Let op. Deze wet is vervallen op 6 oktober 2004. U leest nu de tekst die gold op 5 oktober 2004.

Rechtspositiebesluit WRR

Uitgebreide informatie
Besluit van 14 augustus 1976, houdende bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van de benoemde leden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 29 oktober 1973, nr. AC 216040;
Gelet op artikel 125, eerste lid van de Ambtenarenwet 1929 en artikel 5 van de Instellingswet WRR;
De Raad van State gehoord (advies van 28 november 1973, nr. 4);
Gezien het nader rapport van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 9 augustus 1976, nr. CP 76-10548,
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
ambtenaar: hij die door Ons is benoemd als voorzitter of lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid;
Onze Minister: Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken;
ambt: het voorzitterschap of lidmaatschap van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
1.
Onze Minister doet geen voordracht tot benoeming van een ambtenaar, dan nadat de kandidaat op grond van een van rijkswege verrichte geneeskundige keuring geschikt is verklaard voor de aan het ambt verbonden werkzaamheden.
2.
De uitslag van de keuring wordt binnen veertien dagen na vaststelling aan de kandidaat medegedeeld.
3.
De kosten van de keuring komen voor rekening van het Rijk. Reis- en verblijfkosten van de kandidaat worden hem vergoed op de voet van de bepalingen van het Reisbesluit 1971, waarbij hij wordt geacht te zijn ingedeeld in de categorie A van de Reisbeschikking Nederland.
1.
Binnen veertien dagen na ontvangst van de in artikel 2, tweede lid, bedoelde mededeling kan de belanghebbende bij Onze Minister een aanvraag tot een herkeuring indienen. Hiervoor is een bedrag van € 5 verschuldigd.
2.
Het in het vorige lid bedoelde bedrag ontvangt de aanvrager terug en in verband met de herkeuring gemaakte reis- en verblijfkosten worden hem overeenkomstig artikel 2, derde lid, vergoed indien hij op grond van de herkeuring alsnog geschikt wordt verklaard.
3.
Aan de herkeuring wordt niet deelgenomen door een arts die de keuring heeft verricht.
4.
De door Onze Minister van Binnenlandse Zaken krachtens artikel 9 a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement vastgestelde voorschriften zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
Bij herbenoeming is geen geneeskundige keuring vereist.
1.
Ten aanzien van de jaarlijkse vakantie en de vakantie-uitkering zijn de artikelen 24 tot en met 26, 29 , 30 , 30 a , 30 cen 31 tot en met 31 c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van overeenkomstige toepassing.
2.
Aan de ambtenaar kan door Onze Minister buitengewoon verlof worden verleend, al dan niet met behoud van gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.
1.
De ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten, geniet gedurende de kalendermaand waarin deze verhindering is ontstaan, en gedurende 18 maanden daarna zijn volle bezoldiging en vervolgens 80% van zijn bezoldiging.
2.
Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten, in belangrijke mate haar oorzaak vindt in de aard van die werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, geniet hij ook na ommekomst van de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn volle bezoldiging.
3.
Indien de ambtenaar voor ten hoogste 55% van zijn normale werktijd wegens ziekte verhinderd is de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden te verrichten geniet hij ook na ommekomst van de in het eerste lid bedoelde termijnen zijn volle bezoldiging.
4.
Een opnieuw ingetreden verhindering tot verrichting van de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in het eerste lid genoemde termijnen als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet, nadat tenminste dertig kalenderdagen zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn werkzaamheden volledig heeft hervat.
5.
Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt te verrichten kan worden bepaald, dat deze zijn werkzaamheden slechts mag hervatten, nadat Onze Minister hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend. Onze Minister neemt hieromtrent en omtrent de mate van hervatting van de werkzaamheden geen beslissing dan na advies van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Deze toestemming is in ieder geval vereist, wanneer de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest tot het verrichten van zijn werkzaamheden.
6.
Voorts zijn ten aanzien van de aanspraken ingeval van ziekte en geneeskundig onderzoek de artikelen 40 tot en met 49 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien de voorzitter wegens ziekte of om andere redenen de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden niet kan vervullen, geeft hij daarvan kennis aan Onze Minister.
2.
Indien een lid wegens ziekte of om andere redenen de aan zijn ambt verbonden werkzaamheden niet kan vervullen geeft hij daarvan kennis aan de voorzitter en indien de verhindering langer dan vier weken duurt tevens aan Onze Minister.
Artikel 8
De ambtenaar onthoudt zich van gedragingen, die de goede vervulling of het aanzien van het ambt schaden of kunnen schaden.
1.
Behoudens door Onze Minister te verlenen ontheffing, is de ambtenaar verplicht te wonen in of nabij de gemeente waarin de zetel van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid is gevestigd.
2.
Aan de ambtenaar kan een tegemoetkoming worden verleend in de kosten van het dagelijks heen- en weerreizen naar de plaats van tewerkstelling.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kan Onze Minister aan de ambtenaar, die in verband met zijn benoeming moet verhuizen de vergoedingen verlenen overeenkomstig het bepaalde in het Verplaatsingskostenbesluit 1989 en de Verplaatsingskostenregeling 1989.
Artikel 10
De ambtenaar heeft recht op vergoeding wegens reis- en verblijfkosten terzake van dienstreizen op grond van het Reisbesluit 1971.
1.
Het is de ambtenaar verboden enige andere betrekking te vervullen of nevenwerkzaamheden te verrichten, in zoverre zulks naar het oordeel van Onze Minister niet in overeenstemming is met de aard en het aanzien van zijn ambt, dan wel zijn ambtsvervulling daardoor kan worden geschaad.
2.
Hij is verplicht aan Onze Minister mededeling te doen van een of het voornemen tot het aanvaarden van een andere betrekking of het gaan verrichten van een nevenwerkzaamheid, onder opgave van aard en omvang daarvan.
Artikel 12
De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Krankzinnigenwet, genomen in het belang van de volksgezondheid.
1.
De ambtenaar kan in zijn ambt worden geschorst:
a. Indien een strafrechtelijke vervolging terzake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. wanneer, naar het oordeel van Onze Minister, het belang van de dienst zulks vordert.
2.
De schorsing geschiedt door Onze Minister.
Artikel 14
Gedurende de schorsing als bedoeld in de artikelen 12 en 13 kan de bezoldiging van de ambtenaar geheel of gedeeltelijk worden ingehouden.
Artikel 15
De ambtenaar wordt op zijn aanvraag eervol ontslag verleend.
1.
Anders dan op aanvraag van de ambtenaar kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:
a. blijvende ongeschiktheid, uit hoofde van ziekten of gebreken, voor de vervulling van zijn ambt blijkens een onherroepelijk geworden beslissing als bedoeld in artikel P 5 van de Algemene burgerlijke pensioenwet;
b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.
2.
Het ontslag kan niet vroeger ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.
3.
Aan de ambtenaar kan ook op andere gronden dan die in het eerste lid zijn geregeld of waarnaar in dat lid is verwezen, ontslag worden gegeven.
Artikel 17
Aan de ambtenaar wordt behoudens in geval van herbenoeming geacht ontslag te zijn verleend zodra zijn benoemingstermijn is verstreken.
1.
De niet-herbenoemde of op grond van artikel 16, eerste lid onder b of van artikel 16, derde lid ontslagen ambtenaar heeft recht op wachtgeld op de voet van de bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 , tenzij hij terzake van de niet-herbenoeming of het ontslag recht heeft op pensioen, danwel de redenen die tot het ontslag hebben geleid naar het oordeel van Onze Minister aan zijn eigen schuld of toedoen zijn te wijten.
2.
In bijzondere gevallen, dan wel gevallen waarin de toepassing van het vorige lid tot een naar Ons oordeel voor belanghebbende onredelijke uitkomst leidt, kunnen Wij de niet-herbenoemde of ontslagen ambtenaar een uitkering toekennen die naar Ons oordeel met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.
1.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende echtgenoot, van wie de ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag gelijk aan de bezoldiging vermeerderd met vakantie-uitkering, de kindertoelage en de kinderbijslag, over drie maanden, gerekend naar het tijdstip van overlijden.
2.
Indien de overledene geen echtgenoot als bedoeld in het eerste lid nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, dan wel pleegkinderen.
Ontbreken ook deze, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige broers of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
Artikel 20
Onze Minister is bevoegd tot het vaststellen van de diensttijden van de ambtenaar.
Artikel 21
Voor gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, wordt door Ons op voordracht van Onze Minister een bijzondere regeling getroffen.
Artikel 22
Dit besluit, dat kan worden aangehaald als "Rechtspositiebesluit WRR", treedt in werking op 1 september 1976.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Porto Ercole, 14 augustus 1976
De Minister-President,
Minister van Algemene Zaken,
Uitgegeven de zesentwintigste augustus 1976
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Artikel 1
+ Artikel 2
+ Artikel 3
+ Artikel 4
+ Artikel 5
+ Artikel 6
+ Artikel 7
+ Artikel 8
+ Artikel 9
+ Artikel 10
+ Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
+ Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
+ Artikel 18
+ Artikel 19
+ Artikel 20
+ Artikel 21
Artikel 22
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht