Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2010. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2010.

Rechtspositiebesluit voorzitters huurcommissies

Uitgebreide informatie
Besluit van 14 maart 1988, houdende vaststelling van het Rechtspositiebesluit voorzitters huurcommissies
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 juni 1987, nr. MPZ1157010, Centrale Directie Personele Zaken, gedaan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929 ( Stb. 1929, 530) en op hoofdstuk III van de Wet op de huurcommissies ( Stb. 1979, 16);
De Raad van State gehoord (advies van 19 november 1987, nr. W08.87.0292);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 maart 1988, nr. MPZ03D7015, Centrale Directie Personele Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister belast met de zorg voor de volkshuisvesting;
huurcommissie: de commissie, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte;
voorzitter: voorzitter respectievelijk plaatsvervangend voorzitter van een huurcommissie, bedoeld in artikel 22, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte;
ambt: voorzitterschap van een huurcommissie;
Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel: overeenkomst die is aangegaan op grond van artikel 2 van de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel;
Pensioenreglement: reglement van de Stichting Pensioenfonds ABP dat is vastgesteld met inachtneming van de overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet privatisering ABP.
1.
Onze Minister doet geen voordracht tot benoeming van een voorzitter dan nadat de betrokkene op grond van een van rijkswege verricht geneeskundig onderzoek geschikt is verklaard voor de aan het ambt verbonden werkzaamheden.
2.
De uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt binnen twee weken na vaststelling aan de betrokkene medegedeeld.
3.
De kosten van het geneeskundig onderzoek komen voor rekening van het Rijk.
4.
De betrokkene ontvangt een vergoeding van reis- en verblijfskosten op voet van de bepalingen van het Reisbesluit binnenland .
1.
Binnen twee weken na ontvangst van de in artikel 2, tweede lid, bedoelde mededeling kan de betrokkene bij Onze Minister een aanvraag voor een hernieuwd geneeskundig onderzoek indienen. Artikel 2, derde en vierde lid, is met betrekking tot het hernieuwd geneeskundig onderzoek van overeenkomstige toepassing.
2.
Aan het hernieuwd geneeskundig onderzoek wordt niet deelgenomen door een arts die het geneeskundig onderzoek heeft verricht.
3.
De door Onze Minister van Binnenlandse Zaken krachtens artikel 10, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement vastgestelde nadere regels zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
Indien de betrokkene reis- en verblijfskosten heeft gemaakt terzake van het gevolg geven aan een uitnodiging voor een bezoek aan Onze Minister of een door hem aan te wijzen functionaris worden hem die kosten voor rekening van het Rijk vergoed op voet van de bepalingen van het Reisbesluit binnenland .
Artikel 5
Bij herbenoeming of bij benoeming in een ander ressort is geen geneeskundige keuring vereist.
Artikel 6
Aan de voorzitter wordt een afschrift uitgereikt van het koninklijk besluit, waarbij hij benoemd is. Tevens wordt hem schriftelijk mededeling gedaan van zijn bezoldiging en zijn standplaats.
1.
De voorzitter geniet een bezoldiging overeenkomstig een van de salarisschalen van de bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 ( Stb. 1983, 571).
2.
De salarisschaal welke voor de voorzitter geldt, wordt door Onze Minister bepaald met inachtneming van de aard en het niveau van zijn functie, aan de hand van door Onze Minister van Binnenlandse Zaken vastgestelde karakteristieken en functietyperingen, bedoeld in artikel 5 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
3.
Voor zover de maximum-bezoldiging nog niet is bereikt, wordt de bezoldiging van de voorzitter in de regel jaarlijks verhoogd.
4.
De voorzitter ontvangt over de tijd gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn ambt te vervullen, geen bezoldiging.
1.
Aan de voorzitter wordt in elk kalenderjaar vakantie verleend met behoud van zijn volle bezoldiging. De artikelen 24, 25 en 26 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
De voorzitter heeft aanspraak op vakantie-uitkering overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IV van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
Artikel 9
Ten aanzien van de aanspraken in geval van verblijf in militaire of daarmede in dit verband in het Algemeen Rijksambtenarenreglement gelijkgestelde dienst zijn de artikelen 17 tot en met 20d van genoemd reglement van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
Ten aanzien van het verlenen van buitengewoon verlof van korte dan wel van lange duur zijn de artikelen 33 tot en met 34 f van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Ten aanzien van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding en de voorzieningen in verband met ziekte is hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Voor de overeenkomstige toepassing van artikel 39, eerste lid, van genoemd reglement wordt de voorzitter gelijkgesteld met een ambtenaar in vaste dienst.
Artikel 12
Indien de voorzitter wegens ziekte of om andere redenen de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden niet kan verrichten, geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan Onze Minister.
1.
Omstreeks een jaar vóór het verstrijken van de ambtsperiode van de voorzitter verzoekt Onze Minister hem schriftelijk om schriftelijk aan te geven of hij voor een volgende ambtstermijn in aanmerking wenst te komen.
2.
Onze Minister stelt de voorzitter uiterlijk een half jaar vóór het verstrijken van zijn ambtsperiode schriftelijk in kennis of hij voor een voordracht tot herbenoeming in aanmerking komt, met dien verstande dat een beslissing om een voorzitter niet voor herbenoeming voor te dragen eerst wordt genomen nadat de voorzitter in de gelegenheid is gesteld, desgewenst bijgestaan door een raadsman, door Onze Minister te worden gehoord.
3.
Voor of nadat de voorzitter is gehoord, kan Onze Minister hem aan een geneeskundig onderzoek van Rijkswege doen onderwerpen, teneinde na te gaan of voor een niet langer volledig geschikt zijn voor zijn ambt medische oorzaken aanwezig zijn en zo ja of de voorzitter geschikt kan worden geacht voor de vervulling van het ambt in een ander ressort of in andere ressorten.
1.
Behoudens door Onze Minister te verlenen ontheffing is de voorzitter verplicht te wonen in of nabij de gemeente, die hem als standplaats is aangewezen.
2.
Onze Minister kan aan de voorzitter een tegemoetkoming verlenen in de kosten van het dagelijks heen en weer reizen naar de plaats van tewerkstelling.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kan Onze Minister aan de voorzitter die in verband met zijn benoeming moet verhuizen de vergoedingen verlenen overeenkomstig het bepaalde in het Verplaatsingskostenbesluit 1962 ( Stb. 150) en de Verplaatsingskostenbeschikking 1962 ( Stcrt. 119).
Artikel 15
De voorzitter heeft recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten ter zake van dienstreizen overeenkomstig het Reisbesluit binnenland .
Artikel 16
Bij het volbrengen van een diensttijd van 25, 40 of 50 jaren in overheidsdienst, ontvangt de voorzitter een gratificatie overeenkomstig de op grond van artikel 79, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement gestelde regels.
Artikel 17
De voorzitter is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen , genomen in het belang van de volksgezondheid.
1.
De voorzitter kan in zijn ambt worden geschorst:
a. wanneer een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem door Onze Minister het voornemen tot een ontslag als bedoeld in artikel 25 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte is te kennen gegeven dan wel hem dat ontslag is verleend.
2.
Behoudens bijzondere omstandigheden vindt schorsing op grond van dit artikel niet plaats dan nadat de voorzitter in de gelegenheid is gesteld door Onze Minister te worden gehoord.
3.
De schorsing geschiedt door Onze Minister.
Artikel 19
Gedurende de schorsing, bedoeld in de artikelen 17 en 18, kan de bezoldiging van de voorzitter geheel of gedeeltelijk worden ingehouden.
1.
De voorzitter wordt op zijn verzoek eervol ontslag verleend.
2.
Het in het eerste lid bedoelde ontslag wordt niet vroeger verleend dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag, waarop het verzoek tot ontslag is ingekomen.
3.
Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken:
a. indien het belang van de huurcommissie dat naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk maakt, met dien verstande, dat de termijn van drie maanden, vermeld in het tweede lid, tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang van de voorzitter rekening wordt gehouden;
b. ingevolge verzoek van de voorzitter.
1.
Aan de voorzitter die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel, en artikel 1.5 van het Pensioenreglement wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat recht bestaat op een uitkering op grond van die regeling. Artikel 94a, tweede lid, tweede volzin, en derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is van overeenkomstige toepassing.
2.
Het bepaalde in artikel 20, tweede en derde lid, is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 25 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, kan de voorzitter anders dan op eigen verzoek worden ontslagen op grond van:
a. opheffing van het ambt;
b. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
2.
Met betrekking tot het eerste lid, aanhef en onder b, is artikel 98, derde tot en met elfde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van overeenkomstige toepassing.
3.
Een ontslag op grond van het bepaalde in het eerste lid wordt steeds eervol verleend. Bij een ontslagverlening, bedoeld in het eerste lid, onder a , wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen. Een ontslag, bedoeld onder b van het eerste lid, kan niet vroeger ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden voor ontslag voor het eerst aanwezig was.
Artikel 23
Aan de voorzitter wordt, behoudens in geval van herbenoeming, geacht eervol ontslag te zijn verleend zodra zijn benoemingstermijn is verstreken.
1.
De voorzitter heeft voor rekening van het Rijk recht op wachtgeld:
a. bij niet-herbenoeming anders dan als gevolg van een daartoe strekkend eigen verzoek van de voorzitter;
b. bij ontslag wegens opheffing van het ambt.
2.
Op het in het eerste lid bedoelde recht is het Rijkswachtgeldbesluit 1959 ( Stb. 1986, 489) van overeenkomstige toepassing.
3.
In andere gevallen van ontslag dan wel gevallen waarin de toepassing van het tweede lid tot een naar Ons oordeel voor belanghebbende onredelijke uitkomst leidt, kan bij koninklijk besluit aan de niet-herbenoemde of ontslagen voorzitter een uitkering worden toegekend, die naar Ons oordeel mede in verband met de duur van de ambtsvervulling en de laatstelijk genoten bezoldiging redelijk is te achten.
1.
De bezoldiging van de voorzitter wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.
2.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de voorzitter ontvangt de achterblijvende echtgenoot, van wie de voorzitter niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden, berekend naar de bezoldiging op de dag van het overlijden. De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal dat van de vakantie-uitkering over een maand berekend overeenkomstig het bepaalde in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 , naar de bezoldiging die de voorzitter in de maand van overlijden zou hebben genoten.
3.
Indien de overledene geen echtgenoot als bedoeld in het tweede lid nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
4.
Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede en het derde lid, nalaat, kan de daarbedoelde uitkering door Onze Minister geheel of ten dele worden verleend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
5.
Voor de toepassing van het tweede en het derde lid van dit artikel wordt onder bezoldiging mede verstaan de kinderbijslag waarop de voorzitter ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet recht had. Indien de voorzitter op de dag van het overlijden wegens ziekte of ongeval verhinderd was zijn dienst te verrichten, wordt onder bezoldiging verstaan hetgeen daaronder krachtens artikel 11 voor de overeenkomstige toepassing van hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt verstaan.
Artikel 27
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 28
De rechtspositie van voorzitters, die vóór de datum van inwerkingtreden van dit besluit zijn benoemd, wordt met ingang van die datum door dit besluit beheerst.
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad , waarin het wordt geplaatst.
2.
Dit besluit kan worden aangehaald als 'Rechtspositiebesluit voorzitters huurcommissies'.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
’s-Gravenhage, 14 maart 1988
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven de negenentwintigste maart 1988
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Begripsbepalingen
+ Geneeskundige keuring bij benoeming
+ Herkeuring
+ Vergoeding reis- en verblijfkosten in verband met keuring en selectieprocedure
+ Uitzondering op keuringsplicht
+ Toezending van benoemingsbescheiden
+ Bezoldiging
+ Vakantie en vakantie-uitkering
+ Verblijf in militaire of daarmede gelijkgestelde dienst
+ Buitengewoon verlof
+ Aanspraken in geval van ziekte
+ Kennisgeving van verhindering
+ Herbenoeming
+ Verplaatsingskosten
+ Reis- en verblijfkosten
+ Gratificatie bij ambtsjubileum
+ Schorsing
+ Ontslag op verzoek
+ Flexibel pensioen en uittreden
+ Ontslag niet op verzoek
+ Uitkering bij overlijden
+ Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht