevoegd gezag een machtiging is verleend, een kilometervergoeding:
a. voor de eerste 10000 kilometer het bedrag dat per gereisde kilometer in het desbetreffende kalenderjaar belastingvrij mag worden toegekend;
b. voor de overige kilometers wordt het bedrag vastgesteld volgens nader door Onze minister vast te stellen regels.
1.
Het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in de verhuiskosten dient zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 6 maanden na de verhuizing door de belanghebbende bij het bevoegd gezag te worden ingediend.
2.
Het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in de reis- en pensionkosten dient voor 1 januari volgend op het betreffende schooljaar bij het bevoegd gezag te worden ingediend.
Artikel I-J16. Aanspraak op vergoeding van de reis- en verblijfkosten bij geneeskundig onderzoek
Degene die een geneeskundig onderzoek ondergaat in verband met benoeming of wijziging van het dienstverband, ontvangt van het bevoegd gezag een vergoeding van reis- en verblijfkosten volgens daartoe door het bevoegd gezag vastgestelde regels. De kosten van een geneeskundig onderzoek komen voor rekening van het bevoegd gezag.
Artikel I-K1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. diensttijd: de tijd, doorgebracht:
1. in een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d , met dien verstande dat de tijd vóór 1 januari 1956 doorgebracht aan scholen voor kleuteronderwijs slechts medetelt indien daartoe naar het oordeel van Onze minister aanleiding bestaat;
2. in een burgerlijke dienstbetrekking bij de Nederlandse overheid;
3. in een betrekking waarbij betrokkene in dienst is van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, c, d, e en f , dan wel als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b , jo. artikel 3 van de WPA;
4. in een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 7, voordat deze werd aangewezen als lichaam, bedoeld in artikel 1, eerste lid onder g , van de WPA, dan wel als bedoeld in artikel 2, derde lid onderdeel b , juncto artikel 3 van de WPA;
5. vóór 1 januari 1966 in een betrekking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Pensioenwet 1922 ( Stb. 240);
6. in een burgerlijke dienstbetrekking bij de overheid van de Nederlandse Antillen, Aruba en, vóór 25 november 1975, Suriname, bij de voormalige gouvernementen van Suriname, Curaçao en Nieuw-Guinea alsmede, vóór 27 december 1949, bij de voormalige Nederlands Indische overheid, waaronder mede worden begrepen de voormalige Indische Pensioenfondsen;
7. in een dienstbetrekking bij het niet-openbaar onderwijs in de onder 6 vermelde voormalige Rijksdelen, voor zover zulks de betrokkene onder de werkingssfeer van een overheidspensioenregeling heeft gebracht of zou hebben gebracht, indien hij in vaste dienst zou zijn aangesteld;
8. vóór 1 januari 1955 in dienst van de Republiek Indonesië, voor zover die tijd door de Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië ( Stb. 1950, K 178) wordt bestreken;
9. in Nederlandse militaire dienst of daarmede voor de toepassing van de desbetreffende rechtspositieregelingen gelijkgestelde dienst, waaronder mede worden begrepen het voormalige KNIL en de troepen in de Nederlandse Antillen, Aruba en, vóór 25 november 1975, Suriname.
10. als volontair met een volledige dagtaak in een betrekking bij de Nederlandse overheid;
een en ander met uitzondering van de tijd gedurende welke de betrokkene geen inkomsten uit de dienstbetrekking heeft genoten, tenzij zulks het gevolg was van lang buitengewoon verlof dat naar het oordeel van Onze minister overwegend dan wel mede in het algemeen belang was verleend;
b. jubileumdatum: de datum waarop de betrokkene een diensttijd van 25, 40 dan wel 50 jaren volbrengt;
c. bezoldiging: voor zover het betreft: een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1, d 2, d 4 tot en met d 7 en d 10, d 12 tot en met d 18: de tot een maandbedrag herleide bezoldiging of som der bezoldigingen welke voor de betrokkene op de jubileumdatum aan één of meer instellingen geldt, tot ten hoogste de bezoldiging behorende bij een normbetrekking;
een en ander vermeerderd met:
de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand;
en de toelage wegens onregelmatige dienst over één maand, berekend naar hetgeen de betrokkene in de 3 aan de jubileumdatum voorafgaande kalendermaanden gemiddeld aan zodanige toelage heeft ontvangen.
Artikel I-K2. Aanspraak op jubileumgratificatie
De betrokkene heeft bij het bereiken van de jubileumdatum aanspraak op een door het bevoegd gezag uit te betalen jubileumgratificatie.
Artikel I-K3. Bedrag jubileumgratificatie
De jubileumgratificatie bedraagt bij een 25-jarig jubileum 50% en bij een 40- of 50-jarig jubileum 100% van de bezoldiging. De bedragen worden op een veelvoud van 5 gulden naar boven afgerond.
Artikel I-K4. Aanspraak op jubileumgratificatie bij meer dan één betrekking
Indien betrokkene op de jubileumdatum een betrekking aan meer dan een instelling heeft, wordt de jubileumgratificatie uitbetaald door ieder van de betrokken bevoegde gezagsorganen voor een evenredig deel.
Artikel I-K5. Geen dubbeltelling diensttijd
De tijd gedurende welke de betrokkene twee of meer betrekkingen naast elkaar vervulde, komt slechts eenmaal in aanmerking voor de berekening van de diensttijd voor de jubileumgratificatie.
Artikel I-K6. Geen aanspraak op jubileumgratificatie
De betrokkene die ter zake van zijn dienstvervulling voor een 25-, 40- of 50-jarig jubileum reeds krachtens een andere regeling een overeenkomstige gratificatie heeft ontvangen, heeft voor datzelfde jubileum geen aanspraak op een jubileumgratificatie als bedoeld in dit hoofdstuk.
1.
Indien de jubileumdatum valt in een periode waarin de betrokkene lang buitengewoon verlof geniet dat, naar het oordeel van Onze minister, overwegend of mede in het algemeen belang is verleend, heeft hij, onverminderd het bepaalde in artikel I-K6, eerst aanspraak op een jubileumgratificatie zodra hij na afloop van het verlof zijn werkzaamheden aan een instelling hervat.
2.
Bij toepassing van het eerste lid wordt de jubileumgratificatie uitbetaald door het bevoegd gezag van de instelling waaraan de betrokkene na afloop van het verlof werkzaam is.
3.
Daarbij geldt als bezoldiging de bezoldiging die de betrokkene gedurende de maand waarin de jubileumdatum valt zou hebben genoten indien hij in de functie en met het salarisnummer welke hij had op de dag voorafgaande aan het ingaan van het verlof, op de jubileumdatum in actieve dienst was geweest.
1.
De betrokkene heeft aanspraak op een vakantie-uitkering voor de tijd gedurende welke hij als zodanig bezoldiging heeft genoten.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder tijd, gedurende welke bezoldiging is genoten niet begrepen tijd gedurende welke de betrokkene wegens verplichte militaire dienst, anders dan voor herhalingsoefeningen, niet verlof zijnde, slechts bezoldiging heeft genoten tot een bedrag van het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage.
1.
Tenzij in de volgende leden anders is bepaald, bedraagt de vakantie-uitkering per kalendermaand 8% van het bedrag dat de betrokkene in die maand aan bezoldiging met uitzondering van de vakantie-uitkering heeft genoten.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt in de gevallen bedoeld in artikel 4 en 5 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel steeds uitgegaan van de volledige aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.
3.
Voor de betrokkene die in de van toepassing zijnde maand op grond van het bepaalde in het eerste lid aanspraak heeft op een bedrag dat lager is dan het bedrag dat in bijlage 2, onder 2, bij zijn leeftijd is vermeld, wordt de vakantie-uitkering vastgesteld op laatstbedoeld bedrag, met dien verstande dat dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd voor de betrokkene die is aangesteld in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking.
4.
Het in het derde lid bedoelde bedrag wordt naar evenredigheid verminderd indien:
a. de betrokkene in de desbetreffende maand of gedurende een deel daarvan een deelbetrekking heeft vervuld;
b. de bezoldiging van de betrokkene op een andere dag dan de eerste dag van die maand is aangevangen dan wel indien hij in een deel van die maand geen bezoldiging heeft genoten;
c. de betrokkene in de loop van die maand slechts een gedeelte van zijn bezoldiging heeft genoten wegens verleend verlof, in verband met non-activiteit, bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing.
1.
Het bepaalde in dit hoofdstuk is mede van toepassing op de gewezen betrokkene, die ingevolge artikel 39, eerste, tweede, vierde of zesde lid van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel nog bezoldiging geniet.
2.
Voor de betrokkene op wie het bepaalde in artikel I-D3, tweede lid, van toepassing is wordt de vakantie-uitkering berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging. Hij geniet deze uitkering slechts voor zoveel die uitgaat boven de vakantie-uitkering, waarop hij als militair aanspraak heeft.
1.
De vakantie-uitkering wordt per instelling eenmaal per jaar in de maand mei uitbetaald over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand mei.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid vindt bij ontslag van de betrokkene de uitbetaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de vakantie-uitkering werd uitbetaald en de datum van ontslag.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt met ontslag van de betrokkene gelijkgesteld de beëindiging van de doorbetaling van de bezoldiging van de gewezen betrokkene, bedoeld in artikel I-L3, eerste lid.
Artikel I-M1. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. betrokkene:
1. de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1 onder e1, e2 en e16, e4, e5 en e6, alsmede e10, e13 tot en met e15, e17 en e18, voor zover het betreft een lid van het onderwijsondersteunend of ondersteunend personeel en e12 voorzover het niet de directie bedoeld in artikel I-Q1001, onder f, betreft;
2. de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 7;
b. studie: een opleiding die van belang is voor het persoonlijk welbevinden van de betrokkene in zijn arbeidssituatie en, naar het oordeel van het bevoegd gezag, tevens van belang is voor de uitoefening van zijn functie;
c. studiefaciliteiten:
1. verlof als bedoeld in artikel I-M3;
2. een tegemoetkoming in de studiekosten als bedoeld in artikel I-M4;
d. ontslag: elke beëindiging van het dienstverband.
1.
De betrokkene die voor studiefaciliteiten in aanmerking wenst te komen, dient het verzoek daartoe in de regel in voor de aanvang van de studie. Hij laat dit verzoek vergezeld gaan van de voor de beoordeling door het bevoegd gezag noodzakelijke gegevens en van een schatting van de te maken studiekosten.
2.
Het bevoegd gezag kan, alvorens studiefaciliteiten te verlenen, een studieadvies of in bijzondere gevallen na overleg met de betrokkene een psychologisch advies inwinnen. Tenzij deze adviezen worden ingewonnen op uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene, komen de daaraan verbonden kosten voor rekening van het bevoegd gezag.
3.
Studiefaciliteiten worden verleend voor een bepaalde termijn, die wordt afgeleid van de normaal te achten duur van de studie. Het bevoegd gezag kan deze termijn verlengen.
4.
Verleende studiefaciliteiten kunnen, al dan niet tijdelijk, worden ingetrokken indien het bevoegd gezag op grond van verkregen inlichtingen van oordeel is, dat de betrokkene niet in die mate studeert of vorderingen maakt dat hij in staat kan worden geacht de studie binnen de in het derde lid bedoelde termijn te voltooien. De intrekking geschiedt niet indien de betrokkene aannemelijk maakt, dat deze omstandigheid niet aan hem te wijten is.
5.
Aan de betrokkene, die krachtens een op hem van toepassing zijnde regeling aanspraak heeft op een verhoging van zijn bezoldiging uitsluitend op grond van het voltooien van een studie, worden ter zake van die studie geen studiefaciliteiten verleend.
1.
Tenzij het belang van de instelling zich daartegen verzet, kan aan de betrokkene studieverlof met behoud van bezoldiging worden verleend voor ten hoogste een halve dag per week, met dien verstande dat indien lessen in de normale werktijd moeten worden gevolgd, het verlof tot maximaal één dag per week kan worden verleend.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan studieverlof worden verleend op de dag, waarop wordt deelgenomen aan een examen of een tentamen, dat aan het einde van de studie is gelegen dan wel volgt op een duidelijk afgerond onderdeel van de studie.
3.
Ter voorbereiding op een examen en tentamen als bovenbedoeld kan bovendien studieverlof worden verleend voor ten hoogste vijf halve dagen per jaar.
1.
Voor volledige tegemoetkoming komen in aanmerking:
a. indien de studie in een andere plaats dan de woon- of standplaats moet worden gevolgd; de noodzakelijk gemaakte reiskosten voor interlokaal vervoer en het daarmee in samenhang optredende vervoer in de plaats waar de cursus of het examen wordt gehouden, op basis van het laagste tarief van het gebezigde middel van openbaar vervoer, waarvan redelijkerwijs gebruik kan worden gemaakt, voor zover de betrokkene voor deze kosten niet uit anderen hoofde een vergoeding geniet; kan van openbaar vervoer redelijkerwijs geen gebruik worden gemaakt, dan worden de noodzakelijk gemaakte kosten vergoed tegen het tarief genoemd in artikel 6, tweede lid, van de Regeling vergoeding reis- en verblijfkosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel;
b. de werkelijk gemaakte kosten, welke in verband met het afleggen van een examen noodzakelijkerwijze worden gemaakt voor nachtverblijf en het gebruik van maaltijden, met dien verstande dat de daarvoor in artikel 17 van de Regeling vergoeding van reis- en verblijfkosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel geldende bedragen niet worden overschreden.
2.
Voor een tegemoetkoming van maximaal 50% komen in aanmerking de noodzakelijk gemaakte:
a. aanschaffingskosten van het verplicht gestelde studiemateriaal;
b. cursus- of lesgelden;
c. examen- of diplomakosten.
3.
In bijzondere gevallen kan met toestemming van Onze minister, het in het tweede lid genoemde percentage op 75 worden gesteld.
4.
Een tegemoetkoming in studiekosten wordt eerst verleend nadat de betrokkene schriftelijk heeft verklaard dat hij bekend is met de verplichting tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling, bedoeld in artikel I-M5.
1.
De betrokkene is verplicht tot terugbetaling van de aan hem verleende tegemoetkoming in de studiekosten in geval:
a. hem ontslag wordt verleend vóórdat de studie met goed gevolg is afgesloten;
b. de studie niet met goed gevolg is afgesloten op grond van omstandigheden die naar het oordeel van het bevoegd gezag aan de betrokkene te wijten zijn;
c. hem ontslag wordt verleend binnen een termijn van drie jaren sedert de datum, waarop de studie met goed gevolg is afgesloten.
2.
De in het eerste lid bedoelde verplichting tot terugbetaling wordt beperkt:
a. in de gevallen, bedoeld in het eerste lid onder a en b , tot het bedrag dat de betrokkene is uitbetaald in het tijdvak van drie jaren, voorafgaande aan de datum, waarop de desbetreffende omstandigheid zich heeft voorgedaan;
b. in het geval, bedoeld in het eerste lid onder c , voor elke maand welke ontbreekt aan de in die bepaling genoemde termijn, tot 1/36 gedeelte van het bedrag dat de betrokkene is uitbetaald in het tijdvak van drie jaren voorafgaande aan de datum waarop de studie is afgesloten.
3.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet indien:
a. de betrokkene ter zake van het ontslag aanspraak heeft op een uitkering als bedoeld in het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of op een direct ingaand pensioen;
b. de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen aansluitend wordt gevolgd door een nieuwe betrekking bij het onderwijs dan wel in overheidsdienst.
Artikel I-P1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. betrokkene: de betrokkene genoemd in artikel I-A1, onder e 1, e 2, e 4 tot en met e 6, alsmede e 10, e 12 tot en met e 18;
b. salaris: het bedrag dat met inachtneming van de bepalingen van dit besluit voor de betrokkene is vastgesteld aan de hand van de bijlagen 1A tot en met 1D en 1F van dit besluit;
c. schaal: een als zodanig in een der bijlagen 1A en 1B van dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen, behorende bij een normbetrekking;
d. maximumschaal: de hoogste schaal die behoort bij een functie;
e. aanloopschaal: een bij een functie behorende lagere schaal dan de maximumschaal;
f. salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal of uit een letter en een getal, dat in een salarisschaal bij een salaris is vermeld;
g. maximumsalaris: het hoogste bedrag dat in een schaal voorkomt, waarvan het salarisnummer uitsluitend uit een getal bestaat;
h. functie: het samenstel van werkzaamheden aan één of meer instellingen door de betrokkene in dienst van hetzelfde bevoegd gezag te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem uit hoofde van een benoeming als bedoeld in artikel I-A1, onder o , door het bevoegd gezag is opgedragen; een en ander conform het bepaalde in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S;
i. normfunctie: een functie waarvan de inhoud en het niveau zijn omschreven in de bijlage Q1, Q2 en Q5 tot en met Q14, R1 en R2, R5 tot en met R11 a , S1 en S4 tot en met S12 bij dit besluit;
j. carrièrepatroon: de wijze waarop de betrokkene op grond van het bepaalde in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S het maximumsalaris van de bij zijn functie behorende maximumschaal bereikt;
k. formatie: het samenstel van functies voor het gehele personeel in niveaus en aantallen, uitgedrukt in de omvang: van een normbetrekking of een gedeelte daarvan;
l. tijdelijke uitbreiding betrekkingsomvang: de tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang op grond van dit besluit van een reeds bij het bevoegd gezag benoemd personeelslid;
m. begintraject: de reeks salarisbedragen die voorafgaat aan de aanloopschaal bij een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R, zoals aangegeven in bijlage 1D;
n. eindejaarsuitkering: de uitkering als bedoeld in artikel I-P30;
o. aanlooptraject: de reeks salarisbedragen die voorafgaat aan de maximumschaal bij een functie als bedoeld in artikel I-S102 a , zoals aangegeven in bijlage 1F.
1.
De betrokkene wordt benoemd in één van de functies die door het bevoegd gezag beschikbaar is gesteld.
2.
Het salaris van de betrokkene wordt vastgesteld aan de hand van de functie waarin hij is benoemd, een en ander met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk en in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S.
3.
De betrokkene kan bij een bevoegd gezag aan de instelling of instellingen waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, slechts in één functie zijn benoemd, met dien verstande dat in het kader van de bestuursbenoeming, bedoeld in artikel I-A1, onderdeel p, als één functie worden aangemerkt:
a. onderwijsgevende functies met dezelfde maximumschaal en hetzelfde carrièrepatroon;
b. gelijksoortige onderwijsondersteunende functies met dezelfde maximumschaal en hetzelfde carrièrepatroon.
4.
Het bevoegd gezag kan naast of in plaats van de normfuncties andere functies voor de instelling vaststellen waarbij taken behorend tot die normfunctie worden verzelfstandigd of andere taken dan wel taken behorende tot verschillende normfuncties worden samengevoegd tot één nieuwe functie. Voor het bevoegd gezag van een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 tot en met d 6, d 10 en d 13 tot en met d 15, d 17 en d 18 geldt dat de maximumschaal van de in de eerste volzin bedoelde nieuwe functie ten hoogste één schaal hoger kan zijn dan de maximumschaal die op grond van hoofdstuk I-Q behoort bij de normfunctie directeur aan de desbetreffende instelling doch niet hoger dan schaal 18. Zonodig in afwijking van het bepaalde in de tweede volzin geldt voor het bevoegd gezag van een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 en d 2, dat de maximumschaal van de in de eerste volzin bedoelde nieuwe functie in het kader van artikel 29, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 29, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, of artikel 149, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, ten hoogste schaal 13 kan zijn.
5.
In de situaties bedoeld in het vierde lid stelt het bevoegd gezag een functiebeschrijving op en geeft daarbij de plaats in de organisatie aan voor de nieuwe functie. Tevens wordt de maximumschaal aangegeven op basis van de aard en het niveau van de werkzaamheden die in de functie zijn samengebracht rekening houdend met de voor het rijkspersoneel ter zake geldende normen en in samenhang met de formatie, en geeft het bevoegd gezag aan of hoofdstuk I-Q, I-R of I-S op die functie van toepassing is.
6.
De betrokkene die zich niet kan verenigen met de uitkomst van de waardering van zijn functie als bedoeld in het vijfde lid, kan het bevoegd gezag verzoeken die waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen. Onze minister geeft nadere voorschriften voor de behandeling van verzoeken als bedoeld in de eerste volzin.
7.
In afwijking van het derde lid kan een betrokkene in het in dat lid bedoelde geval worden benoemd:
a. in twee functies als bedoeld in hoofdstuk I-S dan wel hoofdstuk I-R en I-S, indien er een verschil van meer dan drie schalen is tussen de bij die functies behorende maximumschalen, of
b. in twee functies als bedoeld in hoofdstuk I-R indien die functies bestaan uit een normfunctie leraar voor basisscholen enerzijds en een normfunctie leraar voor speciale scholen voor basisonderwijs anderzijds.
8.
Over belangrijke facetten van de concrete taakinhoud en over wijziging daarvan pleegt het bevoegd gezag overleg met de betrokken betrokkene. De werkzaamheden moeten redelijkerwijs aan de betrokkene kunnen worden opgedragen.
1.
De betrokkene wordt benoemd in een normbetrekking of een deel daarvan, onverminderd het vijfde lid.
2.
De normbetrekking op jaarbasis wordt gerealiseerd door met inachtneming van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid eerste volzin, op jaarbasis uit te gaan van een arbeidsduur van 1710 uren, waaruit verlof wordt verleend op grond van artikel I-C41.
3.
In afwijking van het tweede lid wordt de normbetrekking door het bevoegd gezag op verzoek van betrokkene gerealiseerd door middel van een arbeidsduur op jaarbasis die met inachtneming van het verlof op grond van artikel I-C2 respectievelijk artikel I-C7, tweede lid eerste volzin, wordt gelijkgesteld met 1790 uren, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
4.
Aan het derde lid kan geen toepassing worden gegeven indien dat op enigerlei wijze direct leidt tot een plaatsing in de formatie, bedoeld in artikel I-P76, tweede lid onder b, dan wel tot enige uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel .
5.
Voor de betrokkene geldt dat de omvang van zijn betrekking of betrekkingen, waaronder tevens zijn begrepen werkzaamheden al of niet in dienstverband buiten het onderwijs verricht en waarmee inkomen wordt verworven, de omvang van 120% van een normbetrekking niet te boven mag gaan.
1.
Het salaris van de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang anders dan die van een normbetrekking wordt naar evenredigheid van die betrekkingsomvang berekend. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op centen.
2.
Waar dit in hoofdstuk of in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S sprake is van een vergelijking van salarisbedragen ten einde een inpassingsschaalbedrag te kunnen vaststellen moet worden uitgegaan van het salarisbedrag behorende bij een normbetrekking. Zonodig wordt het voor een betrokkene feitelijk geldende salaris omgerekend naar een salarisbedrag behorende bij een normbetrekking.
1.
Zonder voorafgaand ontslag kan voor een betrokkene geen andere functie gaan gelden dan de functie waarin hij reeds is benoemd, behoudens het bepaalde in de artikelen I-Q106, I-Q107, I-Q209 en I-S110. De eerste volzin is niet van toepassing indien het bevoegd gezag bij de bepaling van het functieniveau met de betrokkene is overeengekomen dat zijn functie een tijdelijk karakter heeft en de schaal in verband daarmee slechts tijdelijk zal gelden.
2.
De omvang van de betrekking van een betrokkene die in vaste dienst is benoemd, wordt niet tegen zijn wil verkleind, behoudens de mogelijkheid van het verval van rechtswege op grond van artikel I-P80.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op het personeel genoemd in artikel I-A1, onder e 5, e 6, e 10, e 13 tot en met e 15, e 17 en e 18, e 17 en e 18.
4.
Indien een betrokkene, als bedoeld in artikel I-A1, onder e 5, e 10, e 14, e 15, e 17 en e 18, in verband met de opheffing van zijn functie, aan dezelfde instelling direct aansluitend wordt benoemd in een functie met een lager functieniveau dan het functieniveau dat behoorde bij zijn oude functie en indien het salaris dat hij op de dag direct voorafgaande aan de benoeming in die oude functie genoot, hoger is dan het hoogste bedrag in de maximumschaal van de functie waarin benoeming plaatsvindt, wordt aan hem voor de duur van die benoeming een toelage toegekend ter grootte van het verschil tussen het bedrag behorende bij het salarisnummer dat op hem van toepassing was op de dag voorafgaande aan de benoeming in de bedoelde functie en het hoogste bedrag in de maximumschaal behorend bij de functie waarin de benoeming plaatsvindt. De toelage vervalt indien hij aan een andere instelling wordt benoemd danwel indien hij wordt benoemd in een functie met een hogere maximumschaal.
1.
Bij elke functie behoren één of meer schalen, een aantal schalen en een begintraject, of één schaal en een aanlooptraject. Het salaris van de in die functie benoemde betrokkene wordt vastgesteld aan de hand van één van de salarisbedragen die in het begintraject, het aanlooptraject of die schaal dan wel schalen voorkomen.
2.
Indien het bepaalde in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S dit voorschrijft, wordt het salaris van de betrokkene eerst vastgesteld op een der salarisbedragen in het begintraject, aanlooptraject, de aanloopschaal of -schalen en, nadat hij die volgens het bepaalde in het desbetreffende hoofdstuk heeft doorlopen, op een salarisbedrag in de maximumschaal.
3.
De bij elke functie behorende maximumschaal, aanloopschaal of -schalen, begintraject en aanlooptraject zijn aangegeven in hoofdstuk I-Q, I-R of I-S.
Artikel I-P7. Inschaling
Behoudens het bepaalde in de artikelen I-P8 tot en met I-P11, I-Q104, I-R105 en I-S103 wordt het salaris van de betrokkene bij zijn benoeming vastgesteld op het laagste bedrag:
a. van het begintraject of aanlooptraject dan wel;
b. indien bij de functie geen begintraject of aanlooptraject behoort, op het laagste bedrag in de laagste schaal behorend bij de functie waarin hij wordt benoemd dan wel;
c. indien bij de functie bedoeld in hoofdstuk I-R schaal 12 als maximumschaal behoort, op het bedrag behorende bij salarisnummer 1 in schaal 10.
1.
Het salaris van de betrokkene die reeds eerder in een schooljaar gedurende ten minste 60 werkdagen in een onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest en die wordt benoemd in hetzij een functie met een lagere maximumschaal hetzij een functie met eenzelfde maximumschaal en hetzelfde of een ongunstiger carrièrepatroon dan die welke behoorde respectievelijk behoorden bij die vorige onderwijsfunctie, wordt vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op hetzelfde bedrag volgens welk hij in die vorige functie werd bezoldigd in dat schooljaar.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde betrokkene in enig aan zijn benoeming voorafgaand schooljaar reeds gedurende ten minste 60 werkdagen in zijn vorige onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest, wordt, voor zover het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon zulks mogelijk maakt, zijn salaris vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op een bedrag dat één periodieke verhoging hoger is dan het salaris dat hij in die vorige functie genoot in dat voorafgaande schooljaar.
3.
Het salaris van de betrokkene die reeds eerder in een schooljaar gedurende ten minste 60 werkdagen in een onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest en die wordt benoemd in hetzij een functie met een hogere maximumschaal hetzij een functie met een gunstiger carrièrepatroon en ten minste eenzelfde maximumschaal dan die welke behoorde respectievelijk behoorden bij die vorige onderwijsfunctie, wordt vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort op het salarisbedrag dat onmiddellijk gelegen is boven het bedrag volgens welk hij in die vorige functie werd bezoldigd in dat schooljaar.
4.
Indien de in het derde lid bedoelde betrokkene in enig aan zijn benoeming voorafgaand schooljaar reeds gedurende ten minste 60 werkdagen in zijn vorige onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd is geweest, wordt, voor zover het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon zulks mogelijk maakt, zijn salaris vastgesteld in het begintraject dan wel, indien het bedrag hoger is of indien er bij de functie geen begintraject behoort in de laagst mogelijke schaal die bij zijn nieuwe functie behoort, op het salarisbedrag dat onmiddellijk gelegen is boven het bedrag dat volgens het bij die vorige functie behorende carrièrepatroon één periodieke verhoging hoger is dan het salaris dat hij in die vorige functie genoot in dat voorafgaande schooljaar.
5.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid wordt met een schooljaar waarin de betrokkene gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest in zijn vorige onderwijsfunctie, gelijkgesteld een schooljaar waarin de betrokkene gedurende alle schoolweken in die onderwijsfunctie benoemd is geweest.
6.
Bij een benoeming in een onderwijsfunctie wordt het salaris van de betrokkene die reeds meer dan één onderwijsfunctie vervulde, vastgesteld op de in het eerste tot en met vierde lid aangegeven wijze, met dien verstande dat hierbij wordt uitgegaan van
a. het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest;
b. de vorige onderwijsfunctie met de hoogst mogelijke maximumschaal waarin de betrokkene tezamen met andere vorige onderwijsfuncties met eenzelfde of een hogere maximumschaal in het onder a bedoelde schooljaar gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest.
Indien de betrokkene in het onder a bedoelde schooljaar naast de onder b bepaalde onderwijsfunctie één of meer onderwijsfuncties heeft vervuld met dezelfde maximumschaal als die welke behoorde bij de onder b bepaalde onderwijsfunctie en hij in alle onderwijsfuncties met die gelijke maximumschaal niet volgens hetzelfde salarisbedrag werd bezoldigd, wordt uitgegaan van de onderwijsfunctie met die gelijke maximumschaal waarin de betrokkene in het onder a bedoelde schooljaar volgens het laagste salarisbedrag bezoldigd is geweest, tenzij hij in dat schooljaar in een andere onderwijsfunctie met die gelijke maximumschaal volgens een hoger salarisbedrag bezoldigd is geweest en hij in deze onderwijsfunctie tezamen met andere onderwijsfuncties met die gelijke maximumschaal en eenzelfde salarisbedrag in het onder a bedoelde schooljaar gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest; in dat geval wordt uitgegaan van die laatstbedoelde onderwijsfunctie.
7.
Voor de toepassing van het zesde lid:
a. worden dagen waarop de betrokkene gelijktijdig in meer dan één onderwijsfunctie werkzaam en bezoldigd was als één werkdag geteld; indien hierbij sprake was van twee of meer onderwijsfuncties met dezelfde maximumschaal waarin de betrokkene volgens verschillende salarisbedragen werd bezoldigd, worden de dagen waarop deze functies gelijktijdig zijn vervuld toegerekend aan de onderwijsfunctie waarin hij op die dagen volgens het hoogste salarisbedrag werd bezoldigd; dagen waarop de betrokkene gelijktijdig twee of meer onderwijsfuncties heeft vervuld met verschillende maximumschalen, worden toegerekend aan de onderwijsfunctie die hij op die dagen heeft vervuld met de hoogste maximumschaal;
b. wordt bij de telling van het aantal werkdagen, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, uitgegaan van het aantal werkdagen waarop de betrokkene in het schooljaar, bedoeld in het zesde lid onder a , werkzaam en bezoldigd is geweest in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk;
c. wordt bij een benoeming in het, in het zesde lid, onder a , bedoelde schooljaar of in het onmiddellijk daarop volgende schooljaar, voor de betrokkene die op 1 augustus van het in het zesde lid, onder a , bedoelde schooljaar dezelfde onderwijsfuncties vervulde als op 31 juli van het onmiddellijk daaraan voorafgaande schooljaar, uitgegaan van het laatstbedoelde schooljaar indien dit leidt tot vaststelling van een hoger salaris en mits hij in dat schooljaar in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest.
d. wordt bij een benoeming aan dezelfde instelling of ingeval van een bestuursbenoeming bij hetzelfde bevoegd gezag, de vorige onderwijsfunctie met een hogere maximumschaal dan die welke behoort bij de functie waarin de benoeming plaatsvindt, buiten beschouwing gelaten indien de belanghebbende niet tenminste drie schooljaren in die vorige functie werkzaam is geweest en hij bij dezelfde instelling of ingeval van een bestuursbenoeming bij hetzelfde bevoegd gezag eveneens werkzaam is geweest in een functie met een lagere maximumschaal dan die behoorde bij die vorige functie. Voor de vaststelling van het salaris wordt uitgegaan van het salaris dat zou zijn genoten in de functie met de lagere maximumschaal. Het bepaalde in het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
8.
Vaststelling van het salaris bij benoeming als bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid mag er niet toe leiden dat het vastgestelde bedrag hoger is dan het hoogste bedrag in de bij de desbetreffende functie behorende maximumschaal noch lager dan het laagste bedrag van het bij de functie behorende begintraject dan wel van de laagste aanloopschaal indien bij de functie geen begintraject behoort.
Indien het salarisbedrag dat de betrokkene in zijn vorige functie genoot niet voorkomt in het begintraject of de laagst mogelijke schaal behorende bij de functie waarin hij wordt benoemd, wordt het salaris vastgesteld op het naasthogere bedrag in dat begintraject of deze schaal. Indien het salaris dat de betrokkene in zijn vorige functie genoot hoger is dan het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal wordt zijn salaris vastgesteld op dat hoogste bedrag.
1.
Ten aanzien van de vaststelling van het salaris van de betrokkene die reeds één of meer functies bij het onderwijs vervult en die daarnaast wordt benoemd in een andere onderwijsfunctie is het bepaalde in artikel I-P8 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hierbij een aangehouden functie wordt gelijkgesteld met een vorige functie.
2.
Het salaris van de in het eerste lid bedoelde betrokkene die wordt benoemd in een functie met een maximumschaal en een carrièrepatroon die gelijk zijn aan de maximumschaal en het carrièrepatroon die bij de aangehouden functie respectievelijk bij één van de aangehouden functies behoren, wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, vastgesteld op hetzelfde bedrag en in hetzelfde begintraject of in dezelfde schaal volgens welke hij wordt bezoldigd in de aangehouden functie met die gelijke maximumschaal en carrièrepatroon.
1.
Het salaris van de betrokkene die een inkomen geniet of heeft genoten voor werkzaamheden die buiten het onderwijs al dan niet in dienstbetrekking zijn verricht en waarin hij relevante ervaring heeft opgedaan, wordt vastgesteld op een bedrag dat ten hoogste één periodieke verhoging hoger is dan evenbedoeld inkomen per maand, in het begintraject of in een salarisschaal die voorkomt in het bij zijn functie behorende carrièrepatroon.
2.
Onze minister geeft nadere voorschriften voor de uitvoering van het eerste lid.
1.
Het salaris van de betrokkene die op het moment dat hij in een onderwijsfunctie wordt benoemd gedurende vier of meer achtereenvolgende schooljaren geen functie in het onderwijs heeft vervuld, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel I-P10 vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat voor hem bij toepassing van artikel I-P8 zou gelden en wel voor elke periode van vier schooljaren na het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest, één periodieke verhoging in het begintraject of de laagst mogelijke schaal die behoort bij de functie waarin hij wordt benoemd een en ander voor zover dit binnen het bij zijn vorige functie behorende carrièrepatroon mogelijk is.
2.
Het salaris van de belanghebbende, niet zijnde de belanghebbende als bedoeld in artikel I-P9, tweede lid, wordt bij zijn benoeming in een onderwijsfunctie in afwijking van het bepaalde in het eerste lid en de artikelen I-P7, I-P8, I-P9, eerste lid en I-P10, ten minste vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan het in artikel I-P7 bedoelde bedrag indien hij de voor zijn onderwijsfunctie vereiste kwalificaties of bevoegdheden reeds vier jaar of langer geleden heeft verworven. De verhoging bedraagt één periodieke verhoging in het begintraject dan wel de laagst mogelijk bij zijn functie behorende schaal voor elke periode van vier volledige jaren die sedert de verwerving van de voor zijn functie vereiste kwalificaties of bevoegdheden is verstreken.
3.
Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, e 4 tot en met e 6, e 10 en e 13 tot en met e 15, e 17 en e 18, wordt voor de toepassing van het eerste lid, de in dat lid bedoelde periode van vier schooljaren verkort tot drie schooljaren voor de eerste periode van zes schooljaren na het schooljaar waarin de betrokkene voor het laatst in alle door hem vervulde onderwijsfuncties gezamenlijk gedurende alle schoolweken benoemd dan wel gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest;
4.
Voor de toepassing van het eerste tot en met het derde lid wordt een schooljaar waarin de betrokkene niet gedurende alle schoolweken benoemd en evenmin gedurende ten minste 60 werkdagen werkzaam en bezoldigd is geweest in één of meer onderwijsfuncties, gelijkgesteld aan een schooljaar waarin de betrokkene geen functie in het onderwijs heeft vervuld.
1.
In afwijking van het bepaalde in de artikelen I-P7 tot en met I-P11 en in de artikelen I-P13 en I-P14 wordt het salaris van een betrokkene die de leeftijd van 22 jaar nog niet heeft bereikt, vastgesteld op het bedrag dat in de voor hem geldende schaal is opgenomen bij het salarisnummer bestaande uit de letter J en het getal dat overeenkomt met zijn leeftijd in jaren voor zover de schaal in bijlage 1B dit aangeeft.
2.
Het salaris van de betrokkene die de leeftijd van 22 jaar bereikt wordt met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt, vastgesteld:
a. op het laagste bedrag van het aanlooptraject;
b. Indien bij de functie geen aanlooptraject behoort, op het bedrag dat in de voor hem van toepassing zijnde schaal is vermeld bij salarisnummer 0.
1.
Het salaris van de betrokkene van wie het dienstverband niet wordt onderbroken wordt binnen het begintraject, aanlooptraject of de schaal jaarlijks op 1 augustus verhoogd tot het naasthogere bedrag onverminderd het bepaalde in artikel I-P14.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt het salaris van de betrokkene wanneer het voorlaatste salarisnummer beginnend met de letter U van schaal 1, 2, 3 of 4 is bereikt, na twee jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag.
1.
Behoudens het bepaalde in het tweede lid wordt het salaris van de betrokkene die reeds bij het bevoegd gezag benoemd is en die wordt benoemd in hetzij een functie met een hogere maximumschaal hetzij een functie met een gunstiger carrièrepatroon en tenminste dezelfde maximumschaal dan die welke behoorde bij zijn vorige functie, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen I-P8 en I-P9, tweede lid dan wel artikel I-P51, met ingang van de datum waarop hij zijn werkzaamheden in die functie aanvangt.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de betrokkene voor wie een hogere maximumschaal of gunstiger carrièrepatroon ter beschikking komt uitsluitend ten gevolge van de grootte van de instelling.
3.
Indien op grond van het eerste lid een periodieke verhoging wordt toegekend aan een betrokkene wiens salaris werd vastgesteld volgens één der schalen 1 tot en met 6, wordt het salarisnummer in de nieuwe schaal zodanig vastgesteld dat het salaris in die schaal blijft uitgaan boven het salaris dat voor de betrokkene in de oude schaal zou hebben gegolden tot het hoogste bedrag in de bij de nieuwe functie behorende maximumschaal is bereikt.
1.
Indien het salaris van een betrokkene als gevolg van enige bepaling in dit hoofdstuk dan wel in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S moet worden vastgesteld over een periode die korter is dan een kalendermaand, wordt uitgegaan van de bezoldiging per dag berekend door het bedrag van de bezoldiging per maand te delen door het aantal dagen dat de desbetreffende maand telt.
2.
Indien voor een betrokkene die wordt benoemd voor een periode van 6 maanden of korter het salaris als gevolg van enige bepaling in dit hoofdstuk dan wel in de hoofdstukken I-Q, I-R of I-S moet worden vastgesteld over een periode die korter is dan een kalendermaand geschiedt dit in afwijking van het bepaalde in het eerste lid aan de hand van de formule:
(w x q + r) x (3:13) x s
waarin:
w = de werktijdfactor die voor betrokkene geldt;
q = het aantal volledige kalenderweken gedurende welke betrokkene in de desbetreffende maand werkzaam is;
r = het aantal uren dat betrokkene feitelijk heeft gewerkt in de niet volledige kalenderweek of kalenderweken gedurende welke hij in de desbetreffende maand is benoemd, gedeeld door 36,86;
s = het salaris bij een normbetrekking.
De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op centen.
3.
het salaris van de betrokkene die bij een bevoegd gezag reeds benoemd is en van wie de betrekkingsomvang waarin hij is benoemd tijdelijk wordt uitgebreid, wordt voor zover het de kalendermaanden betreft waarover die tijdelijke uitbreiding zich niet volledig uitstrekt, voor de tijdelijke werkzaamheden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid.
1.
Indien het salaris bij een normbetrekking minder is dan het maandbedrag van het minimumloon als vermeld in bijlage 2, onder 1 bij de leeftijd die de betrokkene heeft wordt aan hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil.
2.
Voor de betrokkene bedoeld in het eerste lid met een betrekkingsomvang anders dan een normbetrekking, wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het in het eerste lid bedoelde maandbedrag.
1.
De betrokkene is voor door het bevoegd gezag verstrekte genot van woning, verstrekkingen in de woning, kost en inwoning een bedrag verschuldigd overeenkomende met een percentage van de voor hem geldende berekeningsbasis tot ten hoogste de door Onze minister vastgestelde maximumbedragen als aangegeven in bijlage 3 bij dit besluit.
2.
De berekeningsbasis bedoeld in het eerste lid, komt overeen met de som van salaris bij normbetrekking en toelagen op grond van dit besluit. Van de berekeningsbasis maakt geen deel uit de toelage onregelmatige dienst, als bedoeld in artikel I-S107 of de garantietoelage onregelmatige dienst als bedoeld in artikel I-S108.
3.
Indien de betrokkene aantoont dat de huurwaarde van de woning voor de heffing van de inkomsten- en loonbelasting minder bedraagt dan het op grond van het bepaalde in het eerste lid geldende bedrag wegens genot van de woning, wordt het verschuldigde bedrag op dat van die huurwaarde gesteld.
4.
Bij geoorloofde afwezigheid wordt het bedrag dat voor het genot van kost verschuldigd zou zijn voor elke dag dat dit emolument niet wordt genoten, verminderd met een bedrag als is aangegeven in bijlage 3.
5.
De op grond van de bepalingen van dit artikel door betrokkene verschuldigde bedragen worden verrekend bij de uitbetalingen van het salaris dan wel, indien dat niet mogelijk is, afzonderlijk in rekening gebracht.
6.
In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen die afwijkt van het bepaalde in het eerste en het vierde lid.
7.
In geval andere dan de in dit artikel en bijlage 3 genoemde voordelen worden genoten kan een regeling worden getroffen, waarbij de hiervoor door betrokkene verschuldigde bedragen worden vastgesteld.
8.
Een regeling als bedoeld in het zesde en zevende lid wordt getroffen bij gemeenschappelijke beschikking van Onze minister en Onze minister van Binnenlandse Zaken.
9.
Voor zover een verstrekking niet gedurende een hele maand wordt genoten wordt het bedrag van de inhouding over het gedeelte van de maand berekend door het maandbedrag van de inhouding te vermenigvuldigen met q * 3/13, waarbij "q" gelijk is aan het aantal volledige kalenderweken waarin de desbetreffende verstrekking wordt genoten.
10.
De maximumbedragen als bedoeld in het eerste en het vierde lid worden door Onze minister vastgesteld overeenkomstig de bedragen die gelden voor het rijkspersoneel.
1.
Het salaris, de toelagen en de vergoedingen voor extra diensten vastgesteld volgens de bepalingen van dit besluit worden per maand uitbetaald.
2.
Het bevoegd gezag verstrekt de betrokkene bij zijn indiensttreding en indien er een wijziging optreedt in het salaris, de toelagen of de vergoedingen voor extra diensten, een specificatie van de door hem genoten bezoldiging.
1.
De betrokkene is verplicht de werkzaamheden behorende bij de functie waarin hij is benoemd op zich te nemen.
2.
De betrokkene ontvangt geen bezoldiging over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten en over de tijd, gedurende welke hij bij het einde van zijn dienstverband meer verlof op grond van artikel I-C41 of hoofdstuk I-V heeft genoten dan waarop hij aanspraak had.
3.
Onze minister geeft voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid nadere voorschriften.
1.
Het bevoegd gezag kan voor ten hoogste 1/3 gedeelte de bezoldiging inhouden van de betrokkene die bij wijze van straf is geschorst wegens het feit dat:
a. een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. hij krachtens een wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd;
c. hij de bevoegdheid tot het geven van onderwijs door een nog niet onherroepelijk geworden vonnis heeft verloren.
2.
De ingehouden bezoldiging wordt alsnog uitbetaald indien door de strafrechter geen straf wordt opgelegd of de beslissing van het bevoegd gezag tot inhouding van bezoldiging wordt vernietigd alsmede voor zover op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten welke de betrokkene sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks naar het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.
3.
Van de inhouding en de uitbetaling van de bezoldiging als bedoeld in dit artikel doet het bevoegd gezag terstond mededeling aan Onze minister.
1.
De benoeming gaat in op de dag waarop de betrokkene zijn werkzaamheden aanvangt, onverminderd het bepaalde in artikel I-R108.
2.
De betrokkene heeft in geval van ontslag aanspraak op bezoldiging tot de dag waarop het ontslag ingaat, onverminderd het bepaalde in artikel I-R108.
3.
De betrokkene die blijkens een beslissing als bedoeld in artikel P5 van de pensioenwet blijvend ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn betrekking, blijft benoemd voor ten hoogste de duur van de voor hem geldende opzegtermijn, te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing onherroepelijk is geworden.
4.
Het dienstverband van de betrokkene die overlijdt, is beëindigd met ingang van de dag volgende op die van het overlijden.
5.
Het dienstverband van de betrokkene die krachtens rechterlijke uitspraak tot het geven van onderwijs is uitgesloten kan zich uitstrekken tot uiterlijk de dag waarop de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden.
Artikel I-P27. Detachering
De betrokkene kan op zijn verzoek of met zijn instemming voor bepaalde tijd worden belast met werkzaamheden bij het bevoegd gezag van een andere instelling of instellingen dan wel buiten het onderwijs.
1.
Indien aan een bevoegd gezag door Onze minister een vergoeding is verstrekt ten behoeve van het bestrijden van al dan niet schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening kan dat bevoegd gezag, uitsluitend ten laste van de eigen middelen aan een betrokkene met het oog op deze knelpunten een nader door het bevoegd gezag vast te stellen tegemoetkoming verstrekken.
2.
De tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, maakt geen deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.
Artikel I-P29. Premie in het kader van een premiespaarregeling
Het bevoegd gezag kan uitsluitend ten laste van eigen middelen een premie toekennen in het kader van een premiespaarregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 .
1.
Onze minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat recht bestaat op een algemene eindejaarsuitkering en daarbij de wijze waarop deze uitkering wordt berekend, vaststellen.
2.
In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat de ministeriële regeling terugwerkt tot en met 1 januari 1996.
Artikel I-P50. Begripsbepalingen
In afwijking van het bepaalde in artikel I-P1, wordt in deze paragraaf verstaan onder
a. instelling: de instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d 4 tot en met d 6, d 10, d 13 tot en met d 15 alsmede d 17 en d 18;
b. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 4 tot en met e 6, e 10, e 13 tot en met e 15 alsmede e 17 en e 18.
Artikel I-P51. Vaststelling salaris bij indiensttreding
Bij de vaststelling van het salaris bij indiensttreding van een betrokkene kan het bevoegd gezag in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van de artikelen I-P7 tot en met I-P11.
Artikel I-P52. Carrièrepatroon
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die afwijken van de artikelen I-Q105, I-R106, I-R107 I-S104 en I-S104 a .
1.
In afwijking van het bepaalde in de artikelen I-P12 en I-P13 geschiedt de verhoging van het salaris bedoeld in die artikelen indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn functie naar behoren vervult.
2.
Bij de toepassing van het bepaalde in de artikelen I-P12 en I-P13 kan het salaris worden vastgesteld op een hoger bedrag in het carrièrepatroon dan dat bedoeld in de artikelen I-P12 en I-P13, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn werkzaamheden zeer goed of uitstekend vervult.
3.
Vervult de betrokkene zijn functie naar het oordeel van het bevoegd gezag niet naar behoren, dan blijft salarisverhoging als bedoeld in het eerste lid achterwege.
4.
Het tijdstip waarop ingevolge artikel I-P13 een salarisverhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag aanleiding bestaat.
5.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag nadere regels vaststellen.
Artikel I-P54. Nevenwerkzaamheden
De betrokkene is verplicht eventuele geldelijke vergoedingen voor nevenwerkzaamheden af te dragen aan de instelling of instellingen waar hij werkzaam is, voor zover hij deze verricht gedurende werktijd en voor zover het bevoegd gezag hem niet van deze verplichting ontheffing heeft verleend.
1.
Slechts indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie kan voor de duur van een jaar aan de betrokkene die het hoogste bedrag van de voor hem geldende maximumschaal heeft bereikt, een toelage worden toegekend.
2.
Slechts indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van zeer goede of uitstekende vervulling van de functie en daartoe op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kan een toelage voor een langere duur dan één jaar worden toegekend.
3.
De in het eerste en het tweede lid bedoelde toelage bedraagt voor de betrokkene voor wie een maximumschaal geldt als vermeld in kolom I van onderstaand schema ten hoogste het daarnaast in kolom II genoemde percentage van het voor hem geldende salaris.
4.
De toelage, bedoeld in het eerste lid, maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen als bedoeld in de pensioenwet.
5.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag nadere regels vaststellen.
1.
Bij bijzondere prestaties kan door het bevoegd gezag aan een betrokkene een gratificatie worden toegekend.
2.
Een gratificatie als bedoeld in het eerste lid wordt niet aangemerkt als bezoldiging en maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen als bedoeld in de pensioenwet.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid kan het bevoegd gezag nadere regels vaststellen.
1.
Het bevoegd gezag kan aan de betrokkene die een functie vervult als bedoeld in hoofdstuk I-R of hoofdstuk I-S om redenen van werving of behoud een uitkering toekennen. De uitkering maakt geen deel uit van het ambtelijk inkomen bedoeld in de pensioenwet.
2.
De in het eerste lid bedoelde uitkering wordt toegekend aan het einde van het tijdvak dat tevoren door het bevoegd gezag is vastgesteld. Het bevoegd gezag kan aan de toekenning nadere voorwaarden verbinden.
3.
Aan de betrokkene die niet heeft kunnen voldoen aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden door een naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aan hem zelf te wijten oorzaak, kan de uitkering niettemin geheel of gedeeltelijk worden toegekend.
4.
Aan de betrokkene worden de nadere voorwaarden als bedoeld in het tweede lid, evenals de grootte van de uitkering en de maand en het jaar van toekenning, voor zover deze niet reeds in de akte van benoeming zijn vermeld, zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld.
1.
Het bevoegd gezag kan aan de betrokkene die een functie vervult als bedoeld in hoofdstuk I-R of hoofdstuk I-S om redenen van werving of behoud een maandelijkse toelage toekennen.
2.
Een toegekende toelage als bedoeld in het eerste lid wordt door het bevoegd gezag ingetrokken indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.
1.
Indien het niet mogelijk is de betrokkene in relatie tot zijn betrekkingsomvang voldoende bij zijn functie behorende werkzaamheden op te dragen, kunnen hem andere werkzaamheden worden opgedragen, mits deze in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden en gelet op zijn functieniveau passend zijn. De betrokkene is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden.
2.
Indien het na een zorgvuldig onderzoek in redelijkheid niet mogelijk is gebleken de betrokkene een mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende functie bij het bevoegd gezag aan te bieden dan wel indien deze een passende functie weigert te aanvaarden, kan ontslag wegens opheffing van de betrekking plaatsvinden.
Artikel I-P60. EHBO-toelage
Het bevoegd gezag kan één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma maandelijks een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, toekennen.
Artikel I-P75. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt, in afwijking van artikel I-P1, verstaan onder:
a. instelling: een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 of d 2, d 12 en d 16;
b. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 1 en e 2, e 12 en e 16;
c. rekeneenheid: de eenheid die voor de instelling beschikbaar is op grond van het het Formatiebesluit WPO , het Formatiebesluit WEC , deel II van het Formatiebesluit W.V.O. of het Besluit trekkende bevolking WPO ;
d. formatiebudget: het totaal aan rekeneenheden dat voor een instelling beschikbaar is.
1.
Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 en d 2, d 16, stelt vóór 1 mei van ieder jaar de formatie van de instelling voor het daaropvolgend schooljaar vast. Het bevoegd gezag, doet vóór het begin van het schooljaar mededeling aan Onze minister van de aldus bestede formatierekeneenheden.
2.
De formatie bedoeld in het eerste lid wordt onderscheiden in de volgende categorieën:
a. de door het bevoegd gezag structureel gewenste functies naar aard, niveau en omvang;
b. functies die naar het oordeel van het bevoegd gezag nog slechts één schooljaar kunnen worden gehandhaafd;
c. functies in verband met een project waarvoor door het bevoegd gezag dan wel door Onze minister gedurende 3 of minder schooljaren uit additionele middelen formatie beschikbaar is gesteld en die door het bevoegd gezag niet in de onder a bedoelde formatie zijn opgenomen.
3.
Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid, neemt in de vast te stellen formatie bedoeld in het tweede lid, onder a in elk geval de functies van de reeds in deze formatie opgenomen en in vaste dienst verbonden betrokkenen op voor de omvang van de betrekking waarin zij zijn benoemd, tenzij dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
4.
Indien in de vast te stellen formatie bedoeld in het tweede lid, onder a , daarvoor ruimte is ontstaan, neemt het bevoegd gezag onder gelijke voorwaarden als genoemd in het derde lid, hierin tevens op functies van in vaste dienst verbonden betrokkenen die deel uitmaken van de formatie bedoeld in het tweede lid, onder b .
5.
Indien Onze Minister voor korter dan een schooljaar formatierekeneenheden beschikbaar heeft gesteld, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de formatie bedoeld in het tweede lid, onder c , tijdens het schooljaar opnieuw vastgesteld voor zover de toekenning dan wel het vervallen van deze formatierekeneenheden geschiedt tijdens het schooljaar.
6.
[Vervallen.]
7.
Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 12, stelt de formatie van de instelling vast met inachtneming van het bepaalde in het Uitvoeringsbesluit W.O.V. ( Stb. 1988, 128). Het bevoegd gezag bedoeld in de eerste volzin, neemt in de formatie in elk geval de functies van de aan de instelling verbonden betrokkenen op voor de betrekkingsomvang waarvoor zij zijn benoemd, tenzij dit gezien de in artikel D6, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit W.O.V. neergelegde uitgangspunten in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
1.
Indien in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a , een functie beschikbaar komt, wordt die functie door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 en d 2 en d 16, toegedeeld aan de betrokkene wiens functie is opgenomen in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid onder b , tenzij dit in het licht van een goede en doelmatige uitvoering van de aan de instelling te verrichten werkzaamheden in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kan worden gevergd.
2.
Indien een bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid, voornemens is over te gaan tot herbenoeming van een betrokkene wiens dienstverband is beëindigd in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt de betrokkene benoemd voor ten hoogste de betrekkingsomvang die overeenkomt met zijn restvaliditeit en voor ten hoogste de betrekkingsomvang die vóór de beëindiging van het dienstverband voor hem in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, was opgenomen.
1.
Voor iedere functie aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2 en d16, die voor rijksbekostiging in aanmerking wordt gebracht, wordt bij een normbetrekking een aantal rekeneenheden verbruikt als is aangegeven in onderstaand schema.
1a.
Voor de functie van leraar in opleiding, bedoeld in hoofdstuk I-T, die voor rijksbekostiging in aanmerking wordt gebracht, worden bij een normbetrekking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, voor zover het betreft een basisschool 76 rekeneenheden verbruikt en voor zover het een speciale school voor basisonderwijs betreft 81 eenheden verbruikt, en worden bij een normbetrekking aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d2, 81 rekeneenheden verbruikt.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor de functie van de betrokkene bedoeld in artikel I-Q101, onder b , uitgegaan van de maximumschaal die op grond van het bepaalde in één van de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk I-Q bij de desbetreffende functie behoort.
3.
Indien voor een betrokkene bedoeld in artikel I-S601, V-S201 en V-S301 een hogere salarisschaal geldt of zal gelden dan de maximumschaal die behoort bij de functie waarin hij is benoemd, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor zijn functie een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met de hogere salarisschaal. Het bepaalde in de vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een betrokkene bedoeld in artikel I-R401, onder b , die is benoemd in een functie waarvoor schaal 10 de maximumschaal is en voor wie een salaris geldt of zal gelden in maximumschaal 12.
4.
Bij benoeming van een betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, dan wel bij benoeming van een betrokkene als bedoeld in artikel I-T3, onder a, in een betrekking waarvan de omvang niet gelijk is aan die van een normbetrekking wordt het aantal rekeneenheden, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, naar evenredigheid vastgesteld. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op 2 decimalen.
5.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met derde lid en in afwijking van het bepaalde in het vierde lid, geldt dat voor de betrokkene wiens salaris wordt berekend op grond van artikel I-P15, een aantal eenheden wordt verbruikt dat wordt berekend aan de hand van de formule
w x (d : e) x f, waarin
w = de omvang van de werktijdfactor waarvoor betrokkene is benoemd voor zover die voor rijksbekostiging in aanmerking wordt gebracht;
d = het aantal kalenderdagen gedurende welke de betrokkene in die functie in de desbetreffende kalendermaand is benoemd;
e = het aantal kalenderdagen dat in de desbetreffende maand geldt;
f = het aantal rekeneenheden dat op grond van het eerste tot en met derde lid bij de desbetreffende functie behoort.
De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op 2 decimalen.
6.
Indien een betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, verlof als bedoeld in artikel I-C32, I-C33, I-C34 of I-C35 geniet, is het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid van toepassing, indien de functie van de betrokkene gedurende ten minste een gedeelte van het voorafgaande schooljaar voor rijksbekostiging in aanmerking werd gebracht.
1.
Indien en voorzover die werkzaamheden niet langer aan de betrokkene worden opgedragen vervalt van rechtswege het gedeelte van de betrekkingsomvang van een betrokkene dat bestaat uit:
a. uren boven de normbetrekking; of
b. tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming
1. in verband met vervanging of
2. in verband met een tijdelijke voorziening in een vacature voor ten hoogste één jaar;
c. tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming in verband met een project waarvoor door het bevoegd gezag dan wel Onze minister gedurende 3 of minder schooljaren uit additionele middelen formatie beschikbaar is gesteld en die door het bevoegd gezag niet in de in artikel I-P76, tweede lid, onder a , bedoelde formatie is opgenomen.
d. uitbreiding of tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming in verband met contractactiviteiten die gedurende een periode van 3 jaar of minder is toegekend; alsmede
e. uitbreiding of tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang of benoeming gedurende een periode van 3 jaar of minder ten gevolge van het toekennen van werkzaamheden in verband met contractactiviteiten aan een andere betrokkene.
2.
Het gedeelte van de betrekkingsomvang bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor het wordt toegekend afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.
1.
Het bevoegd gezag kan, uitsluitend ten laste van eigen middelen en volgens door het bevoegd gezag vast te stellen beleidsregels, aan een betrokkene een gratificatie toekennen of een maandelijkse toelage.
2.
Het bevoegd gezag kan aan de toekenning van een maandelijkse toelage voorwaarden verbinden.
3.
Het bevoegd gezag trekt een maandelijkse toelage in, indien de gronden voor toekenning van de toelage niet meer aanwezig zijn.
4.
De in het eerste lid bedoelde toelage behoort tot de bezoldiging, bedoeld in het Besluit ziekte- en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.
1.
Onze minister kent aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 2 een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, toe indien het bevoegd gezag deze toekent aan één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde instelling is gehuisvest in verschillende gebouwen wordt per gebouw dat niet in de onmiddellijke nabijheid van de hoofdvestiging staat, door Onze Minister een toelage overeenkomstig het eerste lid toegekend.
3.
Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag uitsluitend ten laste van eigen middelen één of meer personeelsleden die in het bezit zijn van een geldig EHBO-diploma maandelijks een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 3, toekennen.
1.
De betrokkene niet zijnde de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 12, voor wie de functie is opgenomen in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid , onder b , is verplicht andere hem door het bevoegd gezag opgedragen werkzaamheden die in het kader van de door hem vervulde functie passend zijn te achten, te verrichten, dan wel bij een ander bevoegd gezag dan wel buiten het onderwijs een passende betrekking te aanvaarden.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, kan het bevoegd gezag een betrokkene bedoeld in het eerste lid, een sollicitatieplicht of, met inachtneming van artikel I-P86, een scholingsplicht opleggen.
3.
De betrokkene voor wie op grond van het tweede lid een sollicitatieverplichting geldt, is verplicht zich als werkzoekende te laten registreren bij de Centrale organisatie werk en inkomen en een andere passende betrekking binnen dan wel buiten het onderwijs te aanvaarden.
1.
Ontslag in verband met opheffing van de betrekking kan niet eerder worden verleend dan nadat de functie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a , gedurende een geheel schooljaar is geplaatst in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder b . Ontslag wegens opheffing van de betrekking kan niet plaatsvinden om herbenoeming in een functie voor een kleinere betrekkingsomvang mogelijk te maken.
2.
Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1, d 2, en d 16, besluit over te gaan tot opheffing van een betrekking dient het eerst zorgvuldig te onderzoeken of het in redelijkheid mogelijk is de betrokkene een mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende functie bij het bevoegd gezag aan te bieden. Indien een in de eerste volzin bedoelde functie beschikbaar is, vindt ontslag wegens opheffing van de betrekking plaats onder gelijktijdige benoeming in de nieuwe functie.
3.
Indien geen passende functie als bedoeld in het eerste lid beschikbaar is, dan wel de betrokkene een passende functie weigert te aanvaarden, wordt de betrekking opgeheven indien de functie van de betrokkene niet langer in de formatie als bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a of b , is opgenomen.
4.
Het bepaalde in artikel I-P59 is van overeenkomstige toepassing voor de betrokkene aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 12.
Artikel I-P86. Voorwaarden scholingsplicht
Indien het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1, d 2, en d 16, met toepassing van het bepaalde in artikel I-P84, tweede lid, aan de betrokkene een scholingsplicht oplegt, gelden hierbij de volgende voorwaarden.
a. Het bevoegd gezag stelt de betrokkene vrij van het verrichten van passende werkzaamheden bedoeld in artikel I-P84, eerste lid, voor zover dit noodzakelijk is voor het volgen van de scholing.
b. Het bevoegd gezag belast de betrokkene niet met het geven van onderwijs bedoeld in de taakkarakteristiek, voor zover deze lesgebonden taken zouden samenvallen met het volgen van de scholing.
c. Tussen het bevoegd gezag en de betrokkene wordt een redelijke termijn afgesproken waarbinnen de betrokkene de scholing met succes kan afronden.
d. Het bevoegd gezag is verplicht de betrokkene te benoemen in een, gelet op de scholing die is of wordt gevolgd, passende vacante functie bij het bevoegd gezag. Indien voor de in de eerste volzin bedoelde benoeming ontheffing van de bevoegdheidseisen noodzakelijk is omdat de betrokkene de scholing nog niet heeft afgerond, is het bevoegd gezag verplicht die ontheffing aan te vragen. Indien de ontheffing wordt verleend, geldt de in de eerste volzin bedoelde verplichting.
1.
De bezoldiging van de betrokkene voor wie de betrekkingsomvang is opgenomen in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid onder b , wordt verminderd met:
a. neveninkomsten uit de betrekkingen bij het onderwijs die hij reeds genoot op de dag waarop van zijn betrekkingsomvang niet langer in de formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a is opgenomen, voor zover de totale omvang van de betrekking de omvang van de normbetrekking overschrijdt;
b. neveninkomsten die hij gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen in verband met de verplichting bedoeld in artikel I-P84, eerste lid.
2.
Over het bedrag dat op grond van het eerste lid in mindering wordt gebracht kan door het bevoegd gezag worden beschikt.
1.
Onze minister kan bepalen dat aan een betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 1 en e 2 en e 16 die wordt belast met externe taken ten behoeve van het onderwijs, voor zover hij daarvoor geen vergoeding of verlof op de voet van artikel I-C38 verkrijgt, tijdelijk een gedeelte van een normbetrekking wordt toegekend.
2.
Het in het eerste lid bedoelde gedeelte van een normbetrekking wordt voor de duur waarvoor het wordt toegekend afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging voor dit gedeelte bedraagt een evenredig gedeelte van het voor de betrokkene geldende salarisbedrag behorende bij een normbetrekking.
3.
Zodra voor de betrokkene het gedeelte van de normbetrekking bedoeld in het eerste lid wordt verminderd, wordt de omvang van de betrekking dienovereenkomstig verkleind.
1.
Onze minister:
- wijst jaarlijks van de instellingen als bedoeld in artikel I-A1, onder d1, d2 en d16 die categorieën van instellingen aan, die bindingspremies om redenen van werving of behoud kunnen toekennen;
- bepaalt daarbij tevens tot welk totaalbedrag deze instellingen bindingspremies kunnen toekennen;
- wijst jaarlijks de categorie betrokkenen aan, aan wie de premie kan worden toegekend;
- stelt jaarlijks de hoogte van het bedrag vast dat maximaal aan de door het bevoegd gezag aangewezen betrokkene wordt uitgekeerd en bepaalt daarbij tevens de periode die maximaal met de betrokkene kan worden overeengekomen.
2.
Het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in het eerste lid kan aan een betrokkene die in dienst is of treedt en die behoort tot de categorie betrokkenen als bedoeld in het eerste lid, om redenen van werving of behoud een bindingspremie toekennen. De bindingspremie maakt geen deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.
3.
Het bevoegd gezag verbindt aan de toekenning als bedoeld in het tweede lid de voorwaarde dat de betrokkene, als bedoeld in het tweede lid, gedurende een bepaalde, tevoren overeengekomen periode, aan de instelling verbonden zal blijven. Bij voortijdig vertrek dient de toegekende uitkering geheel of gedeeltelijk te worden terugbetaald. Het bevoegd gezag kan aan de toekenning nadere voorwaarden verbinden.
4.
Indien de betrokkene bedoeld in het tweede lid voor het einde van de in het tweede lid bedoelde periode de dienst verlaat of indien hij niet voldoet aan de in het derde lid bedoelde nadere voorwaarden door een naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aan hemzelf te wijten oorzaak, ontheft het bevoegd gezag hem van de verplichtingen tot terugbetaling.
5.
De voorwaarden bedoeld in het derde lid worden aan de betrokkene, bedoeld in het tweede lid evenals de grootte van de uitkering alsmede de maand en jaar van toekenning, voor zover deze niet reeds in de akte van benoeming zijn vermeld, zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld.
1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. instelling: de instelling, genoemd in artikel I-A1, onder d 1, d 2, d 4 tot en met d 6, d 10, d 12 tot en met d 15, d 17 en d 18;
b. betrokkene: de directeur, directeur/coördinator, plaatsvervangend directeur, plaatsvervangend directeur/coördinator, adjunct-directeur en adjunct-directeur/-coördinator bedoeld in de paragrafen 2 en 3, 6 en 9 tot en met 11 alsmede het lid van de centrale directie bedoeld in de paragrafen 7, 8 en 12 tot en met 15 alsmede de betrokkene is benoemd in een functie die door het bevoegd gezag is aangemerkt als een functie in hoofdstuk I-Q;
c. "scholengemeenschap":
1. een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 5 onder b , d 14 onder b , dan wel onder d 15, dan wel onder d 17, onder b , dan wel onder d 18, onder b , (horizontale scholengemeenschap);
2. een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 14, d 17 of d 18;
d. "onderwijsgemeenschap": een samenstel van instellingen voor hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met een of meer instellingen als bedoeld onder d 14 en d 15, vallende onder hetzelfde bevoegd gezag.
2.
Voor zover uit het eerste lid niet anders blijkt, zijn in dit hoofdstuk de begripsbepalingen van artikel I-P1, I-P50 en I-P75 van toepassing.
1.
Aan het hoofd van een instelling staat een directeur of directeuren, een directeur/coördinator, een centrale directie of een college van bestuur.
2.
De directie als bedoeld in de paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 15 wordt gevormd door de directeur of directeuren of de centrale directie of het college van bestuur en voor zover de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie dit mogelijk maakt een of meer adjunct-directeuren en een of meer andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die door het bevoegd gezag is aangemerkt als een functie in hoofdstuk I-Q.
3.
Aan het hoofd van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 14 en d 15, staat, indien deze instellingen een onderwijsgemeenschap vormen met een een instelling als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, een college van bestuur.
Artikel I-Q103. Aanloopschalen
aanloopschaalmaximumschaal
89
810
10 11
11 12
12 13
13 14
14 15
15 16
16 17
17 18
1.
In de paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 15 wordt voor elke normfunctie de bijbehorende maximumschaal aangegeven.
2.
Bij elke maximumschaal behoort een aanloopschaal als aangegeven in onderstaand schema.
1.
Bij benoeming van een betrokkene niet zijnde een betrokkene als bedoeld in artikel I-A1 onder e 5, e 6, e 10, e 13 tot en met e 15, e 17 en e 18 tot in een functie als bedoeld in dit hoofdstuk wordt in afwijking van het bepaalde in de artikelen I-P7 tot en met I-P11 het voor hem geldende salarisbedrag vastgesteld als volgt:
a. eerst wordt bepaald welk salarisbedrag voor hem in de functie bedoeld in dit hoofdstuk zou gelden op de voet van het bepaalde in de artikelen I-P7 tot en met I-P11, waarbij voor de toepassing van die artikelen elke schaal voorkomende in de bijlage 1A bij dit besluit geacht wordt te behoren bij die functies.
b. vervolgens wordt bezien van welke salarisschalen die behoren bij de desbetreffende functie het minimumsalaris lager is dan het onder a bepaalde bedrag, de betrokkene wordt vervolgens ingeschaald in de hoogste van deze salarisschalen en wel op het onder a bepaalde salarisbedrag of indien dat bedrag in die salarisschaal niet voorkomt op het naasthogere bedrag.
c. indien het onder a bepaalde salarisbedrag lager is dan het laagste salarisbedrag in de aanloopschaal behorende bij de desbetreffende functie wordt het salaris vastgesteld op het onder a gevonden bedrag in de hoogst mogelijke in de bijlage bij dit besluit voorkomende salarisschaal welke gelegen is onder evenbedoelde aanloopschaal; indien het onder a bedoelde bedrag in die schaal niet voorkomt vindt de inschaling plaats op het naasthogere in die schaal voorkomende bedrag.
2.
Indien het bepaalde in het eerste lid leidt tot een salarisbedrag dat lager is dan het laagste bedrag van het begintraject dan wel de laagste aanloopschaal behorende bij de hoogste maximumschaal die ingevolge het bepaalde in hoofdstuk I-R aan de instelling geldt voor de betrokkene bedoeld in artikel I-R101, eerste lid, onder b , wordt het salaris van de betrokkene die in een functie als bedoeld in dit hoofdstuk wordt benoemd, vastgesteld op dat laagste bedrag.
1.
Zodra aan de betrokkene op grond van het bepaalde in artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris dan ten minste gelijk is aan het aanvangsbedrag van een naasthogere schaal, wordt zijn salaris bepaald volgens die hogere schaal, evenwel niet volgens een hogere schaal dan de maximumschaal die bij zijn functie behoort.
2.
Zolang voor de betrokkene het salaris wordt bepaald volgens een lagere schaal dan de bij zijn functie behorende aanloopschaal en toekenning van een periodieke verhoging als bedoeld in artikel I-P13 en toepassing van het bepaalde in het eerste lid nog niet leiden tot een salarisbedrag dat ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de aanloopschaal, wordt hem telkens bij de toepassing van artikel I-P13 op de in dat artikel vermelde datum één extra periodieke verhoging toegekend. Het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van de salarisvaststelling volgens de naasthogere schaal is van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien het bepaalde in één der paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 10 gedurende drie achtereenvolgende schooljaren tot een hogere maximumschaal voor de desbetreffende functie bij de instelling leidt, geldt met ingang van het derde schooljaar het carrièrepatroon dat behoort bij de functie met die hogere maximumschaal voor de betrokkene.
2.
De betrokkene die gedurende een periode van drie aaneengesloten schooljaren benoemd is in dezelfde functie waarbij op grond van het bepaalde in één der paragrafen 2 tot en met 15 dezelfde maximumschaal behoort, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoort bij de functie met die maximumschaal zolang hij in de desbetreffende functie aan dezelfde instelling of instellingen benoemd blijft.
3.
De betrokkene wiens bezoldiging wordt vastgesteld volgens de voor hem geldende maximumschaal, behoudt aanspraak op bezoldiging volgens die schaal zolang hij in de desbetreffende functie benoemd blijft.
4.
Ten aanzien van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 6 en e 13 wordt in het eerste en tweede lid voor "schooljaar" dan wel "schooljaren" gelezen: "kalenderjaar" dan wel "kalenderjaren".
1.
Indien de directeur van een instelling waarbij geen andere functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q in de formatie is opgenomen gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, wordt voor de aan de instelling werkzame betrokkene bedoeld in hoofdstuk I-R die de directeurstaken volledig waarneemt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris en een toelage als bedoeld in artikel I-Q209b vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.
2.
Indien de directeur van een instelling gedurende meer dan één jaar verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, wordt indien vervanging is toegestaan voor de aan de instelling benoemde adjunct-directeur die de directeurstaken volledig waarneemt na één jaar volledige vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris en een toelage als bedoeld in artikel I-Q209b vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.
3.
Het tweede lid is, indien vervanging is toegestaan, voor zover het de vaststelling van het salaris betreft, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betrokkene bedoeld in hoofdstuk I-R, voor zover hij de adjunct-directeurstaken langer dan één jaar volledig waarneemt.
4.
Na de beëindiging van de volledige vervanging bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt het salaris van de betrokkene die de functie van directeur dan wel adjunct-directeur heeft waargenomen vastgesteld op het bedrag dat behoort bij het salarisnummer en de schaal die voor hem zouden hebben gegolden indien de waarneming niet zou hebben plaatsgevonden.
Artikel I-Q108. Verdeling werkzaamheden
Nadat toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel I-R102, tweede lid, verdeelt het bevoegd gezag de werkzaamheden onder de leden van de directie na overleg met de betrokkenen zodanig dat een zo veel mogelijk evenwichtige taakbelasting plaatsvindt in verhouding tot de functie en de omvang van ieders betrekking.
Artikel I-Q201. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. directeur: de directeur van een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel A1, onder d1;
b. adjunct-directeur: degene die is benoemd in een functie bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk I-R die tevens is benoemd tot adjunct-directeur;
c. directie: de directeur of directeuren, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk.
d. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie;
e. y: het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, welk aantal voor basisscholen wordt verhoogd met 3% van dat aantal leerlingen en naar beneden afgerond op een geheel getal;
f. instelling: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel I-A1, onder d1.
Artikel I-Q202. Directiefuncties
De normfuncties voor de directie die in de formatie van een instelling kunnen voorkomen zijn de normfunctie van directeur en van adjunct-directeur. In de bijlage Q1 bij dit besluit is voor deze functies een taakkarakteristiek gegeven voor onderscheidenlijk basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs.
1.
De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs als bedoeld in de taakkarakteristiek van de normfunctie leraar als opgenomen in bijlage R1 van dit besluit. Voor de betrokkene die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
2.
Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel I-C41, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel I-P3, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.
3.
Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.
4.
Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.
5.
In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het tweede lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
1.
De maximumschaal die voor de normfunctie van directeur geldt, wordt afhankelijk van y vastgesteld volgens onderstaand schema:
a. voor wat betreft basisscholen
y maximumschaal
tot en met 199 10
200 tot en met 899 11
900 en hoger 12
b. voor wat betreft speciale scholen voor basisonderwijs
y maximumschaal
tot en met 199 11
200 en hoger 12
2.
Met inachtneming van het vierde lid en de voorschriften bedoeld in het vijfde lid kan het bevoegd gezag besluiten aan een instelling twee normfuncties directeur te vervullen. In dat geval wordt de maximumschaal voor ieder van deze functies, in afwijking van het eerste lid en met inachtneming van het derde lid, vastgesteld volgens het onderstaande schema:
a. voor wat betreft basisscholen
y maximumschaal
tot en met 899 10
900 en hoger 11
b. voor wat betreft speciale scholen voor basisonderwijs
y maximumschaal
tot en met 199 11
200 en hoger 12
3.
Bij de toepassing van het tweede lid wordt, in afwijking van artikel I-P1, onder g,
a. voor de normfunctie van directeur van een basisschool waarvan y kleiner is dan 200, het maximumsalaris van schaal 10 vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 10 in die schaal;
b. voor de normfunctie van directeur van een speciale school voor basisonderwijs waarvan y
1°. kleiner is dan 100, het maximumsalaris vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 6 in schaal 11;
2°. gelijk is aan of groter dan 100 en kleiner dan 200, het maximumsalaris vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 7 in schaal 11;
3°. gelijk is aan of groter dan 200, het maximumsalaris vastgesteld op het bedrag dat is vermeld bij salarisnummer 7 in schaal 12.
4.
Het bevoegd gezag kan een besluit tot het doen vervullen van twee normfuncties directeur niet nemen zolang aan de instelling een directeur is benoemd voor wie het salaris vastgesteld wordt op een bedrag dat hoger is dan het voor hem in het tweede en derde lid bij de aldaar vermelde leerlingenaantallen aangegeven maximumsalaris.
5.
Indien aan een instelling met toepassing van het bepaalde in het tweede lid twee normfuncties directeur worden vervuld, is het bepaalde in artikel I-Q107 niet van toepassing.
6.
Onze minister geeft voorschriften ter uitvoering van het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid.
1.
In afwijking van het bepaalde in artikel I-P78, eerste lid, wordt aan een instelling waarvan y kleiner is dan 200 en waaraan met toepassing van het bepaalde in artikel I-Q204, tweede lid, twee normfuncties directeur worden vervuld, voor elk van deze functies bij een normbetrekking, afhankelijk van y, een aantal rekeneenheden verbruikt als is aangegeven in onderstaand schema:
a. voor wat betreft basisscholen;
y verbruik
tot en met 99 206
100 tot en met 199 222
b. voor wat betreft speciale scholen voor basisonderwijs.
y verbruik
tot en met 99 232
100 tot en met 199 249
200 en hoger 285
2.
Het bepaalde in artikel I-P78, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel I-Q206. Maximumschaal normfunctie adjunct-directeur
De maximumschaal die voor de normfunctie adjunct-directeur geldt, wordt afhankelijk van y vastgesteld volgens het onderstaande schema.
a. voor wat betreft basisscholen;
y maximumschaal
tot en met 399 9
400 tot en met 899 10
900 en hoger 11
b. voor wat betreft speciale scholen voor basisonderwijs.
y maximumschaal
tot en met 199 10
200 en hoger 11
Artikel I-Q207. Wijziging carrièrepatroon normfunctie adjunct-directeur
Indien ingevolge de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a niet langer een adjunct-directeur als bedoeld in artikel I-Q206 kan zijn benoemd, blijft de betrokkene bedoeld in artikel I-R201 die als adjunct-directeur was benoemd aanspraak houden op het carrièrepatroon dat voor hem op de laatste dag van het voorafgaande schooljaar gold, indien dit carrièrepatroon gedurende ten minste drie onmiddellijk voorafgaande schooljaren aan die instelling of, in voorkomende gevallen, instellingen voor hem als leraar tevens adjunct-directeur heeft gegolden. De betrokkene behoudt deze aanspraak zolang hij aan dezelfde instelling of instellingen verbonden blijft.
1.
Zonder voorafgaand ontslag kan een benoeming als leraar tevens adjunct-directeur niet worden beëindigd.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de leraar die als adjunct-directeur is benoemd en op wie artikel I-Q207 van toepassing is.
3.
Zolang aan de instelling of, in voorkomende gevallen, instellingen een leraar is verbonden voor wie het bepaalde in artikel I-Q207 geldt, kan geen andere leraar tevens tot adjunct-directeur worden benoemd.
1.
Indien het bepaalde in artikel I-Q204, tweede lid, onder a” aan een basisschool met twee normfuncties directeur gedurende drie achtereenvolgende schooljaren tot een hoger maximumsalaris voor de directeursfunctie leidt als gevolg van het feit dat y groter dan of gelijk aan 200 wordt, geldt met ingang van het derde schooljaar het carrièrepatroon dat behoort bij de functie met dat hogere maximumsalaris voor de directeur.
2.
De directeur van een basisschool met twee normfuncties directeur die gedurende een periode van drie aaneengesloten schooljaren in de normfunctie van directeur benoemd is waarbij op grond van het bepaalde in artikel I-Q204, tweede lid, onder a” hetzelfde maximumsalaris behoort, behoudt in geval y kleiner wordt dan 200 aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoort bij die functie met dat maximumsalaris zolang hij in de normfunctie van directeur aan dezelfde basisschool benoemd blijft.
3.
Indien y kleiner wordt dan 200 blijft voor de directeur van een basisschool met twee normfuncties directeur wiens bezoldiging wordt vastgesteld volgens schaal 10, het maximumsalaris bepaald op het hoogste bedrag in die schaal zolang hij in de desbetreffende functie aan dezelfde basisschool verbonden blijft.
4.
Indien op een andere grond dan een wijziging van y het bepaalde in artikel I-Q204 tot een hogere dan wel een lagere maximumschaal voor de normfunctie van directeur van de basisschool leidt, is het bepaalde in artikel I-Q106 niet van toepassing ten aanzien van deze wijzigingen van de maximumschaal.
1.
Indien het bepaalde in artikel I-Q204, derde lid, onder b, aan een speciale school voor basisonderwijs met twee normfuncties directeur gedurende drie achtereenvolgende schooljaren tot een hoger maximumsalaris voor de directeursfunctie leidt als gevolg van het feit dat y groter dan of gelijk aan 100, onderscheidenlijk 200 wordt, geldt met ingang van het derde schooljaar het carrièrepatroon dat behoort bij de functie met dat hogere maximumsalaris voor de directeur.
2.
De directeur van een speciale school voor basisonderwijs met twee normfuncties directeur die gedurende een periode van drie aaneengesloten schooljaren in de normfunctie van directeur benoemd is waarbij op grond van het bepaalde in artikel I-Q204, derde lid, onder b, hetzelfde maximumsalaris behoort, behoudt in geval y kleiner wordt dan 100, onderscheidenlijk 200, aanspraak op bezoldiging volgens het carrièrepatroon dat behoort bij die functie met dat maximumsalaris zolang hij in de normfunctie van directeur aan dezelfde school benoemd blijft.
3.
Indien y kleiner wordt dan 100, onderscheidenlijk 200, blijft voor de directeur van een speciale school voor basisonderwijs met twee normfuncties directeur wiens bezoldiging wordt vastgesteld volgens schaal 11, onderscheidenlijk schaal 12, het maximumsalaris bepaald op het bedrag genoemd in artikel I-Q204, derde lid, onder b, sub 2°, onderscheidenlijk sub 3° zolang hij in de desbetreffende functie aan dezelfde school verbonden blijft.
4.
Indien op een andere grond dan een wijziging van y het bepaalde in artikel I-Q204 tot een hogere dan wel een lagere maximumschaal voor de normfunctie van directeur van de school leidt, is het bepaalde in artikel I-Q106 niet van toepassing ten aanzien van deze wijzigingen van de maximumschaal.
1.
Een betrokkene die is benoemd in de normfunctie van directeur of adjunct-directeur van een basisschool ontvangt een toelage als vermeld in bijlage 2, onder 4, bij de voor die betrokkene geldende maximumschaal.
2.
In afwijking van het eerste lid ontvangt een betrokkene met ingang van het derde schooljaar de toelage, vermeld in bijlage 2, onder 5, indien deze is benoemd:
a. in een normfunctie directeur aan een basisschool waarvan de factor y gedurende drie achtereenvolgende schooljaren gelijk is aan of groter is dan 400 en het carrièrepatroon geldt dat behoort bij maximumschaal 11;
b. in een normfunctie adjunct-directeur aan een basisschool waarvan de factor y gedurende drie achtereenvolgende schooljaren gelijk is aan of groter is dan 200 en het carrièrepatroon geldt dat behoort bij maximumschaal 9.
3.
Indien de factor y kleiner is dan 900 en geen personeelslid is benoemd in de normfunctie directeur en maximaal één personeelslid in de normfunctie adjunct-directeur, geldt de toelage die in bijlage 2, onder 5, is vermeld:
a. voor het personeelslid dat is benoemd in een door het bevoegd gezag op grond van artikel I-P2, vierde lid, vastgestelde functie waarin hij onder leiding van een aan die school verbonden directeur is belast met directiewerkzaamheden;
b. voor het personeelslid dat is benoemd als directeur van die school indien geen personeelslid een toelage op grond van a, ontvangt.
4.
Een betrokkene die is benoemd in een normfunctie directeur van een basisschool voor wie het carrièrepatroon geldt dat behoort bij maximumschaal 11 en een betrokkene die is benoemd in een normfunctie adjunct-directeur van een basisschool voor wie het carrièrepatroon geldt dat behoort bij maximumschaal 9, voor wie de toelage, bedoeld in het tweede lid, geldt, behoudt aanspraak op die toelage zolang hij benoemd blijft in de desbetreffende functie aan dezelfde instelling of instellingen en voor hem dezelfde maximumschaal blijft gelden.
5.
De toelage, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, van de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang anders dan die van een normbetrekking wordt berekend naar evenredigheid van die betrekkingsomvang. De aldus berekende uitkomst wordt op rekenkundige wijze afgerond op centen. Een toelage die op grond van dit artikel wordt berekend, kan nooit hoger zijn dan de toelage die volgens bijlage 2, onder 4 en 5, voor betrokkene zou gelden indien die betrokkene in een normbetrekking zou zijn benoemd.
6.
Een toelage als bedoeld in dit artikel, telt niet mee voor de toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel I-P8.
1.
Indien op grond van artikel 29, eerste lid, derde volzin, van de Wet op het primair onderwijs een directeur van een basisschool tevens is belast met de leiding van een andere instelling waar de functie van directeur vacant is, kan het bevoegd gezag, zolang deze situatie zich voordoet en uitsluitend ten laste van eigen middelen aan die directeur boven zijn salaris een maandelijkse toelage toekennen ten bedrage van het verschil tussen het bedrag bij salarisnummer 12 in schaal 10 en het bedrag bij salarisnummer 11 in die schaal. Indien het een directeur van een speciale school voor basisonderwijs betreft, bedraagt de in de vorige volzin bedoelde toelage het verschil tussen het bedrag bij salarisnummer 9 in schaal 11 en het bedrag bij salarisnummer 8 in die schaal.
2.
De in het eerste lid bedoelde toelage behoort niet tot het inkomen, als bedoeld in het pensioenreglement, en telt niet mee voor de berekening en vaststelling van uitkeringen ingevolge het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel , het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, alsmede de regeling voor vervroegde uittreding.
3.
Indien de betrokkene niet in een normbetrekking is benoemd, wordt de toelage berekend naar evenredigheid van zijn betrekkingsomvang.
Artikel I-Q301. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. directeur: de directeur van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 2;
b. adjunct-directeur: degene die is benoemd in een functie bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk I-R die tevens is benoemd tot adjunct-directeur;
c. directie: de directeur of directeuren, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk;
d. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie;
e. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 2;
f. Q: de totale normatieve formatie naar boven afgerond op hele formatieplaatsen, berekend volgens artikel 16, vijfde lid, van het Formatiebesluit WEC of artikel 25, vijfde lid, van het Formatiebesluit W.V.O., dan wel, indien het een instelling voor onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen betreft, berekend volgens artikel 26a van het Formatiebesluit WEC vermeerderd met de formatie toegekend op grond van artikel 117, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra.
Artikel I-Q302. Directiefuncties
De normfuncties voor de directie die in de formatie van een instelling kunnen voorkomen zijn de normfunctie van directeur en van adjunct-directeur. In de bijlage Q2 bij dit besluit is voor deze functies een taakkarakteristiek gegeven.
1.
De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs als bedoeld in de taakkarakteristiek van de normfunctie leraar als opgenomen in de bijlage R2 van dit besluit. Voor de betrokkene die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
2.
Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel I-C41, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel I-P3, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.
3.
Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.
4.
Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.
5.
In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het tweede lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
Artikel I-Q304. Maximumschaal normfunctie directeur
De maximumschaal die voor de normfunctie van directeur geldt, wordt afhankelijk van Q vastgesteld volgens het onderstaande schema.
Artikel I-Q305. Maximumschaal normfunctie adjunct-directeur
De maximumschaal die voor de normfunctie adjunct-directeur geldt, wordt afhankelijk van Q vastgesteld volgens het onderstaande schema.
Q maximumschaal
kleiner dan 24 10
gelijk aan of groter dan 24 11
Artikel I-Q306. Wijziging carrièrepatroon normfunctie adjunct-directeur
Indien ingevolge de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie bedoeld in artikel I-P76, tweede lid, onder a niet langer een adjunct-directeur als bedoeld in artikel I-Q305 kan zijn benoemd, blijft de betrokkene bedoeld in artikel I-R301 die als adjunct-directeur was benoemd aanspraak houden op het carrièrepatroon dat voor hem op de laatste dag van het voorafgaande schooljaar gold, indien dit carrièrepatroon gedurende ten minste drie onmiddellijk voorafgaande schooljaren aan die instelling of, in voorkomende gevallen, instellingen voor hem als leraar tevens adjunct-directeur heeft gegolden. De betrokkene behoudt deze aanspraak zolang hij aan dezelfde instelling of instellingen verbonden blijft.
1.
Zonder voorafgaand ontslag kan een benoeming als leraar tevens adjunct-directeur niet worden beëindigd.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de leraar die als adjunct-directeur is benoemd en op wie artikel I-Q306 van toepassing is.
3.
Zolang aan de instelling of, in voorkomende gevallen, instellingen een leraar is verbonden voor wie het bepaalde in artikel I-Q306 geldt, kan geen andere leraar tevens tot adjunct-directeur worden benoemd.
1.
Indien op grond van artikel 29, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de expertisecentra of artikel 149, eerste lid, derde volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs een directeur van een instelling tevens is belast met de leiding van een andere instelling waar de functie van directeur vacant is, kan het bevoegd gezag, zolang deze situatie zich voordoet en uitsluitend ten laste van eigen middelen aan die directeur boven zijn salaris een maandelijkse toelage toekennen te bedrage van het verschil tussen het bedrag bij salarisnummer 9 in schaal 11 en het bedrag bij salarisnummer 8 in die schaal.
2.
De in het eerste lid bedoelde toelage behoort niet tot het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement, en telt niet mee voor de berekening en vaststelling van uitkeringen ingevolge het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel , het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, alsmede de regeling voor vervroegde uittreding.
3.
Indien de betrokkene niet in een normbetrekking is benoemd, wordt de toelage berekend naar evenredigheid van zijn betrekkingsomvang.
Artikel I-Q601. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 4;
b. directie: de directeur, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk;
c. "directeur": het lid van de directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot directeur;
d. "adjunct-directeur": het lid van de directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot adjunct-directeur;
e. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de directie;
f. "leerovereenkomst": de leerovereenkomst bedoeld in artikel 2.22 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs.
1.
Het bevoegd gezag benoemt in de directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.
2.
In de bijlage Q5 bij dit besluit is voor de normfuncties directeur en adjunct-directeur een taakkarakteristiek gegeven.
3.
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-Q603. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Voor de normfuncties van de directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.
2.
Het aantal leerovereenkomsten wordt bepaald op dezelfde wijze als deze in aanmerking worden genomen voor de bekostiging in artikel I-H4.2 onder a van het Uitvoeringsbesluit WCBO.
Artikel I-Q605. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-Q606. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-Q701. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 5;
b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling als bedoeld in artikel I-Q702;
c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie;
d. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de centrale directie, bedoeld onder b .
1.
Het bevoegd gezag benoemt in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.
2.
De centrale directie van een horizontale scholengemeenschap kan worden uitgebreid tot ten hoogste het aantal formatieplaatsen als is aangegeven in onderstaand schema.
3.
In een centrale directie van vier formatieplaatsen kunnen maximaal zes leden en in een centrale directie van vijf formatieplaatsen kunnen maximaal zeven leden worden benoemd.
4.
In de bijlage Q6 bij dit besluit is voor de functies voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.
5.
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a , mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-Q703. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Voor de leden van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.
2.
Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.
1.
Indien de horizontale scholengemeenschap bestaat uit 5 componenten als aangegeven in artikel I-Q702, eerste lid, worden de maximumschalen genoemd in artikel I-Q704, eerste lid, met één verhoogd.
2.
Indien de vaststelling van de maximumschalen op basis van het bepaalde in de artikelen I-Q1205 en I-Q1206 a dan wel de artikelen I-Q1405 en I-Q1406 dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506, hoger is dan de uitkomst van de vaststelling van de maximumschalen overeenkomstig het eerste lid, worden de maximumschalen overeenkomstig de artikelen I-Q1205 en I-Q1206 a dan wel de artikelen I-Q1405 en I-Q1406, dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506 vastgesteld, met dien verstande dat de maximumschaal niet hoger dan schaal 18 kan zijn.
3.
Artikel I-Q704, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel I-Q706. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-Q707. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-Q801. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 10;
b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling;
c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie;
d. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de centrale directie, bedoeld onder b ;
e. "cursistweek": een periode van een week gedurende welke een ingeschreven cursist instructie volgt met uitzondering van de in het kader van contractactiviteiten ingeschreven cursisten.
f. "P": het aantal cursistweken per jaar.
1.
Het bevoegd gezag benoemt in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.
2.
In de bijlage Q7 bij dit besluit is voor de functies voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.
3.
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a , mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-Q803. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Voor de leden van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.
2.
Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.
Artikel I-Q805. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-Q806. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-Q807. Restrictie toepassing artikelen I-P53, I-P55 en I-P56
Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van een periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, dan wel in de vorm van een gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.
Artikel I-Q901. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. directeur/coördinator: de directeur/coördinator van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 6;
b. adjunct-directeur/coördinator: de adjunct-directeur/coördinator van een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 6;
c. plaatsvervangend directeur/coördinator: de adjunct-directeur/coördinator die tevens is benoemd tot plaatsvervangend directeur/coördinator van een instelling als bedoeld in artikel I-A1 , onder d 6;
d. directie: de directeur/coördinator of directeuren/coördinator, de eventuele adjunct-directeur of adjunct-directeuren/coördinator en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk;
e. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie;
f. deelnemersuur: een eenheid van 60 minuten gedurende welke een deelnemer daadwerkelijk aan een programma deelneemt.
Artikel I-Q902. Directiefuncties
Naast de normfunctie van directeur/coördinator, kunnen de normfuncties van adjunct-directeur/coördinator en adjunct-directeur/coördinator tevens plaatsvervangend directeur/coördinator voorkomen met een maximumschaal als aangegeven in artikel I-Q905.
In de bijlage Q8 bij dit besluit is voor deze normfuncties een taakkarakteristiek gegeven.
Artikel I-Q903. Aantal deelnemersuren
Het totaal aantal deelnemersuren in een kalenderjaar, bedoeld in artikel I-Q905 is voor de toepassing van deze paragraaf gelijk aan het aantal deelnemersuren, dat voor de instelling is opgenomen in het voor dat kalenderjaar door de desbetreffende gemeenteraad vastgestelde programma basiseducatie en de daarbij behorende opgave van geraamde kosten.
Artikel I-Q904. Maximumschaal normfuncties directie
De maximumschaal die voor de in artikel I-Q902 genoemde normfuncties gelden, worden afhankelijk van het aantal deelnemersuren vastgesteld volgens onderstaand schema:
Artikel I-Q905. Toepassing bepalingen bij horizontale scholengemeenschap
Indien een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d 6 deel uit maakt van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c , sub 2, zijn voor de betrokkenen de bepalingen van paragraaf 15 van overeenkomstige toepassing.
Artikel I-Q1001. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. instelling: de instelling bedoeld in artikel I-A1 onder d 12;
b. directeur: de directeur van een instelling;
c. adjunct-directeur: de adjunct-directeur van een instelling;
d. plaatsvervangend directeur: de adjunct-directeur die tevens is benoemd tot plaatsvervangend directeur van een instelling;
e. directie: de directeur, de adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk;
f. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie;
g. algemene instellingen: landelijke en pedagogische centra en schoolbegeleidingsdiensten;
h. specifieke instellingen: het Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs, het Instituut voor Toetsontwikkeling en het Instituut voor Leerplanontwikkeling.
Artikel I-Q1002. Directiefuncties
De normfuncties die met inachtneming van het in het Uitvoeringsbesluit WOV gestelde in de directie kunnen voorkomen zijn die van directeur, adjunct-directeur en adjunct-directeur tevens plaatsvervangend directeur. In de bijlage Q9 is voor deze normfuncties een taakkarakteristiek gegeven.
Artikel I-Q1003. Maximumschalen normfuncties directie landelijke pedagogische centra
De maximumschalen voor de normfuncties voor de directie van de landelijke pedagogische centra zijn:
a. voor de directeur schaal 16;
b. voor de plaatsvervangend directeur schaal 15;
c. voor de adjunct-directeur schaal 14.
Artikel I-Q1004. Maximumschalen normfuncties directie schoolbegeleidingsdiensten
De maximumschaal voor de normfunctie van directeur, plaatsvervangend directeur en adjunct-directeur bij schoolbegeleidingsdiensten wordt vastgesteld volgens het onderstaande schema:
Artikel I-Q1005. Maximumschaal normfunctie directeur Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs
De maximumschaal voor de normfunctie van directeur van het Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs is schaal 16.
Artikel I-Q1006. Maximumschalen normfuncties directie Instituut voor Toetsontwikkeling
De maximumschalen voor de normfuncties voor de directie van het Instituut voor Toetsontwikkeling zijn:
a. voor de directeur schaal 16;
b. voor de plaatsvervangend directeur schaal 15;
c. voor de adjunct-directeur schaal 14.
Artikel I-Q1007. Maximumschalen normfuncties directie Instituut voor leerplanontwikkeling
De maximumschalen voor de normfuncties voor de directie van het Instituut voor Leerplanontwikkeling zijn:
a. voor directeur schaal 16;
b. voor de plaatsvervangend directeur schaal 15;
c. voor de adjunct-directeur schaal 14.
Artikel I-Q1101. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. directeur: de directeur van een instelling, als bedoeld in artikel I-A1, onder d 13;
b. adjunct-directeur: de adjunct-directeur van een instelling, als bedoeld in artikel I-A1, onder d 13;
c. plaatsvervangend directeur: de adjunct-directeur van de landelijke instelling "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven", bedoeld in de artikelen I-Q1102 en I-Q1108 tot en met I-Q1110, die tevens is benoemd tot plaatsvervangend directeur van die instelling;
d. directie: de directeur, de eventuele adjunct-directeuren en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk;
e. betrokkene: degene die deel uitmaakt van de directie.
1.
De normfuncties die in de directie kunnen voorkomen zijn die van:
a. directeur voor zover het betreft de landelijke instelling het "Landelijk studie- en ontwikkelingscentrum voor de volwasseneneducatie";
b. directeur en adjunct-directeur voor zover het betreft de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven";
c. directeur en adjunct-directeur voor zover het betreft de regionale, plaatselijke en provinciale instellingen.

Voor deze normfuncties is in de bijlage Q10 een taakkarakteristiek gegeven.
2.
Aan de regionale instellingen, genoemd in het eerste lid, onder c , kan slechts een adjunct-directeur worden benoemd, indien de maximumschaal voor de normfunctie directeur gelijk is aan of hoger is dan schaal 12.
1.
De maximumschaal voor de normfunctie van directeur van een regionale instelling is schaal 11.
2.
In afwijking van het eerste lid is de maximumschaal voor de normfunctie van directeur van een regionale instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 13 sub a , schaal 12 indien:
a. de instelling uit de door de desbetreffende provincie van het Rijk ontvangen bijdrage een subsidie krijgt die gelijk is aan of groter is dan een bepaald door Onze minister vast te stellen bedrag;
b. de subsidie die de instelling krijgt uit de door de desbetreffende provincie van het Rijk ontvangen bijdrage samen met eigen bijdragen van gemeente of provincie en eventueel op andere wijze verworven middelen het door Onze minister vast te stellen bedrag, bedoeld onder a , te boven gaat en Onze minister op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag heeft goedgekeurd dat schaal 12 wordt toegepast.
3.
In afwijking van het eerste lid is de maximumschaal voor de normfunctie van directeur van een regionale instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 13 sub b , schaal 12 indien de van het rijk ontvangen bijdrage samen met op andere wijze verworven middelen gelijk is aan of groter is dan een door Onze minister vast te stellen bedrag en Onze minister op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag heeft goedgekeurd dat schaal 12 wordt toegepast.
Artikel I-Q1105. Maximumschaal normfunctie directeur plaatselijke of provinciale instelling
De maximumschaal voor de normfunctie van directeur van een plaatselijke of provinciale instelling is schaal 12.
Artikel I-Q1106. Maximumschaal normfunctie adjunct-directeur regionale, plaatselijke of provinciale instelling
De maximumschaal voor de normfunctie van adjunct-directeur van een regionale, plaatselijke of provinciale instelling is schaal 11.
Artikel I-Q1107. Maximumschaal normfunctie directeur landelijk studie- en ontwikkelingscentrum volwasseneneducatie
De maximumschaal voor de normfunctie van directeur van de landelijke instelling het "Landelijk studie- en ontwikkelingscentrum voor de volwasseneneducatie" is schaal 14.
Artikel I-Q1108. Maximumschaal normfunctie directeur Centrum voor de Innovatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
De maximumschaal voor de normfunctie van directeur van de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven" is schaal 16.
Artikel I-Q1109. Maximumschaal normfunctie plaatsvervangend directeur Centrum voor Innovatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
De maximumschaal voor de normfunctie van plaatsvervangend directeur van de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven" is schaal 15.
Artikel I-Q1110. Maximumschaal normfunctie adjunct-directeur Centrum voor de Innovatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
De maximumschaal voor de normfunctie van adjunct-directeur van de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven" is schaal 14.
Artikel I-Q1201. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 14;
b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling als bedoeld in artikel I-Q1202;
c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie;
d. "directie": de leden van de centrale directie, de adjunct-directeur en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk;
e. " y ": het aantal leerlingen van de instelling dat middelbaar beroepsonderwijs volgt;
f. [vervallen;]
g. "verticale scholengemeenschap: een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c , onder 3;
h. "adjunct-directeur": de adjunct-directeur, bedoeld in artikel I-Q1203 en artikel I-Q1209.
i. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de directie.
1.
Behoudens het bepaalde in artikel I-Q1203 benoemt het bevoegd gezag in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.
2.
De centrale directie van een horizontale scholengemeenschap kan worden uitgebreid tot ten hoogste het aantal formatieplaatsen als is aangegeven in onderstaand schema:
3.
In een centrale directie van vier formatieplaatsen kunnen maximaal zes leden, in een centrale directie van vijf formatieplaatsen kunnen maximaal zeven leden worden benoemd.
4.
In de bijlage Q11 bij dit besluit is voor de functies voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.
5.
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-Q1203. Directie onderwijsgemeenschap
Aan instellingen die deel uitmaken van een onderwijsgemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, onder d , kan de normfunctie van adjunct-directeur voorkomen, onverminderd het bepaalde in artikel I-Q1209. De maximumschaal voor de functie wordt vastgesteld overeenkomstig artikel I-Q404 voor de normfunctie plaatsvervangend directeur.
Artikel I-Q1204. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Voor de leden van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.
functie indien y is maximumschaal
voorzitter 600 of meer doch minder dan 1000 schaal 13
1000 of meer doch minder dan 4000 schaal 14
4000 of meer doch minder dan 8000 schaal 15
8000 of meer schaal 16
lid 600 of meer doch minder dan 1000 schaal 12
1000 of meer doch minder dan 4000 schaal 13
4000 of meer doch minder dan 8000 schaal 14
8000 of meer schaal 15
2.
Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.
Artikel I-Q1206. Maximumschalen centrale directie bij kleine instelling
Indien y van de instelling minder dan 600 bedraagt, worden de maximumschalen van de centrale directie vastgesteld overeenkomstig artikel I-Q404, met dien verstande dat in dat artikel voor directeur wordt gelezen: voorzitter en voor plaatsvervangend directeur: lid.
1.
Indien de horizontale scholengemeenschap bestaat uit 5 componenten als aangegeven in artikel I-Q1202, tweede lid, worden de maximumschalen genoemd in artikel I-Q1205, eerste lid, met een verhoogd.
2.
Indien de vaststelling van de maximumschalen op basis van het bepaalde in de artikelen I-Q1405 en I-Q1406 dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506, hoger is dan de uitkomst van de vaststelling van de maximumschalen overeenkomstig het eerste lid, worden de maximumschalen overeenkomstig de artikelen I-Q1405 en I-Q1406 dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506 vastgesteld, met dien verstande dat de maximumschaal niet hoger dan schaal 18 kan zijn.
3.
Artikel I-Q1205, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel I-Q1207. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-Q1208. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-Q1301. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 15;
b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling;
c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie;
d. "directie": de leden van de centrale directie, de adjunct-directeur en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk;
e. "y": het aantal leerlingen dat onderwijs volgt aan de instelling;
f. "adjunct-directeur": de adjunct-directeur bedoeld in artikel I-Q1303.
g. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de directie.
1.
Behoudens het bepaalde in artikel I-Q1303 benoemt het bevoegd gezag in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.
2.
In de bijlage Q12 bij dit besluit is voor de functies voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.
3.
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-Q1303. Directie onderwijsgemeenschap
Aan instellingen die deel uitmaken van een onderwijsgemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, onder d , kan de normfunctie van adjunct-directeur voorkomen. De maximumschaal voor de functie wordt vastgesteld overeenkomstig artikel I-Q404 voor de normfunctie van plaatsvervangend directeur.
Artikel I-Q1304. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Voor de leden van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.
functie indien y is maximumschaal
voorzitter 600 of meer doch minder dan 1000 schaal 13
1000 of meer doch minder dan 4000 schaal 14
4000 of meer doch minder dan 8000 schaal 15
8000 of meer schaal 16
lid 600 of meer doch minder dan 1000 schaal 12
1000 of meer doch minder dan 4000 schaal 13
4000 of meer doch minder dan 8000 schaal 14
8000 of meer schaal 15
2.
Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.
Artikel I-Q1306. Maximumschalen centrale directie bij kleine instelling
Indien y van de instelling minder dan 600 bedraagt, worden de maximumschalen van de centrale directie vastgesteld overeenkomstig artikel I-Q404, met dien verstande dat in dat artikel voor directeur wordt gelezen: voorzitter en voor plaatsvervangend directeur: lid.
Artikel I-Q1307. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-Q1308. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-Q1309. Restrictie toepassing artikelen I-P53, I-P55 en I-P56
Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, dan wel in de vorm van gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.
Artikel I-Q1401. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 17;
b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling als bedoeld in artikel I-Q1402;
c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie;
d. "directie": de leden van de centrale directie, de adjunct-directeur en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk;
e. "deeltijdequivalent": 10 leseenheden;
f. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c , onder 3;
g. "adjunct-directeur": de adjunct-directeur, bedoeld in artikel I-Q1409.
h. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de directie.
1.
Het bevoegd gezag benoemt in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.
2.
De centrale directie van een horizontale scholengemeenschap kan worden uitgebreid tot ten hoogste het aantal formatieplaatsen als is aangegeven in onderstaand schema:
3.
In een centrale directie van vier formatieplaatsen kunnen maximaal zes leden en in een centrale directie van vijf formatieplaatsen kunnen maximaal zeven leden worden benoemd.
4.
In de bijlage Q13 bij dit besluit is voor de normfuncties voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.
5.
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-Q1404. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Voor de normfuncties van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.
normfunctie indien dte is maximumschaal
voorzitter minder dan 1500 schaal 13
1500 of meer doch minder dan 4000 schaal 14
4000 of meer doch minder dan 6600 schaal 15
6600 of meer schaal 16
lid minder dan 1500 schaal 12
1500 of meer doch minder dan 4000 schaal 13
4000 of meer doch minder dan 6600 schaal 14
6600 of meer schaal 15
2.
Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.
3.
Het aantal deeltijdequivalenten wordt bepaald op dezelfde wijze als deze in aanmerking worden genomen voor de bekostiging in artikel 4 van het Formatiebesluit vavo.
1.
Indien de horizontale scholengemeenschap bestaat uit 5 componenten als aangegeven in artikel I-Q1402, eerste lid, worden de maximumschalen genoemd in artikel I-Q1405, eerste lid, met één verhoogd.
2.
Indien de vaststelling van de maximumschalen op basis van het bepaalde in de artikelen I-Q1205 en I-Q1206 a dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506, hoger is dan de uitkomst van de vaststelling van de maximumschalen overeenkomstig het eerste lid, worden de maximumschalen overeenkomstig de artikelen I-Q1205 en I-Q1206 a dan wel de artikelen I-Q1505 en I-Q1506 vastgesteld, met dien verstande dat de maximumschaal niet hoger dan schaal 18 kan zijn.
3.
Artikel I-Q1405, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel I-Q1407. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-Q1408. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-Q1501. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": de instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 18;
b. "centrale directie": de centrale directie van een instelling als bedoeld in artikel I-Q1502;
c. "voorzitter van de centrale directie": het lid van de centrale directie dat door het bevoegd gezag is benoemd tot voorzitter van de centrale directie;
d. "directie": de leden van de centrale directie, de adjunct-directeur en de eventuele andere betrokkenen die zijn benoemd in een functie die is ingedeeld in hoofdstuk I-Q gezamenlijk.
e. "y": het aantal leerlingen beroepsbegeleidend onderwijs met dien verstande dat leerlingen met een lesrooster van tenminste 6 lessen per week voor de helft en leerlingen met een lesrooster van minder dan 6 lessen per week voor een vierde meetellen en dat leerlingen die deelnemen aan cursussen in het kader van contractactiviteiten of specifieke scholing niet meetellen;
f. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c , onder 3;
g. "adjunct-directeur": de adjunct-directeur, bedoeld in artikel I-Q1509.
h. "betrokkene": degene die deel uitmaakt van de directie.
1.
Het bevoegd gezag benoemt in de centrale directie ten hoogste vijf leden op maximaal drie formatieplaatsen.
2.
De centrale directie van een horizontale scholengemeenschap kan worden uitgebreid tot ten hoogste het aantal formatieplaatsen als is aangegeven in onderstaand schema:
3.
In een centrale directie van vier formatieplaatsen kunnen maximaal zes leden en in een centrale directie van vijf formatieplaatsen kunnen maximaal zeven leden worden benoemd.
4.
In de bijlage Q14 bij dit besluit is voor de normfuncties voorzitter van de centrale directie en lid van de centrale directie een taakkarakteristiek gegeven.
5.
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-Q1504. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Voor de normfuncties van de centrale directie gelden de maximumschalen als aangegeven in onderstaand schema.
normfunctie indien y is maximumschaal
voorzitter minder dan 1000 schaal 12
1000 of meer doch minder dan 3000 schaal 13
3000 of meer doch minder dan 6000 schaal 14
6000 of meer schaal 15
lid minder dan 1000 schaal 11
1000 of meer doch minder dan 3000 schaal 12
3000 of meer doch minder dan 6000 schaal 13
6000 of meer schaal 14
2.
Indien het bevoegd gezag hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden heeft overgedragen aan de centrale directie, worden de in het eerste lid genoemde schalen met één verhoogd.
1.
Indien de horizontale scholengemeenschap bestaat uit 5 componenten als aangegeven in artikel I-Q1502, tweede lid, worden de maximumschalen genoemd in artikel I-Q1505, eerste lid, met een verhoogd.
2.
Indien de vaststelling van de maximumschalen op basis van het bepaalde in de artikelen I-Q1205 en I-Q1206 a dan wel de artikelen I-Q1405 en I-Q1406, hoger is dan de uitkomst van de vaststelling van de maximumschalen overeenkomstig het eerste lid, worden de maximumschalen overeenkomstig de artikelen I-Q1405 en I-Q1406 dan wel de artikelen I-Q1205 en I-Q1206 a vastgesteld, met dien verstande dat de maximumschaal niet hoger dan schaal 18 kan zijn.
3.
Artikel I-Q1505, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel I-Q1507. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-Q1508. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerst en derde lid, is niet van toepassing.
1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. instelling: de instelling genoemd in artikel I-A1, onder d1, d2 en d16 voor zover die instelling over formatierekeneenheden beschikt als bedoeld in artikel 68, eerste lid onder d, van de Wet op het primair onderwijs;
b. betrokkene: de betrokkene genoemd in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16 e 4, e 5, e 6, e 10, e 14, e 15, e 17 en e 18, voor zover het betreft het onderwijsgevend, het pedagogische, het educatief, het docerend en het onderzoekspersoneel;
c. Formatiebesluit: het Formatiebesluit WPO , het Formatiebesluit WEC , deel II van het Formatiebesluit WVO en het Besluit trekkende bevolking WPO
2.
Voor zover uit het eerste lid niet anders blijkt, zijn in dit hoofdstuk de begripsbepalingen van artikel I-P1, I-P50 en I-P75 van toepassing.
1.
Aan iedere instelling kan onderwijsgevend, docerend, onderzoeks-, pedagogische en educatief personeel verbonden zijn voor zover dit binnen de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie mogelijk is.
Deze functies worden onderscheiden in onderwijsgevenden functies voor het basisonderwijs en centrale diensten (§ 2 van dit hoofdstuk), het speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs (§ 3), alsmede in pedagogische functies voor het leerlingwezen (§ 6), in een leraarsfunctie voor het vormingswerk (§ 7), in instructeursfuncties voor het landbouwpraktijkonderwijs (§ 8), in de functie van educatief werker in de basiseducatie (§ 9), in een leraarsfunctie voor het middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel I-A1, onder e 14 (§ 12), in een leraarsfunctie aan een scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-A1, onder d 15 (§ 13), in een leraarsfunctie voor het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (§ 14) en in een leraarsfunctie voor beroepsbegeleidend onderwijs (§ 15).
2.
De werkzaamheden die aan de instelling moeten worden verricht, worden in onderling overleg verdeeld tussen de directie en de betrokkenen zodanig dat een zoveel mogelijk evenwichtige taakbelasting plaatsvindt in verhouding tot de aard en de omvang van de functies.
Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, beslist het bevoegd gezag, de betrokkenen gehoord.
1.
Indien een betrokkene met inachtneming van het voor hem geldende carrièrepatroon, het begintraject en de aanloopschaal of -schalen behorend bij de functie waarin hij is benoemd, heeft doorlopen en hij heeft voldaan aan de in voorkomend geval door Onze minister dan wel het bevoegd gezag vastgestelde promotiecriteria wordt hij met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R107 en in de paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 9, 12 en 13 tot en met 15 van dit hoofdstuk bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal. Het bevoegd gezag kan promotiecriteria vaststellen uitsluitend indien over die criteria overeenstemming is bereikt in het overleg bedoeld in hoofdstuk IV-E en IV-F.
2.
Het bevoegd gezag is onverminderd het bepaalde in artikel I-R107, vijfde lid, gehouden de betrokkene in staat te stellen aan de voor hem geldende promotiecriteria te voldoen.
1.
Voor elke functie met maximumschaal 9, 10 of 11 geldt dat bij elke maximumschaal een aanloopschaal behoort die één nummer lager is dan de maximumschaal. Bij de de functies met maximumschaal 9, 10 of 11 behoort een begintraject dat voorafgaat aan de aanloopschaal. Voor elke functie met maximumschaal 12 of hoger geldt dat bij elke maximumschaal twee aanloopschalen behoren die één respectievelijk twee nummers lager zijn dan de maximumschaal.
2.
De betrokkene doorloopt het begintraject en de aanloopschalen bij zijn functie volgens het voor hem geldende carrièrepatroon.
Artikel I-R105. Inschaling in een functie met maximumschaal 12 of hoger
Bij benoeming van een betrokkene in een functie als bedoeld in paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 9, 12 en 13 tot en met 15 met maximumschaal 12 of hoger wordt, in afwijking van het bepaalde in de artikelen I-P7, I-P8, I-P9 en I-P11, het voor hem geldende salarisbedrag vastgesteld als volgt:
a. eerst wordt bepaald welk salarisbedrag in een salarisschaal voor hem in de functie bedoeld in de paragraaf 2 tot en met 9, 12 en 13 tot en met 15 zou gelden op de voet van het bepaalde in de artikelen I-P7, I-P8, I-P9 en I-P11;
b. indien de onder a bepaalde salarisschaal de laagste bij zijn functie behorende aanloopschaal is en aan hem in die schaal in één of meer vorige onderwijsfuncties met een laagste aanloopschaal met hetzelfde nummer dan wel bij de toepassing van onderdeel a reeds vier maal een periodieke verhoging als bedoeld in de artikelen I-P8, tweede en vierde lid, I-P11, eerste en tweede lid, en I-P13, is toegekend, vindt de inschaling plaats in de naasthogere aanloopschaal op het bedrag dat gelijk is aan het onder a bepaalde bedrag, of indien dat bedrag in die schaal niet voorkomt op het naasthogere bedrag.
Artikel I-R106. Overgang naar aanloopschaal of hogere aanloopschaal
Kolom A Kolom B
Schaal 11, sal.nr. 2 Schaal 11, sal.nr. 4
Schaal 11, sal.nr. 4 Schaal 11, sal.nr. 6
1.
De bezoldiging van de betrokkene die op 31 juli van enig schooljaar werd bezoldigd volgens het hoogste bedrag van het voor hem op die datum van toepassing zijnde begintraject, wordt per 1 augustus vastgesteld volgens het laagste bedrag dat hoger is in de bij zijn functie behorende aanloopschaal.
2.
De bezoldiging van de betrokkene die is benoemd in een functie met maximumschaal 12 of hoger en die op 31 juli van enig schooljaar werd bezoldigd volgens schaal 11, salarisnummer 10 of schaal 12, salarisnummer 9, welke niet de hoogste aanloopschaal is die bij zijn functie behoort, wordt per 1 augustus vastgesteld volgens de naasthogere aanloopschaal, waarbij het salaris wordt vastgesteld op het bedrag, dat is gelegen onmiddellijk boven het salaris dat voor hem op 31 juli daaraan voorafgaand gold.
3.
De bezoldiging van de betrokkene voor wie schaal 12 of hoger de bij zijn functie behorende maximumschaal is en die op 31 juli van enig schooljaar volgens de laagste bij zijn functie behorende aanloopschaal werd bezoldigd en aan wie in die aanloopschaal vier maal een periodieke verhoging als bedoeld in de artikelen I-P8, tweede en vierde lid, I-P11, eerste en tweede lid, of I-P13, is toegekend, waarbij het aantal malen dat hem een dergelijke periodieke verhoging in die aanloopschaal in een andere functie met een laagste aanloopschaal met hetzelfde nummer reeds is toegekend mede in aanmerking wordt genomen, wordt per 1 augustus vastgesteld volgens de naasthogere aanloopschaal, waarbij het salaris wordt vastgesteld op een bedrag dat onmiddellijk is gelegen boven het salaris dat voor hem op 31 juli daaraan voorafgaand gold.
4.
De bezoldiging van de betrokkene, voor wie schaal 13 de bij zijn functie behorende maximumschaal is, die op 31 juli van enig schooljaar wordt vastgesteld volgens de schaal en het salarisnummer vermeld in kolom A van onderstaand schema wordt, in afwijking van het bepaalde in het derde lid en in artikel I-P13, op 1 augustus daarop volgend vastgesteld volgens de daarnaast vermelde schaal en het salarisnummer in kolom B.
1.
Behoudens het vijfde lid heeft de betrokkene die is benoemd in een functie met maximumschaal 11 of lager en wiens salaris op 31 juli van enig schooljaar is vastgesteld op het hoogste bedrag in de bij zijn functie behorende aanloopschaal met ingang van 1 augustus van het daarop volgende schooljaar recht op vaststelling van zijn salaris volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal op het bedrag dat is gelegen onmiddellijk boven het salaris dat op 31 juli daaraan voorafgaand voor hem gold. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de betrokkene die is benoemd in een functie met maximumschaal 12 en wiens salaris op 31 juli van enig schooljaar is vastgesteld op het hoogste bedrag in de hoogste bij zijn functie behorende aanloopschaal.
2.
Behoudens het bepaalde in het vijfde lid heeft de betrokkene die is benoemd in een functie met maximumschaal 13 en wiens salaris gedurende twee achtereenvolgende schooljaren is vastgesteld op het hoogste bedrag in de hoogste bij zijn functie behorende aanloopschaal met ingang van 1 augustus van het daarop volgende schooljaar recht op vaststelling van zijn salaris volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal. Zijn salaris wordt in dat geval vastgesteld volgens de maximumschaal op het bedrag dat is gelegen onmiddellijk boven het salaris dat op 31 juli daaraan voorafgaand voor hem gold.
3.
In afwijking van het tweede lid en behoudens het vijfde lid wordt het salaris van de betrokkene zoveel eerder vastgesteld volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal als zijn salaris in een vorige functie reeds langer dan één schooljaar is vastgesteld geweest volgens het maximum van de bij die vorige functie behorende hoogste aanloopschaal.
4.
Voor de toepassing van het bepaalde in het derde lid wordt mede in aanmerking genomen het schooljaar waarin de betrokkene gedurende ten minste 60 werkdagen in een vorige functie werkzaam is geweest en is bezoldigd volgens het hoogste bedrag in de hoogste bij die functie behorende aanloopschaal.
5.
De betrokkene bedoeld in het eerste, tweede en derde lid heeft geen recht op vaststelling van zijn salaris volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal, indien de betrokkene niet aan de in artikel I-R103, eerste lid, bedoelde promotiecriteria heeft voldaan als gevolg van feitelijkheden die voor zijn rekening komen. In dat geval rust op het bevoegd gezag niet de verplichting bedoeld in artikel I-R103, tweede lid.
1.
De benoeming van een lid van het onderwijsgevend personeel bedoeld in artikel 1-A1, onder e1, e2 en e16 in een functie welke vanaf de aanvang van het schooljaar beschikbaar is, gaat in op de eerste dag na de zomervakantie.
2.
Indien het lid van het onderwijsgevend personeel bedoeld in artikel I-A, onder e1, e2 en e16 in het voorafgaande schooljaar als lid van het onderwijzend personeel bij een instelling in de zin van dit besluit dan wel bij een andere door Onze minister bekostigde onderwijsinstelling benoemd en bezoldigd is geweest gedurende een aaneengesloten periode van langer dan 2 maanden, welke periode is geëindigd op of na 1 juni van het voorafgaande schooljaar, gaat de benoeming in op 1 augustus mits het lid van het onderwijsgevend personeel voor langer dan 2 maanden wordt benoemd.
3.
Het lid van het onderwijsgevend personeel bedoeld in artikel I-A, onder e1, e2 en e16 dat in tijdelijke dienst is benoemd, heeft aanspraak op bezoldiging tot en met de dag waarop zijn benoeming in tijdelijke dienst afloopt, met dien verstande dat hij, ingeval de benoeming is ingegaan op of na 1 maart van een schooljaar, in elk geval geen aanspraak op bezoldiging heeft over de dagen na de laatste dag voor de zomervakantie, ook al strekt de duur van zijn dienstverband zich wel over die dagen uit. Indien de duur van zijn dienstverband zich tot in het volgende schooljaar uitstrekt, ontstaat weer aanspraak op bezoldiging met ingang van de eerste dag na de zomervakantie, behoudens indien zich de in het tweede lid bedoelde omstandigheid voordoet, in welk geval weer aanspraak op bezoldiging ontstaat met in gang van 1 augustus van het nieuwe schooljaar. Voor de toepassing van dit lid worden aansluitende benoemingen dan wel bestuursbenoemingen binnen eenzelfde schooljaar als één benoeming beschouwd.
4.
De duur van het dienstverband van het in het eerste lid bedoelde lid van het onderwijsgevend personeel dat in vaste dienst is benoemd en dat in verband met ontslag zijn werkzaamheden na de zomervakantie niet voortzet, kan zich uitstrekken uiterlijk tot en met de laatste dag van het schooljaar.
5.
Het lid van het onderwijsgevend personeel bedoeld in artikel I-A, onder e1, e2 en e16 aan wie ontslag is verleend en die in een nieuwe betrekking is benoemd met ingang van een dag waarop het ontslag uit de oude betrekking nog niet is ingegaan, heeft in de oude betrekking aanspraak op bezoldiging tot de dag waarop de nieuwe betrekking aanvangt indien de nieuwe betrekking een voortzetting van de oude betrekking geacht kan worden te zijn. Indien de nieuwe betrekking niet bij het onderwijs wordt bekleed, behoudt hij, voor zover hem nog vakantieverlof toekomt, aanspraak op bezoldiging tot en met de dag waarop dat vakantieverlof afloopt.
6.
Indien het lid van het onderwijsgevend personeel, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, als gevolg van het bepaalde in het derde lid of van artikel I-P22, tweede lid, gedurende een gedeelte van de zomervakantie benoemd is geweest en aanspraak had op bezoldiging heeft hij niettemin aanspraak op bezoldiging gedurende de zomervakantie, indien hij een periode van 12 achtereenvolgende maanden gedurende alle schoolweken aan een of meer scholen was verbonden en indien de zomervakantie in die periode valt.
Artikel I-R109. Benoeming horizontale scholengemeenschap
Degene die werkzaam wordt in meerdere componenten van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c , sub 2, wordt benoemd in de formatie van de component waaraan hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht.
Artikel I-R201. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 en d16;
b. betrokkene: een lid van het onderwijsgevend personeel benoemd bij een bevoegd gezag aan een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d 1 en d16.
Artikel I-R202. Normfunctie
De normfuncties voor het onderwijsgevend personeel die in de formatie van een instelling kunnen voorkomen zijn:
a. voor wat betreft basisscholen: de functie van leraar waarvoor als maximumschaal geldt schaal 9;
b. voor wat betreft speciale scholen voor basisonderwijs: de functie van leraar waarvoor als maximumschaal geldt schaal 10;
c. voor wat betreft centrale diensten: de functie van leraar waarvoor als maximumschaal geldt schaal 9, onderscheidenlijk de functie van leraar waarvoor als maximumschaal geldt schaal 10.
In de bijlage R1 bij dit besluit is voor de in de eerste volzin genoemde normfuncties een taakkarakteristiek gegeven.
1.
De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs bedoeld in de taakkarakteristiek. Voor de betrokkene, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
2.
Van het eerste lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op grond van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.
3.
Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel I-C41, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.
4.
Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur een betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.
5.
Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.
6.
In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het derde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, dan wel die daarnaast werkzaamheden verricht dan wel gaat verrichten waarvoor hem een gedeelte van een normbetrekking is of wordt toebedeeld die op grond van artikel I-P80 van rechtswege vervalt, wordt voor de duur en de omvang van die werkzaamheden tijdelijk uitgebreid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de artikelen I-P22 en I-R108, waarbij voor benoeming wordt gelezen tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang en voor benoemd wordt gelezen een tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang had.
2.
De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.
3.
Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene die uitsluitend is benoemd voor het verrichten van vervangingswerkzaamheden, tijdelijk is uitgebreid op grond van het eerste lid, wordt die tijdelijke uitbreiding bij beëindiging van eerstbedoelde vervangingswerkzaamheden omgezet in een benoeming.
1.
Voor de betrokkene die is benoemd in verband met de vervanging van een leraar wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel I-P15, tweede lid, de werktijdfactor per dag gelijkgesteld met 0,2306, per ochtend met 0,1356 en per middag met 0,095. De werktijdfactor voor een dag waarop aan de school structureel uitsluitend gedurende de ochtend onderwijs wordt gegeven, is bepaald op 0,1628.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde vervanging geschiedt voor korter dan een ochtend dan wel een middag, wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel I-P15, tweede lid, het feitelijk aantal uren bepaald op de uitkomst van de formule l x 1,5385, waarbij l gelijk is aan het aantal uren gedurende welke de betrokkene op die dag wordt belast met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek.
1.
Voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-Q201, onder a, wiens benoeming als directeur anders dan wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd en die werd bezoldigd volgens de bij deze functie behorende maximumschaal op een bedrag dat hoger is dan het hoogste bedrag in de aanloopschaal van een leraar wordt, in afwijking van artikel I-P78, eerste lid, voor zijn functie waarop hoofdstuk I-R van toepassing is, bij hetzelfde bevoegd gezag aan dezelfde instelling of instellingen een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met het aantal rekeneenheden dat behoorde bij zijn functie als directeur. De eerste volzin is niet van toepassing indien op grond van artikel I-R107, eerste lid, het salaris van de betrokkene reeds kon worden vastgesteld volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op directeuren van wie de betrekking is opgeheven wegens samenvoeging van de desbetreffende instelling of instellingen waaraan de directeur is verbonden, met een of meer andere instellingen.
3.
Het verbruik van rekeneenheden wordt in gevallen, bedoeld in het tweede lid, berekend met inachtneming van de in artikel I-A8, tweede lid, bedoelde voorschriften.
1.
Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-Q201, onder b , wiens benoeming als leraar tevens adjunct-directeur anders dan wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd, wordt in afwijking van het bepaalde in artikel I-P78, eerste lid, voor zijn functie als leraar bij hetzelfde bevoegd gezag aan dezelfde instelling of instellingen een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met het aantal rekeneenheden dat behoorde bij zijn functie als leraar tevens adjunct-directeur, indien:
a. de betrokkene als leraar tevens adjunct-directeur werd bezoldigd volgens de bij die functie behorende maximumschaal op een bedrag dat hoger is dan het hoogste bedrag in de aanloopschaal behorende bij de functie van leraar; of
b. op de betrokkene artikel I-Q207 van toepassing is.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien
a. voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-R201, onder b, de beëindiging van de benoeming als leraar tevens adjunct-directeur het gevolg is van een gelijktijdige daling van:
1°. voor wat betreft een leraar tevens adjunct-directeur aan een basisschool: het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 13a, derde lid, van het Formatiebesluit WPO tot 54 formatierekeneenheden,
2°. voor wat betreft een leraar tevens adjunct-directeur aan een speciale school voor basisonderwijs: het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 16b, vierde lid, van het Formatiebesluit WPO tot 65 formatierekeneenheden, en
b. in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kon worden gevergd dat deze functie van leraar tevens adjunct-directeur in de formatie zou worden gehandhaafd.
Artikel I-R301. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 2;
b. betrokkene: een lid van het onderwijsgevend personeel, benoemd bij een bevoegd gezag aan een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d 2.
Artikel I-R302. Normfunctie
De normfunctie van het onderwijsgevend personeel aan een instelling kan zijn opgenomen is de functie van leraar waarvoor als maximumschaal geldt schaal 10. In de bijlage R2 bij dit besluit is voor de in de eerste volzin genoemde normfunctie een taakkarakteristiek gegeven.
1.
De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met het geven van onderwijs bedoeld in de taakkarakteristiek. Voor de betrokkene, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
2.
Van het eerste lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op grond van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.
3.
Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel I-C41, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel I-P3, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.
4.
Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.
5.
Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.
6.
In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het derde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden waarvoor hem een gedeelte van een normbetrekking is of wordt toebedeeld die op grond van artikel I-P80 van rechtswege vervalt, wordt voor de duur en de omvang van die werkzaamheden tijdelijk uitgebreid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de artikelen I-P22 en I-R108, waarbij voor benoeming wordt gelezen tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang en voor benoemd wordt gelezen een tijdelijke uitbreiding van de betrekkingsomvang had.
2.
De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking bedoeld in het eerste lid wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.
3.
Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene die uitsluitend is benoemd voor het verrichten van vervangingswerkzaamheden, tijdelijk is uitgebreid op grond van het eerste lid, wordt die tijdelijke uitbreiding bij beëindiging van eerstbedoelde vervangingswerkzaamheden omgezet in een benoeming.
1.
Voor de betrokkene die is benoemd in verband met de vervanging van een leraar wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel I-P15, tweede lid, de werktijdfactor per dag gelijkgesteld met 0,2306, per ochtend met 0,1356 en per middag met 0,095. De werktijdfactor voor een dag waarop aan de school structureel uitsluitend gedurende de ochtend onderwijs wordt gegeven, is bepaald op 0,1628.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde vervanging geschiedt voor korter dan een ochtend dan wel een middag, wordt voor de vaststelling van de factor r in artikel I-P15, tweede lid, het feitelijk aantal uren bepaald op de uitkomst van de formule l x 1,5385, waarbij l gelijk is aan het aantal uren gedurende welke de betrokkene op die dag wordt belast met het geven van onderwijs, bedoeld in de taakkarakteristiek.
1.
Voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-Q301, onder a, wiens benoeming als directeur anders dan wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd en die werd bezoldigd volgens de bij deze functie behorende maximumschaal op een bedrag dat hoger is dan het hoogste bedrag in de aanloopschaal van een leraar wordt, in afwijking van artikel I-P78, eerste lid, voor zijn functie waarop hoofdstuk I-R van toepassing is, bij hetzelfde bevoegd gezag aan dezelfde instelling of instellingen een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met het aantal rekeneenheden dat behoorde bij zijn functie als directeur. De eerste volzin is niet van toepassing indien op grond van artikel I-R107, eerste lid, het salaris van de betrokkene reeds kon worden vastgesteld volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op directeuren van wie de betrekking is opgeheven wegens samenvoeging van de desbetreffende instelling of instellingen waaraan de directeur is verbonden, met een of meer andere instellingen.
3.
Het verbruik van rekeneenheden wordt in gevallen, bedoeld in het tweede lid, berekend met inachtneming van de in artikel I-A8, tweede lid, bedoelde voorschriften.
1.
Voor de betrokkene bedoeld in artikel I-Q301, onder b , wiens benoeming als leraar tevens adjunct-directeur anders dan wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd, wordt in afwijking van het bepaalde in artikel I-P78, eerste lid, voor zijn functie als leraar bij hetzelfde bevoegd gezag aan dezelfde instelling of instellingen een aantal rekeneenheden verbruikt dat overeenkomt met het aantal rekeneenheden dat behoorde bij zijn functie als leraar tevens adjunct-directeur, indien:
a. de betrokkene als leraar tevens adjunct-directeur werd bezoldigd volgens de bij die functie behorende maximumschaal op een bedrag dat hoger is dan het hoogste bedrag in de aanloopschaal behorende bij de functie van leraar, of
b. op de betrokkene artikel I-Q307 van toepassing is.
2.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-R301, onder b , voor wie de beëindiging van de benoeming als leraar tevens adjunct-directeur het gevolg is van een gelijktijdige daling van het aantal formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 16, derde en vierde lid, van het Formatiebesluit WEC of artikel 25, derde en vierde lid, van het Formatiebesluit W.V.O. van 236 naar 171, 98 of 65, van 171 naar 65, van 131 naar 98 of 65, van 98 naar 65 formatierekeneenheden en in redelijkheid niet van het bevoegd gezag kon worden gevergd dat deze functie van leraar tevens adjunct-directeur in de formatie zou worden gehandhaafd.
Artikel I-R601. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 4;
b. betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 4, voorzover het betreft de consulent dan wel een ander lid van het pedagogisch personeel.
Artikel I-R602. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R604, het beleid met betrekking tot de formatie van de consulentenfuncties vast.
Artikel I-R603. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, stelt Onze minister voor de normfunctie een taakkarakteristiek en functiebeschrijving en de maximumschaal vast.
2.
In het navolgende schema is een normfunctie vermeld die in de formatie van de consulenten kan zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschaal.
functie maximumschaal
consulent 10

In de bijlage R5 bij dit besluit zijn voor deze normfunctie een functiebeschrijving en taakkarakteristiek opgenomen.
1.
De betrokkene vervult zijn functie binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling is gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingomvang bedraagt.
2.
Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.
3.
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
Artikel I-R606. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-R608. Toepassing hoofdstuk I-P en hoofdstuk I-R paragraaf 1
Waar in hoofdstuk I-P en in de artikelen I-R101 tot en met I-R107 sprake is van "31 juli" en "1 augustus" wordt daarvoor bij de toepassing van deze paragraaf gelezen: 31 december respectievelijk 1 januari.
Artikel I-R701. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 5;
b. "betrokkene": degene die bij een instelling is benoemd in een leraarsfunctie voor het vormingswerk.
Artikel I-R702. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R704, het beleid met betrekking tot de formatie van de leraarsfuncties vast.
Artikel I-R703. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a , mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
1.
De normfunctie die in de formatie van de leraren kan zijn opgenomen is de functie van leraar vormingswerk waarvoor als maximumschaal geldt schaal 9. In de bijlage R6 bij dit besluit is voor deze normfunctie een taakkarakteristiek gegeven.
2.
Indien de instelling deel uitmaakt van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c , sub 2, die programma’s aanbiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.12 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, is voor de betrokkene die in overwegende mate de werkzaamheden behorende bij deze programma’s verzorgt, in afwijking van het eerste lid, de in de bijlage R11 opgenomen taakkarakteristiek voor de normfunctie van leraar C van overeenkomstige toepassing. Voor deze betrokkene is schaal 10 de maximumschaal.
1.
De betrokkene vervult zijn functie binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling is gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingsomvang bedraagt.
2.
Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.
3.
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
Artikel I-R706. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
1.
Voor de betrokkene die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.
2.
Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeldt. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-R801. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 10;
b. "betrokkene": degene die bij een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-R804.
Artikel I-R802. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt, in afwijking van artikel I-P3, derde lid, tweede tot en met vierde volzin, en met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R804, het beleid met betrekking tot de formatie van het instructiepersoneel vast.
Artikel I-R803. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a , mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, stelt Onze Minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
In onderstaand schema zijn normfuncties vermeld die in de formatie van het instructiepersoneel kunnen zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschalen.
Functie Maximumschaal
1. Instructeur 9
2. Hoofdinstructeur 10
3. Stafinstructeur A 11
4. Stafinstructeur B 12

In de bijlage R7 zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.
1.
De betrokkene vervult zijn functie binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling is gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingsomvang bedraagt.
2.
Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.
3.
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
Artikel I-R806. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-R807. Restrictie toepassing artikelen I-P53 en I-P55 tot en met I-P58
Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van een periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van een buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, in de vorm van een gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, dan wel in de vorm van uitkering of toelage om redenen van werving en behoud als bedoeld in de artikelen I-P57 en I-P58, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.
1.
Voor de betrokkene, die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.
2.
Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene, die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-R901. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaat onder:
a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 6;
b. betrokkene: een lid van het educatief personeel dat bij een bevoegd gezag is benoemd aan een instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d 6.
Artikel I-R902. Normfunctie
De normfunctie die aan een instelling kan voorkomen, is die van educatief werker en de daarbij behorende maximumschaal is schaal 9. In de bijlage R8 bij dit besluit is voor de normfunctie een taakkarakteristiek gegeven.
Artikel I-R903. Inschaling ex-vrijwilliger in de basiseducatie
Het salaris van de educatief werker, die voorafgaand aan zijn benoeming bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 6, gedurende ten minste 4 jaar jaarlijks 60 of meer werkdagen aan zo’n instelling werkzaamheden heeft verricht waaraan geen inkomsten uit of in verband met arbeid waren verbonden, en die daarbij relevante ervaring heeft opgedaan, wordt onverminderd het bepaalde in de artikelen I-P7 tot en met I-P10 vastgesteld op het salaris dat één periodieke verhoging hoger is dan de aanvang van het carrièrepatroon dat bij zijn functie hoort.
Artikel I-R904. Verdeling der werkzaamheden
De betrokkene wordt voor ten hoogste 3/5 deel van zijn weektaakomvang belast met begeleiding van groepen deelnemers en individuele deelnemers.
1.
De functie van de betrokkene wordt vervuld binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen, tenzij de aard van de te verrichten werkzaamheden zich daartegen verzet.
2.
Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-R907. Toepassing bepalingen bij horizontale scholengemeenschap
Voor de betrokkene die in overwegende mate werkzaam is in de component basiseducatie van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c , sub 2, zijn de artikelen I-R1502, I-R1503 en I-R1505 tot en met I-R1508 van overeenkomstige toepassing. De artikelen I-R902 tot en met I-R905 zijn eveneens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze artikelen slechts toepassing vinden voor het gedeelte dat de betrokkene werkzaam is in de component basiseducatie.
Artikel I-R1201. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 14;
b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-R1204, I-R1211 en I-R1212;
c. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 3.
Artikel I-R1202. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R1203, het beleid van met betrekking tot de formatie van de leraarsfuncties vast.
Artikel I-R1203. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld die in de formatie van de leraren kunnen zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschaal.
Functie Maximumschaal
leraar A 12
leraar B 11
leraar C 10

In de bijlage R9 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.
1.
De betrokkene vervult zijn functie binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingomvang bedraagt.
2.
Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voeren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.
3.
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
Artikel I-R1206. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
1.
Voor de betrokkene die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zo lang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.
2.
Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-R1301. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 15;
b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-R1305.
1.
Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R1304, het beleid met betrekking tot de formatie van de leraarsfuncties vast.
2.
De formatie voor de instelling wordt onderscheidenlijk vastgesteld voor:
a. de component lager landbouwonderwijs; en
b. de component, niet zijnde lager landbouwonderwijs.
Artikel I-R1303. Toedeling formatie l.l.o.-component
De in gevolge artikel I-R1302, tweede lid, vastgestelde formatie ten behoeve van de component lager landbouwonderwijs wordt uitsluitend ingezet ten behoeve van die component.
Artikel I-R1304. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
1.
Onverminderd het bepaalde in de volgende leden, stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld die in de formatie van de leraren, werkzaam in de component niet zijnde lager landbouwonderwijs dan wel beroepsbegeleidend onderwijs, kunnen zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschaal.
Functie Maximumschaal
leraar A 12
leraar B 11
leraar C 10


In de bijlage R9 bij dit besluit, zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.
3.
Voor de leraar, in overwegende mate werkzaam in de component lager landbouwonderwijs is in afwijking van het eerste lid, de in de bijlage R3 bij dit besluit opgenomen taakkarakteristiek voor de normfunctie leraar voortgezet onderwijs van overeenkomstige toepassing. Voor deze leraar is schaal 10 de maximumschaal.
4.
Voor de leraar in overwegende mate werkzaam in de component beroepsbegeleidend onderwijs is in afwijking van het eerste lid artikel I-R1504 van overeenkomstige toepassing met inbegrip van de daarbij behorende bijlage R11, dan wel geldt de normfunctie leraar/consulent beroepsbegeleidend onderwijs.
In bijlage R11 a bij dit besluit zijn voor de normfunctie leraar/consulent beroepsbegeleidend onderwijs functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.
1.
De betrokkene vervult zijn functie binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingsomvang bedraagt.
2.
Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.
3.
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
Artikel I-R1307. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-R1308. Restrictie toepassing artikelen I-P53 en I-P55 tot en met I-P58
Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, in de vorm van gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, dan wel in de vorm van uitkering of toelage om redenen van werving en behoud als bedoeld in de artikelen I-P57 en I-P58, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.
1.
Voor de betrokkene, die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.
2.
Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-R1401. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 17;
b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-R1404, I-R1411 en I-R1412;
c. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 3.
Artikel I-R1402. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R1404, het beleid met betrekking tot de formatie van de leraarsfuncties vast.
Artikel I-R1403. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken en functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
In onderstaand schema zijn normfuncties vermeld die in de formatie van de leraren kunnen zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschalen.
functie maximumschaal
leraar A 12
leraar C 10

In bijlage R10 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.
3.
Voor de leraar, in overwegende mate werkzaam in het deeltijd m.e.a.o. is in afwijking van het eerste lid, de in de bijlage R11 bij dit besluit opgenomen taakkarakteristiek voor de normfunctie leraar B en C van overeenkomstige toepassing.
1.
De betrokkene vervult zijn werkzaamheden binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingsomvang bedraagt.
2.
Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.
3.
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
Artikel I-R1406. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
1.
Voor de betrokkene die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.
2.
Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-R1501. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 18;
b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-R1504, I-R1511 en I-R1512;
c. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c onder 3.
Artikel I-R1502. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt, met inachtneming van het bepaalde in artikel I-R1504, het beleid met betrekking tot de formatie van de leraarsfuncties vast.
1.
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken en functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
In onderstaand schema zijn normfuncties vermeld die in de formatie van de leraren kunnen zijn opgenomen, met de daarbij behorende maximumschalen.
functie maximumschaal
leraar A 12
leraar B 11
leraar C 10

In bijlage R11 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen en taakkarakteristieken opgenomen.
1.
De betrokkene vervult zijn werkzaamheden binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen. Het bevoegd gezag dient een voorstel in bij het overlegorgaan op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E waarin nadere regels zijn getroffen met betrekking tot de mate waarin de weektaak plaatsgebonden is, met dien verstande dat de plaatsgebondenheid ten minste 65% van de betrekkingsomvang bedraagt.
2.
Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene werktijdregelingen vast. Onder werktijdregeling wordt verstaan een voor een periode van langer dan een week opgesteld en van te voren bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werkzaamheden.
3.
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
Artikel I-R1506. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
1.
Voor de betrokkene die bij wijze van waarneming tijdelijk wordt belast met de volledige vervanging van een functionaris bij wiens functie een hogere maximumschaal behoort, die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.
2.
Na de beëindiging van de volledige vervanging, bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij de schaal en het salarisnummer die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, voor zover het betreft het onderwijsondersteunend personeel;
b. instelling: de instelling, genoemd in artikel I-A1, onder d1, d2 en d16;
c. salaris per uur: 1/166 deel van het salaris bij een normbetrekking; voor de betrokkene genoemd in artikel I-A1, e 4 tot en met e 6, e 10, e 13 tot en met e 15, e 17 en e 18 is dit 1/165 deel.
2.
Voor zover uit het eerste lid niet anders blijkt, zijn in dit hoofdstuk de begripsbepalingen van artikel I-P1, I-P50 en I-P75 van toepassing.
Artikel I-S102. Formatie onderwijsondersteunend personeel, maximumschaal en aanloopschaal
Aanloopschaal Maximumschaal Aanloopschaal Maximumschaal
- 1 8 9
- 2 8 10
2 3 10 11
3 4 11 12
4 5 12 13
5 6 13 14
6 7 14 15
7 8 15 16
1.
Aan iedere instelling kan onderwijsondersteunend personeel verbonden zijn voor zover dit binnen de door het bevoegd gezag vastgestelde formatie mogelijk is.
2.
In de paragrafen 2 en 3 en 6 tot en met 16 wordt voor elke normfunctie de bijbehorende maximumschaal aangegeven.
3.
Bij elke maximumschaal behoort een aanloopschaal als aangegeven in onderstaand schema.
1.
Bij de functie van de betrokkene die is benoemd in het kader van de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995 ( Stcrt. 1995, 13), behoort maximumschaal 1.
2.
In afwijking van artikel I-S102 behoort bij de maximumschaal die geldt voor de betrokkene bedoeld in het eerste lid, een aanlooptraject.
3.
De functie van de betrokkene bedoeld in het eerste lid, komt bij een benoeming aan een instelling als bedoeld in artikel I-P75, onder a , uitsluitend ten laste van eigen middelen.
1.
Bij de benoeming van de betrokkene wordt het salaris na toepassing van de artikelen I-P7 tot en met I-P11 vastgesteld in de hoogst mogelijke schaal van het carrièrepatroon dat behoort bij zijn functie.
2.
Indien de betrokkene direct voorafgaand aan zijn benoeming een onderwijsfunctie heeft vervuld waarin hij laatstelijk reeds voor de duur van een jaar werd bezoldigd naar een bedrag vermeld achter het voorlaatste salarisnummer beginnend met de letter U van een van dezelfde schalen 1 tot en met 4 als die waarin het salaris, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld, wordt die periode van tenminste een jaar in mindering gebracht op de periode van twee jaar, bedoeld in artikel I-P13, tweede lid, in die nieuwe functie.
3.
Indien aan de functie waarin betrokkene werkzaam is als gevolg van herwaardering een hogere maximumschaal wordt verbonden, wordt het salaris vastgesteld op de in het eerste lid aangegeven wijze.
1.
Bij de benoeming van de betrokkene bedoeld in artikel I-S102a, eerste lid, zijn de artikelen I-P8 tot en met I-P11 en artikel I-S103 niet van toepassing.
2.
Behoudens het derde lid wordt het salaris van de in het eerste lid bedoelde betrokkene bij zijn benoeming vastgesteld op het laagste bedrag van het aanlooptraject.
3.
In afwijking van het tweede lid wordt het salaris van de in het eerste lid bedoelde betrokkene die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, bij zijn benoeming vastgesteld overeenkomstig het wettelijk minimumjeugdloon dat bij zijn leeftijd behoort.
Artikel I-S104. Salarisvaststelling bij overgang van aanloopschaal naar maximumschaal
Zodra aan de betrokkene, wiens salaris wordt vastgesteld volgens de aanloopschaal, op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en deze daarmee een salaris krijgt dat gelijk is aan of hoger is dan het laagste bedrag in de maximumschaal, wordt zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-S104a. Salarisvaststelling bij overgang van aanlooptraject naar maximumschaal
Indien aan de betrokkene bedoeld in artikel I-S102a, eerste lid, wiens salaris wordt vastgesteld volgens nummer 2 van het aanlooptraject, op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend, wordt zijn salaris bepaald op het bedrag dat in schaal 1 is vermeld bij salarisnummer 0.
1.
De functie van de betrokkene wordt vervuld binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling of instellingen zijn gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen, tenzij de aard van de te verrichten werkzaamheden zich daartegen verzet.
2.
Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokkene zo mogelijk aan het begin van het school-, cursus- dan wel kalenderjaar een werktijdenregeling vast. De werktijdenregeling wordt met instemming van de betrokkene vastgesteld indien in deze regeling is bepaald dat arbeidsduurverkorting niet in regelmatige terugkerende perioden van een week wordt genoten.
3.
Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokkene de dagelijkse werktijden vast, waarbij doorgaans per dag niet meer dan 8 uur wordt gewerkt.
4.
Van de op grond van het tweede en derde lid vastgestelde tijden wordt in opdracht van het bevoegd gezag na overleg met de betrokkene incidenteel afgeweken, indien om school-organisatorische redenen de werkzaamheden noodzakelijk op andere tijden dan bedoeld in het tweede lid moeten worden verricht.
1.
Aan de betrokkene voor wie het salaris wordt vastgesteld volgens één der schalen 1 tot en met 10 en die in opdracht van het bevoegd gezag overwerk verricht, wordt, behoudens het derde lid, een vergoeding toegekend.
2.
Onder overwerk wordt verstaan arbeid verricht buiten de voor de betrokkene vastgestelde dagelijkse werktijd, voor zover daardoor deze werktijd wordt overschreden.
3.
Voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur aansluitend aan de vastgestelde dagelijkse werktijd wordt verricht, wordt geen vergoeding toegekend.
4.
De vergoeding voor overwerk bestaat uit:
a. voor betrokkene verbonden aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 2 en d 6, d 12, d 13 en d 16 uit:
1. verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van de voor de betrokkene vastgestelde dagelijkse werktijd, en
2. extra verlof, dat voor elk uur een percentage van die overschrijding is.
b. voor betrokkenen verbonden aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1, d 4, d 5, d 10, d 14, d 15, d 17 uit:
1. verlof, gelijk aan het aantal uren overschrijding van de voor de betrokkene vastgestelde dagelijkse werktijd, en
2. een bedrag in geld, dat voor elk uur van die overschrijding een percentage van het voor betrokkene geldende salaris per uur bedraagt.
5.
De vergoeding in verlof wordt zo spoedig mogelijk toegekend, doch in de regel niet later dan in de kalendermaand volgende op die waarin de overschrijding plaats had, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de betrokkene.
6.
Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag het dienstbelang zich verzet tegen het toekennen van verlof, bedoeld in het vierde lid, onder b 1 wordt in plaats van dit verlof voor ieder uur een bedrag in geld toegekend gelijk aan het voor de betrokkene geldende salaris per uur.
7.
Het in het vierde lid bedoelde percentage bedraagt:
a. behoudens het gestelde onder b en c , het getal, vermeld in de onderstaande tabel:
Overwerk verricht Op zondag Op maandag Op dinsdag, woensdag, Op zaterdag
donderdag of vrijdag
tussen 0 en 6 uur 100 100 50 50
tussen 6 en 18 uur 100 25 25 50
tussen 18 en 20 uur 100 25 25 75
tussen 20 en 24 uur 100 50 50 75
b. 50, indien gedurende langer dan twee uur overwerk is verricht, voor zover het overwerk betreft, dat na de eerste twee uur is verricht op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur, behoudens het gestelde onder c ;
c. 100, indien het overwerk is verricht op een met de zondag gelijkgestelde dag, dan wel op de daarop volgende dag tussen 0 en 6 uur.
8.
Voor het vaststellen van de duur van de overschrijding gelden de uren waarop krachtens het vierde lid of krachtens hoofdstuk I-C vakantie of verlof is genoten, als uren waarop is gewerkt.
1.
Aan de betrokkene voor wie het salaris wordt vastgesteld volgens een der schalen 1 tot en met 10 en die anders dan bedoeld in artikel I-S106 regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur, wordt een toelage toegekend.
2.
De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor betrokkene geldende salaris per uur en wel:
a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 8 uur en tussen 18 en 22 uur;
b. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur en tussen 22 en 24 uur;
c. 45% voor de uren op zaterdag;
d. 70% voor de uren op zondag;
e. 100% voor de uren op feestdagen, met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris behorende bij salarisnummer 10 van schaal 7.
3.
Voor de in het tweede lid onder a genoemde uren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen vóór 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 19 uur.
4.
In afwijking van het eerste en tweede lid ontvangt de betrokkene met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment gedurende tenminste 5 jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten.
5.
De toelage bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld op het bedrag dat de betrokkene over de twaalf kalendermaanden direct voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aan toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten en wordt aangepast aan algemene salariswijzigingen.
6.
Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
1.
Aan de betrokkene wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen, beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel I-S107, een blijvende verlaging ondergaat welke ten minste 3% bedraagt van de bezoldiging, wordt een aflopende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
3.
Onze minister geeft nadere voorschriften voor de toepassing van dit artikel.
1.
Aan de betrokkene, die in een kalenderjaar is benoemd of benoemd is geweest in één of meer functies met één der maximumschalen 1 tot en met 8 wordt, met inachtneming van het bepaalde in het derde lid, een eindejaarsuitkering toegekend.
2.
Het bedrag per maand van de in het eerste lid bedoelde eindejaarsuitkering bij een normbetrekking wordt, onderscheiden naar de maximumschalen 1 tot en met 5 respectievelijk 6 tot en met 8, door Onze minister vastgesteld.
3.
Voor elke kalendermaand van het desbetreffende kalenderjaar waarin de betrokkene in de desbetreffende functies werkzaam is geweest en salaris heeft genoten, wordt per functie het bedrag berekend door de toe te passen bedragen bij normbetrekking te vermenigvuldigen met het bedrag van het door de betrokkene in die maand genoten salaris en te delen door het salaris bij normbetrekking behorende bij de desbetreffende functie.
4.
De uitkering wordt vastgesteld op de som van de volgens het derde lid berekende bedragen en wordt rekenkundig afgerond op centen.
5.
De uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald in de maand december over de periode van twaalf maanden die eindigt met de maand december.
6.
In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid vindt bij ontslag van de betrokkene de uitbetaling plaats over het tijdvak januari tot en met de datum van ontslag van het desbetreffende kalenderjaar.
7.
De in het eerste lid bedoelde uitkering wordt niet aangemerkt als bezoldiging en maakt geen deel uit van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement.
1.
Voor de betrokkene die aan de instelling waaraan hij is verbonden of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, die bij wijze van waarneming wordt belast met de volledige vervanging van een tijdelijk afwezige functionaris voor wie een hogere maximumschaal geldt en die gedurende meer dan 30 aaneengesloten kalenderdagen ander dan wegens vakantieverlof verhinderd is de werkzaamheden voortvloeiende uit zijn functie te verrichten, wordt met ingang van de 31e dag van de vervanging en zolang hij met de volledige vervanging is belast, een salaris vastgesteld alsof hij in die functie was benoemd.
2.
Na de beëindiging van de volledige vervanging bedoeld in het eerste lid, wordt het salaris van de betrokkene die met de vervanging was belast, vastgesteld op het bedrag dat behoort bij het salarisnummer en de schaal die voor hem zouden hebben gegolden indien de vervanging niet zou hebben plaatsgevonden.
3.
Het eerste en de tweede lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de betrokkene voor wie de vervanging van de afwezige functionaris tot de functie behoort.
1.
Voor de betrokkene, benoemd in een volledige weektaak, die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, wordt op zijn schriftelijk verzoek de dagelijkse werktijd met een half uur verkort, mits hij geen bezoldigde nevenwerkzaamheden verricht of gaat verrichten. In dat geval vervalt tevens het recht op een eventuele ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H ter zake van beëindigde nevenwerkzaamheden.
2.
De betrokkene op wie het eerste lid van toepassing is verklaard, alsmede de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V kunnen niet met overwerk als bedoeld in artikel I-S106 worden belast.
3.
Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, tevens gebruik maakt van het verlof, bedoeld in hoofdstuk I-V, wordt het verlof, bedoeld in het eerste lid, samengevoegd en in gehele of halve werkdagen verleend.
Artikel I-S112. Benoeming horizontale scholengemeenschap
Degene die werkzaam wordt in meerdere componenten van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c , sub 2, wordt bij het bevoegd gezag benoemd in de formatie van de component waaraan hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht.
Artikel I-S302. Normfuncties
In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld die aan de instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d1 of d2, kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschaal.
Functie Maximumschaal
1a. Administratief medewerker 3
1b. Administratief medewerker 4
2. Psychologisch assistent 4
3. Conciërge 3
4. Technisch assistent 5
5a. Klassenassistent 3
5b. Klassenassistent 4
5c. Onderwijsassistent 4
6. Instructeur mobiliteit 7
7. Speltherapeut/creatieve therapeut 8
8. Ergotherapeut 8
9. Fysiotherpeut 8
10. Logopedist/akoepedist 8
11. Maatschappelijk deskundige 8
12. Orthopedagoog/psycholoog 11
13. Audioloog 11
14. Medisch specialist 13
15. Technicus 4

In de bijlage S1 bij dit besluit zijn voor de normfuncties taakkarakteristieken en zonodig benoemingsvereisten gegeven.
1.
De betrokkene die in een normbetrekking is benoemd in de functie van klassenassistent, onderwijsassistent of technisch assistent is en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met lesgebonden taken. Voor de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
2.
De betrokkene die in een normbetrekking is benoemd in de functie van logopedist en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt voor gemiddeld ten hoogste 930 uren per jaar belast met behandeltaken. Voor de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
3.
De betrokkene die in een normbetrekking is benoemd in een andere functie dan die genoemd in het eerste en tweede lid en voor wie ook sprake is van lesgebonden taken of behandeltaken en die het verlof, bedoeld in artikel I-C41, per jaar geniet, wordt gemiddeld voor ten hoogste 930 uren per jaar belast met lesgebonden of behandel taken. Voor de betrokkene, bedoeld in de eerste volzin, die gebruik maakt van het verlof, bedoeld in artikel I-C41, zevende lid, en voor wie een arbeidsduur op jaarbasis geldt van 1710 uren respectievelijk 1790 uren wordt in de eerste volzin voor «930 uren» gelezen «961 uren» respectievelijk «1010 uren».
4.
Van het eerste lid kan met het oog op de invulling van de algemene arbeidsduur per jaar bedoeld in artikel I-P3, tweede en derde lid, in het bijzonder onderwijs worden afgeweken op grond van een overeenkomst bedoeld in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst en in het openbaar onderwijs op grond van een overeenkomst die voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in genoemde wet.
5.
Binnen een normbetrekking is 10% van de normbetrekking en indien gebruik wordt gemaakt van artikel I-C41, zevende lid, 10% van de arbeidsduur op jaarbasis, bedoeld in artikel I-P3, tweede of derde lid, bestemd voor activiteiten in het kader van de deskundigheidsbevordering. De besteding van het in de eerste volzin bedoelde deel van de normbetrekking respectievelijk de arbeidsduur op jaarbasis wordt door betrokkene bepaald, met dien verstande dat het bevoegd gezag in individuele gevallen en schriftelijk gemotiveerd daarvan kan afwijken.
6.
Na verkregen instemming van het decentraal georganiseerd overleg kan aan instellingen waarvoor op jaarbasis een onderwijstijd geldt van meer dan 1010 doch ten hoogste 1040 uur betrokkene voor maximaal die aan de instelling geldende onderwijstijd worden belast met het geven van onderwijs.
7.
Voor de betrokkene die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het maximum aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en de deskundigheidsbevordering, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid van de werktijdfactor berekend en rekenkundig afgerond op gehele uren.
8.
In individuele gevallen kunnen door het bevoegd gezag en betrokkene van het percentage genoemd in het vijfde lid afwijkende afspraken worden gemaakt.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, dan wel die daarnaast werkzaamheden verricht dan wel gaat verrichten waarvoor hem een gedeelte van een normbetrekking is of wordt toebedeeld die op grond van artikel I-P80 van rechtswege vervalt, wordt voor de duur en de omvang van die werkzaamheden tijdelijk uitgebreid met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel I-P22.
2.
De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.
3.
Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene die uitsluitend is benoemd voor het verrichten van vervangingswerkzaamheden, tijdelijk is uitgebreid op grond van het eerste lid, wordt die tijdelijke uitbreiding bij beëindiging van eerstbedoelde vervangingswerkzaamheden omgezet in een benoeming.
Artikel I-S601. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. instelling: een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 4;
b. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 4, voor zover het betreft het ondersteunend en beheerspersoneel.
Artikel I-S602. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S605, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.
Artikel I-S603. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a , mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-S604. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S602 kunnen betrokkenen worden benoemd in normfuncties als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschalen zijn van toepassing indien het aantal leerovereenkomsten 12 000 of meer bedraagt. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel ter zake geldende normen en in samenhang met de formatie.
Functie Maximumschaal
hoofd administratie 12
hoofd afdeling financiële zaken 12
hoofd afdeling personeelszaken 11

In de bijlage S4 bij dit besluit, zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven.
3.
Voor de vaststelling van het aantal leerovereenkomsten is artikel I-Q604, tweede lid van overeenkomstige toepassing.
1.
Artikel I-S104 is niet van toepassing.
2.
Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.
3.
Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.
4.
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.
Artikel I-S607. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-S608. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-S609. Waarneming hogere functie
Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-S611. Afwijking periodiekdatum en artikel I-P79
In afwijking van artikel I-P13, eerste lid, wordt ten aanzien van de betrokkenen in deze paragraaf voor "1 augustus" gelezen: 1 januari.
Artikel I-S701. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 5;
b. "betrokkene": degene die bij een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-S705.
Artikel I-S702. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S703, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.
Artikel I-S703. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, derde lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-S704. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
Artikel I-S705. Normfunctie
Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S702 kunnen betrokkenen worden benoemd in een normfunctie als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschaal is van toepassing indien de aanspraak op vergoeding uit ’s Rijks kas van personele en exploitatiekosten gezamenlijk gelijk is aan of meer is dan f 1 500 000. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel terzake geldende normen en in samenhang met de formatie.
Functie Maximumschaal
hoofd administratie 8

In de bijlage S5 is voor de normfunctie, vermeld in bovenstaand schema, een taakkarakteristiek gegeven.
1.
Artikel I-S104 is niet van toepassing.
2.
Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.
3.
Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.
4.
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.
Artikel I-S707. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-S708. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-S709. Waarneming hogere functie
Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
a. "instelling": de instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder d 10;
b. "betrokkene": de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 10,
voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel.
Artikel I-S802. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S805, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.
Artikel I-S803. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, onder a , mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-S804. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S802 kunnen betrokkenen worden benoemd in functies met een maximumschaal als is aangegeven in onderstaand schema.
3.
In de bijlage S6 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven. Indien bij een functie meer dan een schaal is vermeld, is de maximumschaal afhankelijk van de functieinhoud of de omvang van de instelling, als is aangegeven in de bijlage S6 bij dit besluit.
1.
Artikel I-S104 is niet van toepassing.
2.
Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.
3.
Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.
4.
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.
Artikel I-S807. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-S808. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-S809. Restrictie toepassing artikelen I-P53, I-P55 en I-P56
Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, in de vorm van gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, dan wel in de vorm van uitkering of toelage om redenen van werving en behoud als bedoeld in de artikelen I-P57 en I-P58, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.
Artikel I-S810. Waarneming hogere functie
Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-S901. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. instelling: de instelling benoemd in artikel I-A1, onder d 6;
b. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 6, voor zover het betreft het onderwijsondersteunend personeel.
1.
In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld dat een de instelling kan voorkomen met de daarbij behorende maximumschaal.
2.
In de bijlage S7 van dit besluit zijn de taakkarakteristieken en benoemingsvereisten weergegeven van de functies bedoeld in het eerste lid onder 1 tot en met 14. Indien in het eerste lid bij een functie meer dan één maximumschaal is vermeld, is de maximumschaal afhankelijk van de functie-inhoud als is aangegeven in de bijlage S7.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-S904. Toepassing bepalingen bij horizontale scholengemeenschap
Indien een instelling als bedoeld in artikel I-A1 onder d 6 deel uit maakt van een horizontale scholengemeenschap als bedoeld in artikel I-Q101, eerste lid, onderdeel c , sub 2, zijn voor de betrokkenen de bepalingen van paragraaf 15 van overeenkomstige toepassing.
Artikel I-S1001. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet op de onderwijsverzorging;
b. instelling: de instelling bedoeld in artikel I-A1, onder d 12;
c. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 12, voorzover het betreft het inhoudelijk en ondersteunend personeel;
d. inhoudelijk personeel: het personeel dat is belast met activiteiten op het terrein van de onderwijsverzorging bedoeld in de wet;
e. ondersteunend personeel: het personeel dat is belast met werkzaamheden ter ondersteuning van de directie en het inhoudelijk personeel;
f. algemene instellingen: landelijke pedagogische centra en schoolbegeleidingsdiensten;
g. specifieke instellingen: het Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs, het Instituut voor Toetsontwikkeling en het Instituut voor Leerplanontwikkeling.
Artikel I-S1002. Normfuncties inhoudelijk personeel pedagogische centra
In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld van het inhoudelijk personeel die aan de landelijke pedagogische centra kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschalen.
Functie Maximumschaal
1. Onderwijskundig medewerker B 11
2. Onderwijskundig medewerker A 12
3. Coördinator 13
Artikel I-S1003. Normfuncties inhoudelijk personeel schoolbegeleidingsdiensten
In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld van het inhoudelijk personeel die aan de schoolbegeleidingsdiensten kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschalen.
Functie Maximumschaal
1. Schoolmaatschappelijk werker 8
2. Algemeen schoolbegeleider B 10
3. Algemeen schoolbegeleider A 11
4. Coördinator 12
5. Hoofd onderwijsmediacentrum 12
Artikel I-S1004. Normfuncties inhoudelijk personeel Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs
In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld van het inhoudelijk personeel die aan het Instituut voor Onderzoek van het Onderwijs kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschalen.
Artikel I-S1005. Normfuncties inhoudelijk personeel Instituut voor Toetsontwikkeling
In het navolgende schema is een aantal normfuncties van het inhoudelijk personeel die aan het Instituut voor Toetsontwikkeling kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschalen.
Functie Maximumschaal
1. Wetenschappelijk medewerker B 11
2. Wetenschappelijk medewerker A 12
3. Coördinator 12 of 13
4. Hoofd van een primaire afdeling 13 of 14
Artikel I-S1006. Normfuncties inhoudelijk personeel Instituut voor Leerplanontwikkeling
In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld van het inhoudelijk personeel die aan het Instituut voor Leerplanontwikkeling kunnen voorkomen met de daarbij behorende maximumschalen.
Artikel I-S1007. Normfuncties ondersteunend personeel
In het navolgende schema is een aantal normfuncties vermeld van het ondersteunend personeel die kunnen voorkomen, met de daarbij behorende maximumschalen.
Functie Maximumschaal
1. Medewerker tekstverwerking 2 of 3
2. Administratief medewerker 3
3. Secretaris 4 of 5
4. Chef tekstverwerking 4 of 5
5. Directiesecretaris 6
6. Medewerker personeelszaken 5, 6 of 7
7. Boekhoudkundig/financieel medewerker 5, 6 of 7
8. Personeelsfunctionaris 8 of 9
9. Hoofd administratie 7, 8, 9 of 10
10. Hoofd personeelszaken 9, 10 of 11
11. Hoofd financiële zaken 9, 10 of 11
12. Produktiemedewerker/operateur 4 of 5
13. Programmeur 6, 7 of 8
14. Systeemontwerper 8, 9 of 10
15. Medewerker bibliotheek/mediatheek 4
16. Bibliothecaris/mediathecaris 6 of 7
17. Documentalist 7 of 8
18. Voorlichter 8, 9 of 10
19. Medewerker AV-middelen 4 of 5
20. Pedagogisch/psychologisch assistent 5 of 6
21. Medewerker reproductie 3 of 4
22. Chef huisdrukkerij 4, 5 of 6
23. Schoonmaker 1
24. Beheerder kantine 2 of 3
25. Telefonist/receptionist 3
26. Medewerker algemene zaken 3
27. Hoofd algemene zaken 5, 6, 7 of 8
1.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard, voortvloeiend uit middelen die beschikbaar worden gesteld op grond van artikel 52, 54, 55 of 118 van de wet, en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking tijdelijk wordt uitgebreid.
2.
De omvang van de tijdelijke uitbreiding van de betrekking bedoeld in het eerste lid, wordt voor de duur waarvoor dit geschiedt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld.
Artikel I-S1009. Taakkarakteristieken
In de bijlage S8 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in de artikelen I-S1002 tot en met I-S1007 taakkarakteristieken gegeven. Indien in genoemde artikelen bij een functie meer dan een maximumschaal is vermeld, is de maximumschaal afhankelijk van de functie-inhoud als is aangegeven in de bijlage S8.
Artikel I-S1101. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. instelling: de instelling genoemd in artikel I-A1, onder d 13;
b. betrokkene: de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 13, voor zover het betreft het inhoudelijk en ondersteunend personeel;
c. inhoudelijk personeel: het personeel, bedoeld onder b , dat is belast met activiteiten op het terrein van de ondersteuning van de volwasseneneducatie, bedoeld in de Kaderwet volwasseneneducatie;
d. ondersteunend personeel: het personeel, bedoeld onder b , dat is belast met werkzaamheden ter ondersteuning van de directie en het inhoudelijk personeel;
Artikel I-S1102. Functies en maximumschalen inhoudelijk personeel plaatselijke, regionale en provinciale instellingen
Het bevoegd gezag van een plaatselijke, regionale danwel een provinciale instelling kan de betrokkenen behorend tot het inhoudelijk personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:
Artikel I-S1103. Functies en maximumschalen ondersteunend personeel plaatselijke, regionale en provinciale instellingen
Het bevoegd gezag van een plaatselijke, een regionale danwel een provinciale instelling kan betrokkenen behorend tot het ondersteunend personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:
Functie Maximumschaal
1. Hoofd secretariaat 6 of 7
2. Hoofd financiële en personele zaken 7 of 8
3. Boekhoudkundig/financieel medewerker 5
4. Bibliothecaris/mediathecaris 5
5. Bibliotheek/mediatheekassistent 3 of 4
6. Administratief medewerker 4 of 5
7. Administratief medewerker/typist 2 of 3
8. Conciërge 2 of 3
9. Huishoudelijk medewerker 1
Artikel I-S1104. Functies en maximumschalen inhoudelijk personeel landelijk studie en ontwikkelingscentrum volwasseneneducatie
Het bevoegd gezag van de landelijke instelling het "Landelijk studie- en ontwikkelingscentrum volwasseneneducatie" kan betrokkenen behorend tot het inhoudelijk personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:
Functie Maximumschaal
1. Inhoudelijk medewerker B 11
2. Inhoudelijk medewerker A 12
3. Afdelingscoördinator 13
1.
Ten behoeve van de functie van afdelingscoördinator van de landelijke instelling het "Landelijk studie- en ontwikkelingscentrum volwasseneneducatie" staan drie formatieplaatsen ter beschikking.
2.
Eén van de afdelingscoördinatoren kan worden belast met de waarneming van de directeur van de landelijke instelling bij diens afwezigheid.
Artikel I-S1106. Functies en maximumschalen ondersteunend personeel landelijk studie en ontwikkelingscentrum volwassenenducatie
Het bevoegd gezag van een landelijke instelling het "Landelijk studie- en ontwikkelingscentrum volwasseneneducatie" kan betrokkenen behorend tot het ondersteunend personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:
Artikel I-S1107. Functies en maximumschalen inhoudelijk personeel Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
Het bevoegd gezag van de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven" kan betrokkenen behorend tot het inhoudelijk personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:
Functie Maximumschaal
1. Inhoudelijk medewerker B 11
2. Inhoudelijk medewerker A 12
3. Sectiecoördinator 13
4. Stafmedewerker bestuurlijke ondersteuning 13
5. Internationaal projectmanager 13
Artikel I-S1108. Functies en maximumschalen ondersteunend personeel Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
Het bevoegd gezag van de landelijke instelling het "Centrum voor de Innovatie van Beroepsonderwijs Bedrijfsleven" kan betrokkenen behorend tot het ondersteunend personeel benoemen in functies met een maximumschaal als aangegeven in onderstaand schema:
Artikel I-S1109. Taakkarakteristieken
In de bijlage S9 bij dit besluit zijn voor de normfuncties, vermeld in de artikelen I-S1102 tot en met I-S1108 taakkarakteristieken gegeven.
Indien in genoemde artikelen bij een functie meer dan één maximumschaal is vermeld, is de maximumschaal afhankelijk van de functie-inhoud als is aangegeven in de bijlage S9.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die reeds aan de instelling is verbonden en die vervangingswerkzaamheden verricht, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-S1201. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 14;
b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-S1205, I-S1213 en I-S1214;
c. "y1": het aantal leerlingen van de instelling dat middelbaar beroepsonderwijs volgt;
d. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c onder 3, bestaande uit een instelling en een of meer scholen als bedoeld in artikel I-A1, onder d 3 en d 9.
Artikel I-S1202. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S1203, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.
Artikel I-S1203. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-S1204. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd gezag stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S1202 kunnen betrokkenen worden benoemd in normfuncties als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschalen zijn van toepassing indien y1 van de instelling 4000 of meer bedraagt. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel ter zake geldende normen en in samenhang met de formatie.
Functie Maximumschaal
hoofd afdeling financiën zaken schaal 12
hoofd afdeling personeelszaken schaal 11
hoofd afdeling automatisering schaal 11
hoofd afdeling documentaire informatievoorziening schaal 10
hoofd technische dienst schaal 10

In de bijlage S10 bij dit besluit, zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven.
1.
Artikel I-S104 is niet van toepassing.
2.
Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.
3.
Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.
4.
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.
Artikel I-S1207. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-S1208. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-S1209. Waarneming hogere functie
Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld, De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-S1301. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 15;
b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-S1305;
c. "y": het aantal leerlingen dat onderwijs volgt aan de instelling.
Artikel I-S1302. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S1303, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.
Artikel I-S1303. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, tweede lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-S1304. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S1302 kunnen betrokkenen worden benoemd in normfuncties als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschalen zijn van toepassing indien y van de instelling 4000 of meer bedraagt. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel ter zake geldende normen en in samenhang met de formatie.

In de bijlage S10 bij dit besluit, zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven.
1.
Artikel I-S104 is niet van toepassing.
2.
Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.
3.
Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.
4.
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.
Artikel I-S1307. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-S1308. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-S1309. Restrictie toepassing artikelen I-P53 en I-P55 tot en met I-P58
Het is het bevoegd gezag niet toegestaan de betrokkene extra beloning toe te kennen in de vorm van periodieke verhoging, bedoeld in artikel I-P53, in de vorm van buitengewone toelage, bedoeld in artikel I-P55, in de vorm van gratificatie, bedoeld in artikel I-P56, dan wel in de vorm van uitkering of toelage om redenen van werving en behoud als bedoeld in de artikelen I-P57 en I-P58, in situaties waarin tevens sprake is van gedwongen ontslag van een of meer personeelsleden.
Artikel I-S1310. Waarneming hogere functie
Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-S1401. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 17;
b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-S1405, I-S1413 en I-S1414;
c. "dte": 10 leseenheden per week;
d. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c onder 3, bestaande uit een instelling en een of meer scholen als bedoeld in artikel I-A1, onder d 3.
Artikel I-S1402. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S1403, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.
Artikel I-S1403. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikelI-P3, derde lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-S1404. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S1402 kunnen betrokkenen worden benoemd in functies als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschalen zijn van toepassing indien het aantal dte van de instelling 4000 of meer bedraagt. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel terzake geldende normen en in samenhang met de formatie.
In de bijlage S11 zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven.
3.
Voor de vaststelling van het aantal dte’s is artikel I-Q1405, lid 3 van overeenkomstige toepassing.
1.
Artikel I-S104 is niet van toepassing.
2.
Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.
3.
Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.
4.
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.
Artikel I-S1407. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-S1408. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-S1409. Waarneming hogere functie
Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
Artikel I-S1501. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. "instelling": een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 18;
b. "betrokkene": degene die bij een bevoegd gezag aan een instelling is benoemd in een functie als bedoeld in de artikelen I-S1505, I-S1513 en I-S1514;
c. "y": het aantal deeltijdequivalenten, zoals dat op basis van leerovereenkomsten overeenkomstig artikel E-3 van het Uitvoeringsbesluit WCBO voor de bekostiging van een instelling voor beroepsbegeleidend onderwijs in aanmerking wordt genomen;
d. "verticale scholengemeenschap": een scholengemeenschap, bedoeld in artikel I-Q101, onderdeel c onder 3, bestaande uit een instelling en een of meer scholen als bedoeld in artikel I-A1,onder d 3.
Artikel I-S1502. Formatievaststelling
Het bevoegd gezag stelt met inachtneming van het bepaalde in artikel I-S1503, het beleid met betrekking tot de formatie van het ondersteunend en beheerspersoneel vast.
Artikel I-S1503. Normbetrekking
In het georganiseerd overleg op instellingsniveau als bedoeld in hoofdstuk IV-E kan worden overeengekomen af te wijken van het bepaalde in artikel I-P3, derde lid, mits daarbij de taakomvang op jaarbasis ongewijzigd blijft.
Artikel I-S1504. Bijzonderheden functievervulling
Het bevoegd stelt een regeling op met betrekking tot de werktijd alsmede met betrekking tot de autorisatie en registratie van afwezigheid.
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid stelt Onze minister voor de normfuncties taakkarakteristieken of functiebeschrijvingen en maximumschalen vast.
2.
Binnen de formatie die is vastgesteld met inachtneming van artikel I-S1502 kunnen betrokkenen worden benoemd in functies als is aangegeven in onderstaand schema. De daarbij vermelde maximumschalen zijn van toepassing indien y van de instelling 4000 of meer bedraagt. Bij een kleinere instelling stelt het bevoegd gezag de maximumschaal vast, rekening houdend met de voor het Rijkspersoneel terzake geldende normen en in samenhang met de formatie.
In de bijlage S12 zijn voor de normfuncties, vermeld in bovenstaand schema, functiebeschrijvingen gegeven.
1.
Artikel I-S104 is niet van toepassing.
2.
Zodra aan de betrokkene op grond van artikel I-P13 een periodieke verhoging wordt toegekend en zijn salaris ten minste gelijk is aan het laagste bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal, wordt, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag zijn wijze van functioneren zich daar nog tegen verzet, zijn salaris bepaald op het naasthogere bedrag in de bij zijn functie behorende maximumschaal.
3.
Zo nodig wordt het bedrag in de maximumschaal dat is vastgesteld op grond van het tweede lid, verhoogd tot een bedrag in de maximumschaal om te bereiken dat het salaris in de maximumschaal te allen tijde uitgaat boven het salaris dat voor de betrokkene in de aanloopschaal zou hebben gegolden.
4.
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van het carrièrepatroon en het doorlopen daarvan die in voor de betrokkene gunstige zin afwijken van het tweede en derde lid.
Artikel I-S1507. Promotiecriteria
Het bevoegd gezag kan regels opstellen ten aanzien van de criteria waaraan de betrokkene moet hebben voldaan alvorens te kunnen worden bezoldigd volgens de bij zijn functie behorende maximumschaal.
Artikel I-S1508. Periodieke verhoging
Het bepaalde in artikel I-P53, eerste en derde lid, is niet van toepassing.
Artikel I-S1509. Waarneming hogere functie
Het bepaalde in artikel I-S110, derde lid, is niet van toepassing.
1.
De omvang van de betrekking van de betrokkene die aan de instelling is of wordt verbonden en die daarnaast vervangingswerkzaamheden verricht of gaat verrichten aan die instelling of aan een andere instelling waaraan hij uit hoofde van zijn benoeming verbonden kan worden, wordt voor de duur van die vervangingswerkzaamheden tijdelijk uitgebreid met ingang van de dag waarop hij feitelijk met de vervanging wordt belast.
2.
Indien een betrokkene wordt belast met werkzaamheden van kennelijk tijdelijke aard ten behoeve van derden en voor zover hij daarvoor niet een vergoeding ontvangt of verlof krijgt, kan het bevoegd gezag bepalen dat de omvang van de betrekking van de betrokkene tijdelijk wordt uitgebreid.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde uitbreiding wordt voor de duur waarvoor zij geldt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld. De bezoldiging behorende bij deze uitbreiding wordt berekend op grond van het salaris dat voor hem geldt bij de functie waarin hij reeds aan de instelling is benoemd.
1.
Artikel I-S302 is van overeenkomstige toepassing op een instelling, bedoeld in artikel I-A1, onder e16, voor zover die instelling over formatierekeneenheden beschikt als bedoeld in artikel 68, eerste lid onder d, van de Wet op het primair onderwijs.
2.
Het bevoegd gezag stelt voor de betrokkene bedoeld in artikel I-A1, onder e 16, de functie en de daarbij behorende maximumschaal vast.
3.
Onverminderd het eerste lid, stelt het bevoegd gezag daartoe een functiebeschrijving op en stelt voor deze functie een maximumschaal vast op basis van de aard en de inhoud van de werkzaamheden die in de functie zijn samengebracht, met inachtneming van de voor de Rijksoverheid geldende normen ten aanzien van functiewaardering.
1.
Dit hoofdstuk heeft uitsluitend betrekking op de leraar in opleiding.
2.
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald zijn de hoofdstukken I-A, I-B, I-C, I-D, I-F, I-G, I-J, I-K, I-L, I-P, I-R, II-A, II-B, II-C. II-D, III-A, IV-B, IV-F van toepassing op de leraar in opleiding.
Artikel I-T2
Niet van toepassing op de leraar in opleiding zijn de artikelen I-L2, derde lid, I-P6, I-P7, I-P8, I-P9, I-P10, I-P11, I-P12, I-P16, I-R 204.
Artikel I-T3. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. leraar in opleiding:
de laatstejaars student van een lerarenopleiding basisonderwijs of speciaal onderwijs, die wordt benoemd op een leerarbeidsplaats bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1 of d2;
b. leerarbeidsplaats:
een functie waarin uitsluitend een leraar in opleiding kan worden benoemd;
c. leer-arbeidsovereenkomst:
een overeenkomst die bestaat uit de benoeming bedoeld in artikel I-A1, onder o, alsmede een leerovereenkomst die wordt gesloten tussen de leraar in opleiding, de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd en de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven;
d. lioschap:
de periode gedurende welke de leraar in opleiding bij een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d1 of d2, is benoemd;
e. leer-werkplan:
een door de leraar in opleiding opgesteld plan, waarin, in overleg met de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven en het bevoegd gezag van de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd, de leer- en werkactiviteiten zijn vastgelegd die de leraar in opleiding tijdens zijn lioschap zal verrichten.
1.
De leraar in opleiding wordt benoemd in tijdelijke dienst voor een termijn van vijf maanden bij een normbetrekking of een termijn van tien maanden bij een werktijdfactor van 0,5.
2.
De in het eerste lid bedoelde perioden eindigen voor de datum waarop de zomervakantie van de instelling waaraan de leraar in opleiding is benoemd, aanvangt.
3 .
Het eerste lid geldt voor de leraar in opleiding in het openbaar onderwijs in afwijking van hoofdstuk II-A.
1.
De functie leraar in opleiding is een normfunctie die is afgeleid van de normfuncties leraar zoals deze zijn vastgelegd in de taakkarakteristieken opgenomen in de bijlagen R1 en R2.
2.
De functie leraar in opleiding omvat de in het derde lid aangegeven taakkarakteronderdelen waarbij de zelfstandige uitoefening van die taken geleidelijk toeneemt tijdens het lioschap.
3.
De taakkarakteristiek van de functie leraar in opleiding is het leren van het beroep leraar door middel van:
a. het geven van onderwijs, alsmede de daaruit rechtstreeks voortvloeiende werkzaamheden;
b. algemene werkzaamheden, die redelijkerwijs voortvloeien uit het onderwijs aan de instelling, zoals:
1. het deelnemen aan teamvergaderingen;
2. het onderhouden van contacten met collega’s van de instelling, ouders, begeleidingsdiensten e.d.;
3. het verrichten van overige werkzaamheden ten behoeve van de goede gang van zaken aan de instelling.
1.
Tussen de leraar in opleiding, de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd en de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven wordt een leer-arbeidsovereenkomst gesloten.
2.
De omvang van het leeraandeel en het arbeidsaandeel worden aan elkaar gelijk gesteld.
3.
De leer-arbeidsovereenkomst bevat tenminste bepalingen over:
a. de begeleiding van de leraar in opleiding;
b. dat deel van de eindtermen dat de leraar in opleiding tijdens het lioschap dient te realiseren en de beoordeling daarvan, alsmede de onderdelen genoemd in artikel I-B2, eerste en tweede lid.
1.
De leraar in opleiding stelt voor aanvang van de leer-arbeidsovereenkomst een leer-werkplan op. Het leer-werkplan wordt getoetst door:
a. de lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven en
b. het bevoegd gezag van de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd.
2.
De lerarenopleiding waar de leraar in opleiding is ingeschreven toetst het leer-werkplan aan de eindtermen van de opleiding.
3.
Het bevoegd gezag van de instelling waar de leraar in opleiding is benoemd toetst het leer-werkplan voor zover het gaat om de werkzaamheden die verricht moeten worden.
Artikel I-T8. Aanspraak op tegemoetkoming in de reiskosten
Artikel I-J9 is niet van toepassing indien de leraar in opleiding gebruik kan maken van een reisvoorziening als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet studiefinanciering 2000.
Artikel I-T9. Salaris van de leraar in opleiding
Het salaris van de leraar in opleiding wordt met met inachtneming van de bepalingen van dit besluit vastgesteld aan de hand van bijlage IG van dit besluit.
Artikel I-U1. Begripsbepaling
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 7.
b. formatieruimte; dat deel van de door Onze minister ter beschikking gestelde financiële middelen dat wordt aangewend voor functies van personeel bedoeld in artikel I-A1, onder e 7.
1.
De functie van de betrokkene wordt vervuld binnen de gebouwen of ruimten waarin de instelling is gehuisvest en op de daarbij behorende terreinen, tenzij de aard van de te verrichten werkzaamheden zich daartegen verzet.
2.
De arbeidsduur bedraagt gemiddeld ten hoogste 38 uur per week.
3.
Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokkene zo mogelijk aan het begin van het kalenderjaar een werktijdenregeling vast. De werktijdenregeling wordt met instemming van de betrokkene vastgesteld, indien in deze regeling is bepaald dat arbeidsduurverkorting niet in regelmatige terugkerende perioden van een week wordt genoten.
4.
Het bevoegd gezag stelt na overleg met de betrokkene de dagelijkse werktijden vast, waarbij doorgaans per dag niet meer dan 8 uur wordt gewerkt.
5.
Van de op grond van het derde en vierde lid vastgestelde tijden wordt in opdracht van het bevoegd gezag na overleg met de betrokkene incidenteel afgeweken indien om schoolorganisatorische redenen de werkzaamheden noodzakelijk op andere tijden dan bedoeld in het derde en vierde lid moeten worden verricht.
Artikel I-U4. Overwerkvergoeding
Aan de betrokkene voor wie het salaris wordt vastgesteld volgens een schaal met een lager maximum dan dat van schaal 11 van bijlage IA van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, aan wie met goedkeuring van Onze minister buiten de voor hem vastgestelde werktijden arbeid wordt opgedragen, waardoor het voor hem vastgestelde aantal dagelijkse arbeidsuren wordt overschreden, wordt voor de gedurende deze overschrijding verrichte arbeid (aan te duiden als overwerk), met uitzondering van de arbeid verricht gedurende minder dan een half uur aansluitend aan de voor hem geldende werktijden, een vergoeding toegekend overeenkomstig het bepaalde in artikel I-S106, vierde lid, onder b en vijfde tot en met achtste lid.
1.
Aan de betrokkene, wiens salaris wordt vastgesteld volgens een schaal met een lager maximum dan dat van schaal 11 van bijlage 1A van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel en die, anders dan bij wijze van overwerk, bedoeld in artikel I-U2, geregeld of vrij geregeld arbeid verricht op andere tijden dan op de werkdagen maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 en 18.00 uur, wordt deswege een toelage toegekend overeenkomstig het bepaalde in artikel I-S107.
2.
Aan de betrokkene, wiens salaris, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van de toelage, bedoeld in het eerste lid, een blijvende verlaging ondergaat van ten minste 3%, wordt een overgangstoelage toegekend overeenkomstig het bepaalde in artikel I-S108, eerste lid.
Artikel I-U6. Niet gewerkte tijd
De betrokkene ontvangt geen bezoldiging over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten.
1.
Voor de betrokkene, benoemd in een volledige weektaak, die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, wordt op zijn schriftelijk verzoek, de dagelijkse werktijd met een half uur verkort, mits hij geen bezoldigde nevenwerkzaamheden verricht of gaat verrichten. In dat geval vervalt tevens het recht op een eventuele ontslaguitkering ter zake van beëindiging van nevenwerkzaamheden.
2.
Het eerste lid vindt geen toepassing zolang voor de betrokkene de duur van het vakantieverlof, bedoeld in artikel I-C24, met meer dan een door Onze minister te bepalen aantal dagen per kalenderjaar wordt verlengd.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V.
4.
De betrokkene, op wie het bepaalde in het eerste lid van toepassing is verklaard, alsmede de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V kunnen niet met overwerk als bedoeld in artikel I-U2 worden belast.
Artikel I-VI. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. «betrokkene»: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16
b. "verlof": verlof bedoeld in artikel I-V2.
1.
De betrokkene heeft op grond van dit hoofdstuk op zijn verzoek aanspraak op verlof als bedoeld in artikel I-V3 met gedeeltelijk behoud van bezoldiging als aangegeven in artikel I-V4 indien hij:
a. direct voorafgaande aan de ingangsdatum van het verlof gedurende ten minste vijf jaren aaneengesloten in dienst is geweest van een door Onze minister bekostigde onderwijs- of onderzoekinstelling, dan wel een door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bekostigde onderwijsinstelling, waarbij de periode gedurende welke de betrokkene een werkloosheidsuitkering genoot in verband met het beëindigd zijn van een bij bedoelde onderwijs- of onderzoek instelling betrekking als diensttijd wordt aangemerkt en
b. de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt.
2.
Het verlof gaat niet eerder in dan op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de leeftijd genoemd in artikel I-V3, tweede en derde lid, is bereikt.
3.
Om redenen van dienstbelang kan de ingangsdatum van het verlof worden opgeschort tot uiterlijk de eerste dag van het daaropvolgend schooljaar.
1.
De omvang van het verlof bedraagt voor alle betrokkenen zowel bij een normbetrekking als bij een deel van de normbetrekking op jaarbasis ten minste 45 uren.
2.
De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R en die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is dan 56 jaar bij een normbetrekking op jaarbasis ten hoogste 170 uren.
3.
De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of hoofdstuk I-R en die de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt bij een normbetrekking op jaarbasis ten hoogste 340 uren.
4.
De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S, op jaarbasis het aantal uren dat de uitkomst is van de formule
(1659 – (a + b)) x L
---------------------------,
1659
waarbij
a = het bij de leeftijd van betrokkene behorende aantal verlofuren op grond van artikel I-C7, derde lid, of artikel I-C24, tweede lid,
b = 112,5 uren voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-S111, eerste lid, en
L = voor de betrokkene die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is dan 56 jaar 170 uren en voor de betrokkene van 56 jaar of ouder 340 uren.
5.
Voor de betrokkene met een betrekkingsomvang van minder dan een normbetrekking, wordt het aantal uren verlof, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, vastgesteld naar evenredigheid van die betrekkingsomvang en rekenkundig afgerond op gehele of halve uren.
1.
Het verlof, bedoeld in artikel I-V3, kan voor zover het dienstbelang zich daartegen niet verzet op verzoek van betrokkene geheel of gedeeltelijk in een later schooljaar worden opgenomen bij hetzelfde of een ander bevoegd gezag dan het bevoegd gezag waarbij het verlof is gespaard.
2.
Het aantal uren op te nemen verlof op grond van dit hoofdstuk tezamen met het verlof op grond van artikel I-C41 mag jaarlijks ten hoogste 50% van de betrekkingsomvang bedragen.
3.
De betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die op grond van artikel 5, eerste of vierde lid, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, op de leeftijd van 61 jaar doch uiterlijk op de laatste dag van het schooljaar waarin hij die leeftijd heeft bereikt, zal uittreden voor het gedeelte van de werktijdfactor dat overeenkomt met het aantal uren waarop in de maand voorafgaand aan de datum van uittreden artikel I-V4 van toepassing is, wordt de omvang van het verlof, bedoeld in artikel I-V3, verhoogd met 170 uren extra verlof.
4.
De omvang van het verlof, bedoeld in artikel I-V3, wordt eveneens verhoogd met 170 uren extra verlof indien de in het derde lid bedoelde betrokkene uittreedt voor een kleiner gedeelte van de werktijdfactor dan het gedeelte dat overeenkomt met het aantal uren waarop in de maand voorafgaand aan de datum van uittreden artikel I-V4 van toepassing is, doch voor ten minste het gedeelte van de werktijdfactor dat overeenkomt met het aantal uren verlof dat voor hem geldt op grond van artikel I-V3.
5.
Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de betrokkene die is benoemd in een normbetrekking en die een aanvullende uitkering ontvangt op grond van artikel 4.3. onder a, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, en die zal uittreden op de leeftijd van 62 jaar en op de betrokkene die zal uittreden op grond van artikel 5.7.1. van dat reglement.
6.
Voor de betrokkene op wie de in het derde, vierde of vijfde lid genoemde bepalingen van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering van toepassing zijn en die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking, wordt het extra verlof, genoemd in het derde lid, naar evenredigheid van de betrekkingsomvang berekend en afgerond op gehele uren.
1.
De bezoldiging voor het gedeelte van de betrekkingsomvang waarvoor betrokkene verlof op grond van dit hoofdstuk geniet, bedraagt voor personeel dat is benoemd in een functie met maximumschaal 8 of lager 75% en voor het overige personeel 65% van de bezoldiging die voor hem bij die betrekkingsomvang op grond van de hoofdstukken I-Q, I-R, I-S, V-Q, V-R of V-S zou gelden.
2.
Voor de betrokkene op wie artikel 5, eerste of vierde lid, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering van toepassing is, maar die geen gebruik maakt van de in die regeling geboden mogelijkheid om uit te treden, geldt, dat hij voor het aantal uren verlof dat ligt boven het aantal uren dat voor hem geldt op grond van artikel I-V3, geen bezoldiging ontvangt vanaf de datum waarop hij gebruik zou kunnen maken van die uittredingsmogelijkheid.
1.
Voor de toepassing van de artikelen 4, eerste lid, en 5 van het Tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs-en onderzoekpersoneel wordt, gedurende een termijn van de eerste 18 maanden van verhindering volgend op de kalendermaand waarin de verhindering is ontstaan, ten aanzien van de betrokkene die verlof op grond van dit hoofdstuk geniet, onder "betrekking" verstaan: het deel van zijn betrekkingsomvang waaruit geen verlof is verleend en wordt voor wat betreft het deel van zijn betrekkingsomvang waarvoor dat verlof is verleend onder "volle bezoldiging" en "bezoldiging" verstaan: de bezoldiging vastgesteld met toepassing van artikel I-V4.
2.
Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, van het Tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt na een termijn van 18 maanden van verhindering volgend op de kalendermaand waarin de verhindering is ontstaan, uitgegaan van de bezoldiging die voor de betrokkene zou gelden indien hem geen verlof op grond van dit hoofdstuk zou zijn verleend.
3.
Voor de toepassing van de hoofdstukken I-F, I-K en I-L wordt uitgegaan van de bezoldiging die voor de betrokkene op grond van de hoofdstukken I-Q, I-R, I-S, V-Q, V-R en V-S zou gelden indien hem dat verlof niet zou zijn verleend.
4.
Het derde lid is niet van toepassing op het aantal uren verlof waarover betrokkene op grond van artikel I-V4, tweede lid, geen bezoldiging ontvangt.
1.
Het verlof op grond van dit hoofdstuk wordt in gehele of in halve werkdagen opgenomen, tenzij bevoegd gezag en betrokkene hierover afwijkende afspraken maken. Het tijdstip waarop het verlof op grond van dit hoofdstuk wordt genoten, wordt in overleg met betrokkene vastgesteld en vastgelegd in het voor de school geldende overzicht van onderwijstijd.
2.
Teneinde voor een betrokkene als bedoeld in hoofdstuk I-Q of hoofdstuk I-R het verbruik van het verlof, bedoeld in dit hoofdstuk, te berekenen, wordt de verlofaanspraak uitgedrukt in lesgevende taken en wel door de in artikel I-V3, tweede lid, bedoelde verlofaanspraak vast te stellen op ten hoogste 104 uren en de verlofaanspraak, bedoeld in artikel I-V3, derde lid, op ten hoogste 208 uren. Vervolgens wordt voor elk dagdeel dat een in de eerste volzin bedoelde betrokkene verlof geniet op grond van dit hoofdstuk, de verlofaanspraak van betrokkene verminderd met het aantal uren dat op de betreffende dagdelen in de vier hoogste groepen wordt lesgegeven.
3.
Teneinde voor een betrokkene als bedoeld in artikel I-S203 of artikel I-S303 het verbruik van het verlof, bedoeld in dit hoofdstuk, te berekenen, wordt de verlofaanspraak uitgedrukt in lesgebonden of behandeltaken en wel door de uitkomst van de formule van artikel I-V3, vierde lid, te vermenigvuldigen met 104 indien de betrokkene 52 jaar of ouder doch jonger is dan 56 jaar en met 208 indien de betrokkene 56 jaar of ouder is en vervolgens de uitkomst van deze vermenigvuldiging te delen door het bij de leeftijd van betrokkene behorende aantal uren op grond van de factor L in artikel I-V3, vierde lid. Vervolgens wordt voor elk dagdeel dat een in de eerste volzin bedoelde betrokkene verlof geniet op grond van dit hoofdstuk, de verlofaanspraak van betrokkene verminderd met het aantal uren dat op de betreffende dagdelen in de vier hoogste groepen wordt lesgegeven.
4.
Voor een betrokkene als bedoeld in het tweede of derde lid die is benoemd in een betrekking met een omvang van minder dan een normbetrekking wordt het aantal lesgebonden of behandeltaken vastgesteld naar evenredigheid van de betrekkingsomvang en rekenkundig afgerond op gehele of halve uren.
Artikel I-V7. Inkomsten uit arbeid of bedrijf
Over de verrekening van extra inkomsten uit arbeid of bedrijf met de bezoldiging van de betrokkene zijn de artikelen 7 en 8 van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verrekening van de extra inkomsten niet kan leiden tot een lager bedrag dan de bezoldiging van de betrokkene met een gelijke onvolledige werktijd.
1.
De betrokkene kan het bevoegd gezag jaarlijks verzoeken met ingang van de eerste dag van het schooljaar de omvang van het verlof te wijzigen.
2.
Het bevoegd gezag verleent geen toestemming voor wijziging van de omvang van het verlof, indien dit op enigerlei wijze direct of op termijn leidt tot uitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel .
Artikel I-V9. Geen aanspraak op verlof bij DOP-uitkering
De betrokkene die krachtens artikel 3 van de Wetten doorstroming onderwijspersoneel ( Stb. 1988, 253 en Stb. 1989, 283) gedeeltelijk is uitgetreden, kan geen aanspraak op verlof op grond van dit hoofdstuk maken.
1.
Betrokkene die van hoofdstuk I-V gebruik wenst te maken, dient hiertoe ten minste tien weken voor de gewenste ingangsdatum een schriftelijk verzoek in bij het bevoegd gezag van de instelling.
2.
Indien de betrokkene kiest voor een ingangsdatum in de periode 1 mei tot en met 1 augustus, dient hij zijn verzoek uiterlijk op 1 maart daaraanvoorafgaand in.
3.
Betrokkene die gebruik wenst te maken van de mogelijkheid, genoemd in artikel I-V3a, eerste lid, geeft bij zijn verzoek tevens aan in welke schooljaren hij het verlof wil opnemen alsmede het aantal uren verlof in het eerste schooljaar waarin het verlof zal worden genoten.
1.
Voorzover voor de toepassing van de artikelen I-B2, tweede lid, I-C31, tweede lid, I-C35, tweede lid, I-F4, eerste en tweede lid, I-M4, derde lid en I-P17 alsmede artikel 16, tweede lid van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel een voorwaarde wordt gesteld die inhoudt:
- toestemming, oordeel of goedkeuring van, dan wel
- mededeling aan Onze minister,

is deze voorwaarde niet van toepassing ten aanzien van de scholen, genoemd in artikel I-A1, onder d 1 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel en onder d 2 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel I-S301 onder c , sub 2, en evenmin van toepassing ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1 , onder d 4, d 5, d 6, d 10, d 13 tot en met d 15, d 17 en d 18.
2.
De voorwaarde in artikel I-C29, eerste lid, onder u , inhoudend dat de instemming van Onze minister is vereist, is niet van toepassing ten aanzien van de instellingen genoemd in artikel I-A1, onder d 6.
3.
Waar in de artikelen 15, eerste en tweede lid, 17, eerste lid, 18, eerste lid en 20, eerste lid van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs en onderzoekpersoneel, aan Onze minister een bevoegdheid is toegekend, bestaat die bevoegdheid niet ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d 1 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel en onder d 2 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel I-S301 onder c , sub 2, en evenmin ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d 4, d 5, d 6, d 10, d 13 tot en met d 15, d 17 en d 18.
4.
Waar in de artikelen I-C29, eerste lid onder e , I-D3, derde lid, alsmede de artikelen 6, eerste lid, 39, eerste lid, en 43 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel aan Onze minister een bevoegdheid is toegekend, wordt deze bevoegdheid, voor wat betreft de instellingen genoemd in artikel I-A1, onder d 1 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel en onder d 2 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel I-S301 onder c , sub 2, alsmede voor wat betreft de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d 4, d 5, d 6, d 10, d 13 tot en met d 15, d 17 en d 18 toegekend aan het bevoegd gezag.
5.
Ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d 1 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel en onder d 2 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel I-S301 onder c , sub 2, alsmede ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d 4, d 5, d 6, d 10, d 13 tot en met d 15, d 17 en d 18, is de bevoegdheid tot het verlenen van verlof, bedoeld in artikel I-C30, niet beperkt tot vier dagen per jaar.
6.
In artikel I-C29, eerste lid onder 1, wordt voor de woorden "Onze minister" ten aanzien van de instellingen genoemd in artikel I-A1, onder d 1 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel en onder d 2 voorzover het betreft onderwijsondersteunend personeel als bedoeld in artikel I-S301 onder c , sub 2, alsmede ten aanzien van de instellingen, genoemd in artikel I-A1, onder d 4, d 5, d 6, d 10, d 13 tot en met d 15, d 17 en d 18 gelezen: het bevoegd gezag.
Artikel I-Z2. Geen toepassing artikel I-Z1 verticale scholengemeenschap
Het bepaalde in artikel I-Z1 is niet van toepassing ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-Q1209, I-Q1409, I-Q1509, I-R1212, eerste lid, artikel I-R1212, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-R1209, onder b , I-R1412, eerste lid, artikel I-R1412, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-R1409 onder b , artikel I-R1512, eerste lid, artikel I-R1512, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-R1509, onder b , I-S1214, eerste lid, artikel I-S1214, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-S1211, onder b , I-S1414, eerste lid, I-S1414, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-S1411, onder b , I-S1514, eerste lid, en I-S1514, derde lid, voor zover het betreft zijn benoeming in de formatie als bedoeld in artikel I-S1511, onder b .
a. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 1, e 2, e 4 tot en met e 6, e 12 tot en met e 14, e 17 en e 18 voor zover deze werkzaam is aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 1, d 2, d 4, d 5, d 6 , d 12 tot en met d 14, d 17 en d 18 voor zover het een publiekrechtelijke instelling betreft;
b. "overurenbetrekking" een betrekking bij een bevoegd gezag aan een instelling voor openbaar onderwijs als bedoeld in artikel I-A1, onder d , die op grond van artikel I-P3, vijfde lid, geheel uit uren boven de normbetrekking bestaat.
Artikel II-A2. Algemeen
Aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst.
Artikel II-A3. Aanstelling in vaste dienst
Behoudens het bepaalde in artikel II-A4 geschiedt aanstelling in vaste dienst.
1.
Aanstelling in tijdelijke dienst vindt plaats:
a. van degene die tijdelijk afwezig personeel vervangt anders dan bedoeld onder b of e , behoudens het bepaalde in artikel II-A6;
b. [vervallen;]
c. van degene die met toepassing van artikel I-B2, eerste lid, dan wel artikel I-B3 wordt aangesteld;
d. [vervallen;]
e. [vervallen;]
f. van degene, die wordt aangesteld in verband met een tijdelijke voorziening in een vacature voor een termijn van maximaal 6 maanden, met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste 6 maanden.
g. ten aanzien van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e 1 en e 2 die is aangesteld op grond van faciliteiten die door Onze minister ter beschikking zijn gesteld in het kader van het project "Werkgelegenheid Impuls Onderwijs" en waaraan door hem de uitdrukkelijke voorwaarde is verbonden dat de aanstelling in tijdelijke dienst dient plaats te vinden.
2.
Aanstelling in tijdelijke dienst kan plaatsvinden
a. indien een betrokkene uitsluitend is belast met het verrichten van werkzaamheden in het kader van contractactiviteiten, dan wel uitsluitend is belast met formatieruimte die is toegekend ten gevolge van het toekennen van formatieruimte in het kader van contractactiviteiten aan een andere leraar, behoudens het bepaalde in artikel II-A6, tweede lid, dan wel
b. indien het bevoegd gezag een proeftijd als bedoeld in artikel II-A5 wenselijk acht.
3.
Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid onderdeel b tot en met c of het tweede lid geschiedt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 1 en e 2, voor ten hoogste één jaar. In bijzondere gevallen kan met toestemming van Onze minister van het bepaalde in de vorige volzin worden afgeweken.
Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid onderdeel a respectievelijk onderdeel g geschiedt ten aanzien van de betrokkene bedoeld in artikel I-A1 onder e 1 en e 2 telkens voor ten hoogste één jaar met dien verstande dat een aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste lid, onderdeel g , voor een periode van ten hoogste 4 jaar kan geschieden.
4.
Aanstelling in tijdelijke dienst op grond van het eerste of tweede lid geschiedt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 5, e 6, e 12 tot en met e 14, e 17 en e 18, telkens voor ten hoogste één jaar.
5.
Aan de betrokkene wordt ten minste drie maanden vóór het verstrijken van de termijn waarvoor het tijdelijk dienstverband werd aangegaan, schriftelijk meegedeeld of het bevoegd gezag het dienstverband al dan niet wenst voort te zetten, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is.
1.
De duur van de proeftijd bedraagt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 1 en e 2, ten hoogste één jaar.
2.
De duur van de proeftijd bedraagt ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 5, e 6, e 12 tot en met e 14, e 17 en e 18, in de regel ten hoogste één jaar, zonodig in bijzondere gevallen tot niet meer dan twee jaar te verlengen.
3.
Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 5, e 6, e 12 tot en met e 14, e 17 en e 18, kan de proeftijd zonodig door het bevoegd gezag worden verlengd met de tijd die de betrokkene niet in werkelijke dienst aan de instelling heeft doorgebracht.
4.
Het bevoegd gezag deelt de betrokkene tijdig voor het einde van de proeftijd het oordeel hierover mee.
5.
Een proeftijd kan achterwege blijven:
a. indien de betrokkene reeds in vaste dienst bij het onderwijs werkzaam is in een overeenkomstige functie;
b. indien het dienstverband van de betrokkene wordt voortgezet, nadat zijn tijdelijk dienstverband op grond van het bepaalde in artikel II-A4, eerste lid, is geëindigd;
c. in andere daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag in aanmerking komende gevallen.
1.
Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 5, e 6, e 12 tot en met e 14, e 17 en e 18, kan in het geval, bedoeld in artikel II-A4, eerste lid onder a , voor zover het betreft de vervanging van eenzelfde personeelslid, aanstelling in tijdelijke dienst na 5 jaar ononderbroken dienst aan dezelfde instelling of instellingen gevolgd worden door een aanstelling in vaste dienst.
2.
Indien de aanstelling van een betrokkene, bedoeld in artikel II-A4, tweede lid onder a , na een ononderbroken tijdelijke aanstelling van 3 jaar aan de instelling of instellingen wordt voortgezet, dient aanstelling in vaste dienst plaats te vinden.
3.
Indien de betrekkingsomvang van een betrokkene gedurende een aaneengesloten periode van 3 jaar tijdelijk is uitgebreid in verband met het verrichten van werkzaamheden in het kader van contractactiviteiten wordt, indien hem die werkzaamheden ook in het vierde jaar worden opgedragen, met ingang van het vierde jaar een nieuwe betrekkingsomvang vastgesteld die gelijk is aan de oorspronkelijke betrekkingsomvang vermeerderd met het kleinste deel van de formatieruimte waarmee de oorspronkelijke betrekkingsomvang gedurende 3 aaneengesloten jaren tijdelijk is uitgebreid en voorzover die formatieruimte in het vierde jaar beschikbaar is.
4.
Het bepaalde in het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leraar die tijdelijk is benoemd of wiens betrekkingsomvang tijdelijk is uitgebreid op grond van formatie-eenheden die zijn toegekend ten gevolge van het toekennen van formatie-eenheden in het kader van contractactiviteiten aan een andere leraar.
1.
Het bevoegd gezag verstrekt aan de betrokkene zo mogelijk voor de indiensttreding, doch in elk geval uiterlijk vier weken na indiensttreding, kosteloos een gedagtekende akte van aanstelling, hieronder begrepen het besluit tot verlenging van een aanstelling dan wel heraanstelling in tijdelijke dienst. In het geval uitreiking van de akte van aanstelling voor de indiensttreding niet heeft plaatsgevonden, ontvangt de betrokkene voor de indiensttreding kosteloos een schriftelijke mededeling van het voornemen om tot aanstelling over te gaan.
2.
De akte van aanstelling van de betrokkene die bij een bevoegd gezag is aangesteld aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1, onder d 5, d 6, d 12 tot en met d 14, d 17 en d 18, vermeldt ten minste:
a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;
b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;
c. de datum van ingang van de aanstelling;
d. de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld;
e. de bepaling of de aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval tevens de gronden voor en de duur van de aanstelling;
f. de aard en zo mogelijk het niveau en de omvang van de betrekking bij de aanvang daarvan;
g. het feit dat dit besluit van toepassing is;
h. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer;
i. de instelling of instellingen waaraan de betrokkene werkzaam zal zijn;
j. in voorkomende gevallen, overeenkomstig de ter zake van verplaatsingskosten geldende bepalingen de verplichting te wonen in een bepaalde gemeente, in een bepaald deel daarvan, in een bepaalde bij de instelling behorende woning of in het internaat van de instelling;
k. de van toepassing zijnde afvloeiingsregeling;
l. in voorkomende gevallen bijzondere bepalingen die van toepassing zijn.
3.
Het bepaalde in het tweede lid, onder g , j , en l , geldt eveneens in geval van aanstelling van de betrokkene bij een bevoegd gezag aan een instelling als bedoeld in artikel I-A1 , onder d 1 en d 2.
4.
Het bevoegd gezag deelt wijzigingen van de inhoud van de akte van aanstelling schriftelijk aan de betrokkene mee.
5.
Onze minister kan omtrent de inhoud van de akte van aanstelling nadere voorschriften vaststellen.
6.
De betrokkene voor wie een instructie is vastgesteld, ontvangt tevens een afschrift daarvan.
7.
Aan de betrokkene wordt bij het overleg inzake zijn eventuele aanstelling tijdig een model van de akte van aanstelling waarin de eventuele bijzondere bepalingen, bedoeld in het tweede lid onder l , zijn opgenomen, ter beschikking gesteld alsmede een model van de instructie voor zover deze voor hem zal gaan gelden.
8.
Indien het bevoegd gezag zulks wenst, geeft de betrokkene een ondertekende verklaring af, dat hij de in het eerste, zesde en zevende lid bedoelde bescheiden heeft ontvangen.
9.
Wanneer de werkzaamheden feitelijk zijn aangevangen, worden de volledige en juiste gegevens met betrekking tot het niveau en omvang van de betrekking in de akte van aanstelling aangetekend, indien deze ingevolge het eerste lid is uitgereikt.
1.
Schorsing is iedere tijdelijke ontheffing van de gehele of gedeeltelijke uitoefening van de functie van een betrokkene onder welke benaming dan ook op andere gronden dan wegens verlof bedoeld in de hoofdstukken I-C, I-D of op grond van het bepaalde in het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel van dit besluit.
2.
Schorsing geschiedt van rechtswege dan wel door het bevoegd gezag.
3.
Tijdens de schorsing heeft de betrokkene slechts toegang tot de instelling na verkregen toestemming van het bevoegd gezag. Deze toestemming is niet vereist in het geval dat de betrokkene dit besluit wenst in te zien, tenzij dit besluit door het bevoegd gezag elders op een voor de betrokkene redelijkerwijs bereikbare plaats ter inzage is gelegd.
Artikel II-B2. Schorsing van rechtswege
Van rechtswege is geschorst de betrokkene:
a. die krachtens een wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen , genomen in het belang van de volksgezondheid;
b. die krachtens een rechterlijke uitspraak die nog niet onherroepelijk is geworden van het geven van onderwijs is uitgesloten.
1.
Het bevoegd gezag kan de betrokkene schorsen:
a. in gevallen waarin het belang van de instelling dit vereist, voor ten hoogste drie maanden met dien verstande dat deze termijn in bijzondere gevallen eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden;
b. in dringende bijzondere gevallen indien dit in het belang van de instelling noodzakelijk voorkomt, als voorlopige maatregel voor ten hoogste één week, met dien verstande dat deze termijn uitsluitend in het geval dat het bevoegd gezag tegelijk met de ingang van deze schorsing de betrokkene in kennis heeft gesteld van het voornemen hem te schorsen op grond van het bepaalde onder a , kan worden verlengd met ten hoogste drie weken.
2.
In het geval dat de in het eerste lid onder b , bedoelde schorsing wordt verlengd, wordt de duur van deze verlengde schorsing in mindering gebracht op de termijn van de daarop op grond van het eerste lid onder a , volgende schorsing.
1.
Betrokkene brengt, indien gewenst, binnen drie weken, nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van het voornemen tot schorsing, bedoeld in artikel II-B3, onder a in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.
2.
Betrokkene brengt, indien, gewenst, onmiddellijk nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van de maatregel tot schorsing, bedoeld in artikel II B-3, onder b , in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.
3.
Indien betrokkene mondeling zijn zienswijze kenbaar maakt wordt hiervan door het bevoegd gezag een verslag gemaakt. Dit verslag wordt getekend door het bevoegd gezag en door betrokkene. Weigert de betrokkene de ondertekening, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het verslag wordt aan betrokkene uitgereikt.
4.
Het besluit tot schorsing, bedoeld in artikel II-B3, onder a , wordt uiterlijk binnen een week nadat betrokkene zijn zienswijze heeft kenbaar gemaakt, genomen.
5.
Het besluit tot schorsing, bedoeld in artikel II-B3, onder b , wordt onverwijld doch uiterlijk de tweede dag nadat betrokkene zijn zienswijze heeft kenbaar gemaakt, genomen. Het bevoegd gezag kan betrokkene de toegang tot de school ontzeggen voor zolang het besluit nog niet te zijner kennis is gebracht.
6.
Van het intreden van een schorsing van rechtswege stelt het bevoegd gezag de betrokkene onverwijld doch uiterlijk binnen twee dagen in kennis.
Artikel II-B5. Intrekking van de schorsing
De schorsing, bedoeld in artikel II-B3, kan door het bevoegd gezag te allen tijde worden ingetrokken.
Artikel II-C1. Gronden voor disciplinaire straffen of maatregelen
De betrokkene die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of enig voorschrift overtreedt, dan wel datgene doet of nalaat dat hij bij een goede uitoefening van zijn functie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, maakt zich schuldig aan plichtsverzuim en kan om die reden door het bevoegd gezag met inachtneming van de artikelen II-C2 tot en met II-C6 disciplinair worden gestraft.
1.
De disciplinaire straffen of maatregelen zijn:
a. schriftelijke berisping;
b. verplaatsing naar een andere instelling onder hetzelfde bevoegd gezag met al dan niet gevolgen voor de bezoldiging;
c. inhouding van bezoldiging volgens het bepaalde in artikel II-C3, eerste lid;
d. schorsing voor maximaal 6 maanden;
e. ontslag.
2.
Met uitzondering van de in het eerste lid onder c en d , bedoelde straffen, welke naast elkaar kunnen worden opgelegd, kan het bevoegd gezag ter zake van één en hetzelfde feit slechts één disciplinaire straf of maatregel opleggen.
3.
Bij het opleggen van een straf of maatregel kan worden bepaald dat zij eerst ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokkene zich gedurende een vast te stellen termijn schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, dan wel zich niet houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorschriften.
1.
Inhouding van bezoldiging als zelfstandige disciplinaire straf of maatregel op grond van artikel II-C2, eerste lid onder c , kan geschieden tot een bedrag van ten hoogste de bezoldiging over een halve maand.
2.
Inhouding van bezoldiging als disciplinaire straf of maatregel opgelegd naast de in artikel II-C2, eerste lid onder d , genoemde schorsing, kan geheel of gedeeltelijk geschieden voor ten hoogste de duur van de schorsing.
3.
De ingehouden bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien door de rechter geen straf wordt opgelegd of het besluit wordt vernietigd, alsmede voor zover op andere andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de betrokkene sedert de schorsing bedoeld in het tweede lid heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks naar het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.
4.
Van de inhouding en de uitbetaling van de bezoldiging als bedoeld in dit artikel doet het bevoegd gezag terstond mededeling aan Onze minister.
1.
Betrokkene brengt, indien gewenst, binnen drie weken, nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf of maatregel in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.
2.
Indien betrokkene mondeling zijn zienswijze kenbaar maakt wordt hiervan door het bevoegd gezag een verslag gemaakt. Dit verslag wordt getekend door het bevoegd gezag en door betrokkene. Weigert de betrokkene de ondertekening, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het verslag wordt aan betrokkene uitgereikt.
3.
Het besluit tot het opleggen van een disciplinaire straf of maatregel wordt uiterlijk een week, nadat betrokkene zijn zienswijze kenbaar heeft gemaakt, genomen.
Artikel II-C5. Verval
Het recht tot het opleggen van een disciplinaire straf of maatregel vervalt, indien meer dan 9 maanden zijn verlopen na het tijdstip waarop het plichtsverzuim aan het bevoegd gezag bekend is geworden.
Artikel II-C6. Tenuitvoerlegging
De straf of maatregel, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.
Artikel II-D1. Algemeen
Beëindiging van het dienstverband geschiedt door het bevoegd gezag al dan niet op verzoek van de betrokkene dan wel van rechtswege.
1.
Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband van de betrokkene op diens schriftelijk verzoek.
2.
Het bevoegd gezag behoeft dit verzoek niet in te willigen, indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen de betrokkene is ingesteld of indien het overweegt de disciplinaire straf van ontslag op te leggen.
3.
Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband van de betrokkene die zulks heeft verzocht met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het pensioenreglement, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na beëindiging van het dienstverband recht bestaat op een uitkering. Het dienstverband wordt niet eerder beëindigd dan met ingang van de dag waarop het recht op genoemde uitkering ontstaat.
4.
Op verzoek van de betrokkene kan de in het derde lid genoemde beëindiging van het dienstverband ook voor een gedeelte van de voor hem geldende betrekkingsomvang worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het gedeelte van de betrekkingsomvang waarvoor beëindiging van het dienstverband wordt gevraagd, bedraagt ten minste 10% van de betrekkingsomvang. Beëindiging van het dienstverband voor een gedeelte van een betrekkingsomvang uit een betrekking waaruit reeds eerder gedeeltelijke beëindiging met het oog op de in het derde lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke betrekkingsomvang.
1.
Het bevoegd gezag beëindigt het dienstverband van de betrokkene op grond van:
a. opheffing van de instelling of de betrekking of zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de dienst van de instelling dat zijn werkzaamheden overbodig zullen worden;
b. het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, onverminderd het bepaalde in artikel II-D5, vijfde lid, en artikel II-D6, derde lid;
c. het geraken in een toestand van ongeschiktheid ten gevolge van lichamelijke of psychische oorzaken, zulks met inachtneming van de bepalingen in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, onverminderd het bepaalde in het vierde lid.
2.
Het bevoegd gezag kan het dienstverband van de betrokkene beëindigen:
a. wanneer hij in ernstige mate onbekwaam of ongeschikt blijkt te zijn voor de beklede betrekking anders dan in de gevallen bedoeld in het eerste lid onder c ;
b. bij wijze van disciplinaire straf of maatregel in de gevallen en op de wijze als omschreven in hoofdstuk II-C;
c. indien de betrokkene bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
d. indien hij in verband met aanstelling of keuring opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, zonder welke handelwijze niet tot benoeming of geschiktverklaring zou zijn overgegaan, tenzij meer dan 6 maanden zijn verstreken sinds de vaststelling van dit feit;
e. indien ten aanzien van de overurenbetrekking van de betrokkene als bedoeld in artikel I-A1, onder e 10 is komen vast te staan dat in redelijkheid de overuren aan een andere betrokkene binnen een normbetrekking kunnen worden opgedragen;
f. op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.
3.
Indien het dienstverband van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 1, e 2, e 5 e 10, e 12, e 14, e 17 en e 18, wordt beëindigd op grond van de gevallen genoemd in het tweede lid onder a en f , wordt de inspectie gehoord.
Artikel II-D4. Beëindiging dienstverband van rechtswege
Het dienstverband van de betrokkene eindigt van rechtswege:
a. door het verstrijken van de tijd waarvoor het blijkens de akte van aanstelling is aangegaan;
b. indien de betrokkene krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten;
1.
Bij tussentijdse beëindiging van een tijdelijk dienstverband bedraagt de termijn van opzegging:
a. één maand indien het dienstverband ten tijde van de opzegging korter dan 6 maanden onafgebroken heeft bestaan;
b. twee maanden indien het dienstverband ten tijde van de opzegging ten minste 6 maanden doch korter dan 12 maanden onafgebroken heeft bestaan;
c. drie maanden indien het dienstverband ten tijde van de opzegging ten minste twaalf maanden onafgebroken heeft bestaan.
2.
In het geval, bedoeld in artikel II-D2, eerste lid, zijn de opzeggingstermijnen, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing, onverminderd het bepaalde in artikel II-D7.
3.
Opzegging als bedoeld in het eerste lid kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke betrokkene, noch gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, noch, indien zij haar dienst heeft hervat, gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Het bevoegd gezag kan ter staving van de zwangerschap een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen.
4.
Opzegging als bedoeld in het eerste lid kan niet plaats vinden wegens het feit dat de betrokkene door een centrale als bedoeld in artikel 1, onder i , van het Overlegbesluit onderwijs- en onderzoekpersoneel of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen.
5.
In het geval, bedoeld in artikel II-D3, eerste lid onder b, eindigt het dienstverband op de laatste dag van de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd werd bereikt, tenzij in overeenstemming met de betrokkene de ontslagdatum naar een later tijdstip wordt verschoven.
6.
In de gevallen bedoeld in artikel II-D3, tweede lid, kan het dienstverband eerst worden beëindigd met ingang van de dag, volgende op die, waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.
7.
In het geval de betrokkene blijkens het doorlopen van de procedure, bedoeld in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, blijvend ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn functie, eindigt het dienstverband niet eerder dan op de dag waarop het ontslagbesluit hem ter kennis is gesteld.
1.
In het geval, bedoeld in artikel II-D2, eerste en derde lid, bedraagt de opzeggingstermijn drie maanden, onverminderd het bepaalde in artikel II-D7.
2.
Bij beëindiging van het dienstverband op grond van artikel II-D3, eerste lid onder a , en artikel II-D3, tweede lid onder e , bedraagt de opzeggingstermijn 3 maanden.
3.
In het geval, bedoeld in artikel II-D3, eerste lid onder b, eindigt het dienstverband op de laatste dag van de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd werd bereikt, tenzij in overeenstemming met de betrokkene de ontslagdatum naar een later tijdstip wordt verschoven.
4.
In de gevallen, bedoeld in artikel II-D3, tweede lid, kan het dienstverband eerst worden beëindigd met ingang van de dag, volgende op die, waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.
5.
In het geval de betrokkene blijkens het doorlopen van de procedure, bedoeld in artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, blijvend ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn functie, eindigt het dienstverband niet eerder dan op de dag waarop het ontslagbesluit hem ter kennis is gesteld.
Artikel II-D7. Afwijking opzeggingstermijnen
In het geval, bedoeld in artikel II-D2, eerste lid, kan van de voor de beëindiging van het dienstverband in de artikelen II-D5, eerste lid, en II-D6, eerste lid, geldende opzeggingstermijnen worden afgeweken:
a. indien wordt overwogen de betrokkene een disciplinaire straf op te leggen;
b. indien het belang van het onderwijs zulks vordert, met dien verstande, dat de termijn van drie maanden tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en met niet meer dan twee maanden kan worden bekort en dat bij een afwijking in redelijkheid met het belang van de betrokkene rekening wordt gehouden;
c. op verzoek van de betrokkene.
1.
Over de tijd die aan de in artikel II-D5 en artikel II-D6 bedoelde opzeggingstermijnen bij beëindiging van het dienstverband niet op verzoek mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging.
2.
De aanspraak op bezoldiging vervalt geheel of gedeeltelijk met ingang van de dag waarop de betrokkene:
a. gedurende de opzeggingstermijn uit eigen beweging de dienst verlaat;
b. gedurende de opzeggingstermijn een andere betrekking gaat bekleden, tenzij en voor zover deze betrekking samenvalt met een hem nog toekomend vakantieverlof.
1.
Het dienstverband kan worden beëindigd onder de kwalificatie eervol dan wel zonder nadere kwalificatie.
2.
In de gevallen, bedoeld in de de artikelen II-D2, eerste lid, II-D3, eerste lid en tweede lid onder a , en II-D4 onder a , wordt het dienstverband steeds onder de kwalificatie eervol beëindigd, tenzij de beëindiging van het dienstverband aan eigen schuld of toedoen is te wijten.
1.
Betrokkene brengt, indien gewenst, binnen drie weken, nadat hij door het bevoegd gezag schriftelijk van het voornemen tot beëindiging van het dienstverband, anders dan op grond van de omstandigheid, bedoeld in artikel II-D3, eerste lid, onder b , in kennis is gesteld, zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren.
2.
Indien betrokkene mondeling zijn zienswijze kenbaar maakt wordt hiervan door het bevoegd gezag een verslag gemaakt. Dit verslag wordt getekend door het bevoegd gezag en door betrokkene. Weigert de betrokkene de ondertekening, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het verslag wordt aan betrokkene uitgereikt.
3.
Het besluit tot beëindiging van het dienstverband wordt uiterlijk een week, nadat betrokkene zijn zienswijze kenbaar heeft gemaakt, genomen.
4.
Van een beëindiging van het dienstverband van rechtswege stelt het bevoegd gezag de betrokkene zo spoedig mogelijk in kennis.
Artikel III-A1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. commissie b.o.: commissie van beroep, bedoeld in artikel 62, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs;
c. commissie vo/bbo: commissie van beroep, bedoeld in artikel 53 van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 2.50 van de Wet op het Cursorisch beroepsonderwijs, alsmede ten behoeve van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e 10, e 14, e 15 en e 17;
d. commissie landelijke organen: commissie van beroep bedoeld in artikel 2.57 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs
e. commissie v.j.: commissie van beroep, bedoeld in artikel 7 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen;
f. commissie basiseducatie en ondersteuning VE: commissie van beroep, bedoeld in artikel 11 van de Kaderwet volwasseneneducatie 1991;
g. commissie w.o.v.: commissie van beroep, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de onderwijsverzorging;
h. commissie: de commissie van beroep, bedoeld onder a tot en met h .
1.
Een commissie b.o., s.o. en v.s.o., vo/bbo, v.j., landelijke organen, basiseducatie en ondersteuning VE en w.o.v. wordt ingesteld door de besturen van de bijzondere instellingen waarover zij haar werkkring zal uitstrekken. De commissie v.j. strekt haar werkkring uit over alle bij deze organisatie aangesloten instellingen, met uitzondering van de vormingsinstituten waarvan het bevoegd gezag zich heeft aangesloten bij een commissie vo/bbo.
2.
De commissie deelt Onze minister mee, welke instellingen bij haar zijn aangesloten.
1.
Met inachtneming van de in het tweede tot en met het zesde lid van dit artikel neergelegde voorschriften geschiedt de verkiezing van de commissie aan de hand van een door de besturen van de instellingen dan wel, indien het betreft een commissie v.j., het bestuur van een landelijke organisatie op te stellen verkiezingsregeling.
2.
De commissie bestaat uit 5 leden en 5 plaatsvervangende leden, waarvan 2 leden en 2 plaatsvervangende leden, en ingeval het betreft een commissie v.j. op voordracht van een landelijke organisatie, worden gekozen door de instellingsbesturen, en 2 leden en 2 plaatsvervangende leden door het personeel van de bij de commissie aangesloten instellingen. De 2 leden gekozen door de instellingsbesturen en de 2 leden gekozen door het personeel van de instelling kiezen gezamenlijk het vijfde lid, tevens voorzitter, en zijn plaatsvervanger. Bij staking van stemmen beslist het lot, desgewenst na herstemming, tenzij partijen een arbitraire oplossing aanvaarden.
3.
Om de 3 jaar treedt één van de door de instellingsbesturen en één van de door het personeel gekozen leden en plaatsvervangende leden af volgens een door de commissie op te stellen rooster.
4.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden gekozen voor de tijd van 3 jaar.
5.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden en plaatsvervangende leden zijn bij aftreden onmiddellijk herkiesbaar.
6.
In een opengevallen plaats wordt binnen 6 weken voorzien.
1.
Voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, lid en plaatsvervangend lid van een commissie kan niet zijn hij die:
a. zitting heeft in of in dienst is van het instellingsbestuur of het bestuur van een vereniging van instellingsbesturen of organen dan wel van de landelijke organisatie, of deel uitmaakt van het personeel van een instelling waarover die commissie waarvan hij deel uitmaakt, haar werkkring uitstrekt;
b. in dienst is van een vereniging als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, artikel 40 en artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 2.51 en 2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 61 van de Wet op de onderwijsverzorging of artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie, waarvan het lidmaatschap openstaat voor personeel van instellingen waarvoor de desbetreffende commissie waarvan hij deel uitmaakt is ingesteld;
c. deel uitmaakt van de rijksinspectie;
2.
Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter kan slechts zijn hij die de hoedanigheid van meester in de rechten heeft verkregen op grond van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in het Nederlands recht aan een Nederlandse universiteit of hogeschool.
1.
Zodra hij verkozen is, geeft de voorzitter aan Onze minister en de bij de commissie aangesloten instellingsbesturen onverwijld kennis van de samenstelling van de commissie, onder vermelding van zijn adres en eventuele andere gegevens die hij van belang acht.
2.
Wijziging van deze gegevens deelt de voorzitter onverwijld eveneens mee.
1.
De commissie legt de regeling van haar werkzaamheden binnen 6 maanden na haar verkiezing vast in een huishoudelijk reglement en voorziet daarin in haar secretariaat.
2.
De voorzitter brengt dit reglement, alsmede wijzigingen daarvan ter kennis van Onze minister en de bij de commissie aangesloten instellingsbesturen.
1.
Het instellingsbestuur draagt er zorg voor, dat een kennisgeving van de samenstelling van de commissie waarbij de instelling is aangesloten en van het adres van de voorzitter, alsmede een exemplaar van het huishoudelijk reglement van de commissie steeds op een voor de betrokkene toegankelijke plaats ter inzage in de instelling beschikbaar zijn.
2.
Deze kennisgeving en dit huishoudelijk reglement worden steeds onverwijld aangepast aan de wijzigingen, bedoeld in artikel III-A5, tweede lid, en artikel III-A6, tweede lid.
3.
Stukken, die moeten worden ingediend bij de voorzitter of de commissie, kunnen worden toegezonden aan het bekend gemaakte kantooradres van de secretaris.
1.
De betrokkene kan in beroep komen tegen een door het instellingsbestuur genomen besluit inhoudende:
a. ontzegging van de toegang tot de instelling;
b. oplegging van een straf;
c. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, of het tijdvak waarvoor hij is benoemd, is verstreken;
d. schorsing;
e. het direct of indirect onthouden van promotie;
f. de beslissing van het instellingsbestuur ten aanzien van een personeelslid op basis waarvan op termijn opheffing van zijn betrekking kan plaatsvinden;
g. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
h. de aanwijzing als personeelslid boven de reguliere formatie voortvloeiend uit een algemeen verbindend voorschrift welke aanwijzing op termijn kan leiden tot ontslag of beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;
i. de aanwijzing van een andere school of andere scholen waaraan een betrokkene werkzaamheden zal verrichten.
2.
Indien in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, de betrokkene voor het verstrijken van de beroepstermijn is overleden, kunnen in beroep komen zijn nagelaten betrekkingen die recht hebben op een uitkering bij overlijden.
3.
De appellant dient bij de voorzitter van de commissie een door hem of door zijn raadsman ondertekend beroepschrift in, waarbij wordt gevoegd:
a. een afschrift van het bestuursbesluit waartegen het beroep wordt ingesteld;
b. een afschrift van de akte van benoeming;
c. afschriften van de voornaamste op de zaak betrekking hebbende stukken.
4.
Het beroepschrift bevat:
a. een opgave van de naam, de voornamen en het adres van de appellant en zo nodig de gekozen woonplaats ten aanzien van de procedure;
b. een zo volledig mogelijke aanduiding van de naam en het adres van de tegenpartij;
c. een mededeling van de vordering en de gronden waarop deze berust.
5.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij de voorzitter van de commissie binnen 6 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop het bestuursbesluit waartegen het beroep wordt ingesteld, aan appellant is verzonden.
6.
Indien het beroepschrift niet voldoet aan de eisen gesteld in het tweede en derde lid van dit artikel, wijst de voorzitter de appellant op het gepleegde verzuim en nodigt hem uit binnen 2 weken een hersteld beroepschrift in te zenden.
1.
Indien het geschil kennelijk bij een andere commissie moet worden aangebracht, deelt de voorzitter dit onverwijld bij aangetekende brief aan de appellant mee. Over andere gevallen van onbevoegdheid beslist de commissie.
2.
Indien het beroepschrift na de daarvoor gestelde termijn is ingediend, laat de commissie niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de appellant aantoont dat hij de voorziening in beroep heeft gevraagd zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
3.
Tenzij de behandeling in het eerste en tweede lid er toe leidt het beroepschrift niet in behandeling te nemen, zendt de voorzitter onmiddellijk na ontvangst van het beroepschrift of hersteld beroepschrift een exemplaar daarvan, vergezeld van de in artikel III-A8, tweede lid, genoemde afschriften, aan het betrokken instellingsbestuur.
1.
Binnen twee weken na ontvangst van het door de voorzitter van de commissie toegezonden beroepschrift en de daarbij behorende afschriften doet het instellingsbestuur de voorzitter een verweerschrift in drievoud toekomen. Bij elk exemplaar voegt het instellingsbestuur afschriften van de voornaamste op de zaak betrekking hebbende stukken. De voorzitter kan op tijdig verzoek van het instellingsbestuur de termijn voor verweer in uitzonderlijke gevallen verlengen tot een door hem te bepalen datum.
2.
Na ontvangst van het verweerschrift zendt de voorzitter onverwijld een exemplaar daarvan, vergezeld van de daarbij behorende afschriften, aan de appellant.
1.
De voorzitter bepaalt de dag en het uur waarop de zaak zal worden behandeld.
2.
Die dag zal niet later mogen worden gesteld dan zes weken na ontvangst van het beroepschrift of het hersteld beroepschrift, tenzij de betrokkene zulks verzoekt wegens niet tijdige ontvangst. Overschrijding van deze termijn wordt alleen in uitzonderlijke gevallen toegestaan en dient te worden gemotiveerd.
3.
De voorzitter geeft binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift of van het hersteld beroepschrift aan beide partijen per aangetekende brief kennis van de plaats, de dag en het uur, waarop de zaak zal worden behandeld. Overschrijding van deze termijn is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan en dient te worden gemotiveerd.
Artikel III-A12. Schriftelijke behandeling
Met eenstemmig goedvinden van de commissie en partijen kan de behandeling van het geschil ook schriftelijk geschieden.
1.
Voor de aanvang van de behandeling van de zaak op de zitting kan op verzoek van een partij een lid van de commissie worden gewraakt:
a. indien hij persoonlijk belang bij het geschil heeft;
b. indien hij aan de appellant, dan wel aan een van de leden van het bij de zaak betrokken instellingsbestuur in bloed- of aanverwantschap bestaat tot in de vierde graad ingesloten;
c. indien hij een advies in de zaak heeft gegeven of met een van de partijen een bespreking erover heeft gevoerd;
d. indien er een hoge graad van vijandschap of vriendschap bestaat tussen hem en een van de partijen;
e. indien hij binnen een tijdvak van vijf jaren, voorafgaande aan de datum van ontvangst van het beroepschrift door de voorzitter, lid is geweest van het instellingsbestuur of in dienst van het bestuur is geweest;
f. in andere gevallen waarin daartoe een ernstige reden aanwezig is.
2.
In dezelfde gevallen kan een lid van de commissie zich verschonen.
3.
Over de wraking of de verschoning wordt zo spoedig mogelijk beslist door de overige leden der commissie.
4.
Bij staking van stemmen wordt de wraking geacht te zijn toegewezen.
Artikel III-A14. Horen van getuigen en deskundigen door de commissie
Indien de commissie zulks ter beslissing van de zaak nodig acht, kan zij al dan niet op grond van een daartoe strekkend verzoek van een partij getuigen en deskundigen ter zitting horen. Indien zij van deze bevoegdheid gebruik maakt, doet de voorzitter hiervan vooraf mededeling aan partijen.
1.
De zittingen van de commissie zijn openbaar.
2.
Indien een partij daarom verzoekt, vindt de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren plaats.
3.
In het belang van de openbare orde of zedelijkheid of om gewichtige in het proces-verbaal van de zitting te vermelden redenen, kan de commissie bepalen, dat de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren zal plaatshebben.
4.
Tijdens de zitting wordt aan partijen de gelegenheid gegeven:
a. haar belangen voor te dragen of te doen voordragen;
b. getuigen en deskundigen te doen horen;
c. kennis te nemen van alle op het geschil betrekking hebbende stukken, waarvan, voor zover mogelijk, ten minste 1 week voor de zitting aan partijen inzage wordt gegeven.
1.
Binnen 2 weken na de laatste zitting waarop de zaak is behandeld, beslist de commissie op het beroepschrift.
2.
Deze dag zal niet later mogen worden gesteld dan 16 weken na de indiening van het beroepschrift of het hersteld beroepschrift. Overschrijding van deze termijn is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan en wordt in de beslissing gemotiveerd.
3.
De beslissing, bedoeld in het eerste lid, wordt zoveel mogelijk genomen in een voltallige vergadering. Het is de leden van de commissie niet toegestaan de gevoelens die tijdens deze vergadering over het geschil zijn geuit te openbaren.
4.
Een beslissing is slechts van kracht, indien genomen door ten minste 3 leden die de zaak hebben behandeld, waaronder de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter, met dien verstande dat van de leden of plaatsvervangende leden, gekozen door de besturen en door het personeel, een gelijk getal van beide zijden aan de beslissing zal deelnemen