1.
Het perspectiefplan wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de directeur.
2.
Bij het opstellen en het wijzigen van het perspectiefplan zijn in ieder geval betrokken de groepsleider of mentor van de jeugdige, een leerkracht en een gedragsdeskundige.
3.
Bij het opstellen en wijzigen van het perspectiefplan voor jeugdigen die op strafrechtelijke titel in de inrichting verblijven, betrekt de inrichting tevens de jeugdreclassering dan wel de reclassering en de raad voor de kinderbescherming.
4.
Bij het opstellen en wijzigen van het perspectiefplan voor jeugdigen die op grond van artikel 6.2.2, tweede lid, van de Jeugdwet in een inrichting zijn geplaatst, pleegt de inrichting overleg met de betrokken gecertificeerde instelling.
5.
Bij het opstellen en wijzigen van het perspectiefplan betrekt de inrichting zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:
a. deze te kennen geven hierbij geen rol te willen vervullen, of;
b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.
1.
In het perspectiefplan wordt ten minste opgenomen:
a. een diagnose van de problematiek van de jeugdige;
b. een beschrijving van de behandeling;
c. medische gegevens, voor zover deze relevant zijn voor de behandeling;
d. de gestelde doelen aangaande de ontwikkeling van de jeugdige;
e. de wijze waarop en de middelen waarmee die doelen bereikt kunnen worden;
f. de verwachting met betrekking tot de behandelingsduur;
g. een aanduiding van de groep, waarin de jeugdige verblijft;
h. een omschrijving van de toegestane bewegingsvrijheid, zowel binnen als buiten de inrichting;
i. de soorten activiteiten, waaraan door de jeugdige wordt deelgenomen;
j. de personen van buiten de inrichting, waarmee de jeugdige contact mag onderhouden, en;
k. het verplichte programma met betrekking tot onderwijs of andere pedagogische vorming.
2.
Voor zover aan de onderdelen h tot en met k van het eerste lid voorwaarden verbonden zijn, worden deze opgenomen in het perspectiefplan en welke consequenties aan het niet naleven van deze voorwaarden zijn verbonden.
3.
Het verlofplan, het scholings- en trainingsprogramma en de voorbereiding op de nazorg maken, voor zover van toepassing, onderdeel uit van het perspectiefplan.
Artikel 27
De directeur stelt het perspectiefplan tijdig ter beschikking aan het trajectberaad, bedoeld in artikel 21a van het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994.
1.
Het perspectiefplan bestrijkt een periode van vier maanden, of zoveel korter als het strafrestant of het verblijf in de inrichting is, of zoveel korter als het strafrestant of het verblijf in de inrichting is.
2.
De jeugdige heeft recht op een periodieke evaluatie door de directeur van het perspectiefplan. Deze evaluatie vindt ten minste driemaal per jaar plaats, doch in ieder geval tijdig voor de opmaking van een advies als bedoeld in artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht of een verlenging als bedoeld in artikel 265c, eerste lid , of  305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3.
De evaluatie van het perspectiefplan vindt plaats op basis van informatie van ten minste de functionaris en de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 25, vierde lid. De jeugdige wordt in de gelegenheid gesteld zijn visie te geven op het verloop van het verblijf in de inrichting. Tevens worden bij de evaluatie betrokken de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders van de jeugdige, met inachtneming van artikel 25, vijfde lid, en de betrokken gecertificeerde instelling. Van de evaluatie wordt een verslag opgesteld.
4.
Bij de evaluatie worden de volgende aspecten betrokken:
a. het verblijf in de groep;
b. het bereiken van de gestelde doelen en de noodzaak tot wijziging van de doelen;
c. de veranderingen in het toestandsbeeld van de jeugdige in het kader van de behandeling;
d. de bewegingsvrijheid binnen en buiten de inrichting;
e. belangrijke voorvallen waarbij de jeugdige betrokken is geweest;
f. de noodzaak van verlenging van het verblijf in de inrichting.
1.
Naar aanleiding van een evaluatie of tussentijds kan het perspectiefplan gewijzigd worden. Daarbij wordt ten minste het meest recente evaluatieverslag betrokken.
2.
Een wijziging in het perspectiefplan wordt zo veel mogelijk in overleg met de jeugdige vastgesteld. De wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan medegedeeld.
Artikel 30
Kort voor het einde van het verblijf van de jeugdige in de inrichting wordt ter afsluiting van het perspectiefplan met de jeugdige nagegaan in hoeverre de doelstellingen van het plan zijn gerealiseerd. Hiervan wordt een verslag gemaakt.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk 2. Scholings- en trainingsprogramma
+ Hoofdstuk 3. Commissie van toezicht en beklagcommissie
+ Hoofdstuk 4. De inrichting
- Hoofdstuk 5. Het perspectiefplan
+ Hoofdstuk 6. Verlof
+ Hoofdstuk 7
+ Hoofdstuk 8. (Onvrijwillige) geneeskundige behandeling
+ Hoofdstuk 8a. Toezicht op telefoongesprekken
+ Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
+ Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
+ Hoofdstuk 11. Onderwijs en pedagogische activiteiten
+ Hoofdstuk 12. Dossiers van jeugdigen
+ Hoofdstuk 13. Aanwijzing van particuliere inrichtingen
+ Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
+ Hoofdstuk 15. Kwaliteit
+ Hoofdstuk 16. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures
+ Hoofdstuk 17. Aansprakelijkheid directeur
+ Hoofdstuk 18. Wijziging andere regelgeving
+ Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht