1.
Bij de beoordeling van een te verlenen verlof wordt het belang van de jeugdige afgewogen tegen de risico's voor de continuïteit van de tenuitvoerlegging en voor de maatschappelijke orde en veiligheid. Het verlof kan slechts worden verleend indien de eventuele risico's aanvaardbaar worden geacht.
2.
Als risico kunnen worden aangemerkt:
a. onttrekking aan het verblijf in de inrichting,
b. weigering in te stemmen met preventieve maatregelen ter voorkoming van onttrekking aan de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel,
c. gevaar voor recidive,
d. maatschappelijke onrust als gevolg van het verlof,
e. vermoeden dat het verlof zal leiden tot alcohol- of drugsmisbruik dan wel poging tot invoer van ongeoorloofde voorwerpen in de inrichting,
f. twijfel over het nakomen van afspraken,
g. agressieve gedragskenmerken die een risico kunnen opleveren voor een ongestoord verloop van het verlof,
h. het bestaan van ernstige spanningsvelden in de leef- of woonsfeer of rond mogelijk te ontmoeten personen,
i. een mogelijke ongewenste confrontatie van de jeugdige met een slachtoffer of een anderszins bij het delict betrokkene,
j. het vermoeden dat de jeugdige slachtoffer zal worden van een wraakactie.
3.
Bij de inschatting van de risico's betrekt de directeur in ieder geval:
a. de aard van het delict, de door het delict veroorzaakte maatschappelijke onrust en de inschatting van het ontvluchtings- of recidivegevaar,
b. relevante ervaringen bij eerder genoten verloven,
c. recente rapportage over de jeugdige en zijn gedrag in de inrichting.
4.
De directeur kan bepalen dat het verlof zal plaatsvinden onder begeleiding of bewaking.
5.
De directeur vraagt het openbaar ministerie om advies, indien het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven.
1.
Aan de jeugdige kan incidenteel verlof worden verleend in verband met onverwachte gebeurtenissen of omstandigheden in de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is.
2.
Gebeurtenissen of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid zijn onder andere:
a. het in levensgevaar verkeren van een relatie,
b. het overlijden of de begrafenis van een relatie,
c. het niet in staat zijn om naar de inrichting te reizen van een relatie,
d. de bevalling van de partner.
3.
Bij wijze van incidenteel verlof kan worden toegestaan dat de jeugdige een bezoek brengt aan een gedetineerde relatie.
4.
Incidenteel verlof kan voorts worden verleend met het oog op de deelname aan een examen dat niet in de inrichting kan worden afgenomen of, ter voorbereiding op de invrijheidstelling, met het oog op de regeling van praktische zaken buiten de inrichting.
5.
De directeur bepaalt de duur van het incidenteel verlof. Deze duur is niet langer dan drie etmalen. Op grond van dezelfde gebeurtenis kan de directeur meermalen incidenteel verlof toekennen.
1.
Aan de jeugdige die op strafrechtelijke titel in een inrichting is geplaatst kan planmatig verlof worden verleend. Planmatig verlof wordt verleend in het kader van een verlofplan, dat onderdeel is van het perspectiefplan en dat ten doel heeft de resocialisatie van de jeugdige.
2.
Het verlofplan geldt telkens voor een periode van ten hoogste zes maanden en bevat:
a. een concrete aanduiding van het voorgenomen verloftraject in die periode wat betreft de frequentie, de duur, de aard en de bestemming van het verlof,
b. een motivering van het belang van het verlof met het oog op de behandeling en resocialisatie,
c. een afweging van de veiligheidsrisico's.
3.
Planmatig verlof kan bestaan uit:
a. eendaags begeleid verlof zonder overnachting,
b. eendaags onbegeleid verlof zonder overnachting,
c. onbegeleid verlof met één overnachting,
d. onbegeleid verlof met meerdere overnachtingen.
4.
Een voorlopig gehechte jeugdige komt niet in aanmerking voor planmatig verlof.
5.
Een jeugdige ten aanzien van wie vaststaat dat hij, na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, Nederland zal dienen te verlaten dan wel zal worden uitgezet of uitgeleverd, komt niet in aanmerking voor planmatig verlof.
1.
Het incidenteel verlof wordt door de jeugdige schriftelijk aangevraagd bij de directeur.
2.
Indien het verzoek een voorlopig gehechte jeugdige betreft, vraagt de directeur instemming van het openbaar ministerie.
3.
Indien het verzoek een civielrechtelijk geplaatste jeugdige betreft, vraagt de directeur instemming van de betrokken gecertificeerde instelling.
4.
Indien het verzoek een jeugdige betreft die na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel Nederland zal dienen te verlaten, of uitgezet of uitgeleverd zal worden, vraagt de directeur de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie om advies.
1.
Indien de jeugdige wegens ziekte niet in staat is tijdig van het verlof naar de inrichting terug te keren, meldt hij dit onverwijld aan de inrichting. Desgevraagd toont de jeugdige aan dat hij om medische redenen niet in staat is tijdig terug te keren.
2.
De directeur neemt, na overleg met de inrichtingsarts, en, voor zover mogelijk, gehoord de jeugdige, maatregelen met het oog op een zo spoedig mogelijke voortzetting van de vrijheidsontneming.
1.
Indien zich tijdens het verlof een incident voordoet, kan de directeur, afhankelijk van de aard van het incident en het verlof, maatregelen nemen. Van een incident is in ieder geval sprake wanneer de jeugdige:
a. tijdens het verlof betrokken is bij een verstoring van de openbare orde of het plegen van een strafbaar feit;
b. verwijtbaar te laat of niet in de inrichting terugkeert;
c. onder invloed van alcohol of verdovende middelen in de inrichting terugkeert;
d. bij terugkeer in de inrichting contrabande met zich meevoert.
2.
Onverminderd de verplichting van de directeur om het incident elders te signaleren, worden gegevens over incidenten tijdens het verlof opgenomen in het dossier.
1.
Aan een jeugdige die zonder begeleiding met verlof gaat, wordt door de inrichting een verlofpas van een door Onze Minister vastgesteld model verstrekt, waarop eventuele bijzondere voorwaarden worden vermeld.
2.
De jeugdige draagt de verlofpas tijdens het verlof steeds bij zich.
Artikel 38
De directeur kan de jeugdige een bijdrage in de reis- en verblijfkosten verstrekken.
Artikel 39
Op grond van gewijzigde omstandigheden kan de directeur een reeds verleend verlof of het daarvan nog resterende gedeelte intrekken, naar een andere tijdstip verplaatsen of er nadere voorwaarden aan verbinden.
Artikel 40
Onze Minister kan nadere regels stellen over het aanvragen en het verlenen van verlof.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk 2. Scholings- en trainingsprogramma
+ Hoofdstuk 3. Commissie van toezicht en beklagcommissie
+ Hoofdstuk 4. De inrichting
+ Hoofdstuk 5. Het perspectiefplan
- Hoofdstuk 6. Verlof
+ Hoofdstuk 7
+ Hoofdstuk 8. (Onvrijwillige) geneeskundige behandeling
+ Hoofdstuk 8a. Toezicht op telefoongesprekken
+ Hoofdstuk 9. Geestelijke verzorging
+ Hoofdstuk 10. Beroep tegen medisch handelen
+ Hoofdstuk 11. Onderwijs en pedagogische activiteiten
+ Hoofdstuk 12. Dossiers van jeugdigen
+ Hoofdstuk 13. Aanwijzing van particuliere inrichtingen
+ Hoofdstuk 14. Opperbeheer rijksinrichtingen
+ Hoofdstuk 15. Kwaliteit
+ Hoofdstuk 16. Vergoedingen beklag- en beroepsprocedures
+ Hoofdstuk 17. Aansprakelijkheid directeur
+ Hoofdstuk 18. Wijziging andere regelgeving
+ Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht