1.
Een scholings- en trainingsprogramma omvat minimaal 26 uur per week aan activiteiten waaraan door de deelnemer aan dat scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen.
2.
De activiteiten in een scholings- en trainingsprogramma zijn gericht op:
a. het aanleren van bepaalde sociale vaardigheden,
b. het bieden van onderwijs,
c. het vergroten van de kans op arbeid na het einde van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel,
d. het bieden van bijzondere zorg aan de deelnemer, zoals verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of verstandelijk gehandicaptenzorg,
e. het invullen van de vrije tijd, of
f. geven op andere wijze invulling aan het met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel aanwenden van de tenuitvoerlegging daarvan aan de opvoeding dan wel behandeling van de jeugdige en de voorbereiding van diens terugkeer in de maatschappij.
3.
Van een scholings- en trainingsprogramma wordt een schriftelijke omschrijving gemaakt. Deze omvat in ieder geval een beschrijving van de activiteiten, een regeling van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma, de begeleiding van en het toezicht op de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma, de melding van bijzondere voorvallen en de wijze en de frequentie van rapporteren over de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma. Wanneer het scholings- en trainingsprogramma voor meerdere jeugdigen is bedoeld wordt tevens de doelgroep van het programma omschreven.
4.
Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure voor de erkenning van een scholings- en trainingsprogramma en over de kwaliteitseisen waaraan een scholings- en trainingsprogramma moet voldoen.
Artikel 3
Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet in aanmerking:
a. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie nog een andere strafvervolging is ingesteld, waarbij een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is gevorderd;
b. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een tevens opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen nog moet aanvangen;
c. voorlopig gehechte jeugdigen;
d. jeugdigen ten aanzien van wie vaststaat dat zij, na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, Nederland dienen te verlaten dan wel zullen worden uitgezet of uitgeleverd;
1.
Een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in de inrichting plaatsvindt, neemt deel aan een scholings- en trainingsprogramma, indien:
a. de jeugdige tenminste tweederde van de hem opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf heeft ondergaan, en
b. het strafrestant minimaal drie maanden bedraagt.
2.
Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, heeft een maximale duur van drie maanden.
1.
Een tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige kan in aanmerking komen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.
2.
Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, neemt op zijn vroegst een aanvang:
a. drie maanden voor het voorwaardelijke einde van de maatregel die maximaal drie jaren duurt;
b. zes maanden voor het voorwaardelijk einde van de maatregel die meer dan drie jaar en minder dan vijf jaren duurt, of;
c. een jaar voor het voorwaardelijk einde van de maatregel die maximaal zeven jaren duurt.
3.
In bijzondere gevallen kan voor een langere duur worden deelgenomen aan een scholings- en trainingsprogramma.
Artikel 6
Jeugdigen die op grond van artikel 6.2.2 van de Jeugdwet in een inrichting verblijven komen niet in aanmerking voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma, tenzij de deelname aan dit programma reeds een aanvang had genomen voor het tijdstip waarop de in artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet bedoelde machtiging werd verleend.
1.
De directeur vraagt een machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de wet schriftelijk aan bij Onze Minister. De directeur doet in zijn aanvraag verslag van de aspecten, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, en vermeldt de voorwaarden bedoeld in artikel 12, eerste lid. De aanvraag vermeldt voorts de duur van de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma.
2.
De directeur voegt bij de aanvraag het advies van het openbaar ministerie, indien de aanvraag betrekking heeft op een jeugdige ten aanzien van wie het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven. De aanvraag wordt opgesteld in samenwerking met de jeugdreclassering, dan wel de reclassering in het arrondissement waarin aan het scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen. De raad voor de kinderbescherming wordt door de directeur in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.
3.
De directeur overlegt met de jeugdige alvorens hij zijn aanvraag opstelt.
4.
Bij het opstellen van de aanvraag betrekt de directeur zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:
a. deze te kennen geven hierbij geen rol te willen vervullen, of
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.
5.
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, op de aanvraag van de directeur. Onze Minister betrekt in zijn beslissing de aspecten, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, en de voorwaarden, bedoeld in artikel 12, eerste lid.
6.
Onze Minister kan een machtiging tot deelname aan het programma weigeren, indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de eisen gesteld in het eerste lid;
b. naar zijn oordeel het karakter van vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel met de wijze waarop het programma is vormgegeven onverenigbaar is, of;
c. dat het programma naar zijn oordeel niet zal bijdragen aan een geslaagde terugkeer in de samenleving.
7.
De beslissing wordt schriftelijk medegedeeld aan de directeur en de jeugdreclassering, dan wel de reclassering die aan de aanvraag heeft meegewerkt, alsmede, voor zover het een minderjarige jeugdige betreft, aan de raad voor de kinderbescherming.
8.
Onze Minister kan nadere regels stellen over de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma, de procedure voor het aanvragen en het verlenen van een machtiging tot deelname en de intrekking daarvan.
1.
Bij zijn beslissing om een jeugdige in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma betrekt de directeur in ieder geval de volgende aspecten:
a. het gedrag van de jeugdige, het nakomen van afspraken door de jeugdige en diens gemotiveerdheid om aan een scholings- en trainingsprogramma deel te nemen;
b. de mate waarin de jeugdige tijdens zijn deelname in staat kan worden geacht de met de grotere vrijheden gepaard gaande verantwoordelijkheid te dragen;
c. een aanvaardbaar verblijfadres;
d. de geschiktheid van de jeugdige voor een bepaald scholings- en trainingsprogramma.
2.
Bij jeugdigen die op strafrechtelijke titel in de inrichting verblijven betrekt de directeur tevens de volgende aspecten:
a. de aard, de zwaarte en de achtergronden van het gepleegde delict;
b. het huidige detentieverloop;
c. het gevaar voor recidive.
3.
De directeur neemt zijn beslissing over deelname aan een scholings- en trainingsprogramma niet dan nadat de jeugdige zich schriftelijk bereid heeft verklaard tot deelname aan het programma en naleving van de daaraan verbonden voorwaarden.
4.
De directeur stelt de raad voor de kinderbescherming voor zover het betreft minderjarige jeugdigen, het openbaar ministerie bij de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf terzake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is gelast, en het openbaar ministerie in het arrondissement waarin de jeugdige tijdens het scholings- en trainingsprogramma zal verblijven, schriftelijk in kennis van zijn beslissing.
5.
Bij aanvang van het scholings- en trainingsprogramma ontvangt de jeugdige van de directeur een schriftelijke verklaring waarin de activiteiten van het scholings- en trainingsprogramma en de daaraan verbonden voorwaarden zijn vermeld, benevens de gronden waarop de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma kan worden beëindigd.
1.
De algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van een scholings- en trainingsprogramma ligt bij de directeur van de inrichting waarin de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma is ingeschreven.
2.
De jeugdreclassering dan wel de reclassering die verantwoordelijk is voor de feitelijke uitvoering van het programma, is belast met de begeleiding van de jeugdige en houdt toezicht op het dagelijkse verloop van het scholings- en trainingsprogramma. Zij beoordeelt in eerste instantie of de activiteiten naar behoren worden verricht en de voorwaarden naar behoren worden nageleefd en kan in dat kader opdrachten geven aan de deelnemer. Zij kan in de wijze of het tijdstip waarop de activiteiten binnen het scholings- en trainingsprogramma worden uitgevoerd, wijzigingen aanbrengen. Van deze wijzigingen stelt zij de directeur onverwijld schriftelijk op de hoogte. Periodiek rapporteert zij aan de directeur over de deelname van de jeugdige aan het scholings- en trainingsprogramma.
Artikel 11
De noodzakelijke kosten van bestaan tijdens deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet ten laste van Onze Minister, tenzij het gaat om de kosten van een pleegkind in het kader van een uithuisplaatsing en de Regeling vergoeding pleeggezinnen van toepassing is.
1.
Aan de deelname door een jeugdige aan een scholings- en trainingsprogramma worden, onverminderd eventuele nader door de directeur te stellen bijzondere voorwaarden, de volgende algemene voorwaarden verbonden:
a. de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma gedraagt zich overeenkomstig de aanwijzingen van degene die is belast met zijn begeleiding en het houden van toezicht op hem en verschaft aan deze alle verlangde inlichtingen;
b. hij doet tevoren melding aan de directeur van een verandering van zijn verblijfplaats;
c. hij maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2.
Aan de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma kan de bijzondere voorwaarde worden gesteld dat de deelnemer zich onder elektronische toezicht laat stellen. Onze Minister kan nadere regels stellen over het elektronische toezicht.
3.
Degene die belast is met de feitelijke uitvoering van het scholings- en trainingsprogramma rapporteert terstond aan de directeur in geval van overtreding van de voorwaarden. De directeur kan, afhankelijk van de ernst van de overtreding, alsdan beslissen tot:
a. het geven van een waarschuwing aan de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma;
b. wijziging of aanvulling van de bijzondere voorwaarden, gesteld aan deelname aan een scholings- en trainingsprogramma;
c. tijdelijke terugplaatsing van de jeugdige in de inrichting, met bepaling van de duur daarvan;
d. algehele beëindiging van het scholings- en trainingsprogramma.
4.
De directeur geeft de deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma van een beslissing als bedoeld in het derde lid onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.
5.
Van het stellen van bijzondere voorwaarden, de overtreding van de voorwaarden en een beslissing als bedoeld in het derde lid, doet de directeur mededeling aan Onze Minister, de jeugdreclassering dan wel de reclassering die de jeugdige begeleidt, het openbaar ministerie en de raad voor de kinderbescherming.
1.
Onze Minister kan de machtiging intrekken:
a. bij overtreding van de voorwaarden, bedoeld in artikel 12, eerste lid;
b. zodra de jeugdige vierentwintig uur ongeoorloofd afwezig is, tenzij sprake is van overmacht;
c. zodra het openbaar ministerie aan de directeur meldt dat de jeugdige wordt aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, begaan tijdens de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma;
d. indien feiten of omstandigheden bekend worden waardoor, indien deze ten tijde van het verlenen van de machtiging bekend waren geweest, de machtiging niet of niet in deze vorm zou zijn verleend.
2.
Indien Onze Minister de machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma intrekt, geeft hij daarvan terstond kennis aan de directeur, die daarop de deelname van de jeugdige aan het programma beëindigt. De kennisgeving wordt, onder vermelding van de datum van ingang van de beslissing, schriftelijk bevestigd.
1.
De deelnemer aan een scholings- en trainingsprogramma kan bij de beklagcommissie bij de inrichting waarin hij is ingeschreven een klacht indienen over de beslissingen, bedoeld in artikel 12, derde lid.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
- Hoofdstuk 2. Scholings- en trainingsprogramma
+ Hoofdstuk 3. Commissie van toezicht en beklagcommissie
+ Hoofdstuk 4. De inrichting
+ Hoofdstuk 5. Het perspectiefplan
+ Hoofdstuk 6. Verlof
+ Hoofdstuk 7
+ Hoofdstuk 8. (Onvrijwillige) geneeskundige behandeling
+ Hoofdstuk 8a. Toezicht op telefoongesprekken
+ Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
+ Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
+ Hoofdstuk 11. Onderwijs en pedagogische activiteiten
+ Hoofdstuk 12. Dossiers van jeugdigen
+ Hoofdstuk 13. Aanwijzing van particuliere inrichtingen
+ Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
+ Hoofdstuk 15. Kwaliteit
+ Hoofdstuk 16. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures
+ Hoofdstuk 17. Aansprakelijkheid directeur
+ Hoofdstuk 18. Wijziging andere regelgeving
+ Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht