Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2009.

Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995

Uitgebreide informatie
Besluit van 23 januari 1996, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement betreffende het onderzoek van schepen op de Rijn 1995
Artikel 1.01. Betekenis van enige uitdrukkingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
Typen vaartuigen
01. vaartuig : een schip of een drijvend werktuig;
02. schip : een binnenschip of een zeeschip;
03. binnenschip : een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren;
04. zeeschip : een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd;
05. motorschip : een motortankschip of een motorvrachtschip;
06. motortankschip : een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig te varen;
07. motorvrachtschip : een schip, niet zijnde een motortankschip, dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig te varen;
08. kanaalspits : een binnenschip waarvan de lengte niet meer dan 38,50 m en de breedte niet meer dan 5,05 m bedraagt en dat gewoonlijk op het Rijn-Rhône kanaal vaart;
09. sleepboot : een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;
10. duwboot : een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel;
11. sleepschip : een sleeptankschip of een sleepvrachtschip;
12. sleeptankschip : een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en is gebouwd om te worden gesleept zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;
13. sleepvrachtschip : een schip, niet zijnde een sleeptankschip, dat is bestemd voor het vervoer van goederen en is gebouwd om te worden gesleept zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;
14. duwbak : een tankduwbak, een vrachtduwbak of een zeeschipbak;
15. tankduwbak : een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;
16. vrachtduwbak : een schip, niet zijnde een tankduwbak, dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;
17. zeeschipbak : een duwbak, die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren;
18. passagiersschip : een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;
19. schip voor dagtochten : een passagiersschip waarop zich geen hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
20. hotelschip : een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
20a. snel schip : een schip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging dat een snelheid ten opzichte van het water kan bereiken van meer dan 40 km/u;
21. drijvend werktuig : een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren;
22. schip bestemd voor bouwwerkzaamheden : een schip dat vanwege zijn bouwwijze en uitrusting geschikt en bestemd is om voor werkzaamheden op bouwlokaties te worden gebruikt, zoals spoelbakken, onderlossers, dekschuiten, pontons of steenstorters;
23. pleziervaartuig : een schip, niet zijnde een passagiersschip, dat is bestemd voor sportieve en recreatieve doeleinden;
23a. bijboot : een boot om gebruikt te worden voor vervoer, redding, berging en werkzaamheden;
24. drijvende inrichting : een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger of een botenhuis;
25. drijvend voorwerp : een vlot, alsmede een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen dat geschikt is gemaakt om te varen en dat geen schip, drijvend werktuig of drijvende inrichting is;
Samenstellen van vaartuigen
26. samenstel : een hecht samenstel of een sleep;
27. formatie : vorm van de samenstelling van een samenstel;
28. hecht samenstel : een duwstel of een gekoppeld samenstel;
29. duwstel : een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide vaartuigen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en die worden aangeduid als "duwboot" of "duwboten". Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
30. gekoppeld samenstel : een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte vaartuigen, waarvan er geen is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
31. sleep : een samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen, dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende vaartuigen met motoraandrijving;
Bijzondere ruimten van vaartuigen
32. hoofdmachinekamer : de ruimte waarin de voortstuwingsmotoren zijn opgesteld;
33. machinekamer : een ruimte waarin verbrandingsmotoren zijn opgesteld;
34. ketelruim : een ruimte waarin een met brandstof gestookte inrichting voor het opwekken van stoom of het verwarmen van thermische olie is opgesteld;
35. gesloten opbouw : een doorlopende vaste en waterdichte opbouw met vaste wanden die blijvend en waterdicht met het dek zijn verbonden;
36. stuurhuis : de ruimte waarin de voor het voeren van het schip noodzakelijke bedienings- en controleapparatuur is opgesteld;
37. verblijf : de ruimte die bestemd is voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen, met inbegrip van keukens, provisiekamers, toiletten, wasgelegenheden, washokken, portalen en gangen, met uitzondering van het stuurhuis;
37a. passagiersverblijf : voor passagiers aan boord aangewezen ruimten en afgesloten zones zoals salons, kantoren, verkoopruimten, kapsalons, droogruimten, wasserijen, sauna's, toiletten, wasgelegenheden, gangen, verbindingsgangen en open trappenhuizen;
37b. controlepost : een stuurhuis, een ruimte waarin een noodstroominstallatie dan wel onderdelen daarvan aanwezig zijn of een ruimte met een permanent door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette post, zoals voor brandmeldinstallaties, afstandsbedieningen van deuren of brandkleppen;
37c. trappenschacht : een schacht van een binnen het schip gelegen trap of van een lift;
37d. verblijfsruimte : een ruimte van een verblijf of een passagiersverblijf. Op passagiersschepen zijn keukens geen verblijfsruimten;
37e. keuken : een ruimte met een fornuis of een vergelijkbare kookgelegenheid;
37f. voorraadruimte : een ruimte voor de opslag van brandbare vloeistoffen of een ruimte met een vloeroppervlak van meer dan 4 m 2 voor de opslag van voorraden;
38. laadruim : een naar voren en achteren door schotten begrensd, open of door luiken gesloten deel van het schip, dat is bestemd voor het vervoer van goederen als stukgoed of in bulk, dan wel voor het onderbrengen van tanks die onafhankelijk zijn van de scheepsromp;
39. vaste tank : een met het schip verbonden tank, waarbij de tankwanden kunnen worden gevormd ofwel door de scheepsromp zelf ofwel door wanden die onafhankelijk zijn van de scheepsromp;
40. werkplek : een gebied waar de bemanning zijn werk moet verrichten, met inbegrip van loopplank, slingergiek en bijboot;
41. verkeersweg : een gebied dat gewoonlijk dient voor het verplaatsen van personen en goederen;
41a. veilige zone : een gebied dat aan de buitenkant wordt begrensd door een loodrecht vlak, dat op een afstand van 1/5 B WL evenwijdig aan de scheepshuid in het vlak van de grootste inzinking loopt;
41b. verzamelruimten : ruimten op het schip die speciaal beschermd zijn en waar personen zich in geval van gevaar moeten ophouden;
41c. evacuatieruimten : deel van de verzamelruimten op het schip van waar uit een evacuatie van personen kan worden gerealiseerd;
Scheepsbouwkundige begrippen
42. vlak van de grootste inzinking : het vlak door de waterlijn, overeenkomende met de grootst mogelijke inzinking waarbij het vaartuig mag varen;
43. veiligheidsafstand : de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt waarboven het vaartuig niet meer als waterdicht wordt beschouwd;
43a. resterende veiligheidsafstand : de bij slagzij van het vaartuig aanwezige loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde, waarboven het vaartuig niet meer als waterdicht wordt beschouwd;
44. vrijboord : de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt van het gangboord of, bij ontbreken van een gangboord, het laagste punt van het vaste boord;
44a. resterend vrijboord : de bij slagzij van het vaartuig aanwezige loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en de bovenkant van het dek op het laagste punt van de ondergedompelde zijde of, indien er geen dek is, het laagste punt van het vaste boord;
45. indompelingsgrenslijn : een denkbeeldige lijn op de boordwand, die ten minste 10 cm onder het schottendek en ten minste 10 cm onder het laagste niet waterdichte punt van de boordwand loopt. Bij ontbreken van een schottendek moet worden uitgegaan van een lijn, die ten minste 10 cm onder de laagste lijn loopt tot waar de buitenbeplating waterdicht is;
46. waterverplaatsing [V] : het ingedompelde volume van het schip in m 3 ;
47. deplacement [D] : totaal gewicht van het schip met inbegrip van de lading in t;
48. blokcoëfficiënt of C B : de verhouding van de waterverplaatsing tot het product van lengte L WL x breedte B WL x diepgang T;»
49. lateraal oppervlak boven de waterlijn [A] : het zijvlak van het schip boven de waterlijn in m²;
50. schottendek : het dek tot waar de voorgeschreven waterdichte schotten zijn opgetrokken en vanwaar het vrijboord wordt gemeten;
51. schot : een over het algemeen verticale wand, dienend voor de indeling van het schip, en grenzend aan de scheepsbodem, boordwanden of andere schotten en die tot een zekere hoogte wordt opgetrokken;
52. dwarsschot : een schot dat van boordwand tot boordwand reikt;
53. wand : een over het algemeen verticaal scheidingsvlak;
54. scheidingswand : een niet waterdichte wand;
55. lengte [L] : de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;
56. lengte over alles : de grootste lengte van het vaartuig in m met inbegrip van alle vaste aanbouwsels, zoals delen van roer- en voortstuwingsinstallaties, werktuigbouwkundige inrichtingen en dergelijke (ten hoogste toegelaten afmeting in de zin van het Rijnvaartpolitiereglement );
57. lengte [L WL ] : de in het vlak van de grootste inzinking van het schip gemeten grootste lengte van de scheepsromp in m;
58. breedte [B] : de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen);
59. breedte over alles : de grootste breedte van het vaartuig in m met inbegrip van alle vaste aanbouwsels, zoals schoepraderen, schuurlijsten, werktuigbouwkundige inrichtingen en dergelijke (ten hoogste toegelaten breedte in de zin van het Rijnvaartpolitiereglement );
60. breedte [B WL ] : de grootste breedte van de scheepsromp, gemeten in het vlak van de grootste inzinking van het schip, op de buitenkant van de huidbeplating in m;
61. holte [H] : kleinste verticale afstand tussen de onderkant van de bodembeplating of van de kiel en het laagste punt van het dek aan de zijde van het schip in m;
62. diepgang [T] : de verticale afstand van het laagste punt van de scheepsromp aan de onderkant van de bodembeplating of van de kiel tot het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp in m;
63. voorloodlijn : de loodrechte lijn door het snijpunt van de voorzijde van de scheepsromp met het vlak van de grootste inzinking;
64. vrije breedte van het gangboord : de afstand tussen de loodrechte lijn door het meest ver in het gangboord uitstekende deel van het luikhoofd en de loodrechte lijn door de binnenkant van de beveiliging tegen vallen (reling, voetlijst) aan de buitenkant van het gangboord;
Stuurinrichtingen
65. stuurinrichting : iedere voor het sturen van het schip benodigde inrichting die voor het bereiken van de manoeuvreereigenschappen als bedoeld in hoofdstuk 5 moet worden gebruikt;
66. roer : het roerblad of de roerbladen met de roerkoning en met inbegrip van het kwadrant, de helmstok en de verbindingsdelen met de stuurmachine;
67. stuurmachine : het deel van de stuurinrichting dat de beweging van het roer bewerkstelligt;
68. stuurmachine-aandrijving : de aandrijving van de stuurmachine vanaf de energiebron tot de verbinding met de stuurmachine;
69. energiebron : de energieverzorging van de stuurmachine-aandrijving en van de besturing vanuit het boordnet, een accumulator of een verbrandingsmotor;
70. besturing : de elementen en stroomkringen voor het bedienen van een mechanische stuurmachine-aandrijving;
71. aandrijfinstallatie van de stuurmachine : de stuurmachine-aandrijving met inbegrip van de bijbehorende besturing en energiebron;
72. handaandrijving : een aandrijving waarbij de beweging van het roer wordt bewerkstelligd door een handbewogen stuurwiel met mechanische of hydraulische overbrenging, zonder gebruik van een extra energiebron;
73. handhydraulische aandrijving : een handaandrijving met hydraulische overbrenging;
74. stuurautomaat : een inrichting die, afhankelijk van de ingestelde waarde, een bepaalde draaisnelheid van het schip automatisch bewerkstelligt en handhaaft;
75. éénmansstuurstelling voor het varen op radar : een stuurstelling die zodanig is ingericht dat het schip gedurende het varen op radar door één persoon kan worden gevoerd;
Eigenschappen van constructiedelen en materialen
76. waterdicht : constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat het binnendringen van water wordt verhinderd;
77. spatwater- en regendicht : constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat zij onder normale omstandigheden slechts een onbeduidende hoeveelheid water doorlaten;
78. gasdicht : constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat het doordringen van gassen of dampen wordt verhinderd;
79. onbrandbaar : een materiaal dat niet brandbaar is en geen ontvlambare gassen ontwikkelt in zodanige hoeveelheden dat deze bij verhitting tot ongeveer 750 °C tot zelfontbranding overgaan;
80. moeilijk ontvlambaar : een materiaal dat zelf of waarbij tenminste de oppervlakken daarvan het uitbreiden van een brand volgens de testprocedure als bedoeld in artikel 15.11, eerste lid, onder c, beperken;
81. brandwerendheid : de eigenschap van constructiedelen of inrichtingen die is aangetoond met de testprocedure als bedoeld in artikel 15.11, eerste lid, onder d;
81a. Code voor brandtestprocedures : de bij de resolutie MSC.61(67) van het maritieme veiligheidscomité van de IMO aangenomen Internationale code voor de toepassing van brandtestprocedures;
Radarapparaten
82. radarapparaat : hulpmiddel bij de navigatie voor de registratie en de weergave van de omgeving en het verkeer;
83. Inland ECDIS : gestandaardiseerd systeem voor de elektronische weergave van binnenvaartkaarten en de daarmee verbonden informatie, dat geselecteerde informatie uit een specifiek geproduceerde elektronische binnenvaartkaart en naar keuze informatie van andere navigatiesensoren weergeeft;
84. Inland ECDIS apparaat : apparaat voor de weergave van elektronische binnenvaartkaarten, dat in de informatiemodus en de navigatiemodus gebruikt kan worden;
85. informatiemodus : gebruik van Inland ECDIS alleen voor informatiedoeleinden zonder geïntegreerd radarbeeld;
86. navigatiemodus : gebruik van Inland ECDIS bij het sturen van het schip met geïntegreerd radarbeeld;
Overige begrippen
87. erkend classificatiebureau : een classificatiebureau dat is erkend door alle Oeverstaten en België, te weten: Germanischer Lloyd, Bureau Veritas en Lloyd's Register of Shipping.
88. hoogste klasse : een schip heeft de hoogste klasse, indien:
de scheepsromp met inbegrip van de roerinstallatie en het manoeuvreersysteem alsmede de uitrusting met ankers en kettingen beantwoordt aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau en is gebouwd en getest onder toezicht daarvan;
de drijfinrichting alsmede de voor het gebruik aan boord noodzakelijke hulpmotoren en inrichtingen op het gebied van machinebouw en elektriciteit zijn aangelegd en getest volgens de voorschriften van dit classificatiebureau, de inbouw daarvan onder toezicht van het classificatiebureau is uitgevoerd en de installatie als geheel na de inbouw door het bureau met succes is beproefd;
89. boordpersoneel : alle aan boord van een passagiersschip aangestelde personen die niet tot de bemanning behoren;
90. personen met beperkte mobiliteit : personen die specifieke moeilijkheden hebben bij het gebruik van openbare vervoermiddelen, zoals oudere mensen, gehandicapten, personen met een handicap op het gebied van de zintuigen, rolstoelgebruikers, zwangere vrouwen en personen die kleine kinderen begeleiden.
1.
Dit reglement is van toepassing op:
a. schepen met een lengte van 20 m of meer;
b. schepen waarvan het volume, berekend uit het produkt L * B * T, 100 m³ of meer bedraagt.
2.
Ongeacht het in het eerste lid bepaalde is dit reglement van toepassing op alle:
a. sleep- en duwboten die zijn bestemd om de in het eerste lid bedoelde schepen of drijvende werktuigen te slepen, te duwen of langszijde gekoppeld mede te voeren;
b. schepen die beschikken over een certificaat van goedkeuring als bedoeld in het ADNR;
c. passagiersschepen;
d. drijvende werktuigen.
3.
Dit reglement is niet van toepassing op veerponten als bedoeld in het Rijnvaartpolitiereglement .
Artikel 1.03
De in artikel 1.02, eerste en tweede lid, bedoelde vaartuigen moeten zijn voorzien van een certificaat van onderzoek dat is afgegeven door een Commissie van Deskundigen, die door één der Oeverstaten of België is ingesteld, of van een door de Centrale Commissie van de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend certificaat.
Artikel 1.04. Kanaalspitsen, die varen tussen Basel en de sluizen te Iffezheim
Voor kanaalspitsen die slechts de Rijn tussen Basel (Mittlere Rheinbrücke) en de sluizen te Iffezheim (met inbegrip van de meest benedenstrooms gelegen voorhaven) bevaren, volstaat in plaats van het certificaat van onderzoek een door een Commissie van Deskundigen van één der Oeverstaten of België afgegeven certificaat, waaruit de geschiktheid voor de vaart op dit riviergedeelte blijkt. In dit geval moeten zij voldoen aan hoofdstuk 19.
Artikel 1.05. Zeeschepen
Voor zeeschepen wordt het certificaat van onderzoek volgens bijlage B , indien zij niet van dit certificaat zijn voorzien, vervangen door een certificaat volgens bijlage G , waaruit de geschiktheid voor de vaart op de Rijn blijkt. In dit geval moeten zij voldoen aan hoofdstuk 20.
Artikel 1.06. Wijzigingen door voorschriften van tijdelijke aard
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard vaststellen, wanneer het voor een aanpassing aan de technische ontwikkeling van de binnenscheepvaart noodzakelijk wordt geacht om in dringende gevallen afwijkingen van dit reglement toe te laten dan wel proefnemingen mogelijk te maken, waardoor de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden benadeeld. Deze voorschriften van tijdelijke aard worden door de bevoegde autoriteit gepubliceerd en hebben een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren. Zij worden in alle Oeverstaten en in België op hetzelfde tijdstip in werking gesteld en worden onder dezelfde voorwaarden buiten werking gesteld.
hoofdstuk 23 bevoegde autoriteiten van Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995">
Artikel 1.07. Richtlijnen voor de Commissies van Deskundigen en de ter zake van hoofdstuk 23 bevoegde autoriteiten
1.
In het belang van een eenvoudige en uniforme toepassing van dit reglement kan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart richtlijnen voor de Commissies van Deskundigen vaststellen. De Commissies van Deskundigen worden van deze richtlijnen in kennis gesteld.
2.
In het belang van een eenvoudige en uniforme toepassing van hoofdstuk 23 kan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart richtlijnen voor de terzake van dat hoofdstuk bevoegde autoriteiten vaststellen. Deze bevoegde autoriteiten worden van deze richtlijnen in kennis gesteld.
3.
De Commissies van Deskundigen en de ter zake van hoofdstuk 23 bevoegde autoriteiten dienen zich aan deze richtlijnen te houden.
1.
In bepaalde daarvoor in aanmerking komende havens zijn door de Oeverstaten en België Commissies van Deskundigen ingesteld.
2.
De Commissies van Deskundigen bestaan uit een voorzitter en deskundigen.
Als deskundigen maken van iedere Commissie ten minste deel uit:
a. een ambtenaar van het bevoegd gezag op het gebied van de scheepvaart;
b. een deskundige op het gebied van de bouw van binnenschepen en hun machines,
c. een nautisch deskundige die in het bezit is van het grote patent als bedoeld in het Reglement Rijnpatenten.
3.
De voorzitter en de deskundigen van elke Commissie worden benoemd door de autoriteiten van de staat waartoe de Commissie behoort.
De voorzitter en de deskundigen dienen bij de aanvaarding van hun functie schriftelijk te verklaren dat zij deze in alle onpartijdigheid zullen vervullen. Van ambtenaren wordt een dergelijke verklaring niet geëist.
4.
De Commissies van Deskundigen kunnen zich onder de voorwaarden, zoals door elk der betrokken staten zullen worden vastgesteld, doen bijstaan door gespecialiseerde deskundigen.
1.
De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger die een onderzoek hiervan wenst, moet bij de Commissie van Deskundigen van zijn keuze een aanvraag indienen volgens het model van bijlage A . De Commissie van Deskundigen stelt vast welke bescheiden moeten worden overgelegd.
2.
De eigenaar van een vaartuig, waarop dit reglement niet van toepassing is, of zijn vertegenwoordiger, kan een certificaat van onderzoek aanvragen. Aan deze aanvraag dient gevolg te worden gegeven wanneer het schip voldoet aan de bepalingen van dit reglement.
1.
De eigenaar of zijn vertegenwoordiger moet het vaartuig leeg, schoongemaakt en met volledige uitrusting voor onderzoek aanbieden. Hij is verplicht bij het onderzoek de noodzakelijke hulp te verlenen, bijv. een geschikte boot met personeel ter beschikking te stellen, en die delen van de romp of van de installaties bloot te leggen, die niet direct toegankelijk of zichtbaar zijn.
2.
De Commissie van Deskundigen moet bij het eerste onderzoek het schip op het droge bezichtigen. Bezichtiging op het droge kan achterwege blijven wanneer een klassecertificaat of een verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd. Bij aanvullende of bijzondere onderzoeken kan de Commissie van Deskundigen een bezichtiging op het droge verlangen.
De Commissie van Deskundigen moet bij het eerste onderzoek van motorschepen en samenstellen, alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting proefvaarten doen plaatsvinden.
3.
De Commissie van Deskundigen kan extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere bewijzen verlangen. Dit geldt tevens tijdens de bouw.
1.
Wanneer de Commissie van Deskundigen op grond van het onderzoek van een vaartuig vaststelt dat dit beantwoordt aan de voorschriften van dit reglement met betrekking tot bouw, inrichting en uitrusting, geeft zij aan de aanvrager een certificaat van onderzoek volgens het model van bijlage B af.
2.
Ingeval de Commissie van Deskundigen weigert een certificaat van onderzoek af te geven, moet zij dit aan de aanvrager gemotiveerd schriftelijk mededelen.
3.
De onderscheidingsletters van de Commissie van Deskundigen en het volgnummer van het certificaat van onderzoek moeten onuitwisbaar in Latijnse letters en Arabische cijfers van ten minste 2 cm hoogte zijn aangebracht op een goed zichtbare plaats, die in het certificaat van onderzoek is vermeld, op een vast gedeelte van het schip dat is beschermd tegen stoten en dat slechts in geringe mate onderhevig is aan slijtage.
1.
De Commissie van Deskundigen kan een voorlopig certificaat afgeven voor:
a. vaartuigen die, teneinde een certificaat van onderzoek te verkrijgen, een reis willen ondernemen naar een Commissie van Deskundigen van hun keuze;
b. vaartuigen die, wegens één van de in de artikelen 2.07, 2.13, eerste lid, of 2.14 bedoelde gevallen, tijdelijk niet van hun certificaat van onderzoek zijn voorzien;
c. vaartuigen waarvan het certificaat van onderzoek na het onderzoek nog in behandeling is;
d. vaartuigen waarbij niet aan alle voorwaarden voor de afgifte van een certificaat van onderzoek overeenkomstig bijlage B of een certificaat overeenkomstig bijlage G wordt voldaan;
e. vaartuigen die zodanige schade hebben geleden dat de staat waarin zij verkeren niet meer overeenstemt met het in het certificaat van onderzoek gestelde;
f. drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, in het geval dat de voor de toepassing van artikel 1.21, eerste lid, van het Rijnvaart-politiereglement bevoegde autoriteit de vergunning voor een bijzonder transport afhankelijk stelt van het hebben van een voorlopig certificaat van onderzoek;
g. vaartuigen waarvoor een Commissie van Deskundigen gelijkwaardige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, toestaat, voor die gevallen waarvoor de Centrale Commissie voor de Rijnvaart nog geen aanbeveling heeft gedaan.
2.
Het voorlopige certificaat van onderzoek wordt volgens het model van bijlage D afgegeven, wanneer de deugdelijkheid van het vaartuig, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht.
Het moet de voorwaarden bevatten die door de Commissie van Deskundigen nodig worden geacht en is geldig:
a. in de in het eerste lid, onder a en d tot en met f , bedoelde gevallen voor één bepaalde reis, te maken binnen een redelijke termijn, die ten hoogste één maand mag zijn;
b. in de in het eerste lid, onder b en c , bedoelde gevallen gedurende een redelijke termijn;
c. in de in het eerste lid, onder g , genoemde gevallen gedurende zes maanden. Deze termijn mag slechts worden verlengd met toestemming van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
1.
De geldigheidsduur van de volgens de bepalingen van dit reglement opgemaakte certificaten van onderzoek bedraagt ingeval van nieuwbouw:
a. 5 jaren voor passagiersschepen;
b. 10 jaren voor alle andere vaartuigen.
In met redenen omklede gevallen kan de Commissie van Deskundigen een kortere geldigheidsduur bepalen. De geldigheidsduur wordt in het certificaat aangetekend.
2.
Voor vaartuigen die reeds vóórdat het onderzoek plaatsvindt in bedrijf waren, wordt de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek voor elk geval afzonderlijk, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, door de Commissie van Deskundigen bepaald. Deze geldigheidsduur mag evenwel niet langer zijn dan bij het eerste lid is voorgeschreven.
1.
Elke verandering van naam, overgang van de eigendom, iedere hermeting van een vaartuig alsmede elke wijziging van het officiële scheepsnummer, van de te boekstelling of van de thuishaven moet door de eigenaar of zijn vertegenwoordiger ter kennis worden gebracht van een Commissie van Deskundigen. Hij moet daarbij tevens het certificaat van onderzoek aan deze Commissie ter wijziging voorleggen.
2.
Alle aantekeningen in of wijzigingen van het certificaat van onderzoek, voorzien in dit reglement, in het Rijnvaartpolitiereglement en in andere, in gemeen overleg door de Oeverstaten en België vastgestelde bepalingen, kunnen door iedere Commissie van Deskundigen worden aangebracht.
3.
Wanneer een Commissie van Deskundigen in het certificaat een wijziging aanbrengt of daarin een aantekening stelt, moet zij daarvan kennis geven aan de Commissie die het betrokken certificaat heeft afgegeven.
1.
Na iedere ingrijpende verandering of reparatie van een vaartuig die van invloed is op de hechtheid van de bouw, de vaar- of manoeuvreereigenschappen of op de kenmerkende eigenschappen moet het vaartuig, voor het weer in de vaart komt, aan een Commissie van Deskundigen worden aangeboden, teneinde aan een bijzonder onderzoek te worden onderworpen.
2.
De Commissie van Deskundigen die het bijzonder onderzoek verricht, stelt, afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek, de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek vast. Deze periode mag niet langer zijn dan de lopende geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek.
De geldigheidsduur wordt aangetekend in het certificaat van onderzoek en dient ter kennis te worden gebracht van de Commissie van Deskundigen die het certificaat heeft afgegeven.
1.
Vóór afloop van de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek moet het vaartuig aan een aanvullend onderzoek worden onderworpen.
2.
Bij wijze van uitzondering kan de Commissie van Deskundigen op een met redenen omkleed verzoek van de eigenaar of zijn vertegenwoordiger de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek zonder aanvullend onderzoek met ten hoogste één jaar verlengen. Deze verlenging wordt schriftelijk gegeven en moet zich aan boord van het vaartuig bevinden.
3.
De Commissie van Deskundigen die het aanvullend onderzoek verricht, stelt afhankelijk van de resultaten daarvan de nieuwe geldigheidsduur van het certificaat vast. Hierbij wordt artikel 2.06 in acht genomen.
De geldigheidsduur wordt aangetekend in het certificaat van onderzoek en dient ter kennis te worden gebracht van de Commissie van Deskundigen die het certificaat heeft afgegeven.
4.
Indien in plaats van verlenging van de geldigheidsduur het certificaat van onderzoek door een nieuw certificaat wordt vervangen, dient het oude certificaat te worden teruggezonden aan de Commissie van Deskundigen die het heeft afgegeven.
Artikel 2.10. Vrijwillig onderzoek
De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger kan op elk moment om een vrijwillig onderzoek verzoeken.
Aan dit verzoek om een onderzoek dient gevolg te worden gegeven.
1.
Wanneer een der bevoegde autoriteiten, belast met de zorg voor de veiligheid van de scheepvaart op de Rijn, van mening is dat een vaartuig gevaar kan opleveren voor de zich aan boord bevindende personen of voor de scheepvaart, kan zij gelasten dat het vaartuig door een Commissie van Deskundigen wordt onderzocht.
2.
De eigenaar van het vaartuig draagt slechts dan de kosten van het onderzoek, wanneer de Commissie van Deskundigen erkent dat de mening van de in het eerste lid bedoelde autoriteit gegrond is.
1.
De Commissie van Deskundigen kan er geheel of gedeeltelijk van afzien te onderzoeken of een vaartuig voldoet aan de bepalingen van Deel II en van artikel 23.09 voor zover uit een geldige verklaring, afgegeven door een classificatiebureau dat door de regeringen van alle Oeverstaten en van België is erkend, blijkt dat het vaartuig geheel of gedeeltelijk aan die bepalingen voldoet.
2.
Een verklaring van een classificatiebureau, dan wel – voor zover dit volgens dit reglement voor bepaalde onderdelen van de uitrusting is toegelaten – van een andere instantie, mag door de bevoegde autoriteit slechts dan worden erkend, indien dat classificatiebureau of die andere instantie verklaart dat het de bepalingen van de richtlijnen bedoeld in artikel 1.07 in acht heeft genomen.
1.
Wanneer een Commissie van Deskundigen tijdens een onderzoek bemerkt dat een vaartuig of de uitrusting daarvan ernstige gebreken vertoont, en dat daardoor de veiligheid van de zich aan boord bevindende personen of de scheepvaart in gevaar wordt gebracht, dient het certificaat te worden ingehouden en dient de Commissie die het heeft afgegeven hiervan onverwijld in kennis te worden gesteld. Bij duwbakken en schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden dient ook de in het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven metalen plaat te worden ingehouden.
Wanneer de Commissie van Deskundigen heeft geconstateerd dat de gebreken zijn verholpen wordt het certificaat aan de eigenaar of zijn vertegenwoordiger teruggegeven.
Dit constateren en de teruggave van het certificaat kunnen op verzoek van de eigenaar of zijn vertegenwoordiger door tussenkomst van een andere Commissie geschieden.
Wanneer de Commissie van Deskundigen die het certificaat heeft ingehouden vermoedt dat de gebreken niet binnen afzienbare tijd worden verholpen, wordt het certificaat gezonden aan de Commissie van Deskundigen die het heeft afgegeven of, in geval van verlenging, die het het laatst heeft verlengd.
2.
Wanneer een vaartuig definitief is opgelegd of gesloopt, moet de eigenaar het certificaat terugzenden aan de Commissie van Deskundigen die het heeft afgegeven.
1.
Wanneer een certificaat van onderzoek verloren is gegaan, moet hiervan kennis worden gegeven aan de Commissie van Deskundigen die het heeft afgegeven.
Deze Commissie geeft dan een duplicaat van het certificaat af, dat als zodanig is gewaarmerkt.
2.
Wanneer een certificaat van onderzoek onleesbaar of om enige andere reden onbruikbaar is geworden, moet de eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger het certificaat terugzenden aan de Commissie van Deskundigen die het heeft afgegeven; deze geeft dan een duplicaat af, overeenkomstig het eerste lid.
1.
Onverminderd artikel 2.11, tweede lid, draagt de eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger de kosten die voortvloeien uit het onderzoek en de afgifte van het certificaat van onderzoek, overeenkomstig het geldende tarief, dat door elk der Oeverstaten en België wordt vastgesteld. Er mag hierbij geen onderscheid worden gemaakt uit hoofde van het land van teboekstelling van het vaartuig of de nationaliteit of woonplaats van de eigenaar.
2.
De Commissie van Deskundigen kan vóór het onderzoek een voorschot verlangen dat niet hoger mag zijn dan het vermoedelijke bedrag van de kosten.
Artikel 2.16. Inlichtingen
De Commissie van Deskundigen kan personen, die kunnen aantonen daar om gegronde redenen belang bij te hebben, kennis laten nemen van de inhoud van het certificaat van onderzoek van een vaartuig, en op hun kosten als zodanig aangeduide uittreksels of gewaarmerkte afschriften van het certificaat verstrekken.
1.
De Commissies van Deskundigen geven de door hen afgegeven certificaten een volgnummer. Zij houden een register bij van alle door hen afgegeven certificaten overeenkomstig bijlage C .
2.
De Commissies van Deskundigen bewaren de minuut of een afschrift van elk certificaat dat zij hebben afgegeven. Daarop tekenen zij alle aantekeningen en wijzigingen, alsmede ongeldigheidsverklaringen en vervangingen van de certificaten aan.
1.
De Commissie van Deskundigen die het certificaat van onderzoek afgeeft voor een vaartuig dat is teboekgesteld in één der Oeverstaten of België of waarvan de thuishaven in één van die landen is gelegen, vult op dit certificaat het officiële scheepsnummer in, dat is toegekend door de bevoegde instantie van het land waarin zijn plaats van teboekstelling of zijn thuishaven is gelegen.
Aan vaartuigen die niet uit één der Oeverstaten of België afkomstig zijn wordt het officiële scheepsnummer, dat op het certificaat van onderzoek moet worden ingevuld, toegekend door de bevoegde instantie van de staat waarin de Commissie van Deskundigen is gevestigd die dit certificaat afgeeft.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing op zeeschepen en pleziervaartuigen.
2.
Het officiële scheepsnummer bestaat uit zeven Arabische cijfers. De eerste twee cijfers duiden het land aan en de instantie die het officiële scheepsnummer heeft toegekend, overeenkomstig de volgende indeling:
Frankrijk 01–19
Nederland 20–39
Duitsland 40–59
België 60–69
Zwitserland 70–79
overige landen 80–99

De volgende vijf cijfers van het officiële scheepsnummer komen overeen met het volgnummer van het register dat door de bevoegde instantie wordt bijgehouden. Met het oog op technische controles kan het officiële scheepsnummer worden gevolgd door een kleine letter. Bij vaartuigen die noch in een Oeverstaat noch in België zijn teboekgesteld of daar hun thuishaven hebben, duiden de eerste twee cijfers het land aan waar de thuishaven van het vaartuig is gelegen. Deze worden door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgesteld. De volgende twee cijfers duiden het land aan en de instantie die het officiële scheepsnummer heeft toegekend.
3.
Het officiële scheepsnummer verandert tijdens de gehele levensduur van het vaartuig niet. Wanneer evenwel het vaartuig in een ander land wordt teboekgesteld of wanneer zijn thuishaven in een ander land komt te liggen, wordt het officiële scheepsnummer ongeldig. Het certificaat van onderzoek moet dan worden aangeboden aan een Commissie van Deskundigen, die het ongeldige officiële scheepsnummer doorhaalt en in voorkomend geval het nieuwe officiële scheepsnummer invult dat door de bevoegde instantie is toegekend.
4.
De eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger moet de toekenning van het officiële scheepsnummer bij de bevoegde instantie aanvragen. Bij schepen als bedoeld in artikel 2.01, eerste lid onder c , van het Rijnvaartpolitiereglement moet hij tevens het officiële scheepsnummer, dat in het certificaat van onderzoek is ingevuld, daarop doen aanbrengen, alsmede dit doen verwijderen wanneer het niet meer geldig is.
1.
Wanneer in de bepalingen van Deel II wordt bepaald dat op een vaartuig bepaalde materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken moeten worden gebruikt of aan boord moeten zijn, of dat bepaalde bouwkundige maatregelen moeten worden getroffen of bepaalde opstellingen moeten worden aangehouden, kan de Commissie van Deskundigen de toepassing of de aanwezigheid aan boord van dit vaartuig van andere materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken toestaan, dan wel dat andere bouwkundige maatregelen worden getroffen of dat andere opstellingen worden aangehouden, mits deze op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart als gelijkwaardig zijn erkend.
2.
Wanneer de Centrale Commissie voor de Rijnvaart nog geen aanbeveling met betrekking tot een gelijkwaardigheid als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan, kan de Commissie van Deskundigen een voorlopig certificaat van onderzoek afgeven.
De bevoegde autoriteiten stellen de Centrale Commissie voor de Rijnvaart binnen een maand na afgifte van het voorlopig certificaat overeenkomstig artikel 2.05, eerste lid onder g, in kennis van de naam en het officiële scheepsnummer van het vaartuig, van de aard van de afwijking, alsmede van het land waarin het vaartuig is teboekgesteld of waarin zijn thuishaven is gelegen.
3.
Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan een Commissie van Deskundigen op grond van een aanbeveling van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart voor een vaartuig met nieuwe technische voorzieningen die afwijken van de bepalingen van Deel II een certificaat van onderzoek afgeven, voor zover deze nieuwe voorzieningen een voldoende veiligheid bieden.
4.
De in het eerste en derde lid genoemde gelijkwaardigheden en afwijkingen dienen in het certificaat van onderzoek te worden ingevuld.
Artikel 3.01. Algemene regel
Schepen moeten volgens goed scheepsbouwgebruik zijn gebouwd.
1.
De sterkte van de scheepsromp moet zodanig zijn dat zij in overeenstemming is met de belasting waaraan de romp onder normale omstandigheden is blootgesteld.
a. Bij nieuwbouw van een schip en bij verbouwingen waardoor de sterkte van het schip kan worden beïnvloed, dient door berekeningen te worden aangetoond dat de scheepsromp sterk genoeg is. Dit is niet nodig, indien een klassecertificaat of een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd.
b. Bij onderzoeken als bedoeld in artikel 2.09 moeten de minimale diktes van de bodem-, kim- en zijbeplating van de scheepshuid overeenkomstig de volgende methode worden gecontroleerd:
Bij schepen die van staal zijn gebouwd moet als minimale dikte t min de grootste van de aan de hand van de volgende formules vastgestelde waarden worden genomen:
c = factor voor bouwwijze:
  c = 0,95 voor schepen met een dubbele bodem en zijtanks, waarvan het laadruimlangsschot in de zijde verticaal onder de denneboom is geplaatst
  c = 1,0 voor schepen met een andere bouwwijze.
1. Voor schepen met een lengte van meer dan 40 m: t min  = f· b· c (2,3 + 0,04 L) [mm]
voor schepen met een lengte van 40 m of minder: t min  = f· b· c (1,5 + 0,06 L) [mm], echter ten minste 3,0 mm.
2. Voor schepen ongeacht de lengte: t min  = 0,005· a ? T [mm]
In deze formules betekent:
a = spantafstand in [mm];
   
f = factor voor spantafstand:
  f = 1 voor a ? 500 mm
  f = 1 + 0,0013 (a – 500) voor a > 500 mm;
   
b = factor voor bodem- en zijbeplating of kimbeplating:
  b = 1,0 voor bodem- en zijbeplating
  b = 1,25 voor kimbeplating.

Bij de berekening van de minimumdikte van de kimbeplating kan voor de factor voor de spantafstand worden uitgegaan van f = 1. De minimumdikte van de kimbeplating mag echter in geen geval minder zijn dan die van de bodem- en zijbeplating.
c. De minimale plaatdikte die met de in onderdeel b vermelde formules is berekend mag bij schepen die in langsrichting zijn gebouwd en die van een dubbele bodem en zijtanks zijn voorzien zoveel minder zijn als door een erkend classificatiebureau is vastgesteld en gedocumenteerd nadat de voldoende sterkte van de scheepsromp rekenkundig is aangetoond.
Vernieuwing van de beplating is noodzakelijk wanneer de dikte van bodem- of zijbeplating minder is dan de aldus vastgestelde waarde.
De volgens bovenstaande methode vastgestelde waarden voor de minimumdikten van de beplating van de scheepshuid zijn grenswaarden bij een normale en gelijkmatige slijtage onder de voorwaarde dat scheepsbouwstaal is gebruikt en dat de inwendige constructiedelen, zoals spanten, bodemvrangen en hoofd-, langs- en dwarsverbanddelen zich in goede staat bevinden en dat het casco geen schade heeft opgelopen die wijst op overbelasting van de romp in langsscheepse richting.
Indien de werkelijke waarden lager zijn dan de berekende waarden, moeten de desbetreffende platen worden vervangen of gerepareerd. Plaatselijke kleine, dunnere plekken kunnen worden toegestaan tot een afwijking van ten hoogste 10% van de minimumdikte.
2.
Indien voor de scheepsromp een ander materiaal dan staal wordt gebruikt, moet met een berekening worden aangetoond dat de sterkte (sterkte in langs- en dwarsrichting alsmede plaatselijke sterkte) tenminste overeenkomt met die, welke bij het gebruik van staal met inachtneming van de minimale diktes als bedoeld in het eerste lid zou zijn geresulteerd. Indien een klassecertificaat dan wel een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd kan deze berekening achterwege blijven.
3.
De stabiliteit van de schepen moet in overeenstemming zijn met het doel waarvoor zij zijn bestemd.
1.
De volgende waterdichte schotten, die reiken tot tegen het dek of, wanneer er geen dek is, tot aan de bovenkant van het scheepsboord, moeten tenminste zijn aangebracht:
a. een aanvaringsschot op een redelijke afstand van de voorsteven, zodanig dat bij vollopen van de vóór het aanvaringsschot gelegen waterdichte afdeling het drijfvermogen van het beladen schip behouden blijft en dat een resterende veiligheidsafstand van 100 mm in stand blijft.
Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien het aanvaringsschot op een afstand tussen 0,04 L en 0,04 L + 2 m, gemeten vanaf de voorloodlijn, is aangebracht.
Indien deze afstand meer is dan 0,04 L + 2m moet het voldoen aan deze eis rekenkundig worden aangetoond.
De afstand mag tot 0,03 L worden gereduceerd. In dat geval moet rekenkundig worden aangetoond dat aan de bovengenoemde eis kan worden voldaan, wanneer de vóór het aanvaringsschot gelegen waterdichte afdeling alsmede de direct daaraan grenzende afdelingen samen zijn volgelopen;
b. een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven bij schepen met een lengte van meer dan 25 m.
2.
Verblijven alsmede voor de veiligheid van het schip en van de bedrijfsvoering noodzakelijke inrichtingen mogen zich niet vóór het vlak van het aanvaringsschot bevinden. Dit geldt niet voor ankerinrichtingen.
3.
Verblijven, machinekamers en ketelruimen, alsmede de daarbij behorende werkruimten, moeten van de laadruimen zijn gescheiden door middel van waterdichte schotten die reiken tot tegen het dek.
4.
Verblijven moeten van de machinekamers en ketel- en laadruimen gasdicht zijn gescheiden en rechtstreeks van het dek af toegankelijk zijn. Wanneer een dergelijke toegang niet aanwezig is, moet een extra nooduitgang rechtstreeks toegang geven tot het dek.
5.
In de bij het eerste en derde lid voorgeschreven schotten en de in het vierde lid bedoelde begrenzing van ruimten mogen zich geen openingen bevinden.
Deuren in het achterpiekschot en openingen voor de doorvoering van assen, leidingen enz. zijn evenwel toegestaan, wanneer zij zodanig zijn uitgevoerd dat de doelmatigheid van deze schotten en van de begrenzing van ruimten onverlet blijft. Deuren in het achterpiekschot zijn alleen toegestaan, indien door middel van afstandsbewaking in het stuurhuis kan worden vastgesteld of zij gesloten dan wel geopend zijn en indien aan beide zijden goed leesbaar het volgende opschrift is aangebracht:
"Deur steeds onmiddellijk na het openen weer sluiten".
6.
Openingen waarlangs water wordt in- of uitgelaten, alsmede de aangesloten leidingen moeten zo geconstrueerd zijn dat onopzettelijk binnendringen van water in de scheepsromp niet mogelijk is.
7.
Een voorschip moet zodanig gebouwd zijn dat ankers noch geheel, noch gedeeltelijk buiten de scheepshuid uitsteken.
1.
De ruimten waarin machine-installaties of ketels, alsmede hun toebehoren zijn opgesteld, moeten zodanig uitgerust en ingericht zijn dat bediening, toezicht en onderhoud van de zich aldaar bevindende installaties gemakkelijk en zonder gevaar kunnen geschieden.
2.
Bunkers voor vloeibare brandstof of smeerolie mogen met ruimten bestemd voor passagiers en met verblijven geen begrenzingsvlakken gemeen hebben die bij normaal bedrijf onder de statische druk van de vloeistof staan.
3.
Wanden, dekken en deuren van de machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn gemaakt.
Isolaties in machinekamers moeten zijn beschermd tegen het binnendringen van olie en oliedampen.
Alle openingen in wanden, dekken en deuren van machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van buitenaf kunnen worden gesloten. De afsluitinrichtingen moeten van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn gemaakt.
4.
Machinekamers, ketelruimen en andere ruimten waarin zich brandbare of giftige gassen kunen ontwikkelen, moeten voldoende kunnen worden geventileerd.
5.
De trappen en ladders die toegang geven tot machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten vast zijn aangebracht en zijn gemaakt van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar materiaal.
6.
Machinekamers en ketelruimen moeten twee uitgangen hebben, waarvan er een als nooduitgang mag zijn uitgevoerd.
Van een tweede uitgang kan worden afgezien, indien:
a. het grondvlak (gemiddelde lengte * gemiddelde breedte ter hoogte van de vloerplaten) van een machinekamer of ketelruim in totaal niet meer bedraagt dan 35 m²,
b. de vluchtweg vanaf iedere standplaats waar bedieningshandelingen of onderhoudswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd tot aan de uitgang, of tot aan het voetpunt van de trap bij de uitgang die naar buiten leidt, niet meer bedraagt dan 5 m, en
c. bij de plaats van onderhoud die het verst verwijderd is van de uitgang een draagbaar blustoestel aanwezig is, en wel in afwijking van artikel 10.03, eerste lid onder e, ook indien de geïnstalleerde motorcapaciteit 100 kW of minder bedraagt.
7.
Het ten hoogste toegestane niveau van de geluidsdruk in de machinekamers bedraagt 110 dB(A). De meetpunten moeten worden gekozen met inachtneming van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden tijdens het normale bedrijf van de installaties.
1.
De veiligheidsafstand moet ten minste 300 mm bedragen.
2.
De veiligheidsafstand van schepen waarvan de openingen niet spatwater- en regendicht kunnen worden afgesloten en van schepen die met open laadruimen varen, moet zóveel worden verhoogd dat elk van deze openingen ten minste 500 mm van het vlak van de grootste inzinking is verwijderd.
1.
Het vrijboord bedraagt voor schepen met een doorlopend dek zonder zeeg en zonder bovenbouw 150 mm.
2.
Bij schepen met zeeg en bovenbouw wordt het vrijboord berekend volgens de formule:
In deze formule betekent:
? de correctie-coëfficiënt, waarin met alle aanwezige bovenbouwen rekening wordt gehouden;
? v de correctie-coëfficiënt voor de invloed van de voorste zeeg, veroorzaakt door de aanwezigheid van bovenbouwen in het voorste vierde deel van de scheepslengte L;
? a de correctie-coëfficiënt voor de invloed van de achterste zeeg, veroorzaakt door de aanwezigheid van bovenbouwen in het achterste vierde deel van de scheepslengte L;
Se v de in rekening te brengen voorste zeeg in mm;
Se a de in rekening te brengen achterste zeeg in mm.
3.
De coëfficiënt wordt berekend volgens de formule:
In deze formule betekent:
le m de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m op de middelste helft van de scheepslengte L;
le v de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m in het voorste vierde deel van de scheepslengte L;
le a de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m in het achterste vierde deel van de scheepslengte L.
De in rekening te brengen lengte van een bovenbouw wordt berekend volgens de volgende formules:
,
,
In deze formules betekent:
l de werkelijke lengte van de desbetreffende bovenbouw in m;
b de breedte van de desbetreffende bovenbouw in m;
B 1 de breedte van het schip in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating ter hoogte van het dek, gemeten op de halve lengte van de desbetreffende bovenbouw;
h de hoogte van de desbetreffende bovenbouw in m. Voor luikhoofden wordt h evenwel berekend door de hoogte van de luikhoofden met de halve veiligheidsafstand overeenkomstig artikel 4.01 te verminderen. Voor h wordt in geen geval een hogere waarde dan 0,36 m aangenomen.
Wanneer het quotiënt van b en B of van b en B 1 kleiner is dan 0,6 moet de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw le gelijk aan nul worden gesteld.
4.
De coëfficiënten ? v en ? a worden volgens de volgende formules berekend:
5.
De respectievelijk in rekening te brengen voorste en achterste zeeg Se v en Se a wordt volgens de volgende formules berekend: Se v = s v . p , Se a = s a . p .
In deze formules betekent:
S v de werkelijke zeeg in het voorschip in mm; voor S v mag echter geen grotere waarde dan 1000 mm worden aangenomen;
S a de werkelijke zeeg in het achterschip in mm; voor S a mag echter geen grotere waarde dan 500 mm worden aangenomen;
p een coëfficiënt, die volgens de volgende formule wordt berekend:
Hierin is x de van het scheepseinde af gemeten abscis tot het punt waar de zeeg gelijk is aan 0,25 S v of 0,25 S a (zie onderstaande schets):
Voor de coëfficiënt p mag echter geen waarde groter dan 1 worden genomen.
6.
Wanneer de waarde van ? a .Se a groter is dan die van ? v .Se v wordt in plaats van de waarde van ? a .Se a die van ? v .Se v genomen.
Artikel 4.03. Kleinste vrijboord
Rekening houdende met de vermindering overeenkomstig artikel 4.02 mag het kleinste vrijboord niet minder dan 0 mm bedragen.
1.
Het vlak van de grootste inzinking moet zo worden vastgesteld dat aan de voorschriften omtrent het kleinste vrijboord en aan die omtrent de kleinste veiligheidsafstand wordt voldaan. De Commissie van Deskundigen kan echter uit veiligheidsoverwegingen een groter vrijboord, dan wel een grotere veiligheidsafstand vaststellen.
2.
Het vlak van de grootste inzinking wordt door goed zichtbare en onuitwisbare inzinkingsmerken aangegeven.
3.
De inzinkingsmerken bestaan uit een rechthoek met horizontale zijden van 300 mm en verticale zijden van 40 mm, waarvan de basis samenvalt met het vlak van de toegelaten grootste inzinking. Andersoortige inzinkingsmerken dienen een dergelijke rechthoek te bevatten.
4.
Schepen moeten ten minste drie paar inzinkingsmerken hebben, waarvan één paar ongeveer midscheeps en de twee andere op ongeveer 1/6 van de lengte L achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven moeten zijn aangebracht.
Evenwel kan:
a. bij schepen waarvan de lengte L minder dan 40 m bedraagt, met twee paar merken worden volstaan, die op ¼ van de lengte L achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven moeten zijn aangebracht;
b. bij schepen die niet zijn bestemd voor het vervoer van goederen, met één paar merken worden volstaan, dat ongeveer midscheeps moet zijn aangebracht.
5.
De ingevolge een nieuw onderzoek ongeldig geworden inzinkingsmerken of aanduidingen moeten onder toezicht van de Commissie van Deskundigen worden verwijderd of als ongeldig worden gekenmerkt. Onduidelijk geworden inzinkingsmerken mogen alleen onder toezicht van een Commissie van Deskundigen worden vervangen.
6.
Wanneer het schip overeenkomstig het van kracht zijnde verdrag nopens de meting van binnenschepen is gemeten en de ijkmerken in hetzelfde vlak liggen als de in dit reglement voorgeschreven inzinkingsmerken, gelden deze ijkmerken ook als inzinkingsmerken; daaromtrent wordt een aantekening geplaatst in het certificaat van onderzoek.
Artikel 4.05. Ten hoogste toegelaten inzinking van schepen waarvan de laadruimen niet altijd spatwater- en regendicht zijn gesloten
Wanneer het vlak van de grootste inzinking is vastgesteld onder de voorwaarde dat de laadruimen spatwater- en regendicht moeten kunnen worden gesloten en de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en de bovenrand van de denneboom minder dan 500 mm bedraagt, moet de ten hoogste toegelaten inzinking voor de vaart met open laadruimen worden vastgesteld.
In het certificaat van onderzoek moet dan worden ingevuld:
"Wanneer de luiken van de laadruimen geheel of gedeeltelijk zijn geopend, mag het schip ten hoogste tot ...mm onder de inzinkingsmerken zijn beladen."
1.
Elk schip waarvan de diepgang meer dan 1 m kan bereiken moet aan het achterschip aan iedere zijde van een diepgangsschaal zijn voorzien; aanvullende diepgangsschalen zijn toegestaan.
2.
Het nulpunt van iedere diepgangsschaal moet loodrecht daaronder liggen in een vlak evenwijdig aan het vlak van de grootste inzinking, dat door het laagste punt van de scheepsromp gaat of van de kiel, wanneer deze aanwezig is. De afstand loodrecht boven het nulpunt moet in decimeters zijn ingedeeld. Deze indeling moet vanaf het vlak voor de waterlijn bij ledig schip tot 100 mm boven het vlak van de grootste inzinking op iedere diepgangsschaal door ingehakte of ingeslagen merken zijn aangebracht. Deze indeling moet voorts in de vorm van goed zichtbare, afwisselend in twee verschillende kleuren geschilderde stroken zijn aangeduid. De indeling moet naast de schaal ten minste bij elke 5 decimeter, alsmede aan het boveneinde, door cijfers zijn aangegeven.
3.
De twee achterste ijkschalen, die met toepassing van het in artikel 4.04, zesde lid, genoemde verdrag zijn aangebracht, kunnen als diepgangsschalen dienst doen, mits zij overeenkomstig bovenstaande voorschriften zijn ingedeeld; in voorkomend geval moeten de cijfers voor de diepgang zijn toegevoegd.
Artikel 5.01. Algemene bepalingen
Schepen en samenstellen moeten over voldoende vaar- en manoeuvreereigenschappen beschikken:
Schepen zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging die bestemd zijn om gesleept te worden, moeten voldoen aan de bijzondere eisen van de Commissie van Deskundigen;
Schepen met eigen mechanische middelen tot voortbeweging en samenstellen moeten voldoen aan de artikelen 5.02 tot en met 5.10.
1.
De vaar- en manoeuvreereigenschappen dienen door proefvaarten te worden aangetoond. Daarbij dient te worden vastgesteld:
2.
De Commissie van Deskundigen kan geheel of gedeeltelijk afzien van proefvaarten, wanneer op andere wijze wordt aangetoond dat aan de eisen wat betreft vaar- en manoeuvreereigenschappen wordt voldaan.
1.
De in artikel 5.02 bedoelde proefvaarten dienen in de door de bevoegde autoriteiten aangewezen vakken van de Rijn of van andere binnenwateren te worden uitgevoerd.
2.
Deze proefvaarttrajecten moeten zich bevinden in zo recht mogelijke vakken met een lengte van ten minste 2 km en voldoende breedte in stromend of stil water en moeten zijn voorzien van duidelijk herkenbare markeringen om de positie van het schip vast te kunnen stellen.
3.
De hydrologische gegevens, zoals waterdiepte, vaarwaterbreedte en gemiddelde stroomsnelheid in het vaarwater bij verschillende waterstanden moeten door de Commissie van Deskundigen kunnen worden vastgesteld.
Artikel 5.04. Beladingstoestand van schepen en samenstellen tijdens de proefvaart
Schepen en samenstellen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen moeten voor de proefvaarten zo mogelijk gelijklastig en ten minste voor 70% zijn beladen. Wanneer de proefvaart met minder lading wordt uitgevoerd, moet de toelating voor wat betreft de afvaart tot deze belading worden beperkt.
1.
Bij de proefvaarten mogen geen ankers worden gebruikt, maar wel alle in het certificaat van onderzoek, onder 34 en 52, ingevulde inrichtingen die vanuit de stuurstelling te bedienen zijn.
2.
Bij opdraaimanoeuvres als bedoeld in artikel 5.10 mogen echter de boegankers worden gebruikt.
1.
Schepen en samenstellen moeten een snelheid ten opzichte van het water van ten minste 13 km/u kunnen bereiken. Dit geldt niet voor duwboten indien zij alleen varen.
2.
Voor schepen en samenstellen die slechts op de reden en in de havens varen kan de Commissie van Deskundigen afwijkingen toestaan.
3.
De Commissie van Deskundigen gaat na of het vaartuig in onbeladen toestand een snelheid ten opzichte van het water van 40 km/u kan overschrijden. Is dit het geval dan moet in het certificaat van onderzoek onder nummer 52 worden vermeld: «Het vaartuig is in staat een snelheid van 40 km/u ten opzichte van het water te overschrijden.»
1.
Schepen en samenstellen moeten tijdig kop vóór kunnen stilhouden en moeten tegelijkertijd voldoende bestuurbaar blijven.
2.
Bij schepen en samenstellen met een lengte L van 86 m of minder en een breedte van 22,90 m of minder kunnen deze stop-eigenschappen worden vervangen door de keer-eigenschappen.
3.
De stop-eigenschappen dienen door stopmanoeuvres op één der in artikel 5.03 bedoelde proefvaartvakken en de keer-eigenschappen door opdraaimanoeuvres als bedoeld in artikel 5.10 te worden aangetoond.
Artikel 5.08. Achteruitvaareigenschappen
Wanneer de in artikel 5.07 genoemde noodzakelijke stopmanoeuvre in stilstaand water wordt uitgevoerd, dient tevens een achteruitvaarproef te worden uitgevoerd.
Artikel 5.09. Uitwijkeigenschappen
Schepen en samenstellen moeten tijdig kunnen uitwijken. De uitwijkeigenschappen dienen te worden aangetoond door uitwijkmanoeuvres op één der in artikel 5.03 bedoelde proefvaartvakken.
Artikel 5.10. Keereigenschappen
Schepen en samenstellen met een lengte van 86 m of minder en een breedte van 22,90 m of minder moeten tijdig kunnen keren.
Deze keereigenschappen kunnen door de in artikel 5.07 bedoelde stop-eigenschappen worden vervangen.
De keereigenschappen dienen door opdraaimanoeuvres te worden aangetoond.
1.
Schepen moeten zijn voorzien van een betrouwbaar werkende stuurinrichting waarmee ten minste de in hoofdstuk 5 bedoelde manoeuvreereigenschappen worden bereikt.
2.
Werktuiglijk aangedreven stuurinrichtingen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat het roer niet onvoorzien van stand kan veranderen.
3.
De gehele stuurinrichting moet voor een permanente slagzij van het schip tot 15° en omgevingstemperaturen van -20° C tot + 50° C geschikt zijn.
4.
De afzonderlijke onderdelen van de stuurinrichting moeten qua sterkte zodanig zijn geconstrueerd dat alle onder normale omstandigheden daarop inwerkende krachten goed kunnen worden opgenomen. De van buitenaf op het roer inwerkende krachten mogen het functioneren van de stuurmachine en zijn aandrijving niet beïnvloeden.
5.
Stuurinrichtingen moeten een mechanisch aangedreven stuurmachine hebben wanneer de voor de bediening van het roer te leveren krachten dit vereisen.
6.
Stuurmachines met een mechanische aandrijving moeten een beveiliging tegen overbelasting hebben die het door de aandrijving uitgeoefende koppel begrenst.
7.
Asdoorvoeringen van roerkoningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen waterverontreinigende smeermiddelen naar buiten kunnen treden.
1.
Bij stuurmachines met mechanische aandrijving moet in geval van uitval of storing van de aandrijving binnen 5 seconden een tweede onafhankelijke aandrijving of een handaandrijving in werking kunnen worden gesteld.
2.
Wanneer het inschakelen van de tweede aandrijving of van de handaandrijving niet automatisch geschiedt, moet de roerganger deze met één enkele handeling onmiddellijk, snel en eenvoudig kunnen inschakelen.
3.
Ook wanneer de tweede aandrijving of de handaandrijving in werking is, moeten de in hoofdstuk 5 bedoelde manoeuvreereigenschappen kunnen worden gerealiseerd.
1.
Aan de hydraulische aandrijfinstallatie van de stuurmachine mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten. Wanneer twee gescheiden aandrijfinstallatiesvan de stuurmachine aanwezig zijn, is dit echter voor één van de twee installaties toegestaan, indien de verbruikers in de retourleiding zijn aangesloten en door een afsluitinrichting van de aandrijving van de stuurmachine kunnen worden gescheiden.
2.
Bij twee hydraulische aandrijfinstallaties is voor elke installatie een onafhankelijke tank voor het hydraulische systeem vereist, waarbij tanks met ingebouwd scheidingsschot zijn toegestaan. De tanks voor het hydraulische systeem dienen te zijn uitgerust met een niveau-alarmsysteem, dat het dalen van het olieniveau beneden de voor het veilig kunnen functioneren laagst toegestane stand controleert.
3.
Wanneer het stuurventiel vanuit de stuurstelling met de hand of handhydraulisch kan worden bediend, kan met één stuurventiel worden volstaan.
4.
De afmetingen, constructie en plaatsing van de pijpleidingen moeten beschadigingen door mechanische invloeden of vuur zo veel mogelijk uitsluiten.
5.
Bij hydraulische aandrijfinstallaties kan voor de tweede installatie van de stuurmachine worden afgezien van een gescheiden pijpleidingsysteem, wanneer een onafhankelijke werking van de twee aandrijfinstallaties is gewaarborgd en het leidingsysteem is berekend op ten minste de 1,5-voudige ten hoogste toelaatbare werkdruk.
6.
Hydraulische slangen zijn slechts toegestaan wanneer het gebruik daarvan in verband met het verminderen van trillingen of de bewegingsvrijheid van de componenten absoluut noodzakelijk is. Zij moeten ten minste zijn berekend op de ten hoogste toegelaten werkdruk.
1.
Stuurinrichtingen met twee mechanische aandrijvingen moeten beschikken over twee energiebronnen.
2.
Wanneer de tweede energiebron van een stuurmachine met mechanische aandrijving tijdens de vaart niet continu kan worden gebruikt, moet de voor het starten daarvan benodigde tijd door een buffersysteem van voldoende capaciteit worden overbrugd.
3.
Bij elektrische energiebronnen mogen uit de toevoer van de stuurinrichtingen geen andere verbruikers worden gevoed.
1.
Het handstuurwiel mag niet meegedraaid kunnen worden door een mechanische aandrijving.
2.
Terugslag van het stuurwiel moet bij automatisch inschakelen van de handaandrijving bij iedere stand van het roer zijn verhinderd.
1.
Indien bij roerpropeller-, waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties de afstandsbediening voor de verandering van de richting van de stuwkracht elektrisch, hydraulisch of pneumatisch is, dan moeten vanaf de stuurstelling tot de propeller- of straalinstallatie twee van elkaar onafhankelijke besturingssystemen aanwezig zijn die voldoen aan de in de artikelen 6.01 tot en met 6.05 genoemde eisen.
Dit is niet van toepassing indien het gebruik van dergelijke installaties niet noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de manoeuvreereigenschappen bedoeld in hoofdstuk 5, dan wel uitsluitend voor de stopproef.
2.
Indien twee of meer van elkaar onafhankelijke roerpropeller-, waterstraal- of cycloïdaalschroefinstallaties aanwezig zijn, is het tweede besturingssysteem niet vereist indien het schip bij het uitvallen van één van deze installaties manoeuvreerbaar blijft overeenkomstig hoofdstuk 5.
1.
De stand van het roer moet bij de stuurstelling duidelijk zichtbaar zijn. Elektrische roerstandaanwijzers moeten een eigen voeding hebben.
2.
De stuurstelling moet van ten minste de volgende instrumenten voor signalering en controle zijn voorzien:
a. het oliepeil van de tanks voor het hydraulische systeem als bedoeld in artikel 6.03, tweede lid, en de werkdruk van het hydraulische systeem;
b. het uitvallen van de voeding van de elektrische besturingsenergie;
c. het uitvallen van de voeding van de elektrische energie ten behoeve van de aandrijving;
d. het uitvallen van de stuurautomaat;
e. het uitvallen van de voorgeschreven buffersystemen.
1.
Stuurautomaten en de onderdelen ervan moeten voldoen aan artikel 9.20.
2.
Een groen lampje in de stuurstelling moet aangeven dat de stuurautomaat voor gebruik gereed is.
Uitval, ontoelaatbare afwijkingen van de spanning van de voeding en ontoelaatbare daling van de rotatiefrequentie van de gyroscoop moeten worden gecontroleerd.
3.
Wanneer er naast de stuurautomaat nog andere besturingssystemen aanwezig zijn, moet bij de stuurstelling duidelijk te zien zijn welk systeem is ingeschakeld. De omschakeling van het ene systeem naar het andere moet onmiddellijk kunnen geschieden. Storingen van stuurautomaten mogen het betrouwbaar functioneren van de stuurinrichting niet kunnen beïnvloeden.
4.
De voeding van de elektrische energie van de stuurautomaat moet onafhankelijk zijn van andere verbruikers.
5.
De in stuurautomaten gebruikte gyroscopen, sensoren of bochtaanwijzers moeten voldoen aan de minimumeisen van de "Voorschriften omtrent de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers in de Rijnvaart".
1.
De correcte installatie van de stuurinrichting dient door een Commissie van Deskundigen te worden gekeurd. Daartoe kan de Commissie van Deskundigen om de volgende bescheiden vragen:
a. Beschrijving van de stuurinrichting;
b. Bouwtekeningen en gegevens over de aandrijvingen van de stuurmachine en de besturing;
c. Gegevens over de stuurmachine;
d. Schakelschema voor de elektrische installatie;
e. Beschrijving van de stuurautomaat;
f. Gebruiksaanwijzing van de installatie.
2.
Bij een proefvaart dient de werking van de stuurinrichting als geheel te worden gekeurd. Bij stuurautomaten dient te worden getest of op veilige wijze een rechte koers wordt gehouden en of op veilige wijze in bochten wordt gevaren.
1.
Stuurhuizen moeten zodanig zijn ingericht dat de roerganger zijn werkzaamheden tijdens de vaart te allen tijde kan verrichten.
2.
Tijdens het normale bedrijf van het schip mag het niveau van de geluidsdruk voortgebracht door het schip bij de stuurstelling ter hoogte van het hoofd van de roerganger niet hoger zijn dan 70 dB(A).
3.
Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar moet de roerganger zijn werkzaamheden zittend kunnen verrichten en moeten alle voor het voeren van het schip noodzakelijke signalerings- en controle-instrumenten en de bedieningsapparatuur zodanig zijn gerangschikt dat de roerganger ze tijdens de vaart gemakkelijk kan observeren en bedienen zonder daarbij zijn plaats te hoeven verlaten en zonder het radarbeeld uit het oog te verliezen.
1.
Het uitzicht vanaf de stuurstelling moet naar alle zijden voldoende vrij zijn.
2.
De dode hoek voor de boeg van het lege schip met halve voorraden en zonder ballast mag voor de roerganger niet meer dan 250 m zijn.
Optische hulpmiddelen als bedoeld in artikel 1.09 van het Rijnvaartpolitiereglement ter verkleining van de dode hoek mogen bij het onderzoek niet in aanmerking worden genomen.
3.
Het vrije gezichtsveld vanaf de plaats waar de roerganger zich gewoonlijk bevindt moet ten minste 240° van de horizon bedragen. Daarvan moet een gezichtsveld van ten minste 140° binnen de voorste halve cirkel liggen.
In de normale zichtas van de roerganger mogen zich geen vensterstijlen, steunen of opbouwen bevinden.
Indien geen voldoende vrij uitzicht naar achteren gewaarborgd is, kan de Commissie van Deskundigen andere maatregelen eisen, zoals de inbouw van optische hulpmiddelen.
4.
Door adequate middelen moet zijn gewaarborgd dat onder alle weersomstandigheden door de voorruiten helder zicht mogelijk is.
5.
In stuurhuizen gebruikte ruiten moeten een minimale lichtdoorlaatbaarheid van 75% hebben.
1.
De voor het voeren van een schip noodzakelijke bedieningsapparatuur moet gemakkelijk kunnen worden bediend. De stand waarin zij zijn gebracht moet duidelijk herkenbaar zijn.
2.
Controle-instrumenten moeten gemakkelijk kunnen worden afgelezen; zij moeten traploos regelbaar kunnen worden verlicht. Lichtbronnen mogen niet storen of de zichtbaarheid van de controle-instrumenten beïnvloeden.
3.
Er moet een inrichting voor het controleren van de signaallampjes aanwezig zijn.
4.
Of een inrichting in werking is, moet duidelijk zichtbaar zijn. Wanneer dit door een signaallampje wordt aangegeven, moet dit groen zijn.
5.
Storingen of het uitvallen van inrichtingen waarvan controle verplicht is, dient door rode signaallampjes te worden aangegeven.
6.
Wanneer één van de rode signaallampjes gaat branden moet een akoestisch signaal klinken. Voor de verschillende lampjes kan hetzelfde akoestische alarmsignaal worden gegeven. Het geluidsniveau van dit signaal moet ten minste 3 dB(A) meer bedragen dan het maximaal heersende geluidsniveau ter plaatse van de stuurstelling.
7.
Het akoestische signaal mag kunnen worden uitgezet na het constateren van het uitvallen of van de storing. Dit mag geen nadelige invloed hebben op het functioneren van het signaal voor andere storingen. De rode signaallampjes mogen echter pas na het verhelpen van de storing uitgaan.
8.
De signalerings- en controle-instrumenten moeten bij het uitvallen van de voeding automatisch op een andere energiebron worden geschakeld.
1.
De bediening en de controle van de voortstuwingsmotoren en van de stuurinrichtingen moet vanaf de stuurstelling mogelijk zijn.
Voortstuwingsmotoren die zijn voorzien van een vanaf de stuurstelling bedienbare koppeling, of die een vanaf de stuurstelling bedienbare verstelbare schroef aandrijven, hoeven slechts in de machinekamer aan- en uitgezet te kunnen worden.
Voortstuwingsmotoren die zijn voorzien van een vanaf de stuurstelling bedienbare koppeling, of die een vanaf de stuurstelling bedienbare verstelbare schroef aandrijven, hoeven slechts in de machinekamer aan- en uitgezet te kunnen worden.
2.
De bediening van elke voortstuwingsmotor moet kunnen geschieden door één enkele hefboom. De hefboom moet volgens een cirkelboog, welke zich bevindt in een verticaal vlak dat nagenoeg evenwijdig is aan de lengte-as van het schip kunnen worden bewogen. Het verplaatsen van deze hefboom in de richting van het voorschip moet het schip vooruit doen varen, terwijl verplaatsing van de hefboom in de richting van het achterschip het schip achteruit doet varen. Aan weerszijde van de nulstand van de hefboom vindt het koppelen of omkeren plaats. In de nulstand moet de hefboom vanzelf blijven staan.
3.
Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar moet de richting van de door de aandrijving op het schip werkende voortstuwingskracht alsmede het toerental van de schroeven of voortstuwingsmotoren worden aangegeven.
4.
De in de artikelen 6.07, tweede lid, 8.03, tweede lid en 8.05, elfde lid, voorgeschreven signalerings- en controle-instrumenten moeten in de stuurstelling zijn aangebracht.
5.
Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar moet de besturing van het schip plaats vinden door middel van een hefboom. Deze hefboom moet gemakkelijk met de hand bediend kunnen worden. De hoek van de hefboom moet overeenkomen met de stand van de roerbladen ten opzichte van de lengte-as van het schip. De hefboom moet in onverschillig welke positie kunnen worden losgelaten, zonder dat dan de stand van de roerbladen verandert. De nulstand van de hefboom moet duidelijk voelbaar zijn.
6.
Wanneer het schip is voorzien van koproeren of bijzondere roeren (b.v. voor achteruitvaren), moeten deze bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar door speciale hefbomen kunnen worden bediend, die aan de in het vijfde lid genoemde toepasselijke eisen voldoen.
Dit geldt ook wanneer bij samenstellen de roerinstallaties van andere vaartuigen dan het voor het voeren van het samenstel gebruikte vaartuig worden gebruikt.
7.
Bij het gebruik van stuurautomaten moet het bedieningsorgaan voor het instellen van de draaisnelheid in elke willekeurige positie kunnen worden losgelaten zonder dat daardoor de ingestelde draaisnelheid verandert.
Het bedieningsorgaan moet een zodanige zwenkhoek hebben dat voldoende nauwkeurigheid van de instelling is gewaarborgd. De nulstand moet voelbaar van andere standen zijn te onderscheiden. De schaalverdeling moet traploos regelbaar kunnen worden verlicht.
8.
Inrichtingen voor afstandsbediening van de gehele stuurinrichting moeten vast ingebouwd zijn en zodanig zijn geïnstalleerd dat de gekozen vaarrichting duidelijk zichtbaar is. Wanneer zij uitgeschakeld kunnen worden, moeten zij voorzien zijn van een aanwijzer die aangeeft of de inrichting "aan" of "uit" is. De opstelling en bediening van de verschillende onderdelen van deze inrichtingen moeten overeenkomen met de functie daarvan.
Voor aanvullende installaties van de stuurinrichting, zoals boegschroefinstallaties, zijn niet vast ingebouwde afstandsbedieningen toegestaan wanneer door een prioriteitsschakeling in het stuurhuis de bediening van de aanvullende installatie te allen tijde kan worden overgenomen.
9.
Bij roerpropeller-, waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroef-installaties zijn gelijkwaardige bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten toegestaan.
Voor deze installaties zijn het eerste tot en met achtste lid met inachtneming van de bijzondere kenmerken en de gekozen opstelling van de genoemde aktieve stuurinrichtingen en de voorstuwingsinrichtingen van overeenkomstige toepassing. Voor alle installaties moet overeenkomstig hun stand kunnen worden afgelezen ofwel de richting van de op het schip werkende voortstuwing, ofwel de richting van de straal.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. navigatielichten: toplichten, boordlichten, heklichten, rondom schijnende lichten, blauwe flikkerlichten en blauwe lichten voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
b. lichtseinen: de bij de geluidsseinen en het blauwe bord behorende lichten.
2.
Voor zover de controle van de navigatielichten niet rechtstreeks vanuit het stuurhuis mogelijk is, moeten ter controle van deze lichten in het stuurhuis stroomaanwijslampen of gelijkwaardige inrichtingen, zoals controlelampjes, zijn aangebracht.
3.
Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar moeten ter controle van de navigatielichten en de lichtseinen controlelampen in de stuurstelling zijn ingebouwd. De schakelaars van de navigatielichten moeten in of vlakbij de daarbij behorende controlelampen zijn aangebracht en daar duidelijk bij behoren.
De groepering en de kleur van de controlelampen van de navigatielichten en de lichtseinen moeten overeenkomen met de werkelijke opstelling en de kleur van de ingeschakelde navigatielichten en de lichtseinen.
Het niet-functioneren van een navigatielicht of lichtsein moet het uitgaan van de overeenkomstige controlelamp tot gevolg hebben dan wel op andere wijze door de betreffende controlelamp worden aangegeven.
4.
Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar dient de bediening van de geluidsseinen met de voet te kunnen geschieden. Dit geldt niet voor het in het Rijnvaartpolitiereglement bedoelde "blijf weg"-sein.
1.
De radarinstallatie en de bochtaanwijzer moeten overeenkomen met een door de bevoegde autoriteit toegelaten type. Aan de voorschriften van het Besluit radar- en bochtaanwijzerapparatuur Rijnvaart 1989 moet zijn voldaan.
Inland ECDIS apparaten, die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als radarinstallaties. Zij moeten tevens voldoen aan de eisen van Inland ECDIS.
De bochtaanwijzer moet vóór de roerganger in diens gezichtsveld zijn geplaatst.
2.
Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar:
a. mag het radarscherm niet wezenlijk buiten de blikrichting van de roerganger vallen;
b. moet het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn;
c. moet de bochtaanwijzer direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.
1.
Op schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar moet voor het schip- -schipverkeer en de nautische informatie het ontvangen door een luidspreker en het zenden door een vast opgestelde microfoon geschieden. Het overschakelen van "ontvangen" naar "zenden" moet door middel van drukknoppen geschieden.
In geen geval mag de microfoon van dit verkeer voor verbindingen van het openbaar verkeer kunnen worden gebruikt.
2.
Wanneer een schip met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar is uitgerust met een marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, moet de ontvangst daarvan vanaf de zitplaats van de roerganger mogelijk zijn.
Artikel 7.08. Interne spreekverbinding aan boord
Aan boord van schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar moet een interne spreekverbinding aanwezig zijn.
Vanaf de stuurstelling moeten de volgende spreekverbindingen tot stand kunnen worden gebracht:
a. met het voorschip van het schip of het voorste gedeelte van het samenstel;
b. met het achterschip van het schip of het achterste gedeelte van het samenstel, indien geen directe communicatie daarmee vanaf de stuurstelling mogelijk is;
c. met het verblijf of de verblijven van de bemanning;
d. met de hut van de schipper.
Op alle punten van deze spreekverbinding dient het luisteren door luidsprekers en het spreken door vast opgestelde microfoons te kunnen geschieden. Met het voorschip en het achterschip van het schip of van het samenstel is een marifoonverbinding toegestaan.
1.
Er moet een onafhankelijke alarminstallatie aanwezig zijn, waarmee de verblijven, de machinekamers en eventueel aparte pompkamers kunnen worden bereikt.
2.
De roerganger moet een schakelaar "AAN/UIT" voor de bediening van het alarmsein binnen zijn bereik hebben. Voor dit sein mag geen schakelaar worden gebruikt die, wanneer men hem loslaat, automatisch in de stand "UIT" kan terugspringen.
3.
Het geluidsniveau van het alarmsignaal moet in de verblijven ten minste 75 dB (A) bedragen.
In de machine- en pompkamers moet een overal goed waarneembaar, rondom zichtbaar knipperlicht als alarmsignaal aanwezig zijn.
Artikel 7.10. Verwarming en ventilatie
Stuurhuizen moeten zijn voorzien van een doeltreffende en regelbare verwarming en ventilatie.
Artikel 7.11. Installatie voor het bedienen van hekankers
Op schepen en samenstellen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar waarvan de lengte L meer dan 86 m of de breedte B meer dan 22,90 m bedraagt, moet de roerganger de hekankers vanaf zijn plaats kunnen presenteren.
Artikel 7.12. In de hoogte verstelbare stuurhuizen
In de hoogte verstelbare stuurhuizen moeten zijn voorzien van een noodinrichting waarmee deze kunnen worden neergelaten.
Telkens wanneer het stuurhuis in een lagere stand wordt gezet, moet automatisch een akoestisch waarschuwingssignaal duidelijk waarneembaar zijn. Dit geldt niet wanneer door adequate bouwkundige maatregelen geen gevaar bestaat voor verwondingen ten gevolge van de verstelling van de hoogte.
In alle hoogtestanden moet het mogelijk zijn het stuurhuis zonder gevaar te verlaten.
Artikel 7.13. Aantekening in het certificaat van onderzoek voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar
Wanneer een schip voldoet aan de in de artikelen 7.01, 7.04 tot en met 7.08 en 7.11 bedoelde voorschriften voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar, moet in het certificaat van onderzoek worden aangetekend:
"Goedgekeurd voor het voeren van het schip met behulp van radar door één persoon".
1.
Werktuigen alsmede de bijbehorende installaties moeten vakkundig zijn ontworpen, uitgevoerd en geïnstalleerd.
2.
Installaties die controle vereisen zoals stoomketels, andere drukvaten, alsmede hun toebehoren en liften moeten voldoen aan de voorschriften van één der Oeverstaten of van België.
3.
Er mogen alleen verbrandingsmotoren worden geïnstalleerd die brandstoffen gebruiken met een vlampunt boven 55° C.
1.
Machine-installaties moeten zo zijn ingericht en opgesteld, dat zij voor bediening en onderhoud voldoende toegankelijk zijn en personen, die ze moeten bedienen of onderhouden, niet in gevaar kunnen worden gebracht. Zij moeten kunnen worden beveiligd tegen onopzettelijke inbedrijfstelling.
2.
Aan de hoofd- en hulpmotoren alsmede de stoomketels en drukvaten moeten beschermende inrichtingen zijn aangebracht; hetzelfde geldt voor hun toebehoren.
3.
Aandrijvingen voor de pers- en zuigventilatoren moeten in geval van nood ook buiten de ruimte waar zij zich bevinden en buiten de machinekamer uitgeschakeld kunnen worden.
1.
De aandrijving van een schip moet op betrouwbare en snelle wijze aangezet, gestopt en van vooruit op achteruit of andersom gezet kunnen worden.
2.
Het kritieke peil van
a. de temperatuur van het koelwater van de voortstuwingsmotoren;
b. de druk van de smeerolie van de voortstuwingsmotoren en de transmissie;
c. de olie- en luchtdruk van de omkeerinrichting van de voortstuwingsmotoren, de keerkoppeling of de schroeven;
moet worden aangegeven door daartoe geschikte inrichtingen, die bij het bereiken van kritieke waarden een alarmsignaal in werking stellen.
3.
Bij schepen met slechts één voortstuwingsmotor mag, behalve ingeval van overtoeren, de motor niet automatisch worden stopgezet.
4.
Doorvoeringen van assen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen waterverontreinigende smeermiddelen naar buiten kunnen treden.
1.
Uitlaatgassen moeten volledig naar buitenboord worden afgevoerd.
2.
Het binnendringen van uitlaatgassen in de verschillende ruimten van het schip moet door doelmatige maatregelen zijn verhinderd. Uitlaatgassenleidingen die door verblijven of het stuurhuis gaan, moeten in die ruimten zijn voorzien van een gasdichte mantel. De ruimte tussen de uitlaatgassenleiding en de mantel moet in verbinding staan met de open lucht.
3.
Uitlaatgassenleidingen moeten zodaning zijn aangelegd en beschermd dat zij geen brand kunnen veroorzaken.
4.
In de machinekamer moeten uitlaatgassenleidingen voldoende geïsoleerd of gekoeld zijn. Buiten de machinekamer kan een beveiliging tegen aanraken voldoende zijn.
1.
Vloeibare brandstoffen moeten zijn opgeslagen in tot de scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal of, wanneer dit wegens de constructie van het schip nodig is, van een met het oog op brandveiligheid gelijkwaardig materiaal. Dit geldt niet voor tanks van hulpaggregaten met een inhoud van maximaal 12 l, die van fabriekswege hecht met deze zijn verbonden. Brandstoftanks mogen geen begrenzingsvlakken gemeen hebben met drinkwaterreservoirs.
2.
Deze tanks, alsmede brandstofleidingen en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd en ingericht dat zich geen brandstof of gas onopzettelijk in het inwendige van het schip kan verspreiden.
Afsluitinrichtingen op brandstoftanks, die dienen voor het ontnemen van brandstof of voor de afwatering, moeten zelfsluitend zijn.
3.
Voor het aanvaringsschot mag zich geen brandstoftank bevinden.
4.
Dagtanks en hun appendages mogen niet zijn geplaatst boven motoren of uitlaatgassenleidingen.
5.
De vulopeningen van brandstoftanks moeten duidelijk zijn gekenmerkt.
6.
De vulleidingen van brandstoftanks moeten aan dek uitmonden, met uitzondering van die der dagtanks. De vulleidingen moeten voorzien zijn van een aansluitkoppeling volgens de Europese norm EN 12 827. Deze tanks moeten zijn voorzien van een ontluchtingsleiding die bovendeks in de open lucht uitmondt en zo zijn ingericht dat geen water kan binnendringen. De doorsnede van deze ontluchtingsleiding moet ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding.
Indien tanks voor vloeibare brandstoffen met elkaar in verbinding staan, moet de doorsnede van de verbindingsleiding ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding.
7.
De uitgaande leidingen voor vloeibare brandstoffen moeten onmiddellijk bij de tanks zijn voorzien van een afsluitinrichting, die van het dek af kan worden bediend. Dit geldt niet voor brandstoftanks die rechtstreeks aan de motor zijn aangebouwd.
8.
Brandstofleidingen, hun verbindingen, afdichtingen en appendages moeten zijn vervaardigd uit materiaal dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische belasting. Brandstofleidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden.
9.
Brandstoftanks moeten zijn voorzien van een peilinrichting die afleesbaar moet zijn tot aan de hoogste vulstand. De peilglazen moeten tegen beschadigingen zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van zelfsluitende afsluitinrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale omgevingstemperaturen niet vervormen.
Smeerolietanks moeten zijn voorzien van een peilinrichting.
10.
a. Brandstoftanks moeten door geschikte technische inrichtingen aan boord, die in het certificaat van onderzoek onder nummer 52 moeten worden vermeld, zijn beveiligd tegen het uitstromen van brandstof tijdens het bunkeren.
b. Wanneer brandstof wordt ingenomen van bunkerstations die door hun eigen technische inrichtingen tegen het uitstromen van brandstof aan boord tijdens het bunkeren beveiligd zijn, is het uitrustingsvoorschrift, bedoeld in onderdeel a en in het elfde lid, niet van toepassing.
11.
Indien brandstoftanks zijn uitgerust met een automatische uitschakelinrichting, moeten de meetelementen bij een tankvulstand van 97 % het bunkeren onderbreken; deze inrichtingen moeten voldoen aan de maatstaf «failsafe».
Indien het meetelement een elektrisch contact in werking stelt, dat in de vorm van een binair signaal de van het bunkerstation afkomstige en gevoede stroomkring kan onderbreken, moet het signaal naar het bunkerstation kunnen worden overgebracht via een waterdichte apparatenstekker van een koppelingsinrichting volgens de internationale norm IEC 60309–1: 1999 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur.
12.
Tanks voor vloeibare brandstoffen moeten zijn voorzien van afsluitbare openingen voor reiniging en inspectie.
13.
Brandstoftanks die onmiddellijk aan de voortstuwingsmotoren en aan de voor de vaart noodzakelijke andere motoren zijn aangesloten, moeten zijn voorzien van een inrichting waardoor zowel optisch als akoestisch in het stuurhuis wordt aangegeven dat de hoeveelheid brandstof in de tank niet meer voldoende is voor een veilige voortzetting van de vaart.
1.
Iedere waterdichte afdeling moet afzonderlijk kunnen worden gelenst. Dit geldt niet voor waterdichte afdelingen die tijdens de vaart gewoonlijk luchtdicht zijn afgesloten.
2.
Op schepen waarvoor een bemanning is voorgeschreven, moeten twee onafhankelijk van elkaar werkende lenspompen aanwezig zijn, die niet in dezelfde ruimte mogen staan, en waarvan er ten minste één door een motor wordt aangedreven. Indien deze schepen echter een motorvermogen hebben van minder dan 225 kW of een laadvermogen van minder dan 350 t, dan wel, in geval van schepen die niet bestemd zijn voor het vervoer van goederen, een waterverplaatsing van minder dan 250 m 3 , is een hand- of motorlenspomp voldoende.
Elk der voorgeschreven pompen moet voor elke waterdichte afdeling te gebruiken zijn.
3.
De minimale capaciteit Q 1 van de eerste lenspomp moet worden berekend volgens de volgende formule:
;
d 1 moet worden berekend volgens de volgende formule:
.
De minimale capaciteit Q 2 van de tweede lenspomp moet worden berekend volgens de volgende formule:
;
d 2 moet worden berekend volgens de volgende formule:
.
De afmeting d 2 behoeft echter niet groter te zijn dan de afmeting d 1 .
Bij het berekenen van Q 2 heeft l betrekking op de langste waterdichte afdeling.
In deze formules betekent:
l: de lengte van de desbetreffende waterdichte afdeling in [m];
d 1 : de rekenkundige inwendige diameter van de hoofdlensleiding in [mm];
d 2 : de rekenkundige inwendige diameter van de aftakking van de lensleiding in [mm].
4.
Indien de lenspompen zijn aangesloten op een lenssysteem moet de inwendige diameter van de lensleidingen ten minste afmeting d 1 hebben, in mm, en de inwendige diameter van de aftakkingen ten minste afmeting d 2 , in mm.
Voor schepen met een lengte L van minder dan 25 m mogen de afmetingen d 1 en d 2 worden verminderd tot 35 mm.
5.
Er zijn slechts zelfaanzuigende lenspompen toegestaan.
6.
In iedere lensbare afdeling met een vlakke bodem en een breedte van meer dan 5 m moet zich aan stuurboord en aan bakboord tenminste één lenskorf bevinden.
7.
De achterpiek mag door middel van een gemakkelijk toegankelijke, zelfsluitende aftapinrichting, die naar de machinekamer loopt, gelenst kunnen worden.
8.
De aftakkingen van de leidingen van afzonderlijke afdelingen moeten door een vastzetbare terugslagklep aan de hoofdlensleiding zijn aangesloten.
Afdelingen of andere ruimten, die als ballastruimten dienen, behoeven slechts via een afsluiter aan het lenssysteem te zijn aangesloten. Dit geldt niet voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast. Het vullen van dergelijke laadruimen met ballastwater moet door een van de lensleiding gescheiden, vast geïnstalleerde ballastleiding of door aftakkingen geschieden, die als flexibele leidingen of door middel van beweegbare tussenstukken met de hoofdlensleiding kunnen worden verbonden. Bodemkleppen zijn hiervoor niet toegestaan.
9.
Vullingen van laadruimen moeten zijn voorzien van peilmogelijkheden.
10.
Indien een lensinrichting is uitgevoerd met vast aangebrachte leidingen, moeten de lensleidingen van de bilgen die voor het verzamelen van oliehoudend water zijn bestemd, zijn voorzien van door een Commissie van Deskundigen in gesloten stand verzegelde afsluiters. Het aantal en de plaats van deze afsluiters moeten worden vermeld in het certificaat van onderzoek.
11.
Het afgesloten zijn moet worden beschouwd als gelijkwaardig aan een verzegeling als bedoeld in het tiende lid. De sleutel of sleutels van de sloten van de afsluitinrichtingen moeten overeenkomstig gekenmerkt op een gemakkelijk toegankelijke en aangeduide plaats in de machinekamer worden bewaard.
1.
Het tijdens het bedrijf van een schip vrijkomend oliehoudend water moet aan boord kunnen worden verzameld. In dit verband wordt de machinekamer-bilge aangemerkt als verzamelruimte.
2.
Voor het verzamelen van afgewerkte olie moeten in de machinekamer(s) één of meer speciaal daarvoor bestemde reservoirs zijn aangebracht die ten minste 1,5 keer de hoeveelheid afgewerkte olie uit de carters van alle ingebouwde verbrandingsmotoren en tandwielkasten, alsmede de hoeveelheid hydraulische olie afkomstig uit de hydraulische olietanks, kunnen bevatten.
Aansluitingen voor het leeghalen van deze reservoirs moeten voldoen aan de Europese norm EN 1305: 1996.
3.
Voor schepen die slechts worden ingezet op korte trajecten kan de Commissie van Deskundigen ontheffing verlenen van het tweede lid.
1.
Het door een varend schip voortgebrachte geluid, in het bijzonder de door het aanzuigen van lucht en door de uitlaat van de motoren veroorzaakte geluiden, moet met daartoe geschikte middelen worden gedempt.
2.
Het door een varend schip voortgebrachte geluid mag op 25 m afstand zijdelings van de scheepswand niet meer bedragen dan 75 dB(A).
3.
Bij stilliggende schepen mag het geluid, behalve tijdens het laden en lossen, op 25 m afstand zijdelings van de scheepswand niet meer bedragen dan 65 dB(A).
Artikel 8a.01. Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
01. motor: een motor die werkt volgens het principe van de compressieontsteking (dieselmotor);
02. typegoedkeuring: de beslissing waardoor de bevoegde autoriteit verklaart dat een motortype, een motorfamilie of een motorgroep aan de technische voorschriften van dit hoofdstuk voldoet wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes uit de motor(en);
03. inbouwkeuring: de procedure waarbij door de bevoegde autoriteit wordt gewaarborgd dat de in een vaartuig ingebouwde motor, met inbegrip van eventuele na de typegoedkeuring aangebrachte wijzigingen en/of afstellingen, voldoet aan de technische voorschriften van dit hoofdstuk wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes;
04. tussentijdse keuring: de procedure waarbij door de bevoegde autoriteit wordt gewaarborgd dat de in een vaartuig in gebruik zijnde motor, met inbegrip van eventuele na de inbouwkeuring aangebrachte wijzigingen en/of afstellingen, voldoet aan de technische voorschriften van dit hoofdstuk wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes;
05. bijzondere keuring: de procedure waarbij door de bevoegde autoriteit wordt gewaarborgd dat de in een vaartuig in gebruik zijnde motor na iedere belangrijke wijziging nog aan de technische voorschriften van dit hoofdstuk voldoet wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes;
06. motortype: een groepering van motoren die met betrekking tot de essentiële motorkenmerken vermeld in bijlage J, deel II, aanhangsel 1 , niet verschillend zijn; er dient tenminste één eenheid van een motortype te zijn gebouwd;
07. motorfamilie: een door de fabrikant vastgestelde en door de bevoegde autoriteit type goedgekeurde groepering van motoren, die vanwege hun ontwerp naar verwachting vergelijkbare eigenschappen hebben wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes, en die aan de voorschriften van dit hoofdstuk voldoen;
08. motorgroep: een door de fabrikant vastgestelde en door de bevoegde autoriteit goedgekeurde groepering van motoren, die vanwege hun ontwerp naar verwachting vergelijkbare eigenschappen hebben wat betreft het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes, en die aan de voorschriften van dit hoofdstuk voldoen, waarbij een afstelling of een wijziging van afzonderlijke motoren na de typegoedkeuring toegelaten is binnen vastgelegde grenzen;
09. basismotor: een uit een motorfamilie of motorgroep geselecteerde motor die voldoet aan de voorschriften van bijlage J, deel I, onderdeel 5
10. nominaal vermogen: het netto vermogen van de motor bij nominaal toerental en volle belasting;
11. fabrikant: de persoon of organisatie die tegenover de bevoegde autoriteit verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuringsprocedure en voor de conformiteit van de produktie. Het is niet noodzakelijk dat deze persoon of organisatie rechtstreeks betrokken is bij alle fasen van de bouw van de motor. Indien de motor pas na zijn oorspronkelijke fabricage door veranderingen en aanvullingen wordt aangepast voor gebruik op een vaartuig in de zin van dit hoofdstuk, is de fabrikant normalerwijs de persoon of de organisatie die deze veranderingen of aanvullingen heeft uitgevoerd;
12. inlichtingenformulier: het formulier, bedoeld in bijlage J, deel II , waarin staat vermeld welke gegevens door de aanvrager moeten worden verstrekt;
13. informatiedossier: het geheel van gegevens, tekeningen, foto's en andere bescheiden die de aanvrager overeenkomstig de eisen van het inlichtingenformulier aan de technische dienst of de bevoegde autoriteit moet verstrekken;
14. informatiepakket: het informatiedossier plus alle testrapporten en andere documenten die de technische dienst of de bevoegde autoriteit tijdens de uitvoering van hun taken aan het informatiedossier hebben toegevoegd;
15. certificaat van typegoedkeuring: het document, bedoeld in bijlage J, deel III , waarin de bevoegde autoriteit de typegoedkeuring vaststelt;
16. proces-verbaal van de motorkenmerken: het document, bedoeld in bijlage J, deel VIII , waarin alle kenmerken van de motor, met inbegrip van de onderdelen (componenten) en afstellingen die een weerslag hebben op het niveau van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes evenals alle veranderingen daarvan, vastgelegd zijn.
1.
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle motoren met een nominaal vermogen (PN) gelijk aan of groter dan 19 kW, die geïnstalleerd zijn aan boord van vaartuigen of die ingebouwd zijn in zich aan boord bevindende werktuigen, voor zover ze niet vallen onder de desbetreffende richtlijnen van de Europese Gemeenschap met betrekking tot de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes.
2.
De uitstoot van deze motoren van koolmonoxide (CO), koolwaterstoffen (HC), stikstofoxide (NO x ) en van deeltjes (PT) mag, met betrekking tot het nominale toerental n, de volgende waarden niet overschrijden:
3.
Het voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, wordt voor een motortype, een motorfamilie of een motorgroep vastgesteld door middel van een typegoedkeuring. De typegoedkeuring wordt vastgelegd in een certificaat van typegoedkeuring. De eigenaar of zijn gevolmachtigde moet een kopie van het certificaat van typegoedkeuring voegen bij de aanvraag van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.02. Een kopie van het certificaat van typegoedkeuring en een kopie van het proces-verbaal van de motorkenmerken moeten zich aan boord bevinden.
4.
Na de inbouw van de motor aan boord, maar voor zijn ingebruikstelling, moet een inbouwkeuring worden uitgevoerd. Deze keuring, die deel uitmaakt van het eerste onderzoek van het vaartuig of van een bijzonder onderzoek naar aanleiding van de inbouw van de betreffende motor, leidt ofwel tot het inschrijven van de motor in het eerste af te geven certificaat van onderzoek ofwel tot een wijziging van het bestaande certificaat van onderzoek.
5.
Tussentijdse keuringen van de motor moeten worden uitgevoerd in het kader van het aanvullend onderzoek, bedoeld in artikel 2.09.
6.
Na elke belangrijke wijziging van een motor, die een invloed heeft op de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes, moet altijd een bijzondere keuring plaatsvinden.
7.
De nummers van de typegoedkeuringen en de identificatienummers van alle aan boord van een vaartuig geïnstalleerde motoren, die onder de bepalingen van dit hoofdstuk vallen, moeten door de Commissie van Deskundigen worden ingeschreven onder punt 52 van het certificaat van onderzoek.
8.
De bevoegde autoriteit kan zich voor de vervulling van taken, bedoeld in dit hoofdstuk, doen bijstaan door een technische dienst.
1.
Een aanvraag van een typegoedkeuring van een motortype, een motorfamilie of een motorgroep moet door de fabrikant bij de bevoegde autoriteit worden ingediend. Bij de aanvraag moet een informatiedossier en het ontwerp van een proces-verbaal van de motorkenmerken worden gevoegd. De fabrikant moet voor de typekeuringen een motor, die voldoet aan de essentiële kenmerken vermeld in bijlage J, deel II, aanhangsel 1 , demonstreren.
2.
Indien de bevoegde autoriteit, in het geval van een aanvraag van een typegoedkeuring van een motorfamilie of van een motorgroep, vaststelt dat de ingediende aanvraag met betrekking tot de geselecteerde basismotor voor de in bijlage J, deel II, aanhangsel 2 , beschreven motorfamilie of motorgroep niet representatief is, moet een andere, en eventueel een extra, basismotor, die door de bevoegde autoriteit wordt aangewezen, ten behoeve van de goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking worden gesteld.
3.
Een aanvraag van een typegoedkeuring voor een motortype, een motorfamilie of een motorgroep mag bij niet meer dan één bevoegde autoriteit worden ingediend. Voor ieder goed te keuren motortype, motorfamilie of motorgroep moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.
1.
De bevoegde autoriteit, waarbij de aanvraag wordt ingediend, verleent de typegoedkeuring voor alle motortypes, motorfamilies of motorgroepen die overeenstemmen met de gegevens van de informatiedossiers en aan de voorschriften van dit hoofdstuk voldoen.
2.
De bevoegde autoriteit vult voor ieder motortype en iedere motorfamilie of motorgroep waarvoor zij goedkeuring verleent alle desbetreffende onderdelen van het certificaat van typegoedkeuring in, waarvan het model is opgenomen in bijlage J, deel III ; zij stelt de inhoudsopgave van het informatiepakket op of verifieert deze. De certificaten van typegoedkeuring moeten worden genummerd volgens het systeem aangegeven in bijlage J, deel IV . Het ingevulde certificaat van typegoedkeuring en de daarbij behorende bijlagen worden aan de aanvrager toegezonden.
3.
Indien de goed te keuren motor zijn functie slechts vervult of bijzondere kenmerken slechts vertoont in combinatie met andere onderdelen van het vaartuig waarin hij zal worden ingebouwd, en om die reden de naleving van één of meer eisen slechts kan worden geverifieerd wanneer de goed te keuren motor in combinatie met andere echte of gesimuleerde onderdelen van het vaartuig functioneert, moet de geldigheid van de typegoedkeuring van deze motor (motoren) dienovereenkomstig worden beperkt. In dergelijke gevallen moeten in het certificaat van typegoedkeuring van een motortype, van een motorfamilie of van een motorgroep de eventuele beperkingen in het gebruik alsmede eventuele voorwaarden waaraan bij montage moet worden voldaan, worden vermeld.
4.
Elke bevoegde autoriteit zendt:
a. bij iedere wijziging aan de andere bevoegde autoriteiten een lijst, die de in bijlage J, deel V , vermelde gegevens bevat, van de goedkeuringen van de motortypes, de motorfamilies en de motorgroepen die zij in de betrokken periode heeft verleend, geweigerd of ingetrokken;
b. op verzoek van een andere bevoegde autoriteit een kopie van het certificaat van typegoedkeuring van het motortype, de motorfamilie of de motorgroep al dan niet met het informatiepakket van ieder motortype en iedere motorfamilie of motorgroep waarvoor zij goedkeuring heeft verleend, geweigerd of ingetrokken, en zo nodig de lijst van de motoren die zijn geproduceerd in overeenstemming met de verleende typegoedkeuringen, omschreven in artikel 8a.06, derde lid, met de gegevens, bedoeld in bijlage J, deel VI .
5.
Elke bevoegde autoriteit zendt jaarlijks en bovendien bij ontvangst van een daartoe strekkend verzoek aan het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart een kopie van het in bijlage J, deel VII , bedoelde technische gegevensformulier betreffende de motortypes, motorfamilies en motorgroepen die sinds de laatste kennisgeving zijn goedgekeurd.
1.
De bevoegde autoriteit, die de typegoedkeuring heeft verleend, moet de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat zij in kennis wordt gesteld van iedere wijziging van de gegevens in het informatiepakket.
2.
De aanvraag om wijziging of uitbreiding van een typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de bevoegde autoriteit die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend.
3.
Indien in het informatiepakket vermelde gegevens worden gewijzigd, verstrekt de bevoegde autoriteit:
a. indien nodig, de herziene bladzijden van het informatiepakket; op iedere herziene bladzijde moeten duidelijk de aard van de wijziging en de datum van de herziene versie zijn vermeld; bij iedere heruitgave van bladzijden moet ook de inhoudsopgave van het informatiepakket (dat bij het certificaat van typegoedkeuring is gevoegd) worden gewijzigd om deze in overeenstemming te brengen met de laatste stand van zaken;
b. een herzien certificaat van typegoedkeuring (met een uitbreidingsnummer) indien de daarin voorkomende gegevens (met uitzondering van de bijlagen) zijn gewijzigd of indien de minimum eisen van dit hoofdstuk sinds de oorspronkelijke datum van de goedkeuring zijn veranderd; in dit herziene certificaat moeten duidelijk de reden voor de herziening en de datum van afgifte van de herziene versie worden vermeld.
Indien de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend vastgesteld heeft, dat een voorgenomen wijziging van het informatiepakket aanleiding is voor nieuwe proeven of tests, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis en geeft zij de bovengenoemde documenten pas af nadat de nieuwe proeven of tests met goed gevolg zijn verricht.
1.
De fabrikant brengt op iedere eenheid die conform de typegoedkeuring is geproduceerd de in bijlage J, deel I, onderdeel 1 , vastgestelde merktekens aan met inbegrip van het typegoedkeuringsnummer.
2.
Indien de typegoedkeuring overeenkomstig artikel 8a.04, derde lid, beperkingen aan het gebruik bevat, moeten door de fabrikant bij iedere gefabriceerde eenheid gedetailleerde gegevens over deze beperkingen alsmede de volledige inbouwvoorschriften worden bijgeleverd.
3.
De fabrikant zendt op verzoek van de autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend binnen 45 dagen na het einde van ieder kalenderjaar, en onmiddellijk na ieder verder tijdstip dat door de autoriteit is vastgesteld, een lijst met de identificatienummers (serienummers) van alle motoren die conform de eisen van dit hoofdstuk zijn geproduceerd sinds de laatste lijst werd ingediend of sinds de datum waarop deze voorschriften voor het eerst van kracht werden. Indien het codesysteem van de motor daarover geen uitsluitsel geeft, moet deze lijst het verband aangeven tussen de identificatienummers en de daarbij behorende motortypes, de motorfamilies of de motorgroepen en de typegoedkeuringsnummers. Bovendien moet de lijst bijzondere gegevens bevatten indien de fabrikant niet langer een goedgekeurd motortype, een goedgekeurde motorfamilie of motorgroep produceert. Indien de bevoegde autoriteit niet verlangt dat deze lijst haar regelmatig wordt toegezonden, moet de fabrikant de geregistreerde gegevens gedurende ten minste 40 jaren bewaren.
Artikel 8a.07. Erkenning van andere gelijkwaardige normen
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan de gelijkwaardigheid erkennen van overeenstemmende normen vastgelegd in internationale regelingen, dan wel in voorschriften van de Rijnoeverstaten of België of van een derde land met de voorwaarden en de bepalingen van dit hoofdstuk inzake de typegoedkeuring van motoren.
1.
De bevoegde autoriteit die een typegoedkeuring verleent, zorgt ervoor dat de identificatienummers van de motoren die overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk zijn geproduceerd, zo nodig in samenwerking met de andere bevoegde autoriteiten, worden geregistreerd en gecontroleerd.
2.
Een bijkomende controle van de identificatienummers kan plaats vinden bij gelegenheid van de controle van de conformiteit van de produktie, bedoeld in artikel 8a.09.
3.
Met betrekking tot de controle van de identificatienummers verstrekken de fabrikant of zijn in de Rijnoeverstaten en België gevestigde agenten op verzoek van de bevoegde autoriteit onverwijld alle benodigde gegevens betreffende de cliënten alsook de identificatienummers van de motoren, waarvan is medegedeeld dat zij conform artikel 8a.06, derde lid, zijn geproduceerd.
4.
Indien een fabrikant, na een verzoek daartoe van de bevoegde autoriteit, niet in staat is de in artikel 8a.06 bedoelde voorschriften na te komen, kan de goedkeuring voor het betreffende motortype of de betreffende motorfamilie of motorgroep worden ingetrokken. Daarvan wordt kennis gegeven volgens de procedure overeenkomstig artikel 8a.10, vierde lid.
1.
De bevoegde autoriteit, die een typegoedkeuring verleent, vergewist er zich van tevoren van, zo nodig in samenwerking met de andere bevoegde autoriteiten, dat de met betrekking tot bijlage J, deel I, onderdeel 4 , passende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om een doeltreffende controle van de conformiteit van de produktie te waarborgen.
2.
De bevoegde autoriteit, die een typegoedkeuring heeft verleend, vergewist er zich van, zo nodig in samenwerking met de andere bevoegde autoriteiten, dat de in het eerste lid bedoelde voorzorgsmaatregelen nog steeds afdoende zijn en elke geproduceerde motor die krachtens dit hoofdstuk van een typegoedkeuringsnummer is voorzien nog steeds beantwoordt aan de beschrijving die in het certificaat van typegoedkeuring, en de daarbij behorende bijlagen inzake het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of motorgroep is gegeven.
1.
Er is sprake van non-conformiteit met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of de goedgekeurde motorgroep, indien er afwijkingen worden vastgesteld van de kenmerken in het certificaat van typegoedkeuring of eventueel in het informatiepakket, indien deze afwijkingen niet door de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend zijn toegestaan op grond van artikel 8a.05, derde lid.
2.
Indien de bevoegde autoriteit, die een typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat motoren, die van een certificaat van conformiteit of van een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform zijn met het motortype, de motorfamilie of de motorgroep waaraan zij de goedkeuring heeft verleend, neemt zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in produktie zijnde motoren opnieuw in overeenstemming worden gebracht met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of motorgroep. De bevoegde autoriteit, die de non-conformiteit heeft vastgesteld, stelt de andere bevoegde autoriteiten en het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart in kennis van de genomen maatregelen, die kunnen leiden tot de intrekking van de typegoedkeuring.
3.
Indien een bevoegde autoriteit kan aantonen dat motoren die van een typegoedkeuringsnummer zijn voorzien niet conform zijn met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of motorgroep, kan zij de bevoegde autoriteit die de typegoedkeuring heeft verleend verzoeken te controleren of de in produktie zijnde motoren conform zijn met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of motorgroep. De hiertoe vereiste maatregelen moeten binnen zes maanden na de datum van het verzoek worden genomen.
4.
De bevoegde autoriteiten stellen elkaar in kennis van en informeren het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart binnen één maand over de intrekking van een typegoedkeuring en van de redenen daarvoor.
1.
Bij gelegenheid van de inbouwkeuring, bedoeld in artikel 8a.02, vierde lid, van de tussentijdse keuring, bedoeld in artikel 8a.02, vijfde lid, en van de bijzondere keuring, bedoeld in artikel 8a. 02, zesde lid, verifieert de bevoegde autoriteit de feitelijke toestand van de motor met betrekking tot de onderdelen, de ijking en de afstellingen van de parameters zoals die in het proces-verbaal van de motorkenmerken zijn gespecificeerd.
Indien een bevoegde autoriteit vaststelt, dat een motor niet conform is met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of motorgroep, kan zij eisen dat de conformiteit van de motor wordt hersteld, dat de typegoedkeuring, bedoeld in artikel 8a.05, dienovereenkomstig wordt gewijzigd of dat metingen van de werkelijke uitstoot worden uitgevoerd.
Indien de conformiteit van de motor niet wordt hersteld of indien de typegoedkeuring niet dienovereenkomstig wordt aangepast of indien de uitgevoerde metingen aantonen dat de uitstoot niet in overeenstemming is met de toegelaten grenswaarden, bedoeld in artikel 8a.02, tweede lid, weigert de bevoegde autoriteit de afgifte van een certificaat van onderzoek of trekt zij een eerder afgegeven certificaat van onderzoek in.
2.
Bij motoren die uitgerust zijn met een systeem voor nabehandeling van de uitlaatgassen moet de werking van het bedoelde systeem ter gelegenheid van de inbouwkeuring, de tussentijdse keuring of de bijzondere keuring worden getest.
1.
De Oeverstaten en België delen aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart de namen en de adressen van de bevoegde autoriteiten en technische diensten mede, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk. De technische diensten moeten voldoen aan de geharmoniseerde normen voor het functioneren van testlaboratoria (EN ISO/IEC 17 025: 2000) en voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. de fabrikanten van motoren kunnen niet als technische dienst worden erkend;
b. voor de toepassing van dit hoofdstuk mag een technische dienst met toestemming van de bevoegde autoriteit gebruik maken van inrichtingen buiten zijn eigen testinstelling.
2.
Technische diensten niet gelegen in de lidstaten van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart kunnen slechts op aanbeveling van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart worden erkend.
1.
Indien voor bepaalde onderdelen van een installatie bijzondere voorschriften ontbreken, wordt de veiligheidsgraad als voldoende beschouwd wanneer die onderdelen zijn vervaardigd volgens een geldende Europese norm of volgens de voorschriften van een erkend classificatiebureau.
De benodigde bescheiden moeten worden voorgelegd aan de Commissie van Deskundigen.
2.
Aan boord moeten de volgende, door de Commissie van Deskundigen gewaarmerkte, bescheiden aanwezig zijn:
a. overzichtschema's van de gehele elektrische installatie;
b. schema's van het hoofdschakelbord, het noodschakelbord en de verdeelkasten waarop de belangrijkste technische gegevens zoals de nominale stroomsterkte van zekeringen en schakelapparatuur zijn aangegeven;
c. gegevens betreffende de vermogens van elektrische apparaten;
d. soort en doorsnede van de kabels.
In geval van onbemande vaartuigen hoeven deze bescheiden zich niet aan boord te bevinden doch moeten zij te allen tijde bij de eigenaar beschikbaar zijn.
3.
De installaties moeten voor een permanente slagzij van het schip tot 15° en een omgevingstemperatuur, bij plaatsing binnen in het schip, van 0° C tot + 40° C en, bij plaatsing aan dek, van -20° C tot + 40° C zijn uitgevoerd en moeten tot deze grenzen onberispelijk functioneren.
4.
Elektrische en elektronische installaties en apparaten moeten goed toegankelijk en onderhoudsvriendelijk zijn.
1.
Aan boord van vaartuigen die zijn voorzien van een elektrische installatie moeten ten behoeve van de energieverzorging in principe twee energiebronnen aanwezig zijn, zodat bij het uitvallen van één energiebron de resterende energiebron in staat is om de verbruikers, die voor de veilige vaart noodzakelijk zijn, gedurende tenminste 30 minuten te voeden.
2.
Het voldoende bemeten zijn van de energieverzorging moet worden aangetoond aan de hand van een vermogensbalans. Hierbij kan een passende gelijktijdigheidsfactor in aanmerking worden genomen.
3.
Onverminderd het eerste lid is voor de energiebron van stuurinrichtingen (roerinstallaties) artikel 6.04 van kracht.
Artikel 9.03. Bescherming tegen aanraking, binnendringen van vreemde voorwerpen en water
De minimum beschermingsgraad van de permanent geïnstalleerde delen van de installaties moet in overeenstemming zijn met de plaats van opstelling, zoals aangegeven in de onderstaande tabel:
Plaats van opstelling Minimum beschermingsgraad (volgens IEC-publ. 529)
generatoren motoren transforma-toren schakelborden, verdeelkasten en schakelapparatuur installatiemateriaal verlichting
Dienstruimten, machinekamers, stuurmachinekamers IP 22 IP 22 IP 22 2 IP 22 1 2 IP 44 IP 22
Laadruimen         IP 55 IP 55
Ruimten voor accumulatoren en verven           IP 44 en (EX) 3
Open dek, open stuurstellingen   IP 55   IP 55 IP 55 IP 55
Gesloten stuurhuis   IP 22 IP 22 IP 22 IP 22 IP 22
Verblijven, behalve sanitaire en vochtige ruimten       IP 22 IP 20 IP 20
Sanitaire en vochtige ruimten   IP 44 IP 44 IP 44 IP 55 IP 44

Opmerkingen:
1 Voor apparaten met een hoge warmte-ontwikkeling: IP 12.
2 Indien het apparaat zelf niet aan de minimum beschermingsgraad voldoet, moet de plaats van opstelling de minimum beschermingsgraad volgens de tabel hebben.
3 Erkend veilige elektrische inrichting, bijvoorbeeld volgens de Europese Norm EN 50014 t/m 50020 of IEC-Publ. 79.
Artikel 9.04. Bescherming tegen explosie
In ruimten waarin zich explosieve gassen of gasmengsels kunnen ophopen, zoals accumulatorenruimten en ruimten voor opslag van licht ontvlambare stoffen, zijn slechts erkend veilige elektrische inrichtingen (voldoende veilig voor gebruik in een gegeven explosiegevaarlijke omgeving) toegestaan. In deze ruimten mogen geen schakelaars voor verlichting en voor andere elektrische apparaten zijn geïnstalleerd. De beschermingsgraad tegen explosies moet zijn afgestemd op de eigenschappen met betrekking tot explosiegevaar van de voorkomende explosieve gassen en gasmengsels (explosiegroep, temperatuurklasse).
Artikel 9.05. Aarding
Doorsnede van de stroomgeleider [mm 2 ] Minimum doorsnede van de aardleiding
  In geïsoleerde kabels [mm 2 ] Separate kabels [mm 2 ]
0,5 t/m 4 gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider 4
> 4 t/m 16 gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider
> 16 t/m 35 16 16
> 35 t/m 120 gelijk aan de halve doorsnede van de stroomgeleider gelijk aan de halve doorsnede van de stroomgeleider
> 120 70 70
1.
Voor installaties met spanningen boven 50 V is aarding noodzakelijk.
2.
De bij het normale bedrijf niet onder spanning staande metalen delen die voor aanraking toegankelijk zijn, zoals fundaties en omhulsels van machines, apparaten en verlichting, moeten afzonderlijk zijn geaard, voor zover zij niet door hun bevestiging elektrisch geleidend met de scheepsromp zijn verbonden.
3.
De omhulsels van verplaatsbare en draagbare apparaten moeten door middel van een extra ader die bij het normale bedrijf geen stroom voert en die in de voedingskabel is opgenomen, zijn geaard.
Dit geldt niet bij het gebruik van een beschermingstransformator en voor apparaten waarvan de omhulsels bestaan uit isolatiemateriaal (dubbel geïsoleerd).
4.
De doorsnede van de aardleiding moet tenminste gelijk zijn aan de waarde zoals aangegeven in de onderstaande tabel:
1.
Spanningen mogen de volgende waarden niet overschrijden:
Soort van installatie Ten hoogste toegestane spanning bij
Gelijkstroom Wisselstroom Draaistroom
a. Kracht-en verwarmingsinstallaties met inbegrip van de wandcontactdozen voor algemeen gebruik 250 V 250 V 500 V
b. Installaties voor verlichting, communicatie en signalering met inbegrip van de wandcontactdozen voor algemeen gebruik 250 V 250 V
c. Wandcontactdozen voor de voeding van apparaten die bij het gebruik in de hand worden gehouden en die op het open dek of in nauwe of vochtige ruimten, met uitzondering van ketels of tanks, worden gebruikt:      
1. Algemeen 50 V 1 50 V 1
2. Met een beschermingstransformator die slechts één apparaat voedt 250 V 2
3. Bij gebruik van apparaten die dubbel geïsoleerd zijn uitgevoerd 250 V 250 V
4. Bij gebruik van aardlekschakelaars ? 30 m A 250 V 500 V
d. Verplaatsbare verbruikers zoals elektrische installaties van containers, aangehangen motoren, verplaatsbare ventilatoren of pompen, die normaal wanneer zij worden gebruikt niet worden verplaatst en waarvan de voor aanraking toegankelijke geleiders door een aardleiding in de aansluitkabel zijn geaard en die verder door hun opstelling of door een extra geleider met de scheepsromp zijn verbonden 250 V 250 V 500 V
e. Wandcontactdozen voor de voeding van handgereedschappen, die in ketels en tanks worden gebruikt 50 V 1 50 V 1

Opmerking:
1 Indien deze spanning vanuit een net met hogere spanning wordt verkregen moet een galvanische scheiding (veiligheidstransformator) worden toegepast.
2 De secundaire stroomkring moet geheel van aarde zijn geïsoleerd.
2.
Met inachtneming van de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen zijn hogere spanningen toegestaan voor:
a. krachtinstallaties waarvan het vermogen zulks vereist;
b. speciale inrichtingen, zoals radioinstallaties en ontstekingsinrichtingen.
1.
Voor gelijkstroom en 1-fase wisselstroom zijn de volgende verdeelsystemen toegestaan:
a. twee geleiders waarvan één is geaard (L1/N/PE);
b. één geleider met terugleiding naar de scheepsromp, alleen voor plaatselijk begrensde installaties, zoals startinstallaties van een verbrandingsmotor en kathodische corrosiebescherming (L1/PEN);
c. twee geleiders geïsoleerd van de scheepsromp (L1/L2/PE).
2.
Voor draaistroom (3-fasen wisselstroom) zijn de volgende verdeelsystemen toegestaan:
a. vier geleiders met geaard sterpunt zonder terugleiding via de scheepsromp (L1/L2/L3/N/PE) = (TN-S-Net) of (TT-Net);
b. drie geleiders geïsoleerd van de scheepsromp (L1/L2/L3/PE) = (IT-Net);
c. drie geleiders met geaard sterpunt en terugleiding via de scheepsromp, echter niet voor eindstroomkringen (L1/L2/L3/PEN).
3.
Toepassing van andere systemen kan door de Commissie van Deskundigen worden toegestaan.
1.
Voedingskabels van het walnet en andere externe netten naar het boordnet moeten aan boord door middel van vast aangebrachte klemmen of door een vast aangebrachte stekkerinrichting kunnen worden aangesloten. Kabelverbindingen mogen niet op trek worden belast.
2.
De scheepsromp moet bij een aansluitspanning van meer dan 50 V doelmatig kunnen worden geaard. Aardaansluitingen moeten duidelijk gekenmerkt zijn.
3.
Schakelinrichtingen van de aansluitingen moeten zodanig zijn ingericht dat parallelbedrijf van de boordnetgeneratoren met het walnet of andere externe netten wordt vermeden. Een kortstondig parallelbedrijf ten behoeve van omschakelen zonder spanningsonderbreking van de systemen is toegestaan.
4.
De aansluiting moet tegen kortsluiting en overbelasting zijn beveiligd.
5.
Op het hoofdschakelbord moet zijn aangegeven of de aansluiting onder spanning staat.
6.
Teneinde bij gelijkspanning de polariteit en bij draaistroom de fasevolgorde van het walnet of van andere externe netten met die van het boordnet te kunnen vergelijken, moet een aanwijsinrichting zijn geïnstalleerd.
7.
Bij de aansluiting moet met een opschrift zijn aangegeven:
a. de te treffen maatregelen voor het tot stand brengen van de aansluiting;
b. de stroomsoort, de nominale spanning en, bij wisselstroom, bovendien de frequentie.
1.
Indien aan andere vaartuigen stroom wordt geleverd, moet daarvoor een afzonderlijke aansluitinrichting aanwezig zijn. Indien contactstekkerinrichtingen worden gebruikt die geschikt zijn voor een nominale stroom van meer dan 16 A, moet zijn gewaarborgd dat het aansluiten of het verbreken van de aansluiting alleen in stroomloze toestand kan plaatsvinden.
2.
Kabelverbindingen mogen niet op spanning worden belast.
3.
Artikel 9.08, derde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Generatoren, motoren en hun aansluitkasten moeten voor inspecties, metingen en reparaties toegankelijk zijn. De beschermingsgraad moet in overeenstemming zijn met de plaats van opstelling zoals aangegeven in artikel 9.03.
2.
Generatoren, die worden aangedreven door de hoofdmotor, de schroef-as of een voor andere doeleinden bestemd hulpaggregaat, moeten voor de onder bedrijfsomstandigheden optredende toerentalvariaties geschikt zijn.
1.
Accumulatoren moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij toegankelijk zijn en niet kunnen verschuiven tengevolge van de scheepsbewegingen. Zij mogen niet zijn opgesteld op plaatsen waar zij aan overmatige hitte, extreme koude, sproeiwater of dampen zijn blootgesteld.
Zij mogen niet zijn opgesteld in stuurhuizen, verblijven en laadruimen. Dit geldt echter niet voor voor accumulatoren in draagbare apparatuur alsmede voor accumulatoren die worden geladen met een vermogen van minder dan 0,2 kW.
2.
Accumulatoren die worden geladen met een een vermogen van meer dan 2,0 kW (berekend uit de maximale laadstroom en de nominale spanning van de batterij, met inachtname van de laadkarakteristiek van de laadinrichting), moeten in een speciale ruimte zijn ondergebracht. Bij opstelling aan dek is het voldoende indien zij in een kast zijn geplaatst.
Accumulatoren die worden geladen met een vermogen tot 2,0 kW of minder mogen ook benedendeks in een kast of kist zijn opgesteld. Zij mogen ook open in de machinekamer of een andere goed geventileerde ruimte zijn geplaatst, mits zij zijn beschermd tegen vallende voorwerpen en druipwater.
3.
De binnenzijde van alle voor accumulatoren bestemde ruimten, kasten of kisten, alsmede rekken en andere onderdelen, moeten tegen de schadelijke inwerking van electrolyt zijn beschermd.
4.
Gesloten ruimten, kasten of kisten, waarin accumulatoren zijn opgesteld, moeten doelmatig kunnen worden geventileerd. Een mechanische ventilatie moet zijn aangebracht indien het laadvermogen groter is dan 2 kW voor nikkel-cadmium accumulatoren en groter is dan 3 kW voor lood accumulatoren.
De luchttoevoer aan de onderzijde en de luchtafvoer aan de bovenzijde moeten zodanig zijn dat een goede afvoer van de gassen is gewaarborgd.
De ventilatiekanalen mogen geen inrichtingen zoals afsluitinrichtingen bevatten die de vrije doorgang van de lucht belemmeren.
5.
De vereiste hoeveelheid lucht Q in m 3 per uur moet worden berekend volgens de formule:
Q = 0,11 . l . n [m³/u].
Daarbij betekent:
l = 25% van de maximale stroom van de laadinrichting in A;
n = het aantal cellen.
Voor accumulatoren die in een bufferschakeling met het boordnet zijn opgenomen kan door de Commissie van Deskundigen op grond van de laadkarakteristiek van de laadinrichting een andere berekeningsmethode voor de benodigde luchthoeveelheid worden toegelaten voor zover deze berust op voorschriften van een erkend classificatiebureau of daartoe in aanmerking komende normen.
6.
Bij natuurlijke ventilatie moet de doorsnede van de ventilatiekanalen zo groot zijn dat bij een luchtsnelheid van 0,5 m/s de vereiste luchthoeveelheid wordt opgebracht. De doorsnede moet echter voor lood accumulatoren tenminste 80 cm² en voor nikkel-cadmium accumulatoren ten minste 120 cm² bedragen.
7.
Bij mechanische ventilatie moet, bij voorkeur, een afzuigventilator worden gebruikt waarvan de motor niet in de gas- of luchtstroom mag zijn geplaatst.
Deze ventilator moet zodanig zijn uitgevoerd dat geen vonkvorming bij aanraking van een waaier met het ventilatorhuis en geen elektrostatische oplading kunnen optreden.
8.
Op de deuren of deksels van ruimten, kasten of kisten voor accumulatoren moet een teken «vuur, open licht en roken verboden» met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage I , zijn aangebracht.
1.
Schakelborden:
a. Apparaten, schakelaars, veiligheden en instrumenten in schakelborden moeten overzichtelijk zijn gerangschikt en ten behoeve van onderhoud en reparatie toegankelijk zijn.
Aansluitklemmen voor spanningen tot en met 50 V en die voor spanningen boven 50 V moeten van elkaar gescheiden zijn aangebracht en doelmatig zijn gekenmerkt.
b. Op de schakelborden moeten naamplaatjes voor alle schakelaars en apparaten met de aanduiding van de stroomkring zijn aangebracht.
Veiligheden moeten met de nominale stroomsterkte en de stroomkring zijn aangeduid.
c. Indien zich achter de deuren apparaten met een bedrijfsspanning van meer dan 50 V bevinden, moeten de onder spanning staande delen van deze apparaten tegen onvoorzien aanraken bij geopende deuren zijn beschermd.
d. Materialen van schakelborden moeten mechanisch sterk, duurzaam, moeilijk ontvlambaar, zelf dovend en niet hygroscopisch zijn.
e. Zijn in schakelkasten kortsluitveiligheden van het type "mespatroon" ingebouwd dan moeten in de nabijheid van deze schakelkasten hulpmiddelen en middelen voor de bescherming van personen aanwezig zijn om deze te kunnen vervangen.
2.
Schakelaars, beveiligingen:
a. Generator- en afgaande groepen moeten in elke niet geaarde geleider tegen kortsluiting en overbelasting beveiligd zijn. Daartoe kunnen schakelaars met kortsluit- en maximaalschakelaars of smeltveiligheden worden gebruikt.
Stroomkringen van de elektrische aandrijving van stuurinrichtingen, alsmede de stuurstroomkringen van stuurinrichtingen, mogen alleen tegen kortsluiting zijn beveiligd. Indien schakelaars met een thermische uitschakelinrichting worden toegepast, moeten de thermische uitschakelinrichtingen buiten bedrijf zijn gesteld of op ten minste tweemaal de nominale stroom zijn afgesteld.
b. De afgaande groepen van het hoofdschakelbord van meer dan 16 A moeten van last- of maximaalschakelaars zijn voorzien.
c. Verbruikers die voor de voortstuwing, de stuurinrichting, de roerstandaanwijzer, de navigatie en de beveiligingssystemen noodzakelijk zijn, alsmede de verbruikers met een nominale stroom van meer dan 16 A, moeten via afzonderlijke stroomkringen worden gevoed.
d. Stroomkringen van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn, moeten direct van het hoofdschakelbord worden gevoed.
e. Schakelinrichtingen moeten volgens hun nominale stroom, hun thermische en dynamische sterkte alsmede hun schakelvermogen worden gekozen. Schakelaars moeten alle onder spanning staande geleiders gelijktijdig schakelen. De stand moet duidelijk te onderscheiden zijn.
f. Smeltveiligheden moeten van het gesloten type zijn en uit keramisch of gelijkwaardig materiaal bestaan. Zij moeten zonder aanrakingsgevaar voor personen kunnen worden vervangen.
3.
Meet- en controle-inrichtingen:
a. Voor generator-, accumulator- en verdeelstroomkringen moeten meet- en controle-inrichtingen aanwezig zijn, voor zover dit voor een veilig bedrijf van de installatie noodzakelijk is.
b. Niet geaarde netten met een spanning boven 50 V moeten van een doelmatige aardfoutbewakingsinrichting met zowel een optisch als een akoestisch alarmsignaal zijn voorzien. Voor secundaire inrichtingen, zoals stuurstroomschakelingen, kan hiervan worden afgezien.
4.
Opstelling van schakelborden:
a. Schakelborden moeten in goed toegankelijke en goed geventileerde ruimten zijn opgesteld, zodanig dat zij tegen waterschade en mechanische beschadigingen zijn beschermd.
Pijpleidingen en ventilatiekokers moeten zodanig zijn geplaatst, dat schakelborden bij lekkages geen gevaar lopen. Indien de ligging in de nabijheid van schakelborden niet vermeden kan worden, mogen de pijpen aldaar geen losneembare koppelingen hebben.
b. Kasten en nissen waarin open schakelinrichtingen zijn ondergebracht, moeten uit moeilijk ontvlambaar materiaal bestaan, dan wel door een bekleding van metaal of een ander niet brandbaar materiaal zijn beschermd.
c. Bij spanningen boven 50 V moeten aan de bedieningszijde van het hoofdschakelbord isolerende roosters of matten liggen.
Artikel 9.13. Noodstopschakelaars
Voor oliebranderinstallaties, brandstofpompen, brandstofseparatoren en machinekamerventilatoren moeten buiten de opstellingsruimten noodstopschakelaars op een centrale plaats aanwezig zijn.
1.
Kabelinvoeren van apparaten moeten passend zijn voor de afmetingen en het type van de aan te sluiten kabels.
2.
Wandcontactdozen van verdeelsystemen met van elkaar afwijkende spanningen of frequenties moeten van verschillende uitvoering zijn.
3.
Schakelaars moeten alle niet geaarde geleiders van een stroomkring gelijktijdig schakelen. Bij niet geaarde netten zijn in stroomkringen van de verlichting voor verblijven, uitgezonderd was-, bad- en overige natte ruimten, eenpolige schakelaars toegestaan.
4.
Bij stroomsterkten van meer dan 16 A moeten de wandcontactdozen zodanig met een schakelaar worden vergrendeld, dat noch het insteken, noch het uittrekken van de stekker mogelijk is wanneer de contactbussen van de contactdoos onder spanning staan.
1.
Kabels moeten moeilijk ontvlambaar, zelfdovend en bestendig tegen water en olie zijn.
In de verblijven kan de toepassing van andere kabeltypen worden toegestaan, mits deze kabels doelmatig zijn beschermd, moeilijk ontvlambaar en zelfdovend zijn.
2.
Voor kracht- en verlichtingsinstallaties moeten de aders van de kabels een doorsnede van tenminste 1,5 mm² hebben.
3.
Metalen bewapeningen en mantels van kabels mogen voor het normale bedrijf niet als geleider of aardleiding dienen.
4.
Metalen bewapeningen en mantels van kabels van kracht- en verlichtingsinstallaties moeten tenminste aan één der einden zijn geaard.
5.
De doorsnede van de geleiders moet in overeenstemming zijn met de ten hoogste toegestane geleidertemperatuur (stroombelastbaarheid) alsmede met het toelaatbare spanningsverlies. Dit spanningsverlies, optredend tussen het hoofdschakelbord en het meest ongunstige punt van de installatie, mag bij verlichtingsinstallaties niet meer dan 5% en voor kracht- en verwarmingsinstallaties niet meer dan 7% van de nominale spanning bedragen.
6.
Kabels moeten tegen het gevaar van mechanische beschadigingen zijn beschermd.
7.
De bevestiging der kabels moet zodanig zijn, dat eventuele belastingen op trek binnen de toelaatbare grenzen blijven.
8.
De doorvoeringen van kabels door schotten of dekken mogen de sterkte, dichtheid en brandwerende eigenschappen van de schotten of de dekken niet nadelig beïnvloeden.
9.
Kabels die naar beweegbare stuurhuizen worden gevoerd moeten voldoende buigzaam zijn en van een isolatie zijn voorzien die voldoende buigzaam blijft tot een temperatuur van -20° C, alsmede bestand zijn tegen de inwerking van dampen, ultraviolette straling, ozon en dergelijke.
1.
Verlichtingsarmaturen moeten zodanig zijn aangebracht, dat brandbare voorwerpen of constructiedelen niet door de uitgestraalde warmte in brand kunnen geraken.
2.
De verlichtingsarmaturen op het open dek moeten zodanig zijn geplaatst, dat de waarneembaarheid van de navigatieverlichting niet nadelig wordt beïnvloed.
3.
Indien in een machinekamer of een ketelruim twee of meer lichtpunten zijn aangebracht, moeten deze over ten minste twee stroomkringen zijn verdeeld. Dit geldt eveneens voor ruimten waarin koelmachines, hydraulische inrichtingen of elektromotoren zijn geplaatst.
1.
Schakelborden voor navigatielantaarns moeten in het stuurhuis zijn geïnstalleerd. Zij moeten door een aparte kabel vanaf het hoofdschakelbord worden gevoed of door twee van elkaar onafhankelijke onderverdelingen kunnen worden verzorgd.
2.
Elke navigatielantaarn moet vanaf het navigatieschakelbord afzonderlijk gevoed, beveiligd en geschakeld kunnen worden.
3.
Het uitvallen van de controle-inrichtingen als bedoeld in artikel 7.05, tweede lid, mag de werking van de bijbehorende navigatielantaarns niet nadelig beïnvloeden.
4.
Dicht bijeen geplaatste, bij elkaar behorende navigatielantaarns mogen gemeenschappelijk worden gevoed, beveiligd en geschakeld. De controle-inrichting moet dan echter het uitvallen van één der lantaarns kunnen signaleren. Twee in één armatuur boven elkaar geplaatste navigatielantaarns mogen niet gelijktijdig ingeschakeld kunnen zijn.
Artikel 9.19. Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen
Alarm- en beveiligingssystemen voor controle en beveiliging van werktuigbouwkundige inrichtingen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a. Alarmsystemen:
Alarmsystemen moeten zodanig worden uitgevoerd, dat fouten in het alarmsysteem niet tot uitval van het te controleren werktuig of de te controleren installatie kunnen leiden.
Binaire gevers moeten volgens het ruststroomprincipe of als bewaakt arbeidsstroomprincipe zijn uitgevoerd.
Optische alarmsignalen moeten zichtbaar blijven totdat de desbetreffende storing is opgeheven. Een geaccepteerd alarmsignaal moet onderscheiden kunnen worden van een niet geaccepteerd alarmsignaal. Elk alarmsignaal moet ook akoestisch worden gemeld. Akoestische alarmsignalen moeten kunnen worden uitgeschakeld. Door het uitschakelen van een akoestisch alarmsignaal mag het inwerkingtreden van een door nieuwe oorzaken geactiveerd alarmsignaal niet worden verhinderd.
Bij alarminstallaties met minder dan 5 meetpunten kan hiervan worden afgeweken.
b. Beveiligingssystemen:
Beveiligingssystemen moeten zodanig worden uitgevoerd, dat zij voor het bereiken van kritieke bedrijfstoestanden de bedreigde installatie uitschakelen, reduceren of op een permanent bezette post daartoe oproepen.
Binaire gevers moeten volgens het arbeidsstroomprincipe zijn uitgevoerd.
Indien beveiligingssystemen niet van een eigen controlesysteem zijn voorzien, moet het funktioneren van deze systemen kunnen worden getest.
Beveiligingssystemen moeten onafhankelijk van andere systemen worden uitgevoerd.
1.
Algemeen
De in het tweede lid gestelde testvoorwaarden zijn uitsluitend van toepassing op elektronische apparaten die voor stuurinrichtingen en machine-installaties voor de voortbeweging van het vaartuig, met inbegrip van de daarbij behorende randapparatuur, benodigd zijn.
2.
Testvoorwaarden
a. De volgende testbelastingen mogen niet leiden tot schade aan of verkeerd functioneren van elektronische apparaten. De tests overeenkomstig de desbetreffende internationale normen (zoals IEC-Publ. 92-504) moeten, met uitzondering van de koudetest, met een ingeschakeld apparaat worden uitgevoerd, waarbij de functie moet worden getest.
b. Spannings- en frequentieafwijkingen:
    afwijkingen
  eenheid blijvend kortstondig
Algemeen frequentie ± 5% ± 10% 5 s
spanning ± 10% ± 20% 1,5 s
Accumulatorwerking spanning + 30%/– 25%  
c. Warmtetest:
Het te testen apparaat wordt binnen een half uur tot op 55° C opgewarmd en wordt na het bereiken van deze temperatuur gedurende 16 uren op deze temperatuur gehouden. Aansluitend wordt een functietest uitgevoerd.
d. Koudetest:
Het te testen apparaat wordt in uitgeschakelde toestand tot op -25° C afgekoeld en gedurende twee uren op deze temperatuur gehouden. Aansluitend wordt de temperatuur tot op 0° C verhoogd en een functietest uitgevoerd.
e. Trillingstest:
Trillingstests moeten bij de resonantiefrequentie van het apparaat of het onderdeel in de drie richtingsassen voor de duur van telkens 90 minuten worden uitgevoerd. Indien geen bijzondere resonantie wordt geconstateerd, vindt de trillingstest plaats bij 30 Hz.
De trillingstest wordt uitgevoerd met een sinusvormige slingering tussen de volgende grenzen:
Algemeen:
f = 2,0 tot 13,2 Hz; a = ± 1 mm
(amplitude a = ½ slingerbreedte)
f = 13,2 Hz tot 100 Hz: versnelling ± 0,7 g.
Apparaten voor montage op dieselmotoren of stuurmachines moeten als volgt worden getest:
f = 2,0 tot 25 Hz; a = ± 1,6 mm
(amplitude a = ½ slingerbreedte)
f = 25 Hz tot 100 Hz; versnelling ± 4 g.
Voelers voor montage in uitlaatgassenleidingen van dieselmotoren kunnen worden blootgesteld aan beduidend hogere belastingen. Hiermee moet bij de tests rekening worden gehouden.
f. Tests van de elektromagnetische verdraagbaarheid moeten op basis van IEC-Publ. 801-2, 801-3, 801-4, 801-5 met het testniveau 3 worden uitgevoerd.
g. Het bewijs dat de apparaten voldoen aan deze testvoorwaarden, moet door de fabrikant worden geleverd. Als bewijs geldt ook een verklaring van een erkend classificatiebureau.
Artikel 9.21. Elektromagnetische verdraagbaarheid
Elektrische en elektronische installaties mogen niet door elektromagnetische verstoringen in hun functioneren worden gehinderd. Algemene maatregelen dienen betrekking te hebben op:
a. de ontkoppeling van de overdrachtswegen tussen de storingsbron en het aan storing bloot staande apparaat;
b. het onderdrukken van de stooroorzaken van de storingsbron;
c. de vermindering van de stoorgevoeligheid van het aan storing blootstaande apparaat.
1.
Schepen die voor het vervoer van goederen zijn bestemd, met uitzondering van zeeschipbakken met een lengte L van ten hoogste 40 m, moeten zijn uitgerust met boegankers, waarvan de totale massa P wordt berekend met behulp van de volgende formule: p = k . B . T [kg] .
In deze formule betekent:
k: een coëfficiënt die rekening houdt met de verhouding tussen de lengte L en de breedte B en met het soort vaartuig:
Voor duwbakken wordt k gelijkgesteld aan c;
c: een ervaringscoëfficiënt overeenkomstig de volgende tabel:
Laadvermogen Ervaringscoëfficiënt c
t/m 400 t 45
> 400 t/m 650 t 55
> 650 t/m 1000 t 65
> 1000 t 70

De Commissie van Deskundigen kan toestaan dat op schepen met een laadvermogen van ten hoogste 400 ton, die vanwege hun constructie en bestemming slechts op bepaalde korte riviergedeelten worden ingezet, voor de boegankers slechts ? van de totale massa P vereist is.
2.
Passagiersschepen en schepen die niet bestemd zijn voor goederenvervoer, met uitzondering van duwboten, moeten zijn uitgerust met boegankers waarvan de totale massa P volgens de volgende formule wordt berekend: p = k . B . T [kg] .
Voor passagiersschepen die zijn bestemd om benedenstrooms van km 855 (Emmerich) te varen wordt de totale massa P echter berekend volgens de formule: p = k . B . T + 4Af[kg] .
In deze formules betekent:
k: de coëfficiënt als bedoeld in het eerste lid; bij het vaststellen van de ervaringscoëfficiënt c moet evenwel de in het certificaat van onderzoek vermelde waterverplaatsing in m³ in plaats van het laadvermogen in aanmerking worden genomen;
Af:het frontale windvangend oppervlak in m².
3.
Schepen als bedoeld in het eerste lid moeten zijn uitgerust met hekankers waarvan de totale massa 25% bedraagt van de massa P.
Schepen waarvan de grootste lengte L meer dan 86 m bedraagt moeten echter zijn uitgerust met hekankers waarvan de totale massa 50% bedraagt van de massa P als bedoeld in het eerste of het tweede lid.
Geen hekankers behoeven te hebben:
a. schepen waarvoor de totale massa van de hekankers minder dan 150 kg zou bedragen; voor schepen als bedoeld in het eerste lid, laatste alinea, moet daarbij worden uitgegaan van de gereduceerde massa van het boeganker;
b. duwbakken.
4.
Schepen die zijn bestemd voor het voortbewegen van hechte samenstellen met een lengte L van niet meer dan 86 m moeten zijn uitgerust met hekankers waarvan de totale massa 25% bedraagt van de grootste massa P die overeenkomstig het eerste lid wordt berekend voor de in het certificaat van onderzoek toegestane samenstellingen (als nautische eenheid beschouwd).
Schepen die zijn bestemd voor het voortbewegen in afvaart van hechte samenstellen met een lengte L van meer dan 86 m moeten zijn uitgerust met hekankers waarvan de totale massa 50% bedraagt van de grootste massa P die overeenkomstig het eerste lid wordt berekend voor de in het certificaat van onderzoek toegestane samenstellingen (als nautische eenheid beschouwd).
5.
De volgens het eerste tot en met het vierde lid berekende massa's van de ankers mogen bij bepaalde bijzondere ankers worden verminderd.
6.
De voor boegankers voorgeschreven totale massa P kan worden verdeeld over één of twee ankers. De totale massa mag 15% minder zijn, indien het schip slechts met één boeganker is uitgerust en de ankerkluis zich op hart schip bevindt.
De voor hekankers voorgeschreven totale massa P mag bij duwboten en schepen met een lengte L van meer dan 86 m worden verdeeld over één of twee ankers.
De massa van het lichtste anker mag niet minder dan 45% van deze totale massa bedragen.
7.
Gietijzeren ankers zijn niet toegelaten.
8.
Op ieder anker moet de massa duurzaam in letters en cijfers in reliëf zijn aangegeven.
9.
Voor ankers met een massa van meer dan 50 kg zijn ankerlieren vereist.
10.
Boegankerkettingen moeten ten minste de volgende lengte hebben:
a. 40 m voor schepen met een lengte L van 30 m of minder;
b. 10 m meer dan de lengte L van het schip, wanneer deze tussen 30 en 50 m ligt;
c. 60 m voor schepen met een lengte L van meer dan 50 m.
De kettingen van de hekankers moeten tenminste 40 m lang zijn. Schepen die kop vóór moeten kunnen stoppen, moeten evenwel hekankerkettingen van ten minste 60 m lengte hebben.
11.
De minimumbreeksterkte R van een ankerketting wordt met behulp van de volgende formules berekend:
a. bij ankers met een massa tot en met 500 kg:
R = 0,35 . P' [kN];
b. bij ankers met een massa van meer dan 500 t/m 2000 kg:
c. bij ankers met een massa van meer dan 2000 kg:
R = 0,25 . P' [kN].
In deze formules betekent:
P': de overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid en het zesde lid bepaalde theoretische massa van het betreffende anker.
De breeksterkte van de ankerkettingen wordt bepaald aan de hand van de daarvoor in één der Oeverstaten of België geldende normen.
Indien zwaardere ankers worden gekozen dan in het eerste tot en met het zesde lid beschreven, wordt de minimum breeksterkte van de ankerketting bepaald aan de hand van de gegeven grotere massa.
12.
Indien dergelijke zwaardere ankers en de bijbehorende sterkere ankerkettingen aan boord zijn, moeten desondanks in het certificaat van onderzoek de massa's en de minimum breeksterkte worden ingevuld die zijn voorgeschreven op grond van het eerste tot en met zesde lid en het elfde lid.
13.
De verbindingsdelen (wartels) tussen het anker en de ketting moeten bestand zijn tegen een trekkracht die 20% groter is dan de breeksterkte van de dienovereenkomstige ketting.
14.
Het gebruik van trossen of kabels in plaats van kettingen is toegestaan. Deze moeten dezelfde breeksterkte hebben die voor de kettingen is voorgeschreven, maar hun lengte moet 20% meer bedragen.
1.
De volgende in het Rijnvaartpolitiereglement bedoelde uitrustingsstukken moet ten minste aanwezig zijn:
a. marifooninstallatie;
b. apparaten en installaties die nodig zijn voor het geven van de voorgeschreven licht- en geluidsseinen, alsmede voor het voeren en tonen van de optische tekens;
c. onafhankelijk van het aan boord aanwezige elektriciteitsnet werkende lichten ter vervanging van de voor het stilliggen voorgeschreven lichten;
d. een brandbestendig verzamelreservoir met deksel voor oliehoudende poetslappen dat als zodanig is aangeduid;
e. een apart brandbestendig verzamelreservoir voor het overig vast klein chemisch afval en een brandbestendig reservoir met deksel voor vloeibaar klein chemisch afval als bedoeld in het Rijnvaartpolitiereglement dat telkens als zodanig is aangeduid;
f. een brandbestendig verzamelreservoir met deksel voor slops dat als zodanig is aangeduid.
2.
Voorts moeten ten minste aanwezig zijn:
a. stalen trossen voor het meren:
Ieder schip moet zijn uitgerust met 3 stalen trossen voor het meren. De minimum lengte daarvan moet bedragen:
Bij schepen met een lengte L van minder dan 20 m kan de kortste tros achterwege blijven. Deze trossen moeten berekend zijn op een minimum breeksterkte Rs die met behulp van de volgende formule wordt vastgesteld:
1ste tros: L + 20 m, echter niet meer dan 100 m,
2de tros: 2/3 van de eerste tros,
3de tros: 1/3 van de eerste tros.
voor L x B x T tot 1000 m 3 :
voor L x B x T groter dan 1000 m 3 :
Voor de voorgeschreven stalen trossen moet zich een keuringsbewijs volgens de Europese norm EN 10 204: 1991, model 3.1, aan boord bevinden.
Deze trossen mogen worden vervangen door andere kabels van dezelfde lengte en met dezelfde breeksterkte. De breeksterkte voor deze kabels moet in een keuringsbewijs worden aangetoond.
b. trossen voor het slepen:
Sleepboten moeten zijn uitgerust met een bij hun functie passend aantal trossen.
De hoofdtros moet echter ten minste 100 m lang zijn en een breeksterkte hebben in kN die overeenkomt met ten minste een derde van het totale vermogen in kW van de voortstuwingsmotor(en).
Motorschepen en duwboten die mogen slepen moeten ten minste zijn uitgerust met een sleeptros van 100 m lengte, waarvan de breeksterkte in kN overeenkomt met ten minste een kwart van het totale vermogen in kW van de voortstuwingsmotor(en);
c. een werplijn;
d. een loopplank, ten minste 0,40 m breed en ten minste 4 m lang, waarvan de zijkanten door een lichte streep zijn gemarkeerd; deze loopplank moet van een leuning zijn voorzien. Voor kleine schepen kan de Commissie van Deskundigen kortere loopplanken toelaten;
e. een bootshaak;
f. een geschikte verbandtrommel met een inhoud overeenkomstig een norm van één der Rijnoeverstaten of van België. De verbandtrommel moet in een verblijf of in het stuurhuis worden bewaard en zo zijn opgeborgen dat hij indien nodig gemakkelijk en zeker kan worden bereikt. Indien verbandtrommels aan het zicht zijn onttrokken moet de afdekking zijn gemarkeerd met een symbool voor verbandtrommels overeenkomstig schets 8 van bijlage I met een lengte van de zijde van tenminste 10 cm;
g. een verrekijker, 7 • 50 of een grotere lensdiameter;
h. een bord met aanwijzingen betreffende het redden en het bijbrengen van drenkelingen;
i. een vanuit de stuurstand bedienbare schijnwerper.
3.
Op schepen waarvan de hoogte van het boord boven de waterlijn bij ledig schip meer dan 1,50 m bedraagt moet een buitenboordtrap of -ladder aanwezig zijn.
1.
Op de volgende plaatsen moet telkens één draagbaar blustoestel overeenkomstig de Europese norm EN 3:1996 aanwezig zijn:
a. in het stuurhuis;
b. in de nabijheid van iedere toegang van het dek naar de verblijven;
c. in de nabijheid van iedere toegang tot niet van de verblijven uit toegankelijke bedrijfsruimten waarin zich verwarmings-, kook-, of koelinstallaties bevinden, die op vaste of vloeibare brandstoffen werken dan wel op vloeibaar gas;
d. bij iedere toegang tot machinekamers of ketelruimen;
e. op een geschikte plaats benedendeks in de machinekamers, wanneer het motorvermogen in totaal meer dan 100 kW bedraagt.
2.
Als draagbare blustoestellen, voorgeschreven in het eerste lid, mogen slechts poederblussers worden gebruikt met een inhoud van ten minste 6 kg dan wel andere draagbare blustoestellen met eenzelfde bluscapaciteit. Zij moeten geschikt zijn voor de brandklassen A, B en C alsmede voor het blussen van branden in elektrische installaties tot 1000 V.
3.
Daarnaast mogen poederblussers, blussers met vloeibare inhoud of schuimblussers worden gebruikt indien deze ten minste geschikt zijn voor die brandklasse, welke in de ruimte waarvoor het toestel bestemd is het meest waarschijnlijk relevant is.
4.
Draagbare blustoestellen die als blusmiddel CO 2 bevatten mogen slechts voor het blussen van branden in keukens en elektrische inrichtingen worden aangewend. De inhoud van deze blustoestellen mag niet meer bedragen dan 1 kg voor iedere 15 m 3 van de ruimte waarin zij worden bewaard en gebruikt.
5.
Draagbare blustoestellen moeten ten minste iedere twee jaar worden gekeurd. Hiervan moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door degene die de keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven.
6.
Wanneer draagbare blustoestellen door hun wijze van opstelling aan het gezicht zijn onttrokken moet de bedekking of afscherming zijn voorzien van een teken «brandblusapparaat» met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 3 van bijlage I .
1.
In verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten mogen, ter bescherming van deze ruimten, slechts geschikte, automatisch werkende sprinklerinstallaties als vast ingebouwde brandblusinstallaties worden geïnstalleerd.
2.
Deze installaties mogen slechts door deskundige bedrijven worden ingebouwd of omgebouwd.
3.
Deze installaties moeten van staal of van gelijkwaardig niet brandbaar materiaal zijn gebouwd.
4.
Deze installaties moeten over de oppervlakken van de grootste te beschermen ruimte ten minste een hoeveelheid water van 5 l/m 2 per minuut kunnen sproeien.
5.
Installaties die een kleinere hoeveelheid water sproeien moeten beschikken over een typegoedkeuring op grond van de IMO-Resolutie A.800 (19) dan wel van een andere door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart erkende norm. De typegoedkeuring wordt uitgevoerd door een erkend classificatiebureau of door een gemachtigde testinstelling. De gemachtigde testinstelling moet voldoen aan de Europese normen inzake de algemene eisen aan de kundigheid van test- en kalibreerlaboratoria (EN ISO/IEC 17025: 2000).
6.
De installaties moeten:
a. voor ingebruikstelling;
b. voor hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest;
c. na verandering of reparatie;
d. met regelmaat tenminste elke twee jaar,
door een deskundige worden gekeurd.
7.
Bij de keuring, bedoeld in het zesde lid, moet de deskundige controleren of de installaties aan de eisen van dit artikel voldoen.
De keuring moet tenminste bestaan uit:
a. inspectie van de buitenkant van de installatie als geheel;
b. controle van de bedrijfszekerheid van de veiligheidssystemen en de sproeikoppen;
c. controle van het systeem van druktanks en pompen.
8.
Betreffende de keuring moet een verklaring worden opgesteld die door de inspecteur wordt ondertekend en waarin de datum van de keuring is vermeld.
9.
Het aantal van de aanwezige installaties moet in het certificaat van onderzoek worden aangetekend.
1.
Blusmiddelen
In machinekamers, ketelruimen en pompkamers mogen, ter bescherming van deze ruimten, in vast ingebouwde brandblusinstallaties de volgende blusmiddelen worden gebruikt:
a. CO 2 (koolstofdioxide);
b. HFC-227ea (heptafluorpropaan);
c. IG-541 (52% stikstof, 40% argon, 8% koolstofdioxide);
d. FK-5-1-12 (Dodecafluoro-2-methylpentane-3-on).
Andere blusmiddelen zijn slechts toegestaan op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
2.
Ventilatie, luchtaanzuiging
a. Verbrandingslucht voor de voor de vaart benodigde verbrandingsmotoren mag niet worden aangezogen uit door vast ingebouwde brandblusinstallaties te beschermen ruimten. Dit is niet van toepassing wanneer er twee van elkaar onafhankelijke, gasdicht gescheiden hoofdmachinekamers aanwezig zijn dan wel er naast de hoofdmachinekamer een boegbesturingsaandrijving in een aparte machinekamer beschikbaar is, waardoor ingeval van brand in de hoofdmachinekamer het voortbewegen op eigen kracht wordt verzekerd.
b. Een mechanische ventilatie van de te beschermen ruimte, indien aanwezig, moet bij het inwerking stellen van de brandblusinstallatie automatisch worden uitgeschakeld.
c. Er moeten middelen beschikbaar zijn waarmee alle openingen, waardoor lucht zou kunnen toetreden tot, dan wel gas zou kunnen ontsnappen uit de te beschermen ruimte, snel kunnen worden gesloten. De gesloten toestand moet duidelijk herkenbaar zijn.
d. De lucht die via de overdrukventielen uit in de machinekamers geïnstalleerde persluchthouders stroomt moet naar buiten worden gevoerd.
e. De bij het binnenstromen van het blusmiddel ontstane over- of onderdruk mag de essentiële onderdelen van de te beschermen ruimte niet vernielen. De compensatie van de druk moet zonder gevaar kunnen geschieden.
f. Beschermde ruimten moeten beschikken over een mogelijkheid om het blusmiddel en het brandgas af te zuigen. Indien afzuiginrichtingen aanwezig zijn, mogen deze tijdens het blussen niet kunnen worden ingeschakeld.
3.
Brandmeldinstallatie
De te beschermen ruimte moet voorzien zijn van een doelmatige brandmeldinstallatie. De brandmelding moet in het stuurhuis, in de verblijven en in de te beschermen ruimte kunnen worden waargenomen.
4.
Pijpleidingensysteem
a. Het blusmiddel moet door een vast geïnstalleerd pijpleidingenstelsel naar de te beschermen ruimte worden toegevoerd en daarin worden verdeeld. In de te beschermen ruimte moeten de pijpleidingen en de daarbij behorende armaturen van staal zijn vervaardigd. Dit geldt niet voor de aansluitleidingen van de houders en de compensatoren indien de daarvoor gebruikte materialen met betrekking tot brand over gelijkwaardige eigenschappen beschikken. De pijpleidingen moeten zowel in- als uitwendig tegen corrosie beschermd zijn.
b. De sproeikoppen moeten zodanig van afmeting zijn en zodanig zijn aangebracht dat het blusmiddel gelijkmatig wordt verdeeld. In het bijzonder moet het blusmiddel ook onder de vloerplaten werkzaam zijn.
5.
Inrichting voor het inwerking stellen
a. Brandblusinstallaties die automatisch in werking worden gesteld zijn niet toegestaan.
b. De brandblusinstallatie moet vanaf een geschikte plaats buiten de te beschermen ruimte in werking kunnen worden gesteld.
c. Inrichtingen voor het in werking stellen moeten zodanig zijn geïnstalleerd dat ze ook in geval van brand kunnen worden bediend en dat, in het geval van een beschadiging als gevolg van brand of explosie in de te beschermen ruimte, de daarvoor benodigde hoeveelheid blusmiddel nog kan worden toegevoerd.
Niet mechanische inrichtingen voor het inwerking stellen moeten door twee verschillende van elkaar onafhankelijke energiebronnen worden gevoed. Deze energiebronnen moeten zich buiten de te beschermen ruimte bevinden. Leidingen voor de aansturing in de beschermde ruimte moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij ingeval van brand tenminste gedurende 30 minuten kunnen blijven functioneren. Elektrische leidingen voldoen aan deze eis indien zij voldoen aan de norm IEC 60331-21, uitgave 1999.
Wanneer inrichtingen voor het inwerking stellen door hun wijze van opstelling aan het gezicht zijn onttrokken moet de bedekking of afscherming zijn voorzien van een teken «brandblusinstallatie» met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 6 van bijlage I , alsmede van de volgende tekst in rode letters op witte ondergrond:
«Feuerlöscheinrichtung
Installation d'extinction
Brandblusinstallatie».
d. Indien de brandblusinstallatie bedoeld is voor het beschermen van meerdere ruimten, moeten de inrichtingen voor het in werking stellen voor iedere ruimte gescheiden en duidelijk zijn gemarkeerd.
e. Bij iedere inrichting voor het in werking stellen moet een gebruiksaanwijzing in het Duits, het Frans en het Nederlands duidelijk zichtbaar en duurzaam uitgevoerd zijn aangebracht. Deze moet met name informatie bevatten inzake
aa. het in werking stellen van de brandblusinstallatie;
bb. de noodzaak van de controle dat alle personen de te beschermen ruimte hebben verlaten;
cc. de handelwijze van de bemanning bij het in werking stellen en bij het betreden van de te beschermen ruimte na het in werking stellen of blussen in het bijzonder uit oogpunt van mogelijk voorkomen van gevaarlijke substanties;
dd. de handelwijze van de bemanning in het geval van een storing in de brandblusinstallatie.
f. De gebruiksaanwijzing moet er op wijzen dat vóór het inwerking stellen van de brandblusinstallatie de in de ruimte aanwezige verbrandingsmotoren die lucht aanzuigen uit de te beschermen ruimte buiten bedrijf moeten worden gesteld.
6.
Waarschuwingssysteem
a. Vast ingebouwde brandblusinstallaties moeten zijn voorzien van een waarschuwingssysteem.
b. Het waarschuwingssysteem moet automatisch gaan werken bij de eerste handeling voor het in werking stellen van de brandblusinstallatie. Het waarschuwingssignaal moet gedurende een redelijke tijd vóór het vrijkomen van het blusmiddel klinken en mag niet kunnen worden uitgeschakeld.
c. De waarschuwingssignalen moeten in de te beschermen ruimten alsmede bij iedere toegang daartoe duidelijk zichtbaar zijn en ook onder de bedrijfsomstandigheden, waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd, duidelijk hoorbaar zijn. Zij moeten in de te beschermen ruimte duidelijk van alle andere akoestische en optische waarschuwingssignalen te onderscheiden zijn.
d. De akoestische waarschuwingssignalen moeten, ook wanneer de verbindingsdeuren gesloten zijn, onder de bedrijfsomstandigheden waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd in de ernaast gelegen ruimten duidelijk hoorbaar zijn.
e. Indien het waarschuwingssysteem niet van een eigen controlesysteem terzake van kortsluiting, draadbreuk en spanningsvermindering is voorzien, moet het functioneren ervan kunnen worden getest.
f. Bij iedere ingang van een ruimte, die met blusmiddel kan worden gevuld, moet duidelijk zichtbaar een bord zijn aangebracht met daarop in rode letters op witte ondergrond de volgende tekst:
«Vorsicht, Feuerlöscheinrichtung!
Bei Ertönen des Warnsignals (Beschreibung des Signals) den Raum sofort verlassen!
Attention, installation d'extinction d'incendie!
Quitter immédiatement ce local au signal (description du signal)!
Let op, brandblusinstallatie!
Bij het in werking treden van het alarmsignaal (omschrijving van het signaal) deze ruimte onmiddellijk verlaten!».
7.
Drukhouders, armaturen en persleidingen
a. Drukhouders, armaturen en persleidingen moeten voldoen aan de in één der Rijnoeverstaten of België gelden voorschriften.
b. Drukhouders moeten volgens de indicaties van de fabrikant zijn geïnstalleerd.
c. Drukhouders, armaturen en persleidingen mogen niet in verblijven geïnstalleerd zijn.
d. De temperatuur in de kasten of ruimten waarin drukhouders zijn opgesteld mag niet meer bedragen dan 50 °C.
e. Kasten of ruimten aan dek moeten vast aan het dek bevestigd zijn en voorzien zijn van ventilatieopeningen, die zo zijn aangebracht dat, in geval de drukhouders niet dicht zijn, geen ontsnappend gas in het binnenste van het schip kan doordringen. Directe verbindingen met andere ruimten zijn niet toegestaan.
8.
Hoeveelheid van het blusmiddel
Indien de hoeveelheid blusmiddel bedoeld is voor het beschermen van meer dan één ruimte, behoeft de totale hoeveelheid van het beschikbare blusmiddel niet meer te zijn dan de hoeveelheid die nodig is voor de grootste te beschermen ruimte.
9.
Installatie, controle en documentatie
a. De installatie mag slechts worden geïnstalleerd of omgebouwd door een bedrijf dat deskundig is op het gebied van brandblusinstallaties. De documentatie (folders met gegevens van het product en met de veiligheidsgegevens) van de fabrikant van het blusmiddel en de fabrikant van de installatie moeten in acht worden genomen.
b. De installatie moet:
aa. voor ingebruikstelling;
bb. voor hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest;
cc. na verandering of reparatie;
dd. met regelmaat tenminste elke twee jaar,
door een deskundige worden gekeurd.
c. Bij de keuring moet de deskundige controleren of de installatie aan de eisen van dit hoofdstuk voldoet.
d. De keuring moet tenminste betrekking hebben op:
aa. uitwendige inspectie van de installatie als geheel,
bb. test van de pijpleidingen op hun dichtheid,
cc. controle van de bedrijfszekerheid van de bedieningssystemen en de systemen voor het in werking stellen,
dd. controle van de druk in de houders alsmede de inhoud daarvan,
ee. controle van de dichtheid en van de afsluitinrichtingen van de te beschermen ruimte,
ff. test van het brandmeldingssysteem, alsmede
gg. test van het waarschuwingssysteem.
e. Inzake de keuring moet een door de inspecteur ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt.
f. Het aantal aanwezige vast ingebouwde brandblusinstallaties moet in het certificaat van onderzoek worden aangetekend.
10.
Brandblusinstallaties met CO 2
Brandblusinstallaties die met CO 2 als blusmiddel werken moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a. CO 2 -houders moeten buiten de te beschermen ruimte in een van de overige ruimten gasdicht gescheiden ruimte of kast zijn ondergebracht. De deuren van de ruimten waar ze opgesteld zijn of van de kasten moeten naar buiten openen, afsluitbaar zijn en aan de buitenkant zijn voorzien van een teken «Waarschuwing voor algemeen gevaar» overeenkomstig schets 4 van bijlage I met een hoogte van tenminste 5 cm alsmede van het bijkomend opschrift «CO 2 » in dezelfde kleur en met dezelfde hoogte.
b. De benedendekse ruimten waar CO 2 -houders zijn opgesteld mogen slechts van buitenaf toegankelijk zijn. Deze ruimten moeten over een eigen, van de andere ventilatiesystemen aan boord volledig gescheiden, voldoende kunstmatige ventilatie met afzuigkanalen beschikken.
c. De vulgraad van met CO 2 gevulde houders mag niet meer zijn dan 0,75 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde CO 2 -gas moet worden uitgegaan van 0,56 m 3 /kg.
d. De hoeveelheid CO 2 -gas benodigd voor het beschermen van een ruimte moet ten minste 40% van de bruto inhoud van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden kunnen worden toegevoerd. Het moet controleerbaar zijn of het gas is toegevoerd.
e. Het openen van de ventielen van de houders en het bedienen van het ventiel waardoor het gas uitstroomt moet door gescheiden handelingen geschieden.
f. De redelijke tijd, bedoeld in het zesde lid, onder b, moet tenminste 20 seconden bedragen. De vertraging tot aan het vrijkomen van het CO 2 -gas moet zijn gegarandeerd door een betrouwbare inrichting.
11.
Brandblusinstallaties met HFC-227ea
Brandblusinstallaties die werken met HFC-227ea als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a. Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie.
b. Iedere houder die HFC-227ea bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld.
c. Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waardoor de gasdruk kan worden gecontroleerd.
d. De vulgraad van de houders mag niet meer zijn dan 1,15 kg/l. Voor het volume van het uitgestroomde HFC-227ea moet worden uitgegaan van 0,1374 m 3 /kg.
e. De hoeveelheid HFC-227ea voor de te beschermen ruimte moet tenminste 8% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn.
f. De houders van HFC-227ea moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld.
g. Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn dan 10,5%.
h. De brandblusinstallatie mag geen enkel onderdeel uit aluminium bevatten.
12.
Brandblusinstallaties met IG-541
Brandblusinstallaties die werken met IG-541 als blusmiddel moeten, behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a. Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie.
b. Iedere houder die IG-541 bevat en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld.
c. Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd.
d. De druk waaronder de houders zijn gevuld mag bij +15 °C niet meer bedragen dan 200 bar.
e. De hoeveelheid IG-541 voor de te beschermen ruimte moet tenminste 44% en niet meer dan 50% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 120 seconden toegevoerd zijn.
13.
FK-5-1-12 - brandblusinstallaties
Brandblusinstallaties die werken met FK-5-1-12 moeten behalve aan de eisen, bedoeld in het eerste tot en met het negende lid, aan de volgende bepalingen voldoen:
a. Indien er sprake is van meerdere te beschermen ruimten met een verschillende bruto inhoud, moet iedere ruimte voorzien zijn van een eigen brandblusinstallatie.
b. Iedere houder die FK-5-1-12 en in de te beschermen ruimte is opgesteld moet voorzien zijn van een overdrukbeveiliging. Deze moet ervoor zorgen dat de inhoud van de houder zonder gevaar in de te beschermen ruimte stroomt, wanneer de houder aan de invloed van de brand is blootgesteld en de brandblusinstallatie niet in werking is gesteld.
c. Iedere houder moet zijn uitgerust met een inrichting waarmee de gasdruk kan worden gecontroleerd.
d. De vulgraad van de houders mag niet meer zijn dan 1,00 kg/l. Voor het specifieke volume van het uitgestroomde FK-5-1-12 moet 0,0719 m 3 /kg genomen worden.
e. Het volume FK-5-1-12 in de te beschermen ruimte moet minstens 5,5% van het bruto volume van die ruimte bedragen. Deze hoeveelheid moet binnen 10 seconden toegevoerd zijn.
f. De houders FK-5-1-12 moeten voorzien zijn van een controlesysteem van de druk dat bij een ontoelaatbaar verlies van drijfgas een akoestisch en optisch alarmsignaal in het stuurhuis in werking stelt. Wanneer er geen sprake is van een stuurhuis moet het alarmsignaal buiten de te beschermen ruimte in werking worden gesteld.
g. Na het uitstromen van het blusmiddel mag de concentratie in de te beschermen ruimte niet groter zijn dan 10,0%.
Artikel 10.03c. Vast ingebouwde brandblusinstallaties ter bescherming van objecten
Voor de bescherming van objecten zijn vast geïnstalleerde brandblusinstallaties slechts toegestaan op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie van de Rijnvaart.
1.
De volgende vaartuigen moeten met een bijboot overeenkomstig de Europese norm EN 1914: 1997, zijn uitgerust:
a. motorschepen en sleepschepen met een laadvermogen van meer dan 150 t;
b. sleepboten en duwboten met een waterverplaatsing van meer dan 150 m 3 ;
c. drijvende werktuigen; en
d. passagiersschepen.
2.
Bijboten moeten binnen 5 minuten, te rekenen vanaf de eerste daartoe noodzakelijke handeling, door één persoon veilig te water kunnen worden gelaten. Indien zij door middel van een door een motor aangedreven inrichting te water worden gelaten, moet deze zo zijn ingericht dat uitvallen van de energietoevoer het snel en veilig te water laten niet kan verhinderen.
3.
Opblaasbare bijboten moeten zijn getest overeenkomstig de indicaties van de fabrikant.
1.
Aan boord van vaartuigen moeten ten minste drie reddingsboeien overeenkomstig de Europese norm EN 14 144 : 2002 aanwezig zijn. Zij moeten zich in gebruiksklare toestand op vaste en daarvoor geschikte plaatsen aan dek bevinden en mogen niet zijn vastgemaakt aan de houders. Ten minste één reddingsboei moet zich in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis bevinden en deze moet zijn voorzien van een automatisch ontbrandend licht, gevoed door batterijen, dat in het water niet kan uitgaan.
2.
Aan boord van vaartuigen moet zich voor ieder zich regelmatig aan boord bevindend persoon een voor hem persoonlijk geschikt, automatisch opblaasbaar reddingsvest, dat voldoet aan de Europese norm EN 395 : 1998, of EN 396 : 1998, onder handbereik bevinden. Voor kinderen zijn ook harde reddingsvesten, die aan deze normen voldoen, toegelaten.
3.
Zwemvesten moeten zijn getest overeenkomstig de indicaties van de fabrikant.
1.
Vaartuigen moeten zodanig zijn gebouwd, ingericht en uitgerust, dat personen daarop veilig kunnen werken en zich verplaatsen.
2.
De voor het werk aan boord noodzakelijke en vast opgestelde voorzieningen moeten zodanig zijn ingericht, opgesteld en beveiligd, dat ze gemakkelijk en zonder gevaar bediend, gebruikt en onderhouden kunnen worden. Zo nodig moeten bewegende en hete delen van beschermende inrichtingen zijn voorzien.
1.
Dekken en gangboorden moeten vlak zijn en moeten vrij zijn van obstakels waarover men kan struikelen; ze moeten zodanig zijn uitgevoerd dat er geen water op kan blijven staan.
2.
Dekken alsmede gangboorden, machinekamervloeren, bordessen, trappen en de bolderdeksels in de gangboorden moeten veiligheid bieden tegen uitglijden.
3.
Bolderdeksels in de gangboorden en hindernissen in de verkeerswegen, zoals bijvoorbeeld randen van traptreden, moeten in een met het omgevende dek contrasterende kleur zijn geverfd.
4.
Buitenkanten van de dekken en de werkplekken, waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, moeten zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,70 m hoogte of van relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711 : 1995, die bestaan uit een handreling, een tussenroede op kniehoogte en een voetlijst. Bij gangboorden moet een voetlijst en een doorlopende handreling aan de dennenboom zijn aangebracht. De handreling aan de dennenboom kan achterwege worden gelaten, indien het gangboord voorzien is van een niet neerklapbare reling.
5.
Voor werkplekken, waar de valhoogte meer dan 1 meter bedraagt, kan de Commissie van Deskundigen geschikte inrichtingen en uitrustingen ten behoeve van het veilig werken eisen.
Artikel 11.03. Afmeting van de werkplekken
Werkplekken moeten zo groot zijn dat iedere persoon die er werkt voldoende bewegingsvrijheid heeft.
1.
De vrije breedte van het gangboord moet ten minste 0,60 m bedragen. Op de plaats van bepaalde ingebouwde noodzakelijke constructies (zoals afsluiters voor dekwasleidingen) behoeft dit slechts 0,50 m te zijn en bij bolders en klampen 0,40 m.
2.
De vrije breedte van het gangboord kan tot een hoogte van 0,90 m daarboven tot 0,54 m beperkt blijven wanneer de vrije breedte in het gedeelte daarboven tussen de buitenkant van de scheepshuid en de binnenkant van de opening van het laadruim ten minste 0,65 m bedraagt. In dit geval kan de vrije breedte van het gangboord tot 0,50 m beperkt blijven, indien aan de buitenkant van het gangboord een reling is aangebracht als voorziening tegen overboord vallen van personen, die voldoet aan de Europese norm EN 711 : 1995. Deze reling behoeft niet te zijn aangebracht op schepen met een lengte van 55 m of minder die slechts verblijven op het achterschip hebben.
3.
Het eerste en tweede lid gelden tot een hoogte van 2,00 m boven het gangboord.
1.
Bij gangen, toegangen en doorgangen, die door personen of voor het verplaatsen van goederen worden gebruikt, moet:
a. voor de toegangsopeningen voldoende plaats zijn voor onbelemmerde beweging;
b. de vrije breedte van de doorgangen overeenkomen met de bestemming van de werkplekken, maar ten minste 0,60 m bedragen. Bij schepen met een breedte van niet meer dan 8 m behoeft de breedte van de doorgangen slechts 0,50 m te bedragen;
c. de vrije hoogte van de doorgangen inclusief de hoogte van de drempels ten minste 1,90 m bedragen.
2.
Deuren moeten van beide zijden zonder gevaar geopend en gesloten kunnen worden. Ze moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij niet onopzettelijk open of dicht kunnen gaan.
3.
In- en uitgangen en gangen die hoogteverschillen van meer dan 0,50 m hebben moeten zijn voorzien van adequate trappen, ladders of klimtreden.
4.
Wanneer het hoogteverschil bij permanent bezette werkplekken meer dan 1,00 m bedraagt, moeten er trappen zijn. Dit geldt niet voor nooduitgangen.
5.
Bij schepen met laadruimen moet ten minste bij ieder uiteinde van ieder laadruim een vast ingebouwde klimvoorziening aanwezig zijn.
In afwijking hiervan behoeft geen vast ingebouwde klimvoorziening aanwezig te zijn indien er tenminste twee draagbare ruimladders aanwezig zijn die bij een hellingshoek van 60° met tenminste drie treden tot boven de rand van het luik moeten reiken.
1.
Het aantal, de constructie en de afmetingen van de uitgangen met inbegrip van de nooduitgangen moeten overeenkomen met de bestemming en de grootte van de ruimten. Wanneer één van deze uitgangen een nooduitgang is, moet die duidelijk als zodanig zijn aangeduid.
2.
Nooduitgangen of als nooduitgang dienende vensters of bovenlichten moeten een vrije opening van ten minste 0,36 m² hebben, waarbij de kortste zijde ten minste 0,50 m moet bedragen.
1.
Trappen en ladders moeten veilig zijn bevestigd. Trappen moeten ten minste 0,60 m breed zijn; de vrije breedte tussen de handrelingen moet ten minste 0,60 m bedragen; de diepte van de treden mag niet minder zijn dan 0,15 m; het oppervlak van de treden moet veiligheid bieden tegen uitglijden; trappen met meer dan drie treden moeten handrelingen hebben.
2.
Ladders en klimtreden moeten een vrije breedte van ten minste 0,30 m hebben; de afstand tussen de sporten mag niet meer dan 0,30 m bedragen; de afstand van de sporten tot constructiedelen moet ten minste 0,15 m zijn.
3.
Ladders en klimtreden moeten van boven herkenbaar zijn en met handgrepen boven de uitgangsopeningen zijn uitgerust.
4.
Aanleunladders moeten ten minste 0,40 m en onderaan ten minste 0,50 m breed zijn; ze moeten kunnen worden beveiligd tegen kantelen en wegglijden; de sporten moeten vast in de boom zijn bevestigd.
1.
Binnen in het schip gelegen werkplekken moeten naar grootte, inrichting en indeling zijn aangepast aan de daar te verrichten werkzaamheden en voldoen aan de eisen inzake hygiëne en veiligheid. Ze moeten voldoende en niet verblindend kunnen worden verlicht en voldoende kunnen worden geventileerd; zo nodig moeten zij zijn voorzien van verwarmingsapparaten die een redelijke temperatuur waarborgen.
2.
Vloeren van binnen in het schip gelegen werkplekken moeten vast zijn, duurzaam uitgevoerd, en veiligheid bieden tegen struikelen en uitglijden. Openingen in dekken en vloeren moeten in geopende toestand een beveiliging hebben tegen het gevaar van vallen. Vensters en bovenlichten moeten zodanig zijn uitgevoerd en gesitueerd dat ze zonder gevaar kunnen worden bediend en gereinigd.
1.
De werkplekken moeten zodanig zijn gelegen, ingericht en ontworpen dat de werknemers niet aan het gevaar van trillingen zijn blootgesteld.
2.
Permanent gebruikte werkruimten moeten bovendien zodanig zijn gebouwd en geïsoleerd tegen geluid dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers niet door geluidshinder in gevaar worden gebracht.
3.
Voor werknemers die dagelijks aan een geluidsdruk van meer dan 85 dB(A) worden blootgesteld, moeten persoonlijke gehoorbeschermings-middelen aanwezig zijn. Werkplekken waar deze waarden meer zijn dan 90 dB(A) moeten zijn voorzien van een teken «gehoorbescherming verplicht» met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 7 van bijlage I , waarin wordt gewezen op de plicht tot het gebruiken van deze gehoorbeschermingsmiddelen.
1.
Luiken moeten gemakkelijk bereikt en veilig bewogen kunnen worden. Delen van luiken met een gewicht van meer dan 40 kg moeten bovendien schuifbaar of neerklapbaar zijn of zodanig zijn ingericht dat zij mechanisch kunnen worden opgetild. Luiken die met behulp van hefwerktuigen worden bewogen, moeten zijn voorzien van adequate en gemakkelijk toegankelijke inrichtingen voor het vastmaken van de aanslagmiddelen. Op luiken of schaarstokken die niet uitwisselbaar zijn moet duidelijk het luik waarbij ze behoren en de exacte plaats daarop zijn aangegeven.
2.
Luiken moeten beveiligd kunnen worden tegen oplichten door wind en laadinrichtingen. Schuifluiken moeten zijn voorzien van vergrendelingen die onopzettelijke beweging in de lengterichting met meer dan 0,40 m verhinderen; zij moeten in hun uiterste stand kunnen worden vastgezet. Er moeten geschikte inrichtingen aanwezig zijn voor het bevestigen van opgestapelde luiken.
3.
Bij mechanisch bediende luiken moet de energietoevoer na het loslaten van de bedieningsschakelaar automatisch worden onderbroken.
4.
Luiken moeten de te verwachten belasting, begaanbare luiken ten minste 75 kg, als puntlast kunnen opnemen. Niet begaanbare luiken moeten als zodanig zijn aangeduid. Op luiken die bestemd zijn voor het dragen van deklast moet de toegelaten belasting in t/m² staan aangeduid. Indien voor het bereiken van de toegelaten belasting stutten nodig zijn, moet daarop op een geschikte plaats worden gewezen; in dat geval moeten tekeningen voor dit doel aan boord aanwezig zijn.
1.
Lieren moeten zodanig zijn ingericht dat veilig werken mogelijk is. Ze moeten voorzieningen hebben die het onopzettelijk teruglopen van de last verhinderen. Lieren die geen automatische rem hebben moeten zijn uitgerust met een op de trekkracht berekende rem.
2.
Lieren die met de hand worden bediend moeten zijn voorzien van inrichtingen die het terugslaan van de zwengels verhinderen. Lieren die zowel met de hand als mechanisch kunnen worden bediend moeten zodanig zijn ingericht dat de mechanische aandrijving niet het handmechanisme in werking kan stellen.
1.
Kranen moeten volgens de regels van de techniek zijn gebouwd. De tijdens het in bedrijf zijn optredende krachten moeten veilig worden overgebracht op de scheepsconstructie; zij mogen de stabiliteit niet in gevaar brengen.
2.
Op elke kraan moet een fabriekslabel met de volgende gegevens zijn aangebracht:
a. naam en adres van de fabrikant;
b. het EG-kenteken met vermelding van het bouwjaar;
c. aanduiding van de serie of het type;
d. eventueel serienummer.
3.
Op elke kraan moet de ten hoogste toelaatbare belasting duurzaam en duidelijk zichtbaar zijn aangebracht.
Bij kranen waarvan de bedrijfslast niet meer bedraagt dan 2000 kg hoeft alleen de ten hoogste toelaatbare bedrijfslast bij de grootste vlucht van de kraan duurzaam en duidelijk zichtbaar te zijn aangebracht.
4.
Ter voorkoming van het gevaar van persoonlijk letsel moeten beschermende voorzieningen aanwezig zijn. De buitenste delen van de kraan moeten ten opzichte van alle delen van de omgeving van de kraan een veiligheidsafstand naar boven, beneden en naar opzij van ten minste 0,50 m hebben. De veiligheidsafstand naar opzij is buiten het gebied waar gewerkt en gelopen wordt niet noodzakelijk.
5.
Kranen die mechanisch worden aangedreven moeten kunnen worden beschermd tegen gebruik door onbevoegden. Ze mogen slechts aan de voor de kraan voorziene bedieningsinrichting in werking kunnen worden gesteld. De bedieningsorganen moeten automatisch in de stopstand terugkeren (schakelaar die niet automatisch in de in werking gestelde stand blijft); duidelijk zichtbaar moet zijn in welke richting zij functioneren.
Bij het uitvallen van de aandrijfenergie mag de last niet automatisch kunnen teruglopen. Onopzettelijke kraanbewegingen moeten worden voorkomen.
De opwaartse beweging van het hijsmiddel en de overschrijding van de bedrijfslast moeten door adequate voorzieningen zijn beperkt. De neerwaartse beweging van het hijsmiddel moet beperkt zijn wanneer bij het voorziene gebruik van de kraan, op het moment dat het hijsmiddel wordt bevestigd aan de last, minder dan twee wikkelingen van de hijskabel op de liertrommel over zijn. Na het aanspreken van de automatische (beveiligings-)voorzieningen, moet de respectieve tegengestelde beweging nog mogelijk zijn.
De breeksterkte van draadkabels voor het lopende werk moet ten minste het vijfvoudige van de maximaal toelaatbare kabeltreksterkte bedragen. De constructie van de draadkabel moet onberispelijk zijn en moet geschikt zijn voor het gebruik bij kranen.
6.
Voor de eerste ingebruikneming en voor het opnieuw in gebruik nemen na ingrijpende wijzigingen dient de aanwezigheid van voldoende stevigheid en stabiliteit rekenkundig en door een belastingsproef aan boord te worden aangetoond.
Voor kranen waarvan de bedrijfslast niet meer bedraagt dan 2000 kg kan de deskundige beslissen het rekenkundige bewijs geheel of gedeeltelijk te vervangen door een proef met het 1,25-voudige van de bedrijfslast die over het hele werkgebied wordt uitgevoerd.
De in de eerste of tweede alinea bedoelde keuring moet door een door de Commissie van Deskundigen erkende deskundige worden verricht.
7.
Kranen dienen regelmatig, echter ten minste eens in de twaalf maanden, door een deskundige te worden onderzocht. Hierbij dient door visuele controle en controle van het functioneren te worden vastgesteld dat de kraan veilig is.
8.
Uiterlijk om de 10 jaar na de keuring dient de kraan opnieuw door een door de Commissie van Deskundigen erkende deskundige te worden getest.
9.
Kranen waarvan de bedrijfslast meer dan 2000 kg bedraagt, die dienen voor de overslag van vracht, of die aan boord van bokken, pontons en andere drijvende werktuigen of schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden zijn opgesteld, moeten bovendien voldoen aan de voorschriften van een Oeverstaat of van België.
10.
Voor alle kranen moeten ten minste de volgende bescheiden aan boord aanwezig zijn:
a. de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de kraan. Deze moet ten minste de volgende gegevens bevatten:
toepassing en functie van de bedieningsorganen;
maximaal toelaatbare bedrijfslast overeenkomstig de vlucht;
maximaal toelaatbare helling van de kraan;
handleiding voor montage en onderhoud;
richtlijnen voor de regelmatige controles;
algemene technische gegevens.
b. de verklaring over uitgevoerde testen als bedoeld in het zesde, zevende, achtste of negende lid.
Artikel 11.13. Opslag van brandbare vloeistoffen
Ten behoeve van de opslag van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van minder dan 55° C moet zich aan dek een geventileerde kast van onbrandbaar materiaal bevinden. De buitenkant daarvan moet zijn voorzien van een teken «Vuur, open licht en roken verboden» met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage I .
1.
Schepen moeten voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen, althans ten minste voor de minimum bemanning, voorzien zijn van verblijven.
2.
Verblijven moeten zodanig zijn gebouwd, ingericht en uitgerust dat zij voldoen aan de eisen met betrekking tot de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de personen aan boord. Zij moeten gemakkelijk en veilig toegankelijk zijn, alsmede voldoende geïsoleerd zijn tegen kou en warmte.
3.
De Commissie van Deskundigen kan afwijkingen van dit hoofdstuk toestaan indien de veiligheid en gezondheid van de personen aan boord op andere wijze zijn gewaarborgd.
4.
De Commissie van Deskundigen vermeldt in het certificaat van onderzoek beperkingen van de exploitatiewijze of van de soort bedrijfsvoering van het schip die zijn vereist op grond van afwijkingen als bedoeld in het derde lid.
1.
Verblijven moeten, ook wanneer de deuren gesloten zijn, voldoende kunnen worden geventileerd; bovendien moeten de woonruimten voldoende daglicht verkrijgen en zo mogelijk uitzicht naar buiten hebben.
2.
Verblijven moeten, indien zij niet op dekhoogte toegankelijk zijn en het hoogteverschil meer dan 0,30 m bedraagt, via trappen toegankelijk zijn.
3.
In het voorschip mogen de vloeren niet lager dan 1,20 m onder het vlak van de grootste inzinking liggen.
4.
Woon- en slaapruimten moeten ten minste twee zover mogelijk van elkaar verwijderde uitgangen hebben, die als vluchtwegen dienen. Eén uitgang kan als nooduitgang zijn geconstrueerd. Dit geldt niet voor ruimten waarvan de uitgang rechtstreeks naar het dek leidt of naar een gang die als vluchtweg dient, voor zover deze gang twee van elkaar verwijderd liggende uitgangen heeft naar bak- en stuurboord. Nooduitgangen, waartoe ook bovenlichten en ramen kunnen behoren, moeten een vrije opening van ten minste 0,36 m² hebben, een kleinste zijde van ten minste 0,50 m hebben en een snelle evacuatie in geval van nood mogelijk maken. De isolering en de bekleding van oppervlakken van de vluchtwegen moeten van moeilijk ontvlambaar materiaal zijn gemaakt en het gebruik van de vluchtwegen moet door adequate maatregelen zoals ladders of klimtreden te allen tijde zijn gewaarborgd.
5.
Verblijven moeten zijn beschermd tegen ontoelaatbare geluidshinder en trillingen. De ten hoogste toegelaten niveaus van de geluidsdruk zijn:
a. in woonruimten: 70 dB(A);
b. in slaapruimten: 60 dB(A).
Dit geldt echter niet op schepen waarvoor uitsluitend exploitatiewijze A 1 geldt. De beperking wat betreft de exploitatiewijze dient in het certificaat van onderzoek te worden vermeld.
6.
In verblijven mag de stahoogte niet minder zijn dan 2,00 m.
7.
In de regel moeten de schepen ten minste één van de slaapruimte afgescheiden woonruimte hebben.
8.
In woonruimten mag het vrije vloeroppervlak niet minder zijn dan 2 m² per persoon, maar moet dit in totaal ten minste 8 m² zijn. De oppervlakte bezet met verplaatsbaar meubilair, zoals tafels en stoelen, maakt deel uit van de vrije oppervlakte.
9.
Elke woon- of slaapruimte moet een inhoud van ten minste 7,00 m³ hebben.
10.
In woonruimten bedraagt het minimale luchtvolume 3,50 m³ per persoon. In slaapruimten moet het luchtvolume voor de eerste persoon ten minste 5,00 m 3 bedragen, voor iedere verdere persoon moet nog eens ten minste 3,00 m 3 aanwezig zijn (het volume van het meubilair dient daarvan te worden afgetrokken). Slaapruimten mogen slechts voor ten hoogste twee personen bestemd zijn. De bedden moeten ten minste 0,30 m boven de vloer zijn aangebracht. Indien het stapelbedden betreft, moet boven elk bed een vrije ruimte van ten minste 0,60 m hoogte aanwezig zijn.
11.
Deuren moeten een opening hebben waarvan de bovenkant ten minste 1,90 m boven het dek of de vloer ligt en zij moeten een vrije breedte van ten minste 0,60 m hebben. De voorgeschreven hoogte mag door het aanbrengen van schuifkappen of luiken worden bereikt. Deuren moeten van beide kanten naar buiten kunnen worden geopend. Deurdrempels mogen ten hoogste 0,40 m hoog zijn. Bovendien moeten andere veiligheidsvoorschriften worden nageleefd.
12.
Trappen moeten vast aangebracht en veilig begaanbaar zijn. Dit is het geval wanneer:
a. zij ten minste 0,60 m breed zijn;
b. de treden ten minste 0,15 m diep zijn;
c. de treden een antisliplaag hebben, en
d. trappen met meer dan drie treden zijn voorzien van ten minste een handgreep of leuning.
13.
Leidingen voor gevaarlijke gassen en gevaarlijke vloeistoffen, in het bijzonder als ze onder een zodanig hoge druk staan dat een lek personen in gevaar zou kunnen brengen, mogen niet zijn aangelegd in de verblijven en in de daarheen leidende gangen. Dit geldt niet voor leidingen voor stoomsystemen en hydraulische systemen die zijn ondergebracht in een metalen beschermkoker en voor vast aangelegde leidingen van vloeibaar-gasinstallaties voor huishoudelijk gebruik.
1.
Schepen met verblijven moeten ten minste over de volgende sanitaire voorzieningen beschikken:
a. een toilet per wooneenheid of per zes bemanningsleden. Dit toilet moet van frisse lucht kunnen worden voorzien;
b. een wasbak met afvoer en met drinkwateraansluiting voor koud en warm water per wooneenheid of per vier bemanningsleden;
c. een douche of badkuip met drinkwateraansluiting voor koud en warm water per wooneenheid of per zes bemanningsleden.
2.
Sanitaire voorzieningen moeten zich in de directe nabijheid van de woonruimten bevinden. Toiletten mogen geen rechtstreekse verbinding hebben met de keukens, eetruimten of woonkeukens.
3.
Toiletruimten moeten een grondoppervlak van ten minste 1,00 m² hebben. Daarbij moet de breedte ten minste 0,75 m en de lengte ten minste 1,10 m bedragen. Toiletruimten in hutten voor maximaal twee personen mogen kleiner zijn. Indien zich een wasgelegenheid en/of douche in de toiletruimte bevindt, moet het grondoppervlak met ten minste het oppervlak van de wasbak en/of de douchebak (of eventueel van de badkuip) zijn vergroot.
1.
Keukens mogen gecombineerd zijn met woonruimten.
2.
Keukens moeten uitgerust zijn met:
a. kookgerei;
b. spoelbak met afvoer;
c. installatie voor de drinkwatervoorziening;
d. koelkast;
e. voldoende berg-, werk- en voorraadruimte.
3.
Eetruimten in woonkeukens moeten voldoende zijn voor het aantal bemanningsleden dat deze ruimten gewoonlijk gelijktijdig gebruikt. De breedte van de zitplaatsen mag niet minder dan 0,60 m bedragen.
1.
Schepen waarop zich verblijven bevinden moeten van een drinkwaterinstallatie zijn voorzien. Op de vulopeningen van de drinkwatertanks en de drinkwaterslangen dient te zijn vermeld dat zij uitsluitend voor drinkwater zijn bestemd. Vulaansluitingen voor drinkwater moeten boven het dek zijn aangebracht.
2.
Drinkwaterinstallaties moeten:
a. van binnen uit corrosiebestendig en fysiologisch ongevaarlijk materiaal bestaan;
b. zijn samengesteld zonder leidinggedeelten waarin een regelmatige doorstroming niet is gegarandeerd, en
c. tegen overmatige verhitting zijn beschermd.
3.
Drinkwatertanks moeten bovendien:
a. een capaciteit hebben van ten minste 150 l per gewoonlijk aan boord verblijvende persoon, maar ten minste per bemanningslid;
b. een adequaat afsluitbare opening hebben voor het schoonmaken van de binnenkant;
c. een inrichting voor het aanwijzen van de inhoud hebben; en
d. aansluitingen hebben voor beluchten en ontluchten, die afvoeren in de open lucht of die van adequate filters zijn voorzien.
4.
Drinkwatertanks mogen geen wanden gemeen hebben met andere tanks. Drinkwaterleidingen mogen niet door tanks lopen die andere vloeistoffen bevatten. Verbindingen tussen het drinkwatersysteem en andere pijpleidingen zijn niet toegestaan. Pijpleidingen voor gas of andere vloeistoffen dan drinkwater mogen niet door drinkwatertanks lopen.
5.
Drukvaten voor drinkwater mogen slechts met niet verontreinigde perslucht worden bediend. Indien de perslucht afkomstig is van compressoren, moeten vlak vóór de drukvaten voor drinkwater geschikte luchtfilters en olieafscheiders zijn aangebracht, tenzij het drinkwater door een membraan van de perslucht is gescheiden.
1.
Verblijven moeten overeenkomstig hun doel kunnen worden verwarmd. De verwarmingen moeten berekend zijn op de heersende weersomstandigheden.
2.
Woon- en slaapruimten moeten - ook bij gesloten deuren - voldoende kunnen worden geventileerd. De toevoer en afvoer van lucht moeten onder alle klimatologische omstandigheden voldoende luchtcirculatie mogelijk maken.
3.
Verblijven moeten zodanig zijn ingericht en uitgevoerd dat voor zover mogelijk wordt voorkomen dat verontreinigde lucht uit andere afdelingen van het schip, zoals machinekamers of laadruimen, binnendringt; bij geforceerde ventilatie dienen de inlaatopeningen zodanig te worden aangebracht dat ze aan bovengenoemde eisen voldoen.
1.
Ieder aan boord verblijvend bemanningslid moet over een eigen bed en een eigen afsluitbare klerenkast beschikken. Het bed moet ten minste een binnenmaat van 2,00 bij 0,90 m hebben.
2.
Buiten de slaapruimten dient te zijn voorzien in adequate gelegenheden voor het bewaren en drogen van werkkleding.
3.
Alle ruimten moeten elektrisch kunnen worden verlicht. Extra lampen voor gasvormige of vloeibare brandstoffen zijn slechts in woonruimten toegestaan. Verlichtingsvoorzieningen met vloeibare brandstof moeten van metaal zijn vervaardigd en mogen slechts op brandstoffen werken waarvan het vlampunt boven 55° C ligt of op handelspetroleum. Ze moeten zodanig zijn opgesteld of aangebracht dat er geen brandgevaar bestaat.
1.
Op verwarmings-, kook- en koelinstallaties die werken op vloeibaar gas zijn de voorschriften van hoofdstuk 14 van toepassing.
2.
Verwarmings-, kook- en koelinstallaties met toebehoren moeten zo zijn uitgevoerd en opgesteld dat zij ook bij oververhitting geen gevaar opleveren; ze moeten zijn beveiligd tegen onopzettelijk kantelen of verschuiven.
3.
De in het tweede lid genoemde installaties mogen niet worden opgesteld in ruimten waar stoffen met een vlampunt onder 55° C worden opgeslagen of gebruikt. Afvoerleidingen van de installaties mogen niet door deze ruimten lopen.
4.
De voor de verbranding noodzakelijke luchttoevoer moet zijn zekergesteld.
5.
Verwarmingsapparaten moeten vast verbonden zijn met schoorstenen. Deze schoorstenen moeten in goede staat zijn en zijn voorzien van geschikte kappen of tegen wind beschermd zijn. Zij moeten zodanig zijn aangelegd dat zij gereinigd kunnen worden.
1.
Wanneer verwarmings-, kook- en koelinstallaties op vloeibare brandstoffen werken, mogen alleen brandstoffen met een vlampunt boven 55° C worden gebruikt.
2.
In afwijking van het eerste lid kunnen kooktoestellen en van pitbranders voorziene verwarmings- en koeltoestellen die op handelspetroleum werken worden toegestaan in verblijven en stuurhuizen, mits de inhoud van hun reservoir niet meer bedraagt dan 12 liter.
3.
Met pitbranders uitgeruste installaties moeten:
a. een metalen brandstoftank met een afsluitbare vulopening hebben, die geen zacht gesoldeerde naden heeft onder de hoogste vulstand en die zo is gebouwd en aangebracht dat hij niet onopzettelijk kan opengaan of leeglopen;
b. zonder behulp van een andere brandbare vloeistof kunnen worden ontstoken, en
c. zo zijn opgesteld dat de verbrandingsgassen veilig worden afgevoerd.
1.
Oliekachels met verdampingsbranders en oliestookinstallaties met verstuivingsbranders moeten volgens de algemeen erkende regels van de techniek zijn gebouwd.
2.
Indien een oliekachel met een verdampingsbrander of een oliestookinstallatie met een verstuivingsbrander in een machinekamer is opgesteld, moet de luchttoevoer voor het verwarmingsapparaat en de motoren zodanig zijn dat het verwarmingsapparaat en de motoren onafhankelijk van elkaar, probleemloos en veilig kunnen functioneren. Indien nodig moeten afzonderlijke luchttoevoerkokers aanwezig zijn. De opstelling van het apparaat moet zodanig zijn dat een eventueel uit de verbrandingsruimte terugslaande vlam niet met andere delen van de machinekamerinstallatie in aanraking kan komen.
1.
Oliekachels met verdampingsbranders moeten zonder behulp van andere brandbare vloeistoffen kunnen worden aangestoken. Zij moeten zijn aangebracht boven een metalen lekbak van zodanige omvang dat alle kachelonderdelen waarin olie aanwezig kan zijn zich boven deze bak bevinden. De inhoud van de lekbak mag niet minder dan 2 liter en de randhoogte niet minder dan 20 mm bedragen.
2.
Voor oliekachels met verdampingsbranders die in de machinekamer zijn opgesteld moet de randhoogte van de in het eerste lid bedoelde lekbak ten minste 200 mm bedragen. De onderkant van de brander moet boven de bovenrand van de lekbak liggen. Bovendien moet de bovenrand van de lekbak ten minste 100 mm boven de vloerplaat uitsteken.
3.
Oliekachels met verdampingsbranders moeten van een geschikte brandstofregelaar zijn voorzien, die bij elke ingestelde stand een praktisch gelijkblijvende olietoevoer naar de brander waarborgt en bij eventueel uitdoven van de vlam de brandstoftoevoer afsluit. De brandstofregelaar is als geschikt te beschouwen als deze ook bij trillingen en bij slagzij tot 12° probleemloos functioneert en, behalve van een vlotter voor de regulering van het niveau, is voorzien van:
a. een tweede vlotter, die bij het overschrijden van het toelaatbare olieniveau de toevoer van brandstof veilig en betrouwbaar afsluit, of
b. een overloopleiding, mits de olie-opvangbak ten minste de inhoud van de verbruikstank kan bevatten.
4.
Indien de brandstoftank gescheiden is van de oliekachel met verdampingsbrander:
a. mag deze tank niet hoger zijn geplaatst dan volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant is toegestaan;
b. moet de tank zodanig zijn geplaatst dat deze tegen ontoelaatbare verwarming is beschermd;
c. moet de brandstoftoevoer vanaf het dek kunnen worden onderbroken.
5.
De schoorstenen van oliekachels met natuurlijke trek moeten zijn voorzien van een inrichting die terugslag van de trek verhindert.
Artikel 13.05. Oliestookinstallaties met verstuivingsbranders
Oliestookinstallaties met verstuivingsbranders moeten met name aan de volgende eisen voldoen:
a. Vóór het begin van de olietoevoer moet voldoende ventilatie van de verbrandingsruimte zijn gewaarborgd;
b. De brandstoftoevoer moet door een thermostatische regelaar worden geregeld;
c. De ontsteking moet elektrisch of met een waakvlam geschieden;
d. Er moet een inrichting aanwezig zijn die bij het uitdoven van de vlam de brandstoftoevoer automatisch afsluit;
e. De hoofdschakelaar moet zijn aangebracht op een gemakkelijk toegankelijke plaats buiten de ruimte waar de installatie staat opgesteld.
Artikel 13.06. Luchtverhitters
Luchtverhitters waarbij de verwarmingslucht onder druk rondom een verbrandingskamer naar een verdeelsysteem of een ruimte wordt geleid moeten aan de volgende eisen voldoen:
a. Indien de brandstof onder druk wordt verstoven, moet de toevoer van de verbrandingslucht door middel van een ventilator geschieden;
b. Voordat de brander kan worden ontstoken, moet de verbrandingskamer goed geventileerd zijn. Dit kan ook gebeuren door het nalopen van de verbrandingsluchtventilator;
c. De brandstoftoevoer moet automatisch worden gesloten, wanneer
het vuur uitdooft;
geen voldoende toevoer van verbrandingslucht aanwezig is;
de verhitte lucht een eerder ingestelde temperatuur overschrijdt, of
de stroomvoorziening van de veiligheidsinrichtingen uitvalt.
In deze gevallen mag de brandstoftoevoer na te zijn gesloten niet weer automatisch starten;
d. De ventilatoren voor verbrandingslucht en verwarmingslucht moeten kunnen worden uitgeschakeld buiten de ruimte waarin het verwarmingsapparaat is opgesteld;
e. Indien de verwarmingslucht van buitenaf wordt aangezogen, moeten de aanzuigopeningen zo hoog mogelijk boven het dek liggen. De uitvoering daarvan moet spatwater- en regendicht zijn;
f. De leidingen voor de verwarmingslucht moeten van metaal zijn vervaardigd;
g. De uitgangsopeningen voor de verwarmingslucht mogen niet volledig gesloten kunnen worden;
h. De bij lekkage vrijkomende brandstof mag zich niet tot in de leidingen voor de verwarmingslucht kunnen verspreiden;
i. Luchtverhitters mogen hun verwarmingslucht niet uit een machinekamer kunnen aanzuigen.
1.
Verwarmingsapparaten die op vaste brandstoffen werken moeten zodanig op een metalen plaat met een opstaande rand staan dat gloeiende brandstoffen of hete as niet buiten deze plaat kunnen geraken.
Dit is niet vereist in ruimten die zijn gebouwd van onbrandbaar materiaal en die uitsluitend zijn bestemd voor het onderbrengen van een verwarmingsketel.
2.
De met vaste brandstoffen verwarmde ketels moeten zijn voorzien van thermostatische regelaars, die de voor de verbranding noodzakelijke luchttoevoer regelen.
3.
In de nabijheid van ieder verwarmingsapparaat moeten middelen aanwezig zijn waarmee de as gemakkelijk kan worden afgekoeld.
Artikel 13.09
[Door vernummering vervallen.]
1.
Vloeibaargasinstallaties bestaan in hoofdzaak uit een flessenkast met één of meer gasflessen, één of meer drukregelaars, een distributienet en gebruiksapparaten.
Reserveflessen en lege flessen die zich niet in de flessenkast bevinden zijn geen delen van een vloeibaargasinstallatie. Artikel 14.05 is hierop van toepassing.
2.
De installaties mogen slechts op handelspropaan werken.
1.
Vloeibaargasinstallaties moeten in al hun onderdelen geschikt zijn voor het gebruik van propaan en deugdelijk zijn uitgevoerd en opgesteld.
2.
Vloeibaargasinstallaties mogen slechts worden gebruikt voor huishoudelijke doeleinden in de verblijven en in het stuurhuis, alsmede voor overeenkomstige doeleinden op passagiersschepen.
3.
Er kunnen zich aan boord verschillende afzonderlijke vloeibaargasinstallaties bevinden. Een en dezelfde installatie mag niet worden gebruikt voor verblijven die door een ruim of een vaste tank zijn gescheiden.
4.
In de machinekamer mag zich geen onderdeel van de vloeibaargasinstallatie bevinden.
1.
Toegestaan zijn uitsluitend flessen waarvan de toegelaten vulmassa ligt tussen 5 en 35 kg. Voor passagiersschepen kan de Commissie van Deskundigen flessen met een hoger vulgewicht toestaan.
2.
De flessen moeten voldoen aan de voorschriften die in één der Oeverstaten of België van kracht zijn.
Zij moeten zijn voorzien van het officiële stempel ten bewijze van de keuring op basis van de voorgeschreven beproevingen.
1.
Aangesloten flessen moeten aan dek zijn opgesteld in een al dan niet ingebouwde flessenkast buiten de verblijven en wel zodanig dat het zich verplaatsen aan boord niet wordt gehinderd. De flessenkast mag echter niet op het voor- of achterschip tegen de verschansing zijn opgesteld. De flessenkast mag alleen dan in de bovenbouw zijn ingebouwd, wanneer zij gasdicht is ten opzichte daarvan en wanneer zij slechts naar de buitenzijde kan worden geopend. Zij moet zo zijn ingericht dat de distributieleidingen naar de plaatsen van verbruik zo kort mogelijk zijn.
Er mogen slechts zo veel flessen voor gelijktijdige afname zijn aangesloten als de verbruiksinstallatie vereist. In geval van meer dan één fles moet in elk geval gebruik worden gemaakt van een omschakel- of afsluitinrichting. Per flessenkast mogen ten hoogste vier flessen worden aangesloten. Met inbegrip van de reserveflessen mogen zich per flessenkast niet meer dan zes flessen aan boord bevinden.
Op passagiersschepen met keukens of kantines voor de passagiers mogen ten hoogste zes flessen worden aangesloten. Met inbegrip van de reserveflessen mogen zich per flessenkast niet meer dan negen flessen aan boord bevinden.
De drukregelaar, of in geval van een drukregeling in twee trappen, de eerste drukregelaar, moet zich in dezelfde kast bevinden als de flessen en vast zijn ingebouwd.
2.
Aangesloten flessen moeten zodanig zijn geplaatst dat in geval van lekkage ontsnappend gas uit de flessenkast in de open lucht kan afvloeien, zonder dat daarbij enig gevaar bestaat dat gas doordringt in het inwendige van het schip of in aanraking kan komen met een ontstekingsbron.
3.
Flessenkasten moeten zijn vervaardigd van moeilijk ontvlambaar materiaal en door aan de beneden- en bovenzijde aangebrachte openingen voldoende worden geventileerd. De flessen moeten staande zijn opgesteld en niet kunnen omvallen.
4.
De flessenkast moet zodanig zijn ingericht en opgesteld dat de temperatuur van de flessen niet boven 50° C kan stijgen.
5.
Aan de buitenzijde van de flessenkast moet het opschrift «vloeibaar gas» en een teken «vuur, open licht en roken verboden» met een diameter van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage I , zijn aangebracht.
Artikel 14.05. Reserveflessen en lege flessen
Reserveflessen en lege flessen die zich niet in de flessenkast bevinden moeten buiten de verblijven en het stuurhuis in een overeenkomstig artikel 14.04 uitgevoerde kast zijn opgeslagen.
1.
De gebruiksapparaten mogen slechts op de flessen worden aangesloten door middel van een distributienet dat is voorzien van één of meer drukregelaars, die de gasdruk verlagen tot de gebruiksdruk. Deze drukvermindering kan in één of twee trappen worden bewerkstelligd. Alle drukregelaars moeten op een bepaalde druk overeenkomstig artikel 14.07 zijn afgesteld.
2.
De laatste drukregelaar moet zijn voorzien van, dan wel worden gevolgd door een inrichting waardoor het distributienet automatisch is beveiligd tegen overdruk, wanneer de drukregelaar onvoldoende zou functioneren. Gewaarborgd moet zijn dat in geval van een lek uit deze veiligheidsvoorziening ontsnappend gas in de open lucht wordt afgevoerd en niet in het inwendige van het schip kan doordringen of in aanraking kan komen met een ontstekingsbron; zo nodig moet daartoe een afzonderlijke leiding worden aangelegd.
3.
Veiligheidsventielen en afblaasleidingen moeten tegen het binnendringen van water zijn beschermd.
1.
Bij een drukregeling in twee trappen mag de waarde van de middeldruk niet meer bedragen dan 2,5 bar boven de heersende atmosferische druk.
2.
De einddruk van het gas bij het verlaten van de laatste drukregelaar mag niet meer bedragen dan 0,05 bar boven de heersende atmosferische druk, waarbij een speling van 10% is toegestaan.
1.
Leidingen moeten uit vast aangelegde stalen of koperen pijpen bestaan.
Aansluitleidingen aan de flessen moeten evenwel bestaan uit voor propaan geschikte hoge-drukslangen of spiraalvormige pijpen. Gebruiksapparaten die niet vast zijn ingebouwd mogen echter zijn aangesloten door middel van geschikte slangen met een lengte van ten hoogste 1 m.
2.
Leidingen moeten bestand zijn tegen alle aan boord bij normale bedrijfsomstandigheden optredende invloeden, met name wat corrosie en sterkte betreft, en door hun eigenschappen en opstelling voldoende gastoevoer naar de gebruiksapparaten met betrekking tot hoeveelheid en druk verzekeren.
3.
Pijpleidingen moeten zo weinig mogelijk koppelingen bevatten. De pijpen en koppelingen moeten gasdicht zijn en bij alle trillingen en uitzettingen waaraan zij kunnen worden blootgesteld gasdicht blijven.
4.
Pijpleidingen moet goed toegankelijk, behoorlijk bevestigd en overal op die plaatsen beschermd zijn, waar gevaar van stoten of wrijvingen bestaat, vooral bij de doorvoeringen door stalen schotten of metalen wanden. Stalen pijpen moeten over hun gehele uitwendige oppervlakte corrosiebestendig zijn gemaakt.
5.
Flexibele leidingen en de koppelingen daarvan moeten bestand zijn tegen alle aan boord bij normale bedrijfsomstandigheden optredende invloeden. Zij moeten bovendien zo zijn aangelegd dat zij niet onder spanning staan, niet ontoelaatbaar worden verwarmd en over hun gehele lengte kunnen worden gecontroleerd.
1.
Het gehele distributienet moet door een steeds gemakkelijk en snel te bereiken hoofdkraan kunnen worden afgesloten.
2.
Ieder gebruiksappparaat moet aan een aftakking zijn geplaatst die door middel van een afzonderlijke kraan kan worden afgesloten.
3.
Kranen moeten beschermd tegen weersinvloeden en stoten zijn aangebracht.
4.
Achter elke drukregelaar moet een testaansluiting zijn aangebracht. Door middel van een kraan moet zijn gewaarborgd dat de drukregelaar bij een test niet aan de testdruk wordt blootgesteld.
1.
Er mogen slechts gebruiksapparaten worden geïnstalleerd die in één van de Oeverstaten of België voor propaan zijn toegelaten. Zij moeten van inrichtingen zijn voorzien waardoor het uitstromen van gas bij het uitgaan van zowel de branders als de waakvlam geheel wordt verhinderd.
2.
Elk gebruiksapparaat moet zodanig zijn opgesteld en aangesloten dat het niet kan omvallen of onopzettelijk verschuiven en dat onopzettelijk losraken van de aansluitleidingen niet mogelijk is.
3.
Verwarmingstoestellen, geisers en koelkasten moeten zijn voorzien van een leiding waardoor verbrandingsgassen in de open lucht worden afgevoerd.
4.
Gebruiksapparaten mogen slechts in het stuurhuis zijn opgesteld, wanneer deze zo is gebouwd dat eventueel ontsnappend gas niet vanuit het stuurhuis in de lager gelegen gedeelten van het schip, met name via doorvoeringen van de afstandbedieningen in de machinekamer, kan doordringen.
5.
Gebruiksapparaten mogen in slaapruimten slechts worden opgesteld, wanneer de verbranding onafhankelijk van de in deze ruimte aanwezige lucht plaatsvindt.
6.
Gebruiksapparaten waarvan de verbranding afhankelijk van de in de ruimte aanwezige lucht plaatsvindt moeten in een ruimte van voldoende afmeting zijn opgesteld.
1.
De ventilatie in de ruimten, waarin gebruiksapparaten zijn opgesteld waarvan de verbranding afhankelijk van de in de ruimte aanwezige lucht plaatsvindt, moet zijn verzekerd door ventilatie-openingen van voldoende afmetingen, elk echter met een vrije doorsnede van ten minste 150 cm².
2.
Ventilatie-openingen mogen geen afsluitinrichtingen hebben en niet in verbinding staan met nachtverblijven.
3.
Afvoerkanalen moeten zo zijn uitgevoerd dat de verbrandingsgassen afdoende worden afgevoerd. Zij moeten bedrijfszeker en onbrandbaar zijn. Ventilatoren voor de luchtverversing van verblijven mogen de afvoer niet nadelig beïnvloeden.
Artikel 14.12. Gebruiks- en veiligheidsinstructies
Op een geschikte plaats aan boord moet een gebruiksaanwijzing zijn aangebracht; hierop moeten ten minste de volgende opschriften voorkomen:
"De afsluitkranen van de flessen, die niet op het distributienet zijn aangesloten, moeten zijn gesloten, zelfs wanneer de flessen geacht worden leeg te zijn."
"De slangen moeten worden vervangen, zodra hun toestand dit noodzakelijk maakt."
"Alle gebruiksapparaten moeten zijn aangesloten, tenzij de bijbehorende toevoerleidingen zijn gesloten."
Artikel 14.13. Keuring
Vóór de ingebruikneming van een vloeibaargasinstallatie, na iedere verandering of reparatie en bij iedere vernieuwing van de in artikel 14.15 bedoelde aantekening moet de gehele installatie worden gekeurd door een deskundige die als zodanig door de Commissie van Deskundigen is erkend. Deze deskundige moet bij de keuring nagaan of de installatie in overeenstemming is met dit hoofdstuk. Hij moet aan de Commissie van Deskundigen een verslag van de keuring uitbrengen.
1.
Het beproeven van de installatie moet onder de volgende voorwaarden geschieden:
1. Pijpleidingen voor de middeldruk tussen de in artikel 14.09, vierde lid, bedoelde kraan van de eerste drukregelaar en de kranen voor de laatste drukregelaars:
a. een sterktebeproeving uitgevoerd met lucht, met een inert gas of met een vloeistof, onder een druk van 20 bar boven de heersende atmosferische druk;
b. een beproeving van de luchtdichtheid, uitgevoerd met lucht of met een inert gas, onder een druk van 3,5 bar boven de heersende atmosferische druk.
2.
2. Pijpleidingen onder de bedrijfsdruk tussen de in artikel 14.09, vierde lid, bedoelde kraan van de enige drukregelaar of de drukregelaar van de laatste trap en de kranen voor de gebruiksapparaten:
Beproeving van de luchtdichtheid, uitgevoerd met lucht of met een inert gas, onder een druk van 1 bar boven de heersende atmosferische druk.
3.
Leidingen tussen de in artikel 14.09, vierde lid, bedoelde kraan van de enige drukregelaar of van de drukregelaar van de laatste trap en de bedieningsarmaturen van de gebruiksapparaten:
Beproeving van de luchtdichtheid onder een druk van 0,15 bar boven de heersende atmosferische druk.
4.
Bij de beproevingen, bedoeld in het eerste lid, onder b , het tweede en het derde lid, worden de leidingen als dicht beschouwd, wanneer de testdruk na een voor aanpassing aan de temperatuur voldoende wachttijd en een aansluitende beproevingsduur van 10 minuten niet daalt.
5.
De aansluitingen aan de flessen, de verbindingsstukken en de armaturen die onder flessendruk staan, alsmede de aansluiting van de regelaar aan de gebruiksleiding:
Beproeving onder bedrijfsdruk van de luchtdichtheid met een schuimvormend middel.
6.
Gebruiksapparaten moeten bij de nominale belasting in gebruik worden genomen en worden gecontroleerd op goed branden bij verschillende instellingen van de regelknop.
De ontstekingsbeveiligingen moeten op hun goede werking worden gecontroleerd.
7.
Na de in het zesde lid bedoelde controle moet voor ieder gebruiksapparaat dat aan een afvoergassenleiding is aangesloten, na vijf minuten functioneren bij nominale belasting met gesloten ramen en deuren en in werking zijnde ventilatieinrichtingen, worden gecontroleerd of verbrandingsgassen naar buiten uittreden.
Wanneer het ontsnappen van verbrandingsgassen niet van voorbijgaande aard is, moet onmiddellijk de oorzaak worden opgespoord. Het apparaat mag niet voor gebruik worden vrijgegeven, voordat alle gebreken zijn hersteld.
1.
Voor elke vloeibaargasinstallatie die in overeenstemming is met dit hoofdstuk moet een aantekening worden geplaatst in het certificaat van onderzoek.
2.
Deze aantekening wordt door de Commissie van Deskundigen geplaatst na de in artikel 14.13 bedoelde keuring.
3.
De geldigheidsduur van de aantekening bedraagt ten hoogste drie jaar. Vóór iedere vernieuwing dient een nieuwe keuring overeenkomstig artikel 14.13 plaats te vinden.
Bij wijze van uitzondering kan de Commissie van Deskundigen op een met redenen omkleed verzoek van de eigenaar of zijn vertegenwoordiger de geldigheidsduur van de aantekening met ten hoogste drie maanden verlengen, zonder dat eerst een keuring overeenkomstig artikel 14.13 heeft plaatsgehad. Deze verlenging wordt in het certificaat van onderzoek aangetekend.
1.
De volgende artikelen zijn niet van toepassing:
d. artikel 9.14, derde lid, tweede alinea, bij nominale spanningen van meer dan 50V.
2.
De volgende installaties zijn op passagiersschepen verboden:
a. Lampen die werken op vloeibaar gas en vloeibare brandstof als bedoeld in artikel 12.07, derde lid, tweede zin;
b. Met pitbranders uitgeruste installaties als bedoeld in artikel 13.02, tweede en derde lid;
c. Oliekachels met verdampingsbranders als bedoeld in artikel 13.04;
d. Verwarmingsapparaten en verwarmingsketels als bedoeld in artikel 13.07;
e. Vloeibaargasinstallaties als bedoeld in hoofdstuk 14.
3.
Schepen, die niet van eigen mechanische middelen tot voortbeweging zijn voorzien, kunnen niet tot het vervoer van passagiers worden toegelaten.
4.
Op passagiersschepen moeten ruimten beschikbaar zijn voor mensen met een beperkte mobiliteit, die aan de in dit hoofdstuk genoemde bepalingen voldoen. In geval de toepassing van de in dit hoofdstuk genoemde bepalingen, die te maken hebben met het rekening houden met de bijzondere veiligheidsbehoeften van personen met beperkte mobiliteit, praktisch moeilijk uitvoerbaar is of onevenredig hoge kosten veroorzaakt, kan de Commissie van Deskundigen op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart afwijkingen van deze voorschriften toestaan. Deze afwijkingen moeten in het certificaat van onderzoek worden aangetekend.
1.
Bij een onderzoek overeenkomstig artikel 2.09 wordt de dikte van de scheepshuid van stalen passagiersschepen als volgt vastgesteld:
a. De minimale dikte t min van de bodem-, kim- en zijbeplating van de scheepshuid van passagiersschepen wordt bepaald volgens de grootste waarde van de volgende formules:
Daarbij betekent:
f = 1 + 0,0013· (a - 500);
a = spantafstand in de lengte of de breedte [mm]; bij een kleinere spantafstand dan 400 mm moet a = 400 mm worden genomen.
b. De uit onderdeel a voortvloeiende minimale waarde voor de plaatdikte behoeft niet te worden gehaald, wanneer de toegestane waarde op basis van een rekenkundig bewijs voor de voldoende sterkte van de scheepsromp (langs- en dwarssterkte als ook plaatselijke sterkte) is vastgelegd en dit uit een verklaring blijkt.
c. Op geen enkele plaats van de scheepshuid mag de volgens onderdeel a of onderdeel b berekende waarde minder zijn dan 3 mm.
d. Platen moeten worden vervangen, wanneer de dikte van de bodem-, kim- of zijplaten niet langer de volgens onderdelen a of b, in samenhang met onderdeel c, vastgestelde minimale waarde heeft.
2.
Het aantal en de indeling van de schotten moeten zodanig zijn gekozen dat het schip in lekke toestand volgens de standaarden van artikel 15.03, zevende tot en met dertiende lid, kan blijven drijven. Ieder deel van de interne constructie, die de functionaliteit van de indeling van het schip beïnvloedt, moet waterdicht en zo geconstrueerd zijn, dat de integriteit van de indeling in stand blijft.
3.
De afstand tussen het aanvaringsschot en de voorloodlijn mag niet kleiner zijn dan 0,04 L WL en niet groter dan 0,04 L WL + 2 m.
4.
In een dwarsschot mag een sprong of nis voorkomen, mits alle delen van de sprong of nis binnen de veilige zone zijn gelegen.
5.
De schotten die bij de lekberekening als bedoeld in artikel 15.03, zevende tot en met dertiende lid, in aanmerking zijn genomen, moeten waterdicht zijn en tot boven het schottendek opgetrokken zijn. Ontbreekt het schottendek, dan moeten zij tenminste 0,20 m boven de indompelingsgrenslijn zijn opgetrokken.
6.
Het aantal openingen in deze schotten moet zo gering worden gehouden als vanwege de bouwwijze en voor de normale bedrijfsvoering van het schip toelaatbaar is. Openingen en doorvoeringen mogen de waterdichte functie van de schotten niet nadelig beïnvloeden.
7.
In het aanvaringsschot zijn openingen en deuren niet toegestaan.
8.
In schotten als bedoeld in het vijfde lid die machinekamers van passagiersruimten of woonruimten voor het boordpersoneel scheiden, zijn deuren niet toegestaan.
9.
Met de hand te bedienen deuren in schotten als bedoeld in het vijfde lid die niet op afstand bediend kunnen worden, zijn slechts toegestaan buiten de voor passagiers bestemde plaatsen. Zij moeten:
a. voortdurend gesloten blijven en mogen slechts voor passage kortstondig worden geopend;
b. snel en veilig door geschikte inrichtingen gesloten kunnen worden;
c. aan beide zijden voorzien zijn van het opschrift:
«Deur na doorgang direct sluiten».
10.
Deuren in schotten als bedoeld in het vijfde lid die langdurig open staan moeten aan de volgende eisen voldoen:
a. Zij moeten ter plaatse aan beide zijden van het schot en vanaf een goed toegankelijke plaats boven het schottendek kunnen worden gesloten.
b. Na sluiting door afstandsbediening moeten de deuren ter plaatse opnieuw kunnen worden geopend en op veilige wijze worden gesloten. Het afsluitproces mag met name niet door tapijten of drempels gehinderd worden.
c. De duur van het sluiten door afstandsbediening moet ten minste 30 seconden bedragen, maar mag niet meer bedragen dan 60 seconden.
d. Tijdens het sluiten moet bij de deur automatisch een akoestisch alarmsignaal worden gegeven.
e. Gewaarborgd moet zijn dat het bedienen van deur en het alarmsignaal ook onafhankelijk van het boordnet kunnen geschieden. Ter plaatse van de afstandsbediening moet een inrichting aanwezig zijn die aangeeft of de deur open dan wel gesloten is.
11.
Alle deuren in schotten als bedoeld in het vijfde lid en hun bedieningsinrichtingen moeten in de veilige zone liggen.
12.
In het stuurhuis moet een alarminstallatie aanwezig zijn, die aangeeft welke deur in schotten als bedoeld in het vijfde lid geopend is.
13.
Pijpleidingen met open uitmondingen en ventilatiekanalen moeten zo zijn aangelegd, dat daardoor bij elke lektoestand geen water naar andere ruimten of tanks kan stromen:
a. Wanneer verschillende afdelingen door middel van pijpleidingen of ventilatiekanalen met elkaar in open verbinding staan, moeten deze op een geschikte plaats tot boven de ongunstigste lastlijn in lekke toestand worden geleid.
b. Pijpleidingen behoeven niet aan onderdeel a te voldoen, wanneer op de doorboorde schotten afsluiters zijn aangebracht, die van boven het schottendek op afstand kunnen worden bediend.
c. Wanneer een pijpleidingsysteem in een afdeling geen open uitmonding heeft, wordt de pijpleiding bij beschadiging van deze afdeling als onbeschadigd beschouwd, wanneer zij binnen de veilige zone loopt en de afstand tot de scheepsbodem meer dan 0,50 m bedraagt.
14.
Afstandsbedieningen van deuren in schotten als bedoeld in het tiende lid en afsluitmechanismen als bedoeld in het dertiende lid, onder b, boven het schottendek moeten als zodanig duidelijk gemarkeerd zijn.
15.
Bij een dubbele bodem moet de hoogte daarvan en bij dubbele wanden de breedte daarvan tenminste 0,60 m bedragen.
16.
Vensters mogen onder de indompelingsgrenslijn liggen, wanneer zij waterdicht zijn, niet geopend kunnen worden, een voldoende sterkte bezitten en voldoen aan artikel 15.06, veertiende lid.
1.
De aanvrager moet het bewijs van voldoende stabiliteit van het onbeschadigde schip leveren met een berekening die is gebaseerd op de resultaten van het toepassen van een standaard van voldoende stabiliteit van het onbeschadigde schip. Alle berekeningen moeten zodanig worden uitgevoerd dat daarbij aan trim en inzinking geen vaste waarden zijn toegekend.
2.
De voldoende stabiliteit van het onbeschadigde schip moet voor de volgende standaard beladingcondities worden aangetoond:
a. bij het begin van de vaart
100% passagiers; 98% brandstof en drinkwater; 10% afvalwater;
b. tijdens de vaart
100% passagiers, 50% brandstof en drinkwater, 50% afvalwater;
c. bij het eind van de vaart
100% passagiers, 10% brandstof en drinkwater, 98% afvalwater;
d. leeg schip
geen passagiers, 10% brandstof en drinkwater, geen afvalwater.
Voor alle standaard beladingcondities moet uitgegaan worden van lege dan wel volle ballasttanks, overeenkomstig hun normale gebruik.
Om te kunnen ballasten tijdens de vaart moet voor de volgende beladingconditie voor het derde lid, onder d, worden aangetoond:
100% passagiers, 50% brandstof en afvalwater, 50% afvalwater,
het totaal van de andere vloeistoftanks met inbegrip van ballast voor 50% gevuld.
Indien aan deze eis niet kan worden voldaan, moet onder nummer 52 van het certificaat van onderzoek worden aangetekend dat de ballasttanks gedurende de vaart slechts leeg of vol mogen zijn en een verandering van de ballasttoestand tijdens de vaart verboden is.
3.
Het bewijs van voldoende stabiliteit van het onbeschadigde schip via een berekening moet worden geleverd met toepassing van de volgende eisen voor voldoende stabiliteit van het onbeschadigde schip en voor de in het tweede lid, onder a tot en met d, genoemde standaard beladingcondities:
a. De maximale oprichtende arm van statische stabiliteit h max moet bij een slagzij van ? max ? 15° optreden en moet ten minste 0,20 m bedragen. Wanneer ? f < ? max is moet de oprichtende arm van statische stabiliteit bij een hoek van het onder water komen ? f ten minste 0,20 m bedragen.
b. De hoek van het onderwater komen ? f mag niet kleiner zijn dan 15°.
c. Het vlak A onder de kromme van de oprichtende arm van statische stabiliteit moet, afhankelijk van de positie van ? f en ? max tenminste de volgende waarden bereiken:
Geval   ? max A
1 ? max  = 15° ? max ? ? f 0,07 m·rad tot aan de hoek ? = 15°
2 15° < ? max  < 30° 0,055 + 0,001*(30 - ? max ) ·rad tot aan de hoek ? max
3 15° < ? f < 30° ? max  > ? f 0,055 + 0,001*(30 - ? f ) m·rad tot aan de hoek ? f
4 ? max  ? 30° en ? f ? 30° 0,055 m·rad tot aan de hoek ? = 30°

Daarbij betekent:
h max de maximale oprichtende arm van statische stabiliteit
? de hoek van de slagzij
? f de hoek van het onderwater komen, dat wil zeggen de hoek van de slagzij waarbij de openingen in de scheepsromp, in de opbouwen of dekhuizen, die niet waterdicht gesloten kunnen worden, onderwater komen te staan
? max de hoek van de slagzij waarbij sprake is van de maximale oprichtende arm van statische stabiliteit
A vlakken onder de kromme van de oprichtende arm van statische stabiliteit
d. De metacentrische hoogte bij het begin van GM o , gecorrigeerd in verband met het effect van de vrije oppervlakken in vloeistoftanks, mag niet minder bedragen dan 0,15 m;
e. De hoek van de slagzij mag in de beide hiernavolgende gevallen niet meer bedragen dan 12° :
aa. op basis van het kenterende moment tengevolge van personen en wind als bedoeld in het vierde en vijfde lid;
bb. op basis van het kenterende moment tengevolge van personen en het draaien van het schip als bedoeld in het vierde en zesde lid.
f. Het resterende vrijboord mag bij een kenterend moment tengevolge van personen, wind en het draaien van het schip als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid, niet minder bedragen dan 0,2 m.
g. De resterende veiligheidsafstand moet voor schepen met vensters, of andere openingen in de scheepshuid die beneden het schottendek zijn gelegen en die niet waterdicht gesloten zijn, tenminste 0,1 m bedragen uitgaande van de drie kenterende momenten, bedoeld in onderdeel f.
4.
Het kenterende moment tengevolge van een concentratie van personen (M P ) op één plaats moet op grond van de volgende formule als volgt worden berekend:
In deze formule betekent:
P = totale massa van personen aan boord in [t], te berekenen uit de som van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers en het maximale aantal van het boordpersoneel en de bemanning onder normale bedrijfsomstandigheden onder aanname van een gemiddelde massa van 0,075 t per persoon
y = zijdelingse afstand van het zwaartepunt van de massa van personen P vanaf de middellijn van het schip in [m]
g = acceleratie van de zwaartekracht (g = 9,81 m/s 2 )
P i = massa van de op een vlak A i verzamelde personen volgens:
P i = n i · 0,075·A i [t]
 
Daarbij betekent in deze formule:
A i = vlak, waarop zich personen bevinden in [m 2 ]
n i = aantal personen per vierkante meter bij:
n i = 4, in geval van vrije dekoppervlakken en vlakken met verplaatsbaar meubilair; in geval van vlakken met vast ingebouwde zitplaatsen zoals banken, moet n i worden berekend onder aanname van een zitbreedte van 0,45 m en een zitdiepte van 0,75 m per persoon
y i = zijdelingse afstand van het vlakzwaartepunt van het vlak A i vanaf de middellijn van het schip in [m]

De berekening moet worden uitgevoerd zowel voor een concentratie van personen aan stuurboord als voor een concentratie aan bakboord.
De verdeling van personen moet de meest ongunstige zijn vanuit het oogpunt van stabiliteit. Ingeval er hutten aanwezig zijn moet voor de berekening van het moment van personen ervan worden uitgegaan dat deze niet bezet zijn.
Voor de berekening van beladen situaties moet het middelpunt van de zwaarte van een persoon worden genomen op 1 m boven het laagste punt van het betreffende dek op 0,5 L wl zonder rekening te houden met een verlaging of verhoging in het dek of de kromming van het dek en onder aanname van een massa van 0,075 per persoon.
Een gedetailleerde vaststelling van de vlakken aan dek, die door personen bezet zijn, kan achterwege blijven, indien de volgende waarden worden toegepast:
5.
Het moment tengevolge van wind (M w ) moet als volgt worden berekend:
M w  = p w ·A w · (I w  + T/2) [kNm]
In deze formule betekent:
p w = specifieke winddruk van 0,25 kN/m 2 ;
A w = zijdelings oppervlak van het schip boven het vlak van de inzinking in [m 2 ] die overeenkomt met de betreffende beladingstoestand;
l w = afstand van het zwaartepunt van het zijdelingse vlak A w tot het vlak van de inzinking in m die overeenkomt met de betreffende beladingstoestand in [m].
6.
Het moment tengevolge van de centrifugale kracht (M dr ), veroorzaakt door het draaien van het schip, moet als volgt worden berekend:
M dr  = c dr · C B · v 2 · D/L WL ·(KG – T/2) [kNm]
In deze formule betekent:
c dr = coëfficiënt van 0,45;
C B = de blokcoëfficiënt (indien niet bekend moet hiervoor 1,0 worden aangenomen);
v = grootste snelheid van het schip in m/s;
KG = afstand van het zwaartepunt tot de bovenkant van de kiel in m.
In geval het passagierschip is uitgerust met een aandrijfsysteem overeenkomstig artikel 6.06 moet M dr worden afgeleid uit beproevingen op ware grootte dan wel met modellen, hetzij op basis van daarmee overeenkomende berekeningen.
7.
De aanvrager moet met een berekening, die berust op de procedure van het wegvallen van het drijfvermogen, aantonen dat de lekstabiliteit van het schip voldoende is. Alle berekeningen moeten zodanig worden uitgevoerd dat daarbij aan trim en inzinking geen vaste waarden zijn toegekend.
8.
Het drijfvermogen in lekke toestand moet voor de in het tweede lid bedoelde standaard beladingcondities worden aangetoond. Hierbij moet voor drie tussenstadia van het volstromen (25%, 50% en 75% van de eindtoestand van het volgestroomd zijn) en voor de eindtoestand van het volgelopen zijn aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit zijn voldaan.
9.
Passagiersschepen moeten voldoen aan de 1-compartimentstatus en aan de 2-compartimentstatus.
De volgende indicaties moeten voor het geval van een lekke toestand in acht worden genomen:
a. Voor de 1-compartimentstatus kunnen de schotten als onbeschadigd worden beschouwd, wanneer de onderlinge afstand tussen twee aangrenzende schotten groter is dan de lengte van het lek. Langsschotten die zich op een afstand van minder dan B/3 ten opzichte van de scheepshuid bevinden mogen in de berekening niet worden meegenomen.
b. Voor de 2-compartimentstatus wordt ieder schot dat is gelegen binnen het gebied waar het lek van invloed is als beschadigd aangemerkt. Dit betekent dat de plaats van de schotten zodanig moet worden gekozen, dat het passagiersschip na het volstromen van twee of meer aangrenzende compartimenten in de langsrichting nog kan blijven drijven.
c. Het laagste punt van iedere niet waterdichte opening (bijvoorbeeld van deuren, vensters, luiken) moet bij de eindtoestand van het volgestroomd zijn tenminste 0,10 m boven de lastlijn in lekke toestand liggen. Het schottendek mag bij de eindtoestand van het volstromen niet onder water komen.
d. Er wordt met een permeabiliteit van 95% rekening gehouden. Wordt door een berekening aangetoond, dat de gemiddelde permeabiliteit van een compartiment kleiner is dan 95%, dan kan de berekende waarde worden aangehouden.
De volgende waarden moeten tenminste worden bereikt:
verblijfsruimten 95%;
machinekamers en ketelruimen 85%;
bagage- en voorraadruimten 75%;
dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks en andere tanks, al naar gelang deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het in het vlak van de grootste inzinking liggende schip als vol of leeg moeten worden aangenomen 0 of 95%.
Voor de berekening van het effect van de vrije oppervlakken bij alle tussenstadia van het volstromen wordt uitgegaan van de bruto grondvlakken van de beschadigde ruimten.
e. Ingeval een lek van kleinere omvang als hierboven aangegeven leidt tot ongunstiger verhoudingen met betrekking tot slagzij of verlies aan metacentrische hoogte, moet een zodanig lek bij de berekening worden betrokken.
10.
Bij alle tussenstadia van het vollopen als bedoeld in het achtste lid moet aan de volgende criteria worden voldaan:
a. de hoek van de slagzij ? van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium mag niet meer bedragen dan 15°;
b. afgezien van de slagzij vanuit de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium moet het positieve bereik van de kromme van de armen van statische stabiliteit een oprichtende arm van statische stabiliteit aangeven van GZ ? 0,02 m, voordat de eerste onbeschermde opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij ? van 25° bereikt wordt;
c. niet waterdichte openingen mogen niet onder water komen voordat de slagzij vanuit de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium is bereikt.
11.
Bij de eindtoestand van het volgestroomd zijn moet aan de volgende criteria worden voldaan met inachtneming van het kenterende moment tengevolge van passagiers, bedoeld in het vierde lid:
a. de hoek van de slagzij ? E mag niet meer bedragen dan 10°;
b. afgezien van de evenwichtssituatie moet het positieve bereik van de kromme van armen van statische stabiliteit een oprichtende arm van statische stabiliteit aangeven van GZ R ? 0,05 m gecombineerd met een vlak A ? 0,0065 mrad. Deze minimumwaarden van de stabiliteit moeten worden bereikt tot aan het onder water komen van de eerste onbeschermde opening of in ieder geval vóór het bereiken van een hoek van de slagzij van ?m ? 25°;
c. niet waterdichte openingen mogen niet onder water komen voordat de evenwichtssituatie is bereikt. Ingeval dat dergelijke openingen onder water komen voordat dit punt is bereikt moeten de ruimten die daarmee in verbinding staan bij de berekening van de lekstabiliteit als volgestroomd worden beschouwd.
12.
Afsluitvoorzieningen van openingen die waterdicht afsluitbaar moeten zijn, moeten als zodanig duidelijk gemarkeerd worden.
13.
Wanneer doorstroomopeningen in de langsschotten worden voorzien ten behoeve van vermindering van asymmetrisch volstromen, moeten deze aan de volgende eisen voldoen:
a. Voor de berekening van het uit dwarsrichting volstromen moet de IMO resolutie A. 266 (VIII) worden toegepast;
b. ze moeten automatisch functioneren;
c. ze mogen niet van afsluitmechanismen zijn voorzien;
d. de tijd die nodig is voor een volledige vereffening mag niet meer bedragen dan 15 minuten.
1.
De veiligheidsafstand moet ten minste gelijk zijn aan de som van:
a. de extra zijdelingse inzinking die, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat door de toelaatbare slagzij, bedoeld in artikel 15.03, derde lid, onder e, en
b. de resterende veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 15.03, derde lid, onder g.
De veiligheidsafstand van schepen zonder schottendek moet ten minste 0,50 m bedragen.
2.
Het vrijboord moet ten minste gelijk zijn aan de som van:
a. de extra zijdelingse inzinking die door de volgens artikel 15.03, derde lid, onder e, berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat, en
b. het resterende vrijboord, bedoeld in artikel 15.03, derde lid, onder f.
Het vrijboord moet echter ten minste 0,30 m bedragen.
3.
Het vlak van de grootste inzinking moet zodanig worden vastgesteld dat zowel de veiligheidsafstand als bedoeld in het eerste lid als het vrijboord als bedoeld in het tweede lid als de artikelen 15.02 en 15.03 in acht zijn genomen.
4.
De Commissie van Deskundigen kan uit veiligheidsoverwegingen een grotere veiligheidsafstand of een groter vrijboord bepalen.
1.
De Commissie van Deskundigen bepaalt het ten hoogste toegelaten aantal passagiers en tekent dit in het certificaat van onderzoek aan.
2.
Het ten hoogste toegelaten aantal passagiers mag niet meer zijn dan:
a. het aantal passagiers waarvoor een verzamelruimte, bedoeld in artikel 15.06, achtste lid, is aangetoond;
b. het aantal passagiers waarvoor de stabiliteitsberekening, bedoeld in artikel 15.03, is uitgevoerd;
c. het aantal beschikbare bedden voor passagiers op hotelschepen, die voor reizen met overnachting worden ingezet.
3.
Voor hotelschepen die ook als schip voor dagtochten worden ingezet moet het aantal passagiers zowel voor een schip voor dagtochten als voor een hotelschip worden berekend en in het certificaat van onderzoek worden aangetekend.
4.
Het ten hoogste toegelaten aantal passagiers moet aan boord op een opvallende plaats duidelijk leesbaar worden aangegeven.
1.
Passagiersverblijven moeten:
a. zich op alle dekken achter het vlak van het aanvaringsschot en, voorzover ze onder het schottendek zijn gelegen, vóór het vlak van het achterpiekschot bevinden, en
b. gasdicht gescheiden zijn van machinekamers en ketelruimen.
2.
Kasten als bedoeld in artikel 11.13 en ruimten voor brandbare vloeistoffen moeten zich buiten het gebied bestemd voor passagiers bevinden.
3.
Aantal en breedte van uitgangen van passagiersverblijven moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a. Verblijven of groepen van verblijven die voor 30 of meer passagiers zijn bestemd of ingericht, dan wel voor 12 of meer passagiers bedden bieden, moeten ten minste twee uitgangen hebben. Op schepen voor dagtochten mag één van deze twee uitgangen door twee nooduitgangen worden vervangen.
b. Indien zich verblijven onder het schottendek bevinden, mag één van de uitgangen een waterdichte deur in een schot, bedoeld in artikel 15.02, tiende lid, zijn die toegang geeft tot een aangrenzende afdeling van waaruit het hoger gelegen dek rechtstreeks kan worden bereikt. De andere uitgang moet direct of, wanneer dit overeenkomstig onderdeel a is toegestaan, als nooduitgang naar het schottendek dan wel naar buiten leiden. Dit geldt niet voor de afzonderlijke hutten.
c. Uitgangen, bedoeld onder a en b, moeten doelmatig zijn aangebracht en een vrije breedte van tenminste 0,80 m en een vrije hoogte van tenminste 2,00 m hebben. Bij deuren van hutten voor passagiers en andere kleine verblijven mag de vrije breedte worden verminderd tot 0,70 m.
d. Bij verblijven of groepen van verblijven die voor meer dan 80 passagiers zijn bestemd moet het totaal van de breedte van alle uitgangen die voor passagiers zijn bestemd, en door hen in geval van nood moeten worden gebruikt, tenminste 0,01 m per passagier bedragen.
e. Indien het aantal passagiers voor de totale breedte van alle uitgangen maatgevend is, moet de breedte van elke uitgang ten minste 0,005 m per passagier bedragen.
f. Nooduitgangen moeten een kleinste zijdelingse lengte van tenminste 0,60 m hebben of een minimale diameter van 0,70 m. Zij moeten kunnen worden geopend in de vluchtrichting en aan beide zijden zijn gekenmerkt.
g. Uitgangen van verblijven die zijn bestemd om gebruikt te worden door personen met beperkte mobiliteit, moeten een vrije breedte hebben van tenminste 0,90 m. Uitgangen die gewoonlijk worden gebruikt voor het aan- of van boord gaan van personen met beperkte mobiliteit, moeten over een vrije breedte beschikken van 1,50 m.
4.
Deuren van passagiersverblijven moeten aan de volgende eisen voldoen:
a. Met uitzondering van deuren die naar verbindingsgangen leiden, moeten ze naar buiten opengaan of als schuifdeuren zijn uitgevoerd.
b. Hutdeuren moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij te allen tijde ook van buitenaf kunnen worden geopend.
c. Automatische deuren moeten wanneer de aandrijfenergie uitvalt gemakkelijk kunnen worden geopend.
d. Bij deuren die zijn bestemd om gebruikt te worden door personen met beperkte mobiliteit moet aan de zijde waarnaar de deur opengaat een zijdelingse afstand bestaan tussen binnenkant van de deurpost aan de kant van het slot en de naburige loodrecht op het vlak van de deur aangebrachte wand van tenminste 0,60 m.
5.
Verbindingsgangen moeten aan de volgende eisen voldoen:
a. Zij moeten een vrije breedte hebben van ten minste 0,80 m of, wanneer zij naar ruimten leiden die door meer dan 80 passagiers worden gebruikt, tenminste 0,01 m per passagier.
b. Hun vrije hoogte mag niet minder zijn dan 2,00 m.
c. Verbindingsgangen die zijn bestemd voor het gebruik door personen met een beperkte mobiliteit moeten een vrije breedte hebben van minstens 1,30 m. Verbindingsgangen met een breedte van meer dan 1,50 m moeten aan beide zijden van een handrail zijn voorzien.
d. Indien slechts één verbindingsgang of -trap naar een voor passagiers bestemde ruimte leidt, moet de vrije breedte daarvan tenminste 1,00 m bedragen.
e. Verbindingsgangen mogen geen treden of niveauverschillen hebben.
f. Zij mogen alleen naar vrije dekken, ruimten of trappen leiden.
g. Doodlopende gedeelten van verbindingsgangen mogen niet langer dan twee meter zijn.
6.
Vluchtwegen moeten behalve aan het vijfde lid aan de volgende voorwaarden voldoen:
a. Bij de inrichting van trappen, uitgangen en nooduitgangen moet ingecalculeerd zijn dat bij brand in een willekeurig verblijf alle andere verblijven verlaten kunnen worden.
b. Vluchtwegen moeten de kortste weg volgen naar verzamelruimten als bedoeld in het achtste lid.
c. Vluchtwegen mogen niet door machinekamers en keukens leiden.
d. In vluchtwegen mogen geen gangen met klimtreden, ladders en dergelijke zijn ingebouwd.
e. Deuren in vluchtwegen moeten zodanig zijn gebouwd dat ze geen inbreuk maken op de minimale breedte van vluchtwegen als bedoeld in het vijfde lid, onder a of d.
f. Vluchtwegen en nooduitgangen moeten duidelijk zijn gemarkeerd. De markeringen moeten door de noodverlichting worden aangestraald.
7.
Vluchtwegen en nooduitgangen moeten beschikken over een geschikt veiligheidsgeleidesysteem.
8.
Voor alle personen aan boord moeten verzamelruimten beschikbaar zijn, die aan de volgende eisen voldoen:
a. De totale oppervlakte A S in m 2 van de verzamelruimten moet tenminste voldoen aan de volgende waarde:
Schepen voor dagtochten A S  = 0,35 · F max  [m 2 ]
Hotelschepen A S  = 0,45 · F max  [m 2 ]
In deze formule betekent:
F max ten hoogste toegelaten aantal passagiers aan boord.
b. Iedere individuele verzamel- en evacuatieruimte moet groter zijn dan 10 m 2 .
c. De verzamelruimten moeten vrij zijn van zowel losstaand als vast meubilair.
d. Indien zich in een ruimte, waarin een verzamelruimte aangewezen is, verplaatsbaar meubilair bevindt, moet dit voldoende zijn beveiligd tegen verschuiven.
e. Indien zich in een ruimte, waarin een verzamelruimte aangewezen is, vast ingebouwde zitplaatsen bevinden, behoeft het aantal personen waarvoor de ruimte geschikt is bij de berekening van het totaal van de oppervlakken van de in onderdeel a bedoelde verzamelruimten niet in acht te worden genomen. Het aantal personen waarvoor in een ruimte vast ingebouwde zitplaatsen zijn voorzien mag echter niet groter zijn dan het aantal personen waarvoor in dezelfde ruimte verzamelruimten beschikbaar zijn.
f. Vanuit de evacuatieruimten moeten de reddingsmiddelen eenvoudig toegankelijk zijn.
g. Een veilige evacuatie van personen vanuit de evacuatieruimten moet aan beide zijden van het schip mogelijk zijn.
h. De verzamelruimten moeten boven de indompelingsgrenslijn liggen.
i. De verzamel- en evacuatieruimten moeten in het veiligheidsplan als zodanig worden aangegeven en aan boord worden gemarkeerd.
j. De voorschriften, bedoeld onder d en e, gelden eveneens voor open dekken waarop verzamelruimten zijn aangewezen.
k. Indien geëigende gemeenschappelijke reddingsmiddelen aan boord aanwezig zijn, behoeft het aantal personen, waarvoor zij geschikt zijn, bij de berekening van het totaaloppervlak van de verzamelruimten, bedoeld onder a, niet in acht te worden genomen.
l. Het totaaloppervlak, bedoeld onder a, moet echter voor alle gevallen, waarbij een reductie overeenkomstig de onderdelen e, j en k wordt toegepast, voor tenminste 50% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers aan boord toereikend zijn.
9.
Trappen in het gedeelte voor passagiers en hun portalen moeten:
a. overeenkomstig de Europese norm EN 13056: 2000, zijn gebouwd;
b. een vrije breedte van tenminste 0,80 m hebben dan wel, wanneer zij naar verbindingsgangen of trappen leiden die door meer dan 80 passagiers worden gebruikt, van tenminste 0,01 m per passagier;
c. een vrije breedte van minstens 1,00 m hebben, wanneer zij naar een voor passagiers bestemde ruimte leiden, die slechts over deze verbindingstrap toegankelijk is;
d. zich in de veilige zone bevinden voorzover aan iedere zijde van het schip in dezelfde ruimte niet tenminste één trap beschikbaar is;
e. bovendien, indien zij zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit, aan de volgende eisen voldoen:
Liften die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit en stijgvoorzieningen als trapliften of hefplatformen moeten volgens een desbetreffende norm of voorschrift van een der Rijnoeverstaten of België uitgevoerd zijn.
aa. De helling van de trappen mag niet steiler zijn dan 38° .
bb. De trappen moeten een vrije breedte hebben van minstens 0,90 m.
cc. Wenteltrappen zijn niet toegestaan.
dd. Trappen mogen niet in dwarsrichting in het schip zijn aangebracht.
ee. De leuningen van trappen moeten aan het begin en het eind van een horizontale uitloop van 0,30 m zijn voorzien zodanig, dat zij doorgang voorlangs niet bemoeilijken.
ff. Leuningen en voorkanten tenminste van de eerste en de laatste trede alsook de vloerbedekking aan de uiteinden van de trap moeten wat de kleur betreft contrasteren.
10.
De voor passagiers bestemde, niet afgesloten delen van de dekken moeten aan de volgende eisen voldoen:
a. Zij moeten door een vaste verschansing van tenminste 1,00 m hoogte of een reling volgens de Europese norm EN 711 : 1995, bouwwijze PF, PG of PZ, zijn omgeven. Verschansing en relingen van dekken die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit moeten een hoogte hebben van tenminste 1,10 m.
b. Openingen en inrichtingen voor embarkeren en debarkeren en voor laden en lossen moeten kunnen worden beveiligd en een vrije breedte hebben van tenminste 1,00 m. Openingen die gewoonlijk worden gebruikt voor embarkeren en debarkeren van personen met beperkte mobiliteit moeten een vrije breedte hebben van tenminste 1,50 m.
c. Indien de openingen en inrichtingen voor embarkeren en debarkeren niet vanuit het stuurhuis te zien zijn, moeten er optische of elektronische hulpmiddelen aanwezig zijn.
11.
De gedeelten van het schip die niet voor passagiers zijn bestemd, met name de toegangen tot het stuurhuis, tot de lieren en tot de machinekamers, moeten voor het betreden door onbevoegden kunnen worden beveiligd. Bij deze toegangen moet bovendien op een opvallende plaats een teken overeenkomstig schets 1 van bijlage I zijn aangebracht.
12.
Loopplanken moeten overeenkomstig de Europese norm EN 114206 : 2003, zijn vervaardigd. In afwijking van artikel 10.02, tweede lid, onder d, mag hun lengte minder dan 4 m bedragen.
13.
Doorgangsruimten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit moeten een vrije breedte van tenminste 1,30 m hebben en vrij zijn van drempels en opstaande randen die een hoogte van 0,025 m te boven gaan. Wanden van doorgangsruimten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit moeten zijn voorzien van handrelingen op een hoogte van 0,90 m boven de vloer.
14.
Glazen deuren, glazen wanden van doorgangsruimten en vensterruiten moeten van voorgespannen glas of van gelaagd glas zijn vervaardigd. Zij mogen ook van kunststof zijn vervaardigd, indien dit uit een oogpunt van brandveiligheid toelaatbaar is.
Doorzichtige deuren en tot aan de vloer doorlopende doorzichtige wanden van doorgangsruimten moeten opvallend zijn gemarkeerd.
15.
Opbouwen die volledig of waarvan de daken uit panoramaruiten bestaan mogen slechts van materiaal zijn vervaardigd dat ingeval van schade de kans op verwonding van personen aan boord zo klein mogelijk houdt.
16.
Drinkwaterinstallaties moeten tenminste aan de eisen van artikel 12.05 voldoen.
17.
Er moeten toiletten voor passagiers beschikbaar zijn. Tenminste één toilet moet volgens een betreffende norm of voorschrift van een van de Rijnoeverstaten of België voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit uitgevoerd zijn en via een passagiersverblijf dat is bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit te bereiken zijn.
18.
Hutten die geen venster hebben dat geopend kan worden moeten zijn aangesloten op een airconditioning- of ventilatiesysteem.
19.
Op verblijven waarin bemanning of boordpersoneel is ondergebracht is dit artikel van overeenkomstige toepassing.
1.
Behalve met het hoofd voortstuwingssysteem moet het schip zijn uitgerust met een tweede onafhankelijk voortstuwingssysteem, dat garandeert dat het schip bij uitval van het hoofd voortstuwingssysteem zich op eigen kracht kan voortbewegen.
2.
Het tweede onafhankelijke voortstuwingssysteem moet zich in een aparte machinekamer bevinden. Wanneer de beide machinekamers gemeenschappelijke scheidingsvlakken hebben moet deze overeenkomstig artikel 15.11, tweede lid, gebouwd zijn.
1.
Ieder passagiersschip moet beschikken over een interne spreekverbinding als bedoeld in artikel 7.08. Deze moet bovendien de bedrijfsruimten en – voor zover daar geen directe communicatiemogelijkheid vanuit het stuurhuis aanwezig is– de plaatsen voor het embarkeren van passagiers en de verzamelruimten voor passagiers als bedoeld in artikel 15.06, achtste lid, omvatten.
2.
Alle passagiersverblijven moeten met een luidsprekerinstallatie bereikt kunnen worden. De installatie moet zo gedimensioneerd zijn dat de overgebrachte informatie duidelijk van achtergrondlawaai kan worden onderscheiden. Voorzover er een directe communicatiemogelijkheid vanuit het stuurhuis naar het passagiersgedeelte aanwezig is, behoeft er aldaar geen luidspreker beschikbaar te zijn.
3.
Er moet een alarmsysteem aanwezig zijn. Deze moet bestaan uit:
a. een alarminstallatie waarmee passagiers, bemanningsleden en leden van het boordpersoneel de leiding van het schip en de bemanning kunnen alarmeren.
Dit alarm mag slechts klinken in de ruimten bestemd voor de scheepsleiding en voor de bemanning en mag slechts door de scheepsleiding kunnen worden afgezet. Dit alarm moet tenminste op de volgende plaatsen kunnen worden aangezet:
aa. in iedere hut;
bb. in gangen, liften en trappenhuizen, zodanig dat de afstand naar de dichtstbijzijnde schakelaar ten hoogste 10 m bedraagt, terwijl er tenminste één schakelaar per waterdichte afdeling moet zijn;
cc. in de salons, eetzalen en vergelijkbare dagverblijven;
dd. in toiletten die zijn bestemd voor het gebruik van personen met beperkte mobiliteit;
ee. in machinekamers, keukens en vergelijkbare ruimten waar brand mogelijk is;
ff. in koelruimten en overige opslagruimten.
De alarmknoppen moeten zijn aangebracht op een hoogte tussen 0,85 m en 1,10 m boven de vloer.
b. een alarminstallatie waarmee de scheepsleiding de passagiers kan waarschuwen.
Dit alarm moet duidelijk en zonder dat verwarring mogelijk is waarneembaar zijn in alle ruimten die toegankelijk zijn voor passagiers. Het moet ingeschakeld kunnen worden vanuit het stuurhuis en vanaf een plaats die constant door het personeel wordt bezet.
c. een alarminstallatie waarmee de scheepsleiding, bedoeld in artikel 7.09, eerste lid, de bemanning en het boordpersoneel kan waarschuwen.
Deze alarminstallatie moet eveneens functioneren in de verblijfsruimten voor het boordpersoneel, de koelruimten en andere opslagruimten.
De alarmschakelaars moeten beschermd zijn tegen ongewild gebruik.
4.
Iedere waterdichte afdeling moet zijn uitgerust met een bilge alarm.
5.
Er moeten twee gemotoriseerde lenspompen aan boord beschikbaar zijn.
6.
Een lenssysteem met vast geïnstalleerde lensleidingen moet beschikbaar zijn.
7.
Koelruimten moeten, ook wanneer de deur afgesloten is, van binnen uit kunnen worden geopend.
8.
Indien zich onderdelen van in kasten opgestelde CO 2 -installaties in onderdeks gesitueerde ruimten bevinden, moeten deze zijn voorzien van een automatische ventilatie, die automatisch in werking treedt bij het openen van de deur of van het luik van deze ruimte. De ventilatieschachten moeten reiken tot op 0,05 m van de bodem van deze ruimte.
9.
Behalve de verbandtrommel, bedoeld in artikel 10.02, tweede lid, onder f, moeten er verdere verbandtrommels in voldoende aantal aanwezig zijn. De verbandtrommels en de plaats waar ze opgeborgen zijn moeten voldoen aan de eisen van artikel 10.02, tweede lid, onder f.
1.
Behalve de in artikel 10.05, eerste lid, genoemde reddingsboeien moeten op alle voor passagiers bestemde, niet gesloten delen van de dekken aan beide zijden van het schip reddingsboeien beschikbaar zijn die overeenkomen met de Europese norm EN 14144 : 2003, op een afstand van telkens niet meer dan 20 m uit elkaar.
De ene helft van alle voorgeschreven reddingsboeien moet zijn voorzien van een drijvende lijn die tenminste 30 m lang moet zijn en een doorsnede van 8 tot 11 mm moet hebben. De andere helft van de voorgeschreven reddingsboeien moet zijn voorzien van een automatisch ontbrandend licht, gevoed door batterijen, dat in het water niet kan uitgaan.
2.
Behalve de reddingsboeien als bedoeld in het eerste lid moeten:
a. voor alle leden van het boordpersoneel, die een taak volgens de veiligheidsrol hebben, individuele reddingsmiddelen als bedoeld in artikel 10.05, tweede lid, onder handbereik beschikbaar zijn;
b. voor alle overige leden van het boordpersoneel individuele reddingsmiddelen volgens de Europese Norm EN 395 : 1998, of EN 396 : 1998, onder handbereik beschikbaar zijn.
3.
Passagiersschepen moeten over geschikte inrichtingen beschikken die personen op een veilige manier van boord in ondiep water, aan de oever of aan boord van een ander vaartuig kan brengen.
4.
Behalve de reddingsmiddelen als bedoeld in het eerste en tweede lid moeten voor in totaal 100% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers individuele reddingsmiddelen volgens de Europese Norm EN 395 : 1998, of EN 396 : 1998, aanwezig zijn.
Voor zover de individuele reddingsmiddelen als bedoeld in de eerste zin niet tevens voor kinderen geschikt zijn moeten voor 10% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers individuele reddingsmiddelen volgens de Europese Norm EN 395 : 1998, voor kinderen met een lichaamsgewicht tot en met 30 kg beschikbaar zijn.
5.
(vervallen)
6.
Extra gemeenschappelijke reddingsmiddelen zijn uitrustingsstukken die het mogelijk maken meerdere personen die zich te water bevinden drijvende te houden. Zij moeten:
a. over een opschrift beschikken waaruit de bestemming blijkt en het aantal personen waarvoor ze geschikt zijn;
b. een drijfvermogen in zoet water hebben van ten minste 100 N per persoon;
c. van geschikt materiaal zijn vervaardigd en resistent zijn voor olie en van olie afgeleide producten, alsmede tegen temperaturen tot en met 50 °C;
d. drijvend een stabiele ligging kunnen innemen en behouden en voorzien zijn van geschikte middelen om zich vast te houden voor het aangegeven aantal personen;
e. een fluorescerende oranje kleur hebben dan wel duurzaam aangebrachte fluorescerende naar alle zijden zichtbare vlakken hebben van tenminste 100 cm 2 ; en
f. vanaf de plaats waar ze opgesteld zijn door één persoon snel en veilig over boord kunnen worden gezet dan wel van zelf boven drijven.
7.
Opblaasbare gemeenschappelijke reddingsmiddelen moeten bovendien:
a. uit ten minste twee gescheiden luchtkamers bestaan;
b. bij het in het water belanden zich automatisch opblazen of door handbediening kunnen worden opgeblazen; en
c. bij iedere mogelijke belasting, ook wanneer slechts de helft van de luchtkamers is opgeblazen, drijvend een stabiele ligging innemen en behouden.
8.
Reddingsmiddelen moeten aan boord zodanig zijn ondergebracht dat zij als het nodig is gemakkelijk en veilig kunnen worden bereikt. Aan het gezicht onttrokken depots moeten duidelijk zijn gemarkeerd.
9.
Reddingsmiddelen moeten zijn getest volgens de indicaties van de fabrikant.
10.
De bijboot moet zijn uitgerust met een motor en met een verstelbare schijnwerper.
11.
Er moet een geschikte draagbaar beschikbaar zijn.
1.
Voor de verlichting zijn slechts elektrische installaties toegestaan.
2.
Artikel 9.16, derde lid, geldt bovendien ook voor gangen en ruimten waar passagiers verblijven.
3.
Een voldoende verlichting alsmede een noodverlichting moet voor tenminste de volgende ruimten en plaatsen aanwezig zijn:
a. plaatsen waar reddingsmiddelen worden bewaard en waar zij normaal voor het gebruik worden gereedgemaakt;
b. vluchtwegen, instapplaatsen voor passagiers met inbegrip van loopplanken, toe- en uitgangen, verbindingsgangen, liften en trappen van verblijven, hutten en woonruimten;
c. markeringen van de vluchtwegen en nooduitgangen;
d. overige ruimten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit;
e. bedrijfsruimten, machinekamers en roermachinekamers en de uitgangen daarvan;
f. stuurhuis;
g. ruimte voor de noodkrachtbron;
h. plaatsen waar zich blustoestellen en de bediening van brandblusinstallaties bevinden;
i. plaatsen waar de passagiers, het boordpersoneel en de bemanning zich in noodgevallen verzamelen.
4.
Er moet een noodstroominstallatie aanwezig zijn, die bestaat uit een noodstroombron en noodschakelbord en die bij uitval van de voeding de stroomvoorziening van de volgende elektrische inrichtingen kan overnemen; zij moet in staat zijn deze gelijktijdig te voeden, voor zover deze inrichtingen niet van een eigen stroombron zijn voorzien:
a. navigatielantaarns;
b. installaties voor geluidsseinen;
c. noodverlichting als bedoeld in het derde lid;
d. marifooninstallatie;
e. alarm- en luidsprekerinstallaties en installaties voor de interne communicatie aan boord;
f. schijnwerpers als bedoeld in artikel 10.02, tweede lid, onder i;
g. brandmeldinstallatie;
h. overige veiligheidsinstallaties zoals automatische sprinklerinstallaties of brandbluspompen;
i. liften en hefinrichtingen als bedoeld in artikel 15.06, negende lid, tweede zin.
5.
De lichtbronnen voor de noodverlichting moeten als zodanig zijn gemarkeerd.
6.
De noodstroominstallatie moet zijn aangebracht buiten de hoofdmachinekamer, buiten de ruimte waarin de energiebronnen als bedoeld in artikel 9.02, eerste lid, ondergebracht zijn en buiten de ruimte waarin het hoofdschakelbord staat opgesteld en van deze ruimten door scheidingsvlakkenals bedoeld in artikel 15.11, tweede lid, zijn gescheiden.
Kabels die elektrische installaties in noodgevallen voeden, moeten zodanig zijn ingebouwd en doorgeleid dat de continuïteit van de voeding van deze installaties in geval van brand en overstroming gehandhaafd blijft. In ieder geval mogen deze kabels niet door de hoofdmachinekamer, door keukens of door ruimten geleid worden waarin de elektrische hoofdenergiebron en de daarbij behorende uitrusting staan, behalve in zoverre als het nodig is om ook deze ruimte van een noodstroominstallatie te voorzien.
De noodstroominstallatie moet zijn opgesteld boven de indompelingsgrenslijn.
7.
Als noodstroombron zijn toegelaten:
a. aggregaten met een eigen onafhankelijke brandstofvoorziening en onafhankelijk koelsysteem, die bij het uitvallen van het hoofdnet automatisch moeten aanlopen en binnen 30 seconden de stroomvoorziening automatisch moeten kunnen overnemen, dan wel, indien zij zich bevinden in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis of een andere plaats waar voortdurend leden van de bemanning aanwezig zijn, met de hand kunnen worden gestart;
b. accumulatoren, die bij uitvallen van het hoofdnet automatisch de stroomvoorziening overnemen, dan wel, indien zij zich in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis of een andere plaats waar voortdurend leden van de bemanning aanwezig zijn, met de hand kunnen worden ingeschakeld. Zij moeten in staat zijn om de aangegeven installaties gedurende de voorgeschreven tijd zonder oplading en zonder ontoelaatbaar spanningsverlies te voeden.
8.
De voor de noodstroomvoorziening benodigde bedrijfsduur wordt bepaald naar gelang het gebruiksdoel van het passagiersschip, maar mag niet minder dan 30 minuten bedragen.
9.
De isolatie weerstanden en de aarding van de elektrische systemen moeten worden getest tijdens de onderzoeken, bedoeld in artikel 2.09.
10.
De energiebronnen, bedoeld in artikel 9.02, eerste lid, moeten onafhankelijk van elkaar zijn uitgevoerd.
11.
Storingen in de hoofd- of noodstroominstallatie mogen geen aanleiding kunnen zijn tot onderlinge beïnvloeding van de bedrijfszekerheid van de inrichtingen.
1.
De technische geschiktheid van materialen en onderdelen op het gebied van brandbescherming moet worden vastgesteld door een geaccrediteerd testinstituut op grond van geschikte testmethoden.
a. Het testinstituut moet voldoen aan:
aa. de code voor brandtestmethoden of
bb. de Europese norm EN ISO/IEC 17025 : 2000, inzake de algemene eisen aan de kundigheid van test- en kalibreerlaboratoria.
b. Erkend als testmethoden ten behoeve van het vaststellen van de onbrandbaarheid van materialen zijn:
aa. bijlage 1, deel 1, van de code voor brandtestmethoden en
bb. gelijkwaardige voorschriften van één der Rijnoeverstaten of België.
c. Erkend als testmethoden ten behoeve van het vaststellen van het moeilijk ontvlambaar zijn van materialen zijn:
aa. de voor de verschillende punten van toepassing zijnde eisen van bijlage 1, deel 5 (ontvlambaarheidstest van het oppervlak), deel 6 (test van dekbedekking), deel 7 (test van stofferingen en kunststoffen), deel 8 (test van gestoffeerd meubilair) en deel 9 (test van onderdelen van beddengoed) van de code voor brandtestmethoden en
bb. gelijkwaardige voorschriften van één der Rijnoeverstaten of België.
d. Erkend als testmethoden ten behoeve van het vaststellen van brandbestendigheid zijn:
aa. IMO besluit A.754 (18) en
bb. gelijkwaardige voorschriften van één der Rijnoeverstaten of België.
e. De Commissie van Deskundigen kan in overeenstemming met de code voor brandtestmethoden een test voor een model scheidingsvlak voorschrijven teneinde zeker te stellen dat aan de voorschriften inzake weerstandsvermogen en temperatuurverhoging, bedoeld in het tweede lid, is voldaan.
2.
Scheidingsvlakken
a. Scheidingsvlakken van ruimten moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de volgende tabellen:
aa. Tabel voor scheidingsvlakken van ruimten waarin geen sprinklerinstallaties als bedoeld in artikel 10.03a zijn geïnstalleerd. 1 2 3 4 5
Ruimten Controleposten Trappenschachten Verzamelruimten Verblijfsruimten Machinekamers Keukens Voorraadruimten
Controleposten A 0 A 0/B 15 A 30 A 60 A 60 A 60
Trappenschachten   A 0 A 30 A 60 A 60 A 60
Verzamelruimten     A 30/B15 A 60 A 60 A 60
Verblijfsruimten       –/B 15 A 60 A 60 A 60
Machinekamers         A 60/A 0 A 60 A 60
Keukens           A 0 A 60/B15
Voorraadruimten            
bb. Tabel voor scheidingsvlakken van ruimten waarin sprinklerinstallaties als bedoeld in artikel 10.03a zijn geïnstalleerd. 1[6] 2[7] 3[8] 4[9]
Ruimten Controleposten Trappenschachten Verzamelruimten Verblijfsruimten Machinekamers Keukens Voorraadruimten
Controleposten A 0 A 0/ B 15 A 0 A 60 A 60 A 30
Trappenschachten   A 0 A 0 A 60 A 30 A 0
Verzamelruimten     A 30/B15 A 60 A 60 A 60
Verblijfsruimten       – / B 0 A 60 A 30 A 0
Machinekamers         A 60/A 0 A 60 A 60
Keukens           B 15
Voorraadruimten            
b. Scheidingsvlakken van het type «A» zijn schotten, wanden en dekken, die aan de volgende eisen voldoen:
aa. Ze zijn vervaardigd van staal of een ander gelijkwaardig materiaal.
bb. Ze zijn op een geschikte wijze versterkt.
cc. Ze zijn zodanig geïsoleerd met een toegelaten onbrandbaar materiaal, dat de gemiddelde temperatuur aan de van de brand afgekeerde zijde niet meer dan 140 °C boven de begintemperatuur stijgt en op geen enkele plaats met inbegrip van de verbindingen een temperatuurverhoging van meer dan 180 °C boven de begintemperatuur plaatsvindt binnen de hierna aangegeven tijdsduur:
type «A 60» 60 minuten
type «A 30» 30 minuten
type «A 0» 0 minuten.
dd. Ze zijn zodanig gebouwd, dat ze de doorvoer van rook en vuur verhinderen tot aan het einde van de standaard brandtest van één uur.
c. Scheidingsvlakken van het type «B» zijn schotten, wanden, dekken, dekens of bekledingen, die aan de volgende eisen voldoen:
aa. Ze bestaan uit een toegelaten onbrandbaar materiaal, en alle materialen die voor de constructie en het installeren van de scheidingsvlakken worden toegepast zijn onbrandbaar met uitzondering van oppervlaktemateriaal dat tenminste moeilijk ontvlambaar moet zijn.
bb. Ze hebben een zodanige isolatiewaarde, dat de gemiddelde temperatuur aan de van de brand afgekeerde zijde niet meer dan 140 °C boven de begintemperatuur stijgt en op geen enkele plaats met inbegrip van de verbindingen een temperatuurverhoging van meer dan 225 °C boven de begintemperatuur plaatsvindt binnen de hierna aangegeven tijdsduur:
type «B 15» 15 minuten
type «B 0» 0 minuten.
cc. Ze zijn zodanig gebouwd dat ze de doorvoer van vuur verhinderen tot aan het eind van het eerste half uur van de standaard brandtest.
3.
In ruimten, met uitzondering van machinekamers en voorraadruimten, toegepaste verf, lak en andere producten voor het behandelen van oppervlakken, alsmede bedekking van dekken moeten moeilijk ontvlambaar zijn.
Vaste vloerbedekking, stoffen, gordijnen en andere hangende materialen van textiel, alsmede gestoffeerde meubels en beddengoed, moeten moeilijk ontvlambaar zijn voorzover de ruimten waarin ze zich bevinden niet beschikken over een automatisch werkende sprinklerinstallatie als bedoeld in artikel 10.03a.
4.
De in ruimten voor passagiers aangebrachte plafonds en stofferingen van wanden met inbegrip van de constructies daaronder moeten, voorzover die ruimten niet over een automatisch werkende sprinklerinstallatie beschikken als bedoeld in artikel 10.03a, van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd met uitzondering van de oppervlakken ervan die tenminste moeilijk ontvlambaar moeten zijn.
5.
Meubels en constructies in verblijfsruimten, waarin zich verzamelruimten bevinden, moeten, voorzover die ruimten niet beschikken over een automatisch werkende sprinklerinstallatie als bedoeld in artikel 10.03a, van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd.
6.
Verf, lak en andere stoffen, die worden toegepast op onbeschermde oppervlakken aan de binnenkant, mogen bij brand niet meer dan normale hoeveelheden rook en giftige stoffen ontwikkelen. Dit moet worden aangetoond met toetsing aan de code voor brandtestmethoden.
7.
Isolatiemateriaal in verblijfsruimten moet onbrandbaar zijn. Dit geldt niet voor isolaties van leidingen voor koelvloeistof. De oppervlakken van de isolatie van deze leidingen moeten tenminste moeilijk ontvlambaar zijn.
8.
Deuren in scheidingsvlakken als bedoeld in het tweede lid moeten aan de volgende eisen voldoen:
a. Ze moeten aan dezelfde eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoen als de scheidingsvlakken zelf.
b. Ze moeten, voorzover het deuren in scheidingsvlakken, bedoeld in het tiende lid, dan wel deuren in wanden die machinekamers omsluiten, keukens en trappen betreft, automatisch sluitend zijn.
c. Automatisch sluitende deuren, die bij een normale situatie open staan, moeten ter plaatse en vanuit een permanent door de bemanning en het boordpersoneel bezette plaats kunnen worden gesloten. Na sluiting op afstand moet de deur ter plaatse opnieuw geopend en veilig gesloten kunnen worden.
d. Waterdichte deuren als bedoeld in artikel 15.02 behoeven niet te worden geïsoleerd.
9.
Wanden als bedoeld in het tweede lid moeten van dek tot dek opgetrokken zijn, dan wel eindigen bij doorlopende plafonds die aan dezelfde eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoen.
10.
De volgende passagiersruimten moeten zijn onderverdeeld met verticale scheidingsvlakken als bedoeld in het tweede lid:
a. Passagiersruimten met een totale oppervlakte van meer dan 800 m 2 ;
b. Passagiersruimten, waarin zich hutten bevinden, met tussenruimten van ten hoogste 40 m.
Deze verticale scheidingsvlakken wanden moeten onder normale omstandigheden rookdicht en van dek tot dek zijn opgetrokken.
11.
Holle ruimten boven de plafonds, onder vloeren en achter wandbekleding moeten met tussenruimten van ten hoogste 14 m door niet brandbare, ook bij brand goed afsluitende, tochtkleppen gescheiden zijn.
12.
Trappen moeten van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd.
13.
Inwendig gelegen trappen en liften moeten op alle niveaus door wanden als bedoeld in het tweede lid zijn omgeven. De volgende uitzonderingen kunnen worden toegestaan:
a. Een trap die slechts tussen twee dekken ligt behoeft niet in een schacht te liggen, wanneer de trap op één dek door wanden als bedoeld in het tweede lid is omgeven.
b. In een verblijfsruimte behoeven trappen niet in een schacht te liggen, wanneer ze volledig binnen deze ruimte liggen en
aa. wanneer deze ruimte niet meer dan 2 dekken omvat dan wel
bb. indien in deze ruimte op alle dekken een automatisch werkende sprinklerinstallatie als bedoeld in artikel 10.03a is geïnstalleerd, deze ruimte beschikt over een installatie voor het afzuigen van rook als bedoeld in het zestiende lid en deze ruimte op alle dekken een toegang tot een trappenschacht heeft.
14.
Ventilatie- en airconditioningsystemen moeten aan de volgende eisen voldoen:
a. Ze moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vuur en rook zich niet via deze systemen kunnen verspreiden.
b. Openingen voor toe- en afvoer van lucht en airconditioningsystemen moeten kunnen worden afgesloten.
c. Ventilatiekanalen moeten van staal of een gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd en op een veilige wijze met elkaar en met de scheepsconstructie verbonden zijn.
d. Indien ventilatiekanalen met een doorsnede van meer dan 0,02 m 2 door scheidingsvlakken van type A als bedoeld in het tweede lid of door scheidingsvlakken als bedoeld in het tiende lid lopen, moeten ze zijn uitgerust met automatische brandkleppen die vanaf een permanent door het boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats kunnen worden bediend.
e. Ventilatiesystemen voor keuken en machinekamers moeten zijn gescheiden van ventilatiesystemen die voor andere ruimten werken.
f. Ontluchtingskanalen moeten voorzien zijn van afsluitbare openingen ten behoeve van controle en reiniging. De betreffende openingen moeten in de nabijheid van de brandkleppen zijn aangebracht.
g. Ingebouwde ventilatoren moeten kunnen worden uitgeschakeld vanaf een centrale plaats buiten de machinekamer.
15.
Keukens moeten voorzien zijn van een ventilatiesysteem en keukenfornuizen met een afzuiging. De ontluchtingskanalen van de afzuigingen moeten voldoen aan de eisen als bedoeld in het veertiende lid en bovendien zijn voorzien van handbediende brandkleppen aan de ingangsopeningen.
16.
Controleposten, trappenschachten en binnen het schip gelegen verzamelruimten moeten zijn voorzien van inrichtingen voor het afzuigen van rook via een natuurlijke of machinale weg. Inrichtingen voor het afzuigen van rook moeten aan de volgende eisen voldoen:
a. Ze moeten voldoende capaciteit hebben en betrouwbaar zijn.
b. Ze moeten passen bij de bedrijfsomstandigheden van het passagiersschip.
c. Indien inrichtingen voor het afzuigen van rook ook dienen voor de algemene ventilatie van de ruimten mag daardoor hun functie als inrichting voor het afzuigen van rook in geval van brand niet worden gehinderd.
d. Inrichtingen voor het afzuigen van rook moeten voorzien zijn van een handmatige inschakeling.
e. Machinale inrichtingen voor het afzuigen van rook moeten bovendien vanaf een permanent door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats kunnen worden bediend.
f. Inrichtingen voor afzuiging van rook via natuurlijke weg moeten zijn voorzien van een handmatig te bedienen openingsmechanisme of met een energiebron binnen deze inrichtingen.
g. Handmatig te bedienen inschakelinrichtingen en openingsmechanismen moeten van binnen en van buiten de te beschermen ruimte bereikbaar zijn.
17.
Verblijfsruimten waarop niet permanent door boordpersoneel en leden van de bemanning wordt gelet, keukens, machinekamers en andere bedreigde ruimten moeten op een doelmatige brandmeldinstallatie zijn aangesloten. De aanwezigheid van een brand alsmede de plaats daarvan moeten automatisch worden gemeld op een permanent door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette plaats.
1.
Behalve de draagbare blustoestellen als bedoeld in artikel 10.03 moeten tenminste de volgende draagbare blustoestellen aanwezig zijn:
a. één draagbaar blustoestel voor elke 120 m 2 bruto vloeroppervlak van de verblijfsruimten voor passagiers;
b. één draagbaar blustoestel per tien hutten of deel daarvan;
c. één draagbaar blustoestel in iedere keuken en in de nabijheid van iedere ruimte waarin brandbare vloeistoffen worden opgeslagen of gebruikt. In keukens moet het blusmiddel tevens geschikt zijn voor het blussen van branden met vet.
Deze extra brandblussers moeten voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 10.03, tweede lid, en zo opgesteld en over het schip verdeeld zijn dat bij een brandhaard altijd op elke plaats een blustoestel direct bereikbaar is. In iedere keuken alsmede in kapsalons en parfumerieën moet een branddeken binnen handbereik zijn.
2.
Passagiersschepen moeten zijn voorzien van een blusinstallatie, die bestaat uit:
a. twee bluspompen waarvan er één vast is opgesteld, die door een motor worden aangedreven en voldoende capaciteit hebben;
b. een brandblusleiding met een voldoend aantal brandkranen, met daaraan vast aangesloten tenminste 20 m lange brandslangen met straalpijp, die geschikt is om zowel een sproeinevel als een waterstraal voort te brengen en die van een afsluitmogelijkheid is voorzien.
3.
Blusinstallaties moeten zodanig zijn uitgevoerd en een zodanige capaciteit hebben dat:
a. elke willekeurige plaats van het schip door tenminste twee stralen water, niet afkomstig van dezelfde brandkraan en met voor elk slechts een slanglengte van ten hoogste 20 m, kan worden bestreken;
b. de druk bij de brandkranen tenminste 300 kPa bedraagt; en
c. op alle dekken een lengte van de waterstralen van tenminste 6 m kan worden bereikt.
Wanneer er brandbluskasten aanwezig zijn moeten deze aan de buitenkant zijn voorzien van een symbool voor «brandslang» volgens schets 5 van bijlage I met een lengte van de zijde van 10 cm.
4.
Aansluitingen van blusinstallaties met schroefdraad of kraan moeten zo zijn afgesteld dat elk van de brandslangen bij draaiende bluspompen afgekoppeld en verwijderd kan worden.
5.
Brandslangen binnen in het schip moeten zijn opgerold op een axiaal aangebrachte haspel.
6.
Materiaal voor inrichtingen voor brandbestrijding moeten ofwel hittebestendig ofwel voldoende zijn beschermd tegen uitvallen bij hitte.
7.
Pijpleidingen en blusinstallaties moeten zodanig zijn aangebracht dat de kans op bevriezen wordt vermeden.
8.
De twee bluspompen moeten:
a. niet in dezelfde ruimte zijn opgesteld of geplaatst worden;
b. onafhankelijk van elkaar kunnen functioneren;
c. ieder op zich op alle dekken in staat zijn om de noodzakelijke druk op de blusinstallatie te houden en de vereiste lengte van de waterstraal te bereiken;
d. voor het hekschot zijn opgesteld.
Brandbluspompen mogen worden gebruikt voor algemene bedrijfsmatige taken.
9.
Machinekamers moeten zijn uitgerust met een vast ingebouwde brandblusinstallatie als bedoeld in artikel 10.03b.
10.
Op hotelschepen moeten beschikbaar zijn:
a. twee ademhalingsapparaten die onafhankelijk van de omgevingslucht werken en voldoen aan de Europese norm EN 137 : 1993, met volledig masker overeenkomstig de Europese norm EN 136 : 1998;
b. twee uitrustingspakketten die tenminste bestaan uit veiligheidskleding, helm, laarzen, handschoenen, bijl, koevoet, zaklamp en geleidingslijn, alsmede
c. vier vluchtmaskers.
1.
Op ieder passagiersschip moet een veiligheidsrol aanwezig zijn. Hierin worden de instructies voor de bemanning en het boordpersoneel voor de volgende gevallen omschreven:
a. averij van het schip,
b. brand aan boord,
c. evacuatie van de passagiers,
d. man-over-boord.
Bijzondere veiligheidsmaatregelen, die nodig zijn voor personen met beperkte mobiliteit moeten in de veiligheidsrol zijn opgenomen.
De verschillende taken moeten aan de leden van de bemanning en van het boordpersoneel die in het kader van de veiligheidsrol moeten optreden in overeenstemming met hun functie zijn toegedeeld. In het bijzonder moet door speciale aanwijzingen zeker gesteld zijn, dat alle deuren en openingen in waterdichte schotten als bedoeld in artikel 15.02 in geval van gevaar onmiddellijk waterdicht gesloten worden.
2.
Bij de veiligheidsrol behoort een veiligheidsplan van het schip, waarop duidelijk en overzichtelijk tenminste zijn aangegeven:
a. ruimten die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit;
b. vluchtwegen, nooduitgangen, verzamel- en evacuatieruimten;
c. reddingsmiddelen en bijboten;
d. blustoestellen, brandblusinstallaties en automatisch werkende sprinklerinstallaties;
e. overige veiligheidsuitrusting;
f. alarminstallatie, bedoeld in artikel 15.08, derde lid, onder a;
g. alarminstallatie, bedoeld in artikel 15.08, derde lid, onder b en c;
h. deuren in schotten, bedoeld in artikel 15.02, vijfde lid, en de plaatsen van waaruit deze worden bediend, alsook overige openingen, bedoeld in artikel 15.02, negende, tiende en dertiende lid, en artikel 15.03, twaalfde lid;
i. deuren, bedoeld in artikel 15.11, achtste lid;
j. brandkleppen;
k. brandmeldsysteem;
l. noodstroominstallatie;
m. schakelaars van ventilatiesystemen;
n. walaansluitingen;
o. afsluiters van brandstofleidingen;
p. vloeibaargasinstallaties;
q. luidsprekerinstallaties;
r. marifooninstallaties;
s. verbandtrommels.
3.
De veiligheidsrol, bedoeld in het eerste lid, en het veiligheidsplan, bedoeld in het tweede lid, moeten:
a. door de Commissie van Deskundigen zijn gewaarmerkt en
b. op ieder dek op geschikte plaatsen duidelijk zichtbaar zijn opgehangen.
4.
In elke hut moeten de nodige instructies aanwezig zijn voor het gedrag van de passagiers alsmede een verkort veiligheidsplan waarin alleen de indicaties, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met f, zijn opgenomen.
Deze instructies moeten tenminste bevatten:
a. Aangeven van noodsituaties:
aa. brand;
bb. lek raken van het schip;
cc. algemeen gevaar.
b. Beschrijving van de verschillende noodsignalen.
c. Aanwijzingen met betrekking tot:
aa. vluchtweg;
bb. gedrag;
cc. bewaren van kalmte.
d. Aanwijzingen met betrekking tot:
Deze instructies moeten in het Duits, Engels, Frans en Nederlands beschikbaar zijn.
aa. roken;
bb. gebruik van vuur en open licht;
cc. openen van vensters;
dd. gebruik van bepaalde inrichtingen.
1.
Passagiersschepen moeten ofwel van verzameltanks voor afvalwater ofwel van geschikte zuiveringsinstallaties zijn voorzien.
2.
Tanks voor het verzamelen van afvalwater moeten voldoende capaciteit hebben. De tanks moeten zijn voorzien van een inrichting waarmee het niveau kan worden vastgesteld, dan wel hoever de tank gevuld is. Om de tanks leeg te maken moeten aan boord pompen en leidingen aanwezig zijn, waarmee het afvalwater op aanlegplaatsen aan beide zijden van het schip kan worden afgegeven.
Doorvoer van afvalwater van andere schepen moet mogelijk zijn.
De leidingen moeten zijn voorzien van een aansluiting voor afgifte overeenkomstig de Europese norm EN 1306 : 1996.
1.
In plaats van het rekenkundig bewijs van voldoende lekstabiliteit als bedoeld in artikel 15.03, zevende tot en met dertiende lid, moeten passagiersschepen die voor het vervoer van minder dan 50 passagiers zijn toegelaten en waarvan de lengte niet groter is dan 25 m in symmetrische leksituaties aan de volgende criteria voldoen:
a. het schip mag maximaal tot aan de indompelingsgrenslijn inzinken, en
b. de resterende metacentrische hoogte gm R mag niet kleiner zijn dan 0,10 m.
Het benodigde resterende opdrijvend vermogen moet worden gegarandeerd door de juiste keuze van het materiaal van de scheepshuid of door drijflichamen van blokken schuim, die vast met de romp verbonden zijn. Voor schepen met een lengte van meer dan 15 m mag het resterend opdrijvend vermogen door een combinatie van drijflichamen en schotindeling voor de 1 compartiment status als bedoeld in artikel 15.03 zijn verzekerd.
2.
De Commissie van Deskundigen kan bij passagiersschepen als bedoeld in het eerste lid kleine afwijkingen toelaten van de bij artikel 15.06, derde lid, onder c, en vijfde lid, onder b, vereiste vrije hoogte. De afwijking mag niet meer zijn dan 5%. Ingeval van afwijkingen moeten de betreffende plaatsen in het schip met verf worden gemarkeerd.
3.
In afwijking van artikel 15.03, negende lid, behoeven passagiersschepen die voor het vervoer van ten hoogste 250 passagiers zijn toegelaten en waarvan de lengte niet groter is dan 45 m niet te voldoen aan de 2 compartimenten status.
4.
(vervallen)
5.
De Commissie van Deskundigen kan bij passagiersschepen, die zijn toegelaten voor het vervoer van ten hoogste 250 passagiers en waarvan de lengte niet meer is dan 25 m, afzien van het moeten voldoen aan artikel 10.04, indien het passagiersschip is uitgerust met een van twee kanten bereikbaar platform vlak boven de waterlijn, dat het mogelijk maakt personen uit het water te redden. Het passagiersschip mag met een vergelijkbare inrichting zijn voorzien, in welk geval:
a. voor de bediening van de inrichting één persoon volstaat;
b. mobiele inrichtingen toegestaan zijn;
c. de inrichting zich buiten de gevarenzone van de middelen tot voortbeweging bevinden moet, en
d. een effectieve communicatie tussen de schipper en de persoon die de inrichting bedient mogelijk moet zijn.
6.
De Commissie van Deskundigen kan bij passagiersschepen, die zijn toegelaten voor het vervoer van ten hoogste 600 passagiers en waarvan de lengte niet meer bedraagt dan 45 m, afzien van het moeten voldoen aan artikel 10.04, indien het passagiersschip is uitgerust met een platform overeenkomstig het vijfde lid, eerste zin, dan wel met een vergelijkbare inrichting als een platform als bedoeld in het vijfde lid, tweede zin. Bovendien moet het passagiersschip beschikken over:
a. als hoofdaandrijving een roerpropeller, een cycloïdaalschroef of een waterstraalaandrijving, of
b. een hoofdaandrijving met 2 voortstuwingsorganen, of
c. een hoofdaandrijving en een boegschroefinstallatie.
7.
In afwijking van artikel 15.02, negende lid, mag op passagiersschepen, waarvan de lengte niet meer bedraagt dan 45 m en waarvan het ten hoogste toegelaten aantal passagiers overeenkomt met de lengte van het schip in meters, een handbediende deur, die niet op afstand kan worden bediend, in een schot als bedoeld in artikel 15.02, vijfde lid, in de verblijfsruimte voor passagiers aanwezig zijn, indien:
a. het schip slechts één dek heeft;
b. deze deur vanaf het dek direct te bereiken is en niet meer dan 10 m van de toegang tot het dek verwijderd is;
c. de onderkant van de deuropening tenminste 30 cm boven de bodem van de verblijfsruimte voor passagiers is gelegen, en
d. de beide afdelingen die door de deur worden gescheiden zijn uitgerust met een bilge alarm.
8.
In afwijking van artikel 15.06, zesde lid, onder c, mag op passagiersschepen als bedoeld in het zevende lid een vluchtweg door een keuken leiden, indien een tweede vluchtweg beschikbaar is.
9.
Voor passagiersschepen, waarvan de lengte niet meer bedraagt dan 45 m, geldt artikel 15.01, tweede lid, onder e, niet, wanneer de vloeibaargasinstallaties met geschikte alarminstallaties voor gezondheidsbedreigende concentraties van CO alsmede voor explosieve gasmengsels zijn uitgerust.
10.
De volgende voorschriften gelden niet voor passagiersschepen waarvan de lengte niet meer bedraagt dan 25 m:
b. artikel 15.06, zesde lid, onder c, voor zover het keukens betreft, indien een tweede vluchtweg beschikbaar is;
11.
Op hotelschepen, waarvan de lengte niet meer bedraagt dan 45 m, is artikel 15.12, tiende lid, niet van toepassing voorzover in iedere hut vluchtmaskers, in een aantal dat overeenkomt met de zich in die hut bevindende bedden, direct bereikbaar aanwezig zijn.
1.
Vaartuigen die bestemd zijn om te duwen moeten zijn voorzien van een geschikte duwinrichting. Zij moeten zo zijn gebouwd en uitgerust dat:
a. voor het personeel de passage naar het geduwde vaartuig ook met de koppelingsmiddelen gemakkelijk en zonder gevaar mogelijk is;
b. zij een vaste positie kunnen innemen ten opzichte van het gekoppelde vaartuig of de gekoppelde vaartuigen, en
c. ten opzichte van elkaar verschuiven van de vaartuigen wordt voorkomen.
2.
Indien bij het koppelen kabels worden gebruikt, moeten op het voor het duwen geschikte vaartuig ten minste twee speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen voor het spannen van de kabels zijn aangebracht.
3.
De koppelingsinrichting moet een hechte verbinding met het geduwde vaartuig of de geduwde vaartuigen mogelijk maken.
Bij duwstellen die bestaan uit één duwend en slechts één geduwd vaartuig mogen de koppelingsinrichtingen echter ook een gestuurd knikken mogelijk maken. De daartoe vereiste aandrijvingen moeten de over te brengen krachten probleemloos kunnen opvangen en zij moeten gemakkelijk en zonder gevaar kunnen worden bediend. Voor deze aandrijvingen zijn de artikelen 6.03 tot en met 6.05 van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij duwboten is een aanvaringsschot als bedoeld in artikel 3.03, eerste lid onder a, niet vereist.
1.
Voor duwbakken zonder stuurinrichting, verblijven, machinekamers of ketelruimen zijn niet van toepassing:
a. de hoofdstukken 5, 6, 7 en 12;
b. de artikelen 8.06, tweede tot en met achtste lid, 10.02 en 10.05, eerste lid.
Indien stuurinrichtingen, verblijven, machinekamers of ketelruimen aanwezig zijn, zijn de dienovereenkomstige vereisten van dit Reglement van toepassing.
2.
Voor zeeschipbakken met een lengte L van ten hoogste 40 m geldt bovendien:
a. Waterdichte schotten als bedoeld in artikel 3.03, eerste lid, zijn niet vereist, wanneer de frontale gedeelten van de bak zodanig zijn versterkt dat zij een belasting kunnen opnemen die ten minste 2,5 maal zo groot is als die van het aanvaringsschot van een binnenschip met een overeenkomstige diepgang dat is gebouwd volgens de voorschriften van een door alle Oeverstaten en België erkend classificatiebureau;
b. In afwijking van artikel 8.06, eerste lid, behoeven moeilijk toegankelijke afdelingen van een dubbele bodem slechts gelenst te kunnen worden, wanneer hun inhoud meer bedraagt dan 5% van de waterverplaatsing van de zeeschipbak bij de grootste toegelaten inzinking.
3.
Vaartuigen die geduwd moeten worden moeten zijn voorzien van koppelingsinrichtingen die een veilige verbinding met andere vaartuigen waarborgen.
Artikel 16.03. Vaartuigen die geschikt zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen
Op vaartuigen die bestemd zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen moeten bolders of gelijkwaardige inrichtingen aanwezig zijn die het door hun aantal en opstelling mogelijk maken een afdoende verbinding tot stand te brengen tussen de gekoppelde vaartuigen.
Artikel 16.04. Vaartuigen die geschikt zijn om te worden voortbewogen in een samenstel
Vaartuigen die bestemd zijn om te worden voortbewogen in een samenstel moeten zijn voorzien van hiervoor geschikte koppelingsinrichtingen, bolders of gelijkwaardige inrichtingen die door hun aantal en opstelling een afdoende verbinding met het andere vaartuig of de andere vaartuigen van het samenstel waarborgen.
1.
Vaartuigen die moeten kunnen worden gebruikt om te slepen moeten aan de volgende eisen voldoen:
a. De sleepinrichtingen moeten zo zijn aangebracht dat door het gebruik daarvan de veiligheid van het schip, de bemanning of de lading niet in gevaar komt;
b. Assisterende en slepende schepen moeten zijn uitgerust met een vanuit het stuurhuis veilig te bedienen sleephaak; dit geldt niet wanneer op grond van de bouwwijze of door andere voorzieningen kenteren niet mogelijk is;
c. Als sleepinrichting moeten sleeplieren of een sleephaak aanwezig zijn. De sleepinrichtingen moeten vóór de schroeven zijn aangebracht. Dit geldt niet voor sleepboten die met het aandrijforgaan worden gestuurd, zoals een roerpropeller of cycloïdaalschroef;
d. In afwijking van c is bij schepen die uitsluitend worden gebruikt voor het slepen van motorschepen in de zin van het Rijnvaartpolitiereglement ook een sleepinrichting zoals bolders of gelijkwaardige inrichtingen voldoende. Het onder b gestelde is van overeenkomstige toepassing;
e. Wanneer de sleeptrossen op een achterschip zouden kunnen blijven haken dienen daar sleepbogen met draadvangers te zijn aangebracht.
2.
Schepen met een lengte L van meer dan 86 m mogen niet worden toegelaten om afvarend te slepen.
1.
Met het oog op de toelating als duwboot of motorschip voor het voortbewegen van vaartuigen in een hecht samenstel en met het oog op het plaatsen van een desbetreffende aantekening in het certificaat van onderzoek bepaalt de Commissie van Deskundigen welke formaties haar voor onderzoek moeten worden getoond en laat zij proefvaarten als bedoeld in artikel 5.02 uitvoeren met het samenstel in de verzochte formatie(s) die haar het meest ongunstig voorkomen. Daarbij moet dit samenstel aan de artikelen 5.02 tot en met 5.10 voldoen.
De Commissie van Deskundigen vergewist zich ervan of een hechte verbinding van alle vaartuigen van het samenstel bij de volgens hoofdstuk 5 voorgeschreven manoeuvres verzekerd is.
2.
Indien tijdens de in het eerste lid bedoelde proefvaarten bijzondere inrichtingen op de in het samenstel voortbewogen vaartuigen (zoals de stuurinrichting, de aandrijf- of manoeuvreerinrichtingen of de scharnierkoppelingen) worden gebruikt om te voldoen aan de artikelen 5.02 tot en met 5.10, moet in het certificaat van onderzoek van het vaartuig dat het samenstel voortbeweegt worden vermeld: de formatie, de positie, de naam en het officiële scheepsnummer van de toegelaten vaartuigen die over deze bijzondere inrichtingen beschikken.
1.
Indien een vaartuig een samenstel moet voortbewegen of daarin moet worden voortbewogen, moet in het certificaat van onderzoek zijn aangetekend dat het daarvoor geschikt is overeenkomstig de artikelen 16.01 tot en met 16.06.
2.
In het certificaat van onderzoek van het vaartuig dat voor de voortbeweging zorgdraagt moet worden aangetekend:
a. de toegelaten samenstellen en formaties;
b. het soort koppelingen;
c. de vastgestelde grootste koppelingskrachten, en
d. eventueel de minimum breeksterkte van de koppelingskabels van de langsverbindingen, alsmede het aantal windingen van de koppelingskabels.
Artikel 17.01. Algemene bepalingen
Voor drijvende werktuigen zijn voor wat betreft bouw en uitrusting de hoofdstukken 3, 7 tot en met 14 en 16 van toepassing. Drijvende werktuigen met mechanische middelen tot voortbeweging moeten ook voldoen aan de hoofdstukken 5 en 6. Aandrijvingen die slechts een geringe verplaatsing mogelijk maken worden niet beschouwd als mechanische middelen tot voortbeweging.
1.
De Commissie van Deskundigen kan toestaan dat van de volgende bepalingen wordt afgeweken.
a. Artikel 3.03, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing;
b. Artikel 7.02 is van overeenkomstige toepassing;
c. De ten hoogste toegelaten niveaus van de geluidsdruk als bedoeld in artikel 12.02, vijfde lid, tweede alinea, mogen worden overschreden wanneer de werkinrichtingen in bedrijf zijn en voor zover er dan niet aan boord wordt overnacht;
d. Van de overige bepalingen met betrekking tot bouw, inrichting en uitrusting, voor zover voor elk geval dezelfde veiligheid is aangetoond.
2.
De Commissie van Deskundigen kan afzien van de toepassing van de volgende bepalingen:
a. Artikel 10.01, eerste lid, wanneer het drijvende werktuig veilig kan worden verankerd terwijl de werkinrichtingen in bedrijf zijn, bij voorbeeld door middel van werkankers of palen. Een drijvend werktuig met eigen mechanische middelen tot voortbeweging moet echter ten minste één anker hebben als bedoeld in artikel 10.01, eerste lid, waarbij de coëfficiënt k = 45 en voor T de kleinste hoogte in de zijde moet worden aangenomen;
b. Artikel 12.02, eerste lid, tweede gedeelte van de zin, wanneer de ruimten voldoende elektrisch kunnen worden verlicht.
3.
Bovendien geldt:
a. in afwijking van artikel 8.06, tweede lid, tweede alinea: De lenspomp moet mechanisch worden aangedreven;
b. in afwijking van artikel 8.08, derde lid: Bij stilliggende drijvende werktuigen mag het geluid wanneer de werkinrichtingen in bedrijf zijn op 25 m afstand zijdelings van de scheepshuid meer bedragen dan 65 dB(A);
c. in afwijking van artikel 10.03, eerste lid: Bij vrij op het dek staande werktuigen moet ten minste één extra draagbaar blustoestel aanwezig zijn;
d. in afwijking van artikel 14.02, tweede lid: Naast vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik mogen ook andere vloeibaargasinstallaties aanwezig zijn. Deze installaties met toebehoren moeten voldoen aan de voorschriften van één van de Oeverstaten of van België.
1.
Op drijvende werktuigen waarop tijdens het werk personen aanwezig zijn is de aanwezigheid van een algemene alarminstallatie vereist. Het alarmsignaal moet zich duidelijk onderscheiden van andere signalen en in alle verblijven en op alle werkplekken een geluidsdrukniveau doen ontstaan dat ten minste 5 dB(A) hoger is dan het ter plaatse overheersende maximale geluidsniveau. De alarminstallatie moet in het stuurhuis en op de belangrijkste bedieningspunten in werking kunnen worden gesteld.
2.
Werkinrichtingen moeten voor hun belasting voldoende sterkte hebben en zij moeten voldoen aan de nationale voorschriften van één van de Oeverstaten of van België.
3.
De kantelingsstabiliteit en de sterkte van de werkinrichtningen en eventueel de bevestiging daarvan moeten zodanig zijn dat zij bestand zijn tegen belastingen door te verwachten slagzij, trim en bewegingen van het drijvend werktuig.
4.
Indien lasten met heftoestellen omhoog worden gebracht, dient de uit stabiliteit en sterkte resulterende maximaal toelaatbare last duidelijk te worden aangegeven op een bord aan dek en op de bedieningspunten. Indien het hefvermogen door het aankoppelen van extra drijvende voorwerpen kan woren vergroot, moeten de waarden met en zonder extra drijvende voorwerpen zijn vermeld.
5.
Bij drijvende werktuigen die zijn toegelaten om te worden gebruikt aan de kust of op zee wordt het certificaat van onderzoek volgens bijlage B, indien zij dat niet hebben, vervangen door een certificaat volgens bijlage G. Daarbij dient te zijn voldaan aan hoofdstuk 20 met inachtneming van hoofdstuk 17.
1.
De resterende veiligheidsafstand is de kleinste verticale afstand tussen de gladde waterspiegel en het laagste punt waarboven het drijvend werktuig niet meer waterdicht is, waarbij rekening wordt gehouden met trim en slagzij die optreden onder invloed van de momenten als bedoeld in artikel 17.07, vierde lid.
2.
Een resterende veiligheidsafstand bij spatwater- en regendicht afsluitbare openingen is voldoende in de zin van artikel 17.07, eerste lid, wanneer deze 300 mm bedraagt.
3.
De resterende veiligheidsafstand bij niet spatwater- en regendicht afsluitbare openingen moet tenminste 400 mm bedragen.
1.
Het resterende vrijboord is de kleinste verticale afstand tussen de gladde waterspiegel en de zijkant van het dek, waarbij rekening wordt gehouden met trim en slagzij, die optreden onder invloed van de momenten als bedoeld in artikel 17.07, vierde lid.
2.
Het resterend vrijboord als bedoeld in artikel 17.07, eerste lid, is voldoende indien het 300 mm bedraagt.
3.
Het resterend vrijboord mag worden verminderd wanneer wordt aangetoond dat artikel 17.08 in acht is genomen.
4.
Indien de vorm van het drijvend voorwerp in belangrijke mate afwijkt van de vorm van een ponton, zoals bij cylindrische drijvende voorwerpen of bij een drijvend voorwerp waarvan de dwarsdoorsnede meer bedraagt dan vier zijden, kan de Commissie van Deskundigen een resterend vrijboord eisen of toelaten dat afwijkt van het tweede lid. Dit geldt ook voor een drijvend werktuig met verscheidene drijvende voorwerpen.
1.
Het bewijs van stabiliteit als bedoeld in de artikelen 17.07 en 17.08 moet worden geleverd op basis van een volgens goed scheepsbouwgebruik uitgevoerde hellingproef.
2.
Indien bij de hellingproef geen voldoende hellingshoek kan worden bereikt, of indien de uitvoering van de hellingproef onoverkomelijke technische problemen met zich meebrengt, kan in plaats daarvan een berekening van het gewicht en het zwaartepunt worden gemaakt. Het resultaat van de berekening van het gewicht moet worden gecontroleerd met behulp van metingen van de diepgang, waarbij het verschil niet meer dan ± 5% mag bedragen.
1.
Bewezen dient te worden dat bij de tijdens het in bedrijf zijn van de installaties en tijdens de vaart optredende belastingen voldoende resterende veiligheidsafstand en voldoende resterend vrijboord aanwezig zijn. Daarbij mag de som van de hoeken tussen slagzij en trim niet meer dan 10° bedragen en mag de bodem van de scheepsromp niet boven het water uitkomen.
2.
Het bewijs van stabiliteit moet de volgende gegevens en bescheiden bevatten:
a. tekeningen op schaal van de drijvende voorwerpen en de werkinrichtingen alsmede de voor het bewijs van stabiliteit vereiste gedetailleerde gegevens, zoals de inhoud van tanks en openingen die naar het binnenste van het schip voeren;
b. hydrostatische gegevens of krommen;
c. krommen van de armen van statische stabiliteit, voor zover vereist ingevolge het vijfde lid of artikel 17.08;
d. beschrijving van de bedrijfstoestanden met de dienovereenkomstige gegevens inzake gewicht en zwaartepunt met inbegrip van de onbeladen toestand en de toestand van het werktuig bij verplaatsing;
e. berekening van het kenterende, trimmende en oprichtende moment met vermelding van de optredende hellings- en trimhoeken, resterende veiligheidsafstanden en resterende vrijboorden;
f. overzicht van de uitkomsten van de berekeningen met vermelding van de grenzen van gebruik en belasting.
3.
Het bewijs van stabiliteit moet ten minste zijn gebaseerd op de volgende veronderstelde belading:
a. dichtheid van de baggerspecie bij baggermolens:
zand en grind 1,5 ton/m³;
zeer nat zand 2,0 ton/m³;
grond gemiddeld 1,8 ton/m³;
mengsel uit zand en water in buisleidingen 1,3 ton/m³;
b. bij baggerwerktuigen met grijptanden moeten de waarden onder a met 15% worden verhoogd;
c. bij hydraulische baggerwerktuigen moet worden uitgegaan van het maximale hefvermogen.
4.
4.1. In het bewijs van de stabiliteit moet rekening worden gehouden met de momenten resulterend uit:
a. de belading;
b. bouwkundige asymetrieën;
c. de winddruk;
d. de draaibeweging bij werktuigen met eigen aandrijvingskracht;
e. dwarsstroming voor zover vereist;
f. ballast en voorraden;
g. deklasten en eventueel lading;
h. vrije oppervlakken van vloeistof;
i. dynamische traagheidskrachten;
k. andere mechanische inrichtingen.
Daarbij dienen momenten die tegelijkertijd kunnen inwerken te worden opgeteld.
4.2. Het moment tengevolge van de winddruk dient te worden berekend volgens de volgende formule:
In deze formule betekent:
c de vormafhankelijke weerstandscoëfficiënt;
Voor vakwerk moet worden uitgegaan van c = 1,2 en voor gesloten constructies van c = 1,6, waarbij rekening is gehouden met de invloed van windstoten.
Het windvangend oppervlak is de omhullende oppervlakte van het vakwerk.
p w de specifieke winddruk; deze moet uniform op 0,25 kN/m² worden gesteld;
A het zijdelings oppervlak boven het vlak van de grootste inzinking in m²;
I W de afstand van het zwaartepunt van het zijdelings oppervlak A tot het vlak van de grootste inzinking in m.
4.3 Voor de vaststelling van de momenten bij de draaibeweging als bedoeld in lid 4.1, onder d, dient bij drijvende werktuigen met mechanische middelen tot voortbeweging de formule van artikel 15.03, zesde lid, te worden gebruikt.
4.4. Het door dwarsstroming als bedoeld in lid 4.1, onder e , veroorzaakte moment hoeft alleen te worden meegerekend bij drijvende werktuigen die gedurende het werk in stromend water dwarsliggend met ankers of kabels zijn vastgemaakt.
4.5. Bij de berekening van de momenten resulterend uit vloeibare ballast en vloeibare voorraden als bedoeld in lid 4.1, onder f , dient de voor de stabiliteit meest ongunstige vullingsgraad van de tanks te worden vastgesteld en het dienovereenkomstige moment in de berekening te worden opgenomen.
4.6. Met het uit dynamische traagheidskrachten resulterende moment als bedoeld in lid 4.1, onder i , moet op passende wijze rekening worden gehouden, wanneer door bewegingen van de lading en van de werkinrichtingen een beïnvloeding van de stabiliteit te verwachten is.
5.
De oprichtende momenten kunnen bij drijvende voorwerpen met loodrechte zijwanden worden berekend volgens de formule:
.
In deze formule betekent:
de metacentrumhoogte in m;
? de hellingshoek in °.
Bij schuin lopende zijwanden is de formule van toepassing tot hellingshoeken van ten hoogste 5°; voor het overige zijn de criteria, bedoeld in het derde lid en in de leden 4.1 tot en met 4.6, van toepassing.
Wanneer de bijzondere vorm van het drijvend voorwerp of de drijvende voorwerpen dit niet toelaat, zijn stabiliteitskrommen als bedoeld in het tweede lid, onder c , vereist.
Artikel 17.08. Bewijzen van stabiliteit bij verminderd resterend vrijboord
1. Indien gebruik wordt gemaakt van een verminderd resterend vrijboord als bedoeld in artikel 17.04, derde lid, moet voor alle bedrijfsomstandigheden zijn aangetoond dat
a. na correctie voor vrije vloeistofoppervlakken de metacentrumhoogte niet minder dan 0,15 m bedraagt;
b. binnen een slagzij van 0° tot en met 30° een oprichtende arm van ten minste
h = 0,30 - 0,28 . ? [ m ]
aanwezig is. Daarbij is ? de hellingshoek, waar vandaan de stabiliteitskromme negatief wordt (stabiliteitsomvang). Hij mag niet kleiner zijn dan 20° of 0,35 rad en moet in de formule op ten hoogste 30° of 0,52 rad worden gesteld, waarbij voor ? de eenheid radiaal (rad) moet worden gebruikt (1° = 0,01745 rad);
c. de som van de hoeken resulterend uit slagzij en trim niet meer dan 10° bedraagt;
d. een resterende veiligheidsafstand als bedoeld in artikel 17.04 aanwezig is;
e. een resterend vrijboord van ten minste 0,05 m aanwezig is;
f. binnen een slagzij van 0° tot en met 30° een resterende arm van ten minste
h = 0,20 - 0,23 . ? [m]

aanwezig is. Daarbij is ? de hellingshoek, waar vandaan de stabiliteitskromme negatief wordt; deze moet in de formule op ten hoogste 30° of 0,52 rad worden gesteld.
Onder resterende arm moet worden verstaan het tussen 0° en 30° hellingshoek aanwezige grootste verschil tussen de kromme van de oprichtende armen en de kromme van de kenterende armen. Indien een opening naar het inwendige van het schip in het water terecht komt bij een hellingshoek die kleiner is dan de hellingshoek die bij het grootste verschil hoort, is de eis inzake de resterende arm van toepassing op deze hellingshoek.
Artikel 17.09. Inzinkingsmerken en diepgangsschalen
Inzinkingsmerken als bedoeld in artikel 4.04 en diepgangsschalen als bedoeld in artikel 4.06 moeten zijn aangebracht.
1.
Bij een drijvend werktuig
a. door de werkinrichting waarvan geen enkele wijziging van de slagzij of de trim kan worden veroorzaakt, en
b. waarbij een verschuiving van het gewichtszwaartepunt verregaand kan worden uitgesloten,
kan worden afgezien van toepassing van de artikelen 17.04 tot en met 17.08.
2.
Echter moet
a. bij maximale belading de veiligheidsafstand 300 mm en het vrijboord 150 mm bedragen;
b. de veiligheidsafstand voor niet spatwater- en regendicht afsluitbare openingen 500 mm bedragen.
Artikel 18.01. Voorwaarden voor gebruik
Schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden, die als zodanig in het certificaat van onderzoek overeenkomstig bijlage B zijn aangeduid, mogen buiten werkterreinen slechts onbeladen varen. Deze voorwaarde dient in het certificaat van onderzoek te worden vermeld.
Hiertoe moeten deze schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden beschikken over een verklaring van de bevoegde autoriteit over de duur van de werkzaamheden en de begrenzing van het werkterrein waarop het schip mag worden gebruikt.
Artikel 18.02. Toepasselijkheid van Deel II
Voor zover in dit hoofdstuk niets anders is bepaald, zijn met betrekking tot de bouw en de uitrusting van schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden de hoofdstukken 3 tot en met 14 van toepassing.
1.
a. Artikel 3.03, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing;
b. De hoofdstukken 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing, indien het schip is voorzien van eigen mechanische middelen tot voortbeweging;
c. Artikel 10.02, tweede lid onder a en b, is van overeenkomstige toepassing;
d. De Commissie van Deskundigen kan van de toepassing van de overige bepalingen met betrekking tot de bouw, inrichting en uitrusting uitzonderingen toelaten, voor zover in het betreffende geval een zelfde mate van veiligheid is aangetoond.
2.
De Commissie van Deskundigen kan afzien van de toepassing van de volgende bepalingen:
a. Artikel 8.06, tweede tot en met achtste lid, wanneer geen bemanning is voorgeschreven;
b. Artikel 10.01, eerste en derde lid, wanneer het schip bestemd voor bouwwerkzaamheden door middel van werkankers of palen veilig kan worden verankerd. Een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden met eigen mechanische middelen tot voortbeweging moet echter ten minste één anker hebben als bedoeld in artikel 10.01, eerste lid, waarbij de coëfficiënt k = 45 en voor T de kleinste hoogte aan de zijde wordt aangenomen;
c. Artikel 10.02, eerste lid onder c, wanneer het schip bestemd voor bouwwerkzaamheden niet over eigen mechanische middelen tot voortbeweging beschikt.
1.
Indien een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden als spoel- en klepbak wordt geëxploiteerd moet de veiligheidsafstand buiten het laadruim ten minste 300 mm en het vrijboord ten minste 150 mm bedragen. De Commissie van Deskundigen kan een kleiner vrijboord toestaan, wanneer rekenkundig is bewezen dat de stabiliteit bij belading met een dichtheid van 1,5 t/m³ voldoende is en er geen zijde van het dek in het water komt. De invloed van vloeibaar gemaakte lading moet daarbij in aanmerking worden genomen.
2.
Voor een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden dat niet onder het eerste lid valt zijn de artikelen 4.01 en 4.02 van overeenkomstige toepassing. Daarbij kan de Commissie van Deskundigen voor de veiligheidsafstand en voor het vrijboord afwijkende waarden vaststellen.
Artikel 18.05. Bijboten
Schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden hoeven niet met een bijboot te zijn uitgerust, indien
a. ze niet zijn uitgerust met mechanische middelen tot voortbeweging, en
b. op het werkterrein een andere bijboot beschikbaar is.
Deze vrijstelling dient in het certificaat van onderzoek te worden vermeld.
Artikel 19.01. Algemene bepaling
Op kanaalspitsen, die de Rijn slechts tussen Basel (Mittlere Rheinbrücke) en de sluizen te Iffezheim met inbegrip van de meest benedenstrooms gelegen voorhaven bevaren, zijn voor wat betreft bouw en uitrusting de artikelen 19.02 en 19.03 van toepassing.
Artikel 19.02. Toepasselijkheid van Deel II
Op kanaalspitsen zijn van toepassing:
2. de hoofdstukken 5 en 6;
In afwijking van artikel 6.01, eerste lid, moet een kanaalspits voorzien zijn van een deugdelijke stuurinrichting, die voldoende vaar- en manoeuvreereigenschappen mogelijk maakt;
4. artikel 9.01, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing;
5. Kanaalspitsen moeten op het voorschip met een anker met een massa van ten minste 250 kg zijn uitgerust, dat is voorzien van een ketting van ten minste 50 m lengte, waarvan de minimum breeksterkte in kN een derde van de werkelijke ankermassa in kg bedraagt. De ketting mag door een kabel van gelijke minimum breeksterkte worden vervangen.
De volgende uitrustingsstukken moeten aan boord zijn:
a. twee deugdelijke lenspompen;
b. trossen voor het meren:
een tros van ten minste 100 m lengte en een diameter van 18 mm;
twee trossen van ten minste 60 m lengte en een diameter van 16 tot 18 mm;
c. een werplijn;
d. een drinkwaterreservoir;
e. apparaten en installaties die nodig zijn voor het voeren en tonen van de optische tekens en het geven van de geluidsseinen, voorgeschreven in het Rijnvaartpolitiereglement ;
f. een loopplank, ten minste 0,40 m breed en ten minste 4 m lang, waarvan de zijkanten door een witte streep zijn gemarkeerd; deze loopplank moet voorzien zijn van een leuning;
g. een bootshaak;
h. een verbandtrommel;
i. een verrekijker 7 ? 50 of een grotere lensdiameter;
j. een bord met aanwijzingen betreffende het redden en bijbrengen van drenkelingen;
k. een als zodanig gekenmerkt brandbestendig reservoir met deksel voor het bewaren van oliehoudende poetslappen;
l. een als zodanig gekenmerkt brandbestendig reservoir voor het verzamelen van vast klein chemisch afval en een als zodanig gekenmerkt brandbestendig reservoir met deksel voor het verzamelen van vloeibaar klein chemisch afval;
m. een als zodanig gekenmerkt brandbestendig reservoir voor slops;
n. aan boord van schepen waarvan de hoogte van het boord boven de waterlijn bij ledig schip meer dan 1,50 m bedraagt een buitenboordtrap of -ladder;
o. 2 draagbare blustoestellen;
p. een bijboot met
een stel roeiriemen,
een meertouw,
een hoosvat;
q. twee reddingsboeien en twee zwemvesten;
Artikel 19.03. Toepasselijkheid van Deel III
Hoofdstuk 23 is niet van toepassing. De bemanning moet ten minste bestaan uit:
a. een schipper die houder is van het kanaalspitsenpatent als bedoeld in het Reglement Rijnpatenten ;
b. een persoon die ten minste 16 jaar oud is en die in staat is te helpen bij het manoeuvreren met het schip.
1.
Zeeschepen, waarop het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Internationaal verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, met Bijlagen (Trb. 1977, 77) (SOLAS-verdrag), danwel het op 5 april 1966 te Londen tot stand gekomen Internationaal verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, (Trb. 1966, 275) van toepassing is, moeten in het bezit zijn van het betreffende geldige internationale document.
2.
Zeeschepen, waarop het SOLAS-verdrag danwel het Internationaal verdrag betreffende de uitwatering van schepen niet van toepassing is, moeten in het bezit zijn van de documenten en voorzien zijn van de vrijboordmerken die volgens het recht van de vlaggestaat zijn voorgeschreven en die wat betreft bouw, inrichting en uitrusting aan de eisen van de genoemde verdragen voldoen of een vergelijkbaar niveau van veiligheid op enigerlei andere wijze kunnen garanderen.
3.
Zeeschepen, waarop het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en bijlagen (Trb. 1975, 147), zoals gewijzigd door het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol van 1978 bij dat verdrag, met Bijlage (Trb. 1978, 188) (MARPOL-verdrag), van toepassing is, moeten in het bezit zijn van een geldig internationaal document inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee (IOPP document).
4.
Zeeschepen, waarop het MARPOL-verdrag niet van toepassing is, moeten in het bezit zijn van een overeenkomstig document dat volgens het recht van de vlaggestaat is voorgeschreven.
5.
Voorts gelden:
c. Van hoofdstuk 7: de artikelen 7.01, tweede lid, 7.02, eerste lid, en derde lid, eerste en derde alinea, 7.05, tweede lid, en 7.13 voor schepen die voor het voeren van het schip door één persoon met behulp van radar zijn toegelaten;
d. Van hoofdstuk 8: artikel 8.03, derde lid, indien vanuit het stuurhuis een inrichting om de motor automatisch te stoppen kan worden uitgeschakeld, en de artikelen 8.05, dertiende lid, 8.06, tiende lid, 8.07, eerste en tweede lid, en 8.08.
Een verzegeling van de afsluitorganen overeenkomstig artikel 8.06, tiende lid, wordt geacht overeen te komen met het afsluiten van de afsluitorganen in het lenssysteem, via welke het oliehoudende water overboord kan worden gepompt. De sleutel of sleutels daarvan moeten op een centrale als zodanig gekenmerkte plaats worden bewaard.
Een bewakings- en controlesysteem voor olielozingen, overeenkomstig voorschrift 16 van het MARPOL-verdrag, wordt geacht overeen te komen met het verzegelen van het afsluitorgaan overeenkomstig artikel 8.06, tiende lid. De aanwezigheid van een bewakings- en controlesysteem moet door een internationaal document inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee overeenkomstig het MARPOL-verdrag worden aangetoond.
Blijkt uit het IOPP document, bedoeld in het derde lid, of uit het nationale door de vlaggenstaat afgegeven document, bedoeld in het vierde lid, dat het schip voorzien is van opslagtanks waarin al het aan boord aanwezige oliehoudende bilgewater en alle olieresten kunnen worden verzameld, dan wordt het schip geacht te hebben voldaan aan artikel 8.07, tweede lid;
g. Hoofdstuk 16: voor zeeschepen die zijn toegelaten om deel uit te maken van een samenstel;
h. Hoofdstuk 22:
Aan hoofdstuk 22 is voldaan indien de stabiliteit voldoet aan de van kracht zijnde resoluties van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en de betreffende stabiliteitsberekeningen door de bevoegde autoriteit gekeurd zijn en de containers op een voor de zeevaart gebruikelijke wijze zijn vastgezet.
1.
Voor het vaststellen van de minimum bemanning van zeeschepen is hoofdstuk 23 van toepassing.
2.
In afwijking van het eerste lid kan op zeeschepen de bemanningsregeling worden toegepast die overeenkomt met de bepalingen van IMO Resolutie A. 481 (XII) en van het Internationaal verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978, onder de voorwaarde dat het aantal bemanningsleden ten minste overeenkomt met de minimum bemanning volgens exploitatiewijze B, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de artikelen 23.09 en 23.13.
In dit geval moeten de betreffende documenten, waaruit de bekwaamheid van de bemanningsleden en hun aantal blijken, aan boord aanwezig zijn. Bovendien moet zich een persoon aan boord bevinden die houder is van het grote patent bedoeld in het Reglement Rijnpatenten dat geldig is voor het te bevaren riviergedeelte. Na een vaartijd van ten hoogste 14 uren per tijdvak van 24 uren moet deze patenthouder vervangen worden door een andere houder van dat Rijnpatent.
In het logboek moeten de volgende aantekeningen worden gemaakt:
a. de namen van de houders van het grote patent die zich aan boord bevinden en het begin en einde van hun diensttijd;
b. begin, onderbreking, voortzetting en einde van de vaart met telkens daarbij de vermelding van datum, tijdstip en plaats met aanduiding van de kilometerraai.
Artikel 21.01. Algemene bepaling
Op pleziervaartuigen zijn voor wat betreft bouw, uitrusting en bemanning slechts de artikelen 21.02 tot en met 21.03 van toepassing.
1.
Op pleziervaartuigen zijn van toepassing:
d. van hoofdstuk 7:
de artikelen 7.01, eerste en tweede lid, 7.02, 7.03, eerste en tweede lid, 7.04, eerste lid, en 7.05, tweede lid, en artikel 7.13 voor pleziervaartuigen met een éénmansstuurstand voor het varen met behulp van radar;
f. van hoofdstuk 9: artikel 9.01, eerste lid, van overeenkomstige toepassing;
2.
In het geval van pleziervaartuigen, waarop richtlijn nr. 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen (PbEG L 164) van toepassing is, hebben het eerste onderzoek en het aanvullend onderzoek slechts betrekking op:
a. artikel 6.08, in het geval dat een bochtaanwijzer aanwezig is;
b. de artikelen 7.01, tweede lid, 7.02, en 7.03, eerste lid, alsmede artikel 7.13, in het geval dat er sprake is van een éénmansstuurstelling voor het varen op radar;
2°. artikel 14.13, waarbij de keuring na ingebruikneming van de vloeibaargasinstallatie overeenkomstig de eisen van de richtlijn geschiedt en aan de Commissie van Deskundigen hierover een verslag van de keuring moet worden uitgebracht;
3°. de artikelen 14.14 en 14.15 met dien verstande, dat de vloeibaargasinstallatie aan de eisen van de richtlijn moet beantwoorden;
4°. hoofdstuk 14 in zijn geheel, indien de vloeibaargasinstallatie wordt ingebouwd nadat het pleziervaartuig in het verkeer is gebracht.
Artikel 21.03. Toepasselijkheid van Deel III
Hoofdstuk 23 is niet van toepassing. De bemanning moet ten minste bestaan uit:
a. een schipper die houder is van het patent, vereist ingevolge het Reglement Rijnpatenten;
b. een persoon die in staat is te helpen bij het manoeuvreren met het schip.
1.
Indien volgens het Rijnvaartpolitiereglement voor schepen die containers vervoeren stabiliteitsbescheiden zijn vereist, is dit hoofdstuk van toepassing.
De stabiliteitsbescheiden moeten door een Commissie van Deskundigen worden geverifieerd en van haar waarmerk worden voorzien.
2.
De stabiliteitsbescheiden moeten de schipper begrijpelijke informatie bieden over de stabiliteit van het schip in elke voorkomende beladingstoestand.
De stabiliteitsbescheiden moeten ten minste bevatten:
a. gegevens betreffende de toelaatbare stabiliteitscoëfficiënten, de toegestane
of de toegestane zwaartepuntshoogten van de lading;
b. gegevens betreffende de ruimten die met ballastwater kunnen worden gevuld;
c. formulieren voor de stabiliteitscontrole;
d. een berekeningsvoorbeeld of handleiding voor de schipper.
3.
Indien containers op een schip naar keuze al dan niet vastgezet kunnen worden vervoerd, zijn voor het vervoer van niet-vastgezette en voor het vervoer van vastgezette containerladingen afzonderlijke berekeningsmethoden vereist voor het bewijs van stabiliteit.
4.
Een containerlading geldt alleen als vastgezet wanneer de afzonderlijke containers door middel van geleiders of spaninrichtingen hecht met de scheepsromp zijn verbonden en zij tijdens het varen niet van plaats kunnen veranderen.
1.
Voor niet-vastgezette containers moet bij elke berekeningsmethode om de stabiliteit van het schip vast te stellen van de volgende criteria worden uitgegaan:
a. De metacentrumhoogte
mag niet minder zijn dan 1,00 m.
b. Onder de gelijktijdige invloed van de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken mag de optredende slagzij niet meer zijn dan 5° en mag de zijde van het dek niet in het water komen.
c. De arm van het moment veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip wordt berekend volgens de formule:
.
In deze formule betekent:
C KZ coëfficiënt c KZ = 0,04 [s²/m];
v de grootste snelheid van het schip ten opzichte van het water [m/s];
de hoogte van het gewichtszwaartepunt van het geladen schip boven de basis [m];
T' de diepgang van het geladen schip [m].
d. De arm van het moment veroorzaakt door de winddruk wordt berekend volgens de formule:
.
In deze formule betekent:
C KW coëfficiënt (C KW = 0,025) [t/m²];
A' het lateraal oppervlak van het geladen schip boven water [m²];
D' het deplacement van het geladen schip [t];
I W de afstand van het zwaartepunt van het lateraal oppervlak A' boven de waterlijn [m];
T' de diepgang van het geladen schip [m].
e. De arm van het moment veroorzaakt door de vrije vloeistofoppervlakken van regen- en restwater in het laadruim of de dubbele bodem wordt berekend volgens de formule:
.
In deze formule betekent:
c KfO coëfficiënt (c KfO = 0,015) [t/m 2 ]
b de breedte van het desbetreffende ruim of ruimgedeelte [m]; 1[10]
l de lengte van het desbetreffende ruim of ruimgedeelte [m]; 1[11]
D' het deplacement van het geladen schip [t].
f. Voor elke beladingstoestand moet met de halve voorraad aan brandstof en drinkwater worden gerekend.
2.
De stabiliteit van een met niet-vastgezette containers geladen schip wordt geacht voldoende te zijn wanneer de aanwezige
gelijk aan of kleiner is dan
volgens de volgende formules. Daarbij moet
worden berekend voor verschillende verplaatsingen over het gehele diepgangsbereik.
.
Voor
mag geen kleinere waarde dan (11,5 worden genomen 11,5 = 1/tan5°).
.
De kleinere waarde voor
uit de formule a of b is doorslaggevend.
In deze formules betekent:
de maximaal toelaatbare hoogte van het gewichtszwaartepunt van het geladen schip boven de basis [m];
de hoogte van het metacentrum boven de basis [m] volgens de benaderingsformule in het derde lid;
F het voorhanden vrijboord op ½ van de lengte L [m];
Z coëfficiënt voor de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip
v de grootste snelheid van het schip ten opzichte van het water [m/s];
T m gemiddelde diepgang [m];
h KW de arm van het moment veroorzaakt door de zijdelingse winddruk als bedoeld in het eerste lid, onder d [m];
h KfO som van de momenten veroorzaakt door de vrije vloeistofoppervlakken als bedoeld in het eerste lid, onder e [m].
3.
Benaderingsformule voor
Indien geen carènediagram ter beschikking is, kan voor de berekening volgens het tweede lid en artikel 22.03, tweede lid, de waarde van KM met behulp van bijvoorbeeld de onderstaande benaderingsformules worden berekend:
a. voor schepen met een pontonvorm
b. voor andere schepen
1.
Voor vastgezette containers moet bij elke berekeningsmethode om de stabiliteit van het schip vast te stellen van de volgende criteria worden uitgegaan:
a. De metacentrumhoogte
mag niet minder zijn dan 0,50 m.
b. Onder de gelijktijdige invloed van de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken mag geen opening van de scheepsromp onder water komen.
c. De armen van de momenten veroorzaakt door de middelpuntvliedende kracht bij het draaien van het schip, door de winddruk en de vrije vloeistofoppervlakken worden berekend volgens de formules van artikel 22.02, eerste lid onder c, d en e.
d. Voor elke beladingstoestand moet met de halve voorraad aan brandstof en drinkwater worden gerekend.
2.
De stabiliteit van een met vastgezette containers geladen binnenschip wordt geacht voldoende te zijn, wanneer de aanwezige
waarde gelijk aan of kleiner is dan
volgens de volgende formules. Daarbij moet
worden berekend voor verschillende verplaatsingen over het gehele diepgangsbereik.
Voor
mag geen kleinere waarde dan 6,6 worden genomen en
voor
geen kleinere waarde dan 0.
.
De kleinere waarde voor
uit de formule a of b is doorslaggevend.
In de formules betekent:
l het dwarstraagheidsmoment van de waterlijn bij T m [m 4 ], overeenkomstig de benaderingsformule van het derde lid;
i het dwarstraagheidsmoment van de waterlijn evenwijdig aan de basis bij een diepgang van T m + ? F' [m 4 ];
de waterverplaatsing van het schip bij T m [m³];
F' het denkbeeldige vrijboord
, waarbij de kleinste van de beide waarden dient te worden genomen;
a. verticale afstand van de onderkant van de bij een helling het eerst onder water komende opening tot de waterlijn in rechte stand van het schip [m];
b. de afstand van deze opening tot hart schip [m];
H' de denkbeeldige hoogte in de zijde
;
q de som der inhouden van dekhuizen, luiken, trunks en andere opbouwen tot een hoogte van maximaal 1,00 m boven H, of tot de laagste opening van de desbetreffende ruimte, waarbij de kleinste waarde kleiner maatgevend is. Ruimten gelegen op minder dan 0,05 L van de scheepseinden blijven buiten beschouwing [m³].
3.
Benaderingsformule voor l.
Indien geen carènediagram ter beschikking is, kan voor de berekening volgens het tweede lid de waarde van het dwarstraagheidsmoment van de waterlijn l met behulp van de onderstaande benaderingsformules worden berekend:
a. voor schepen met een pontonvorm:
;
b. voor andere schepen:
.
Artikel 22.04. Methode voor de stabiliteitscontrole aan boord
De methode voor de stabiliteitsbeoordeling kan aan de in artikel 22.01, tweede lid, bedoelde bescheiden worden ontleend.
1.
Snelle schepen mogen niet gebouwd zijn als hotelschepen.
2.
De volgende inrichtingen zijn op snelle schepen verboden:
a. met pitbranders uitgeruste inrichtingen, bedoeld in artikel 13.02;
b. oliekachels met verdampingsbranders, bedoeld in de artikelen 13.03 en 13.04;
c. verwarmingsapparaten met vaste brandstoffen, bedoeld in artikel 13.07;
d. vloeibaargasinstallaties als bedoeld in hoofdstuk 14.
Deel I van Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995">
Artikel 22b.02. Toepasselijkheid van Deel I
1.
Onverminderd artikel 2.03 moeten snelle schepen worden gebouwd onder toezicht en volgens de toepasselijke voorschriften van een erkend classificatiebureau, dat beschikt over bijzondere regels voor snelle schepen, en door dat bureau geclassificeerd zijn. De klasse moet worden gehandhaafd.
2.
In afwijking van artikel 2.06 bedraagt de geldigheidsduur van de certificaten van onderzoek, die volgens dit hoofdstuk zijn afgegeven ten hoogste vijf jaren.
1.
Onverminderd het tweede lid en artikel 22b.02, tweede lid, gelden voor snelle schepen de hoofdstukken 3 tot en met 15 met uitzondering van:
2.
In afwijking van artikel 15.02, negende lid, en artikel 15.15, zevende lid, moeten alle deuren in schotten op afstand kunnen worden bediend.
3.
In afwijking van artikel 6.02, eerste lid, moet bij uitvallen of storing van de aandrijving van de stuurmachine onverwijld een tweede onafhankelijke aandrijving van de stuurmachine dan wel een handaandrijving in werking worden gesteld.
4.
Behalve de eisen van deel II gelden voor snelle schepen de artikelen 22b.04 tot en met 22b.12.
Artikel 22b.04. Zitplaatsen en veiligheidsgordels
Voor het ten hoogste aan boord toegelaten aantal passagiers moeten zitplaatsen beschikbaar zijn. Zitplaatsen moeten van veiligheidsgordels voorzien zijn.
Veiligheidsgordels kunnen achterwege blijven indien een geschikte bescherming tegen stoten aanwezig is, dan wel wanneer zij volgens de HSC Code 2000, hoofdstuk 4, onderdeel 6, niet vereist zijn.
Artikel 22b.05. Vrijboord
In afwijking van de artikelen 4.02 en 4.03 moet het vrijboord ten minste 500 mm bedragen.
Artikel 22b.06. Drijfvermogen, stabiliteit en indeling
In het geval van snelle schepen moet de aanwezigheid van
a. eigenschappen wat betreft drijfvermogen en stabiliteit, de veiligheid van het schip tijdens het varen met waterverplaatsing zowel in onbeschadigde toestand als in lekke toestand waarborgen,
b. stabiliteitseigenschappen en stabiliseringssystemen, de veiligheid van het schip tijdens het bedrijf met dynamisch draagvermogen en in de overgangsfase waarborgen,
c. stabiliteitseigenschappen tijdens het bedrijf met dynamisch draagvermogen en in de overgangsfase, het voor het schip mogelijk maken op veilige wijze de overgang te maken naar het varen met waterverplaatsing bij een eventueel niet functioneren van het systeem in voldoende mate worden aangetoond.
1.
Inrichting
a. In afwijking van artikel 7.01, eerste lid, moet het stuurhuis zo worden ingericht, dat zowel de roerganger als een tweede lid van de bemanning tijdens de vaart steeds hun taken kunnen uitvoeren.
b. De stuurstand moet zo worden ingericht, dat de onder a genoemde personen daar hun werkplek hebben. De inrichtingen voor de navigatie, het manoeuvreren, de controle, het uitwisselen van berichten en de overige apparaten die voor het bedrijf van belang zijn moeten zo dicht bij elkaar zijn opgesteld, dat zowel de roerganger als een tweede lid van de bemanning over alle noodzakelijke informatie kan beschikken om indien nodig zittend alle uitrustings- en bedieningsinrichtingen te kunnen bedienen. In ieder geval moet:
aa. de stuurstand van de roerganger zijn uitgevoerd als éénmansstuurstelling voor het varen op radar,
bb. het tweede lid van de bemanning op zijn werkplek beschikken over een eigen radarbeeld (slave) en vanaf zijn werkplek in staat zijn in te grijpen in de uitwisseling van berichten en in de aandrijving van het schip.
c. De onder a vermelde personen moeten, ook indien de veiligheidsgordels normaal zijn gesloten, in staat zijn de inrichtingen, bedoeld onder b, zonder belemmering te bedienen.
2.
Vrij zicht
a. In afwijking van artikel 7.02, tweede lid, mag de dode hoek vanaf een zittende positie en bij elke beladingstoestand niet meer bedragen dan één scheepslengte voor de boeg.
b. In afwijking van artikel 7.02, derde lid, mag de som van de sectoren zonder vrij gezichtsveld van recht vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars aan iedere zijde niet meer dan 20° bedragen. Iedere afzonderlijke sector zonder vrij gezichtsveld mag niet meer bedragen dan 5°. De sector met vrij zicht tussen twee sectoren zonder vrij gezichtsveld mag niet minder bedragen dan 10°.
3.
Instrumenten
De instrumentenpanelen voor de bediening en de controle van de in artikel 22b.11 genoemde installaties moeten gescheiden op een duidelijk herkenbare plaats binnen het stuurhuis zijn aangebracht. Dit geldt in voorkomend geval ook voor inrichtingen voor het te water laten van gemeenschappelijke reddingsmiddelen.
4.
Verlichting
In zones of bij onderdelen van de uitrusting, die tijdens het bedrijf verlicht moeten zijn, moet rood licht worden toegepast.
5.
Vensters
Reflecties moeten vermeden worden. Er moeten inrichtingen ter vermijding van verblinding door zonlicht aanwezig zijn.
6.
Oppervlaktematerialen
In het stuurhuis moeten reflecties door oppervlaktematerialen vermeden worden.
Artikel 22b.08. Aanvullende uitrusting
Snelle schepen moeten zijn uitgerust met:
a. een radarinstallatie en een bochtaanwijzer, bedoeld in artikel 7.06, eerste lid, en
b. individuele reddingsmiddelen, die direct kunnen worden bereikt, overeenkomstig de Europese norm EN 395: 1998, voor het ten hoogste toegelaten aantal personen aan boord.
1.
Algemeen
Voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven en de uitrusting daarvan moeten zo zijn uitgevoerd dat personen bij normaal gebruik niet kunnen worden verwond bij een normale start of stop, dan wel bij een noodstart of noodstop, noch bij manoeuvreren onder normale vaaromstandigheden dan wel bij motoruitval of een stuurfout.
2.
Communicatie
a. Passagiersschepen moeten, ten behoeve van informatieverstrekking over veiligheidsmaatregelen, zijn uitgerust met optische en akoestische inrichtingen, die door alle passagiers gezien en gehoord kunnen worden.
b. De schipper moet in staat zijn om met behulp van de onder a bedoelde inrichtingen aanwijzingen aan de passagiers te geven.
c. Voor iedere passagier moeten in de nabijheid van zijn zitplaats aanwijzingen voor noodsituaties voorhanden zijn, met inbegrip van een overzichtsschets van het schip waarop alle uitgangen, evacuatieroutes, nooduitrusting, reddingsmiddelen alsmede het gebruik van de zwemvesten duidelijk zijn aangegeven.
Artikel 22b.10. Uitgangen en vluchtwegen
Vluchtwegen en evacuatieroutes moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. Een gemakkelijke, veilige en snelle toegang vanuit de stuurstand naar de voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven moet zijn gegarandeerd.
b. De vluchtwegen naar de nooduitgangen moeten duidelijk en duurzaam zijn gemarkeerd.
c. Alle uitgangen moeten voldoende gemarkeerd zijn. Het functioneren van het openingsmechanisme moet van buiten en van binnen duidelijk zijn te herkennen.
d. De vluchtwegen en nooduitgangen moeten over een geschikt veiligheidsgeleidesysteem beschikken.
e. Naast de uitgangen moet voldoende ruimte voor een lid van de bemanning aanwezig zijn.
1.
Gangen, voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven, alsmede keukens en machinekamers moeten zijn aangesloten op een doelmatige brandmeldinstallatie. De aanwezigheid van een brand en de plaats daarvan moeten automatisch op een permanent door het scheepspersoneel bezette plaats worden aangegeven.
2.
Machinekamers moeten zijn voorzien van een vast ingebouwde brandblusinstallatie, bedoeld in artikel 10.03b.
3.
Voor het publiek toegankelijke ruimten en verblijven en de daarbij horende vluchtwegen moeten zijn uitgerust met een automatisch werkende vaste brandblusinstallatie, bedoeld in artikel 10.03a. Bluswater moet snel en direct naar buiten kunnen worden afgevoerd.
Artikel 22b.12. Overgangsbepalingen
Snelle schepen als bedoeld in artikel 1.01, onderdeel 20a, die op 31 maart 2003 beschikken over een geldig certificaat van onderzoek, moeten voldoen aan de volgende voorschriften van dit hoofdstuk:
a. bij verlenging van het certificaat van onderzoek aan de artikelen 22b.01, 22b.04, 22b.08, 22b.09, 22b.10 en 22b.11, eerste lid;
c. op 1 januari 2023 aan de overige voorschriften.
1.
De bemanning die zich krachtens het Rijnvaartpolitiereglement aan boord moet bevinden van schepen die de Rijn bevaren dient voor alle exploitatiewijzen in overeenstemming te zijn met de voorschriften van dit hoofdstuk.
De voor de desbetreffende exploitatiewijze en vaartijd voorgeschreven bemanning moet zich tijdens de vaart voortdurend aan boord bevinden. Het is niet toegestaan zonder de voorgeschreven bemanning te vertrekken.
Wanneer door onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld ziekte, ongeval, bevel van een bevoegde autoriteit) tijdens de vaart ten hoogste één lid van de voorgeschreven bemanning uitvalt, mogen de schepen niettemin hun reis voortzetten tot de eerstvolgende geschikte aanlegplaats in de richting waarin gevaren wordt – passagiersschepen tot het eindpunt van de reis van die dag –, indien zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een patent voor het riviergedeelte waarop hij vaart, alsmede nog een lid van de voorgeschreven bemanning.
De persoon die belast is met het toezicht op en de verzorging van zich aan boord bevindende kinderen jonger dan zes jaar mag geen lid van de minimum-bemanning zijn, tenzij er maatregelen zijn getroffen om de veiligheid van de kinderen ook zonder voortdurend toezicht te waarborgen.
2.
Elke Oeverstaat of België kan bepalen, dat zijn voorschriften betreffende de arbeidsbescherming van toepassing zijn op de Rijnschepen die in die staat zijn ingeschreven. Niet in een register ingeschreven schepen zijn onderworpen aan de voorschriften van die Oeverstaat of België waarin het bedrijf of de eigenaar zijn hoofdzetel of wettelijke domicilie heeft.
In afwijking hiervan kunnen de bevoegde autoriteiten van de Oeverstaten of België bilateraal overeenkomen, dat bepaalde schepen die in de ene staat zijn ingeschreven zijn onderworpen aan de voorschriften van de andere staat.
Zwangere vrouwen en kraamvrouwen mogen geen deel uitmaken van de bemanning gedurende ten minste 14 weken, waarvan ten minste 6 weken voor en 7 weken na de bevalling.
3.
Voor de toepassing van de artikelen 23.05, 23.06 en 23.08 dient tevens rekening te worden gehouden met vaar- en rusttijden vervuld buiten het toepassingsgebied van dit reglement.
4.
Als één jaar vaartijd gelden 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend. 250 Vaardagen in de zee- of kustvaart dan wel de visserij gelden als één jaar vaartijd.
1.
De leden van de bemanning kunnen zijn: deksman, lichtmatroos (scheepsjongen), matroos, matroos-motordrijver, volmatroos, stuurman, schipper, machinist.
2.
De bekwaamheidseisen voor de leden van de bemanning zijn:
2.1 voor de deksman ten minste 16 jaar zijn;
2.2 voor de lichtmatroos (scheepsjongen) ten minste 15 jaar zijn en in het bezit zijn van een leerovereenkomst die voorziet in het bezoeken van een vakschool voor schippers of het volgen van een schriftelijke cursus die door de bevoegde autoriteit is erkend en opleidt voor een gelijkwaardig diploma;
2.3 voor de matroos:
a) ten minste 17 jaar zijn en
met goed gevolg de in lid 2.2 genoemde opleiding hebben afgesloten of
een met goed gevolg afgelegd eindexamen aan een vakschool voor schippers of
met goed gevolg een door een bevoegde autoriteit erkend examen matroos hebben afgelegd, of
b) ten minste 19 jaar zijn en een vaartijd als lid van een dekbemanning van ten minste drie jaren hebben, waarvan ten minste één jaar in de binnenvaart en twee jaren in de binnenvaart, dan wel in de zee- of kustvaart dan wel de visserij vervuld zijn;
2.4 voor de matroos-motordrijver:
a) de bekwaamheid als matroos hebben en met goed gevolg een door de bevoegde autoriteit erkend examen matroos-motordrijver hebben afgelegd, of
b) een vaartijd hebben van ten minste 1 jaar als matroos op een binnenschip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging en elementaire kennis op het gebied van motoren bezitten;
2.5 voor de volmatroos:
a) een vaartijd van ten minste één jaar als matroos in de binnenvaart en
met goed gevolg de in onderdeel 2.2 genoemde opleiding hebben afgerond of
een met goed gevolg afgelegd eindexamen aan een vakschool voor schippers of
met goed gevolg een door een bevoegde autoriteit erkend examen matroos hebben afgelegd, of
b) met goed gevolg een examen hebben afgelegd van een driejarige opleiding als bedoeld in onderdeel 2.2 of een met goed gevolg afgelegd eindexamen na een driejarige opleiding aan een vakschool voor schippers, indien in deze opleiding ten minste één jaar vaartijd in de binnenvaart is opgenomen, of
c) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste één jaar als matroos, bedoeld in onderdeel 2.3, onderdeel b, en een met goed gevolg afgelegd praktijkexamen als bedoeld in bijlage C, lid 3.1, van het Reglement Rijnpatenten 1998 onder toepassing van de richtlijn, bedoeld in artikel 1.05 van het Reglement Rijnpatenten 1998, ter uitvoering van het examen, of
d) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste twee jaar als matroos, bedoeld in onderdeel 2.3, onder b;
2.6 voor de stuurman:
a) een vaartijd in de binnenvaart hebben van ten minste één jaar als volmatroos of van ten minste drie jaar als matroos, bedoeld in onderdeel 2.3, onder b, of
b) het bezit van een vaarbewijs, afgegeven op grond van richtlijn nr. 96/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden (PbEG L 235), of van een vaarbewijs als bedoeld in Bijlage I van richtlijn nr. 91/672/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1991 inzake de wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren (PbEG L 373), of
c) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste vier jaar en het bezit van een aan het grote patent gelijkwaardig bevoegdheidsbewijs voor het voeren van een schip op binnenwateren van een lidstaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, of
d) een vaartijd in de binnenvaart van ten minste 4 jaar en het bezit van een aan het grote patent gelijkwaardig bevoegdheidsbewijs voor het voeren van een schip op andere binnenwateren dat door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart ingevolge artikel 3.05, derde lid, van het Reglement Rijnpatenten 1998 is erkend;
2.7 voor de schipper:
houder zijn van het patent, afgegeven overeenkomstig het Reglement Rijnpatenten 1998 ;
2.8 voor de machinist:
a) ten minste 18 jaar zijn en met goed gevolg een eindexamen hebben afgelegd voor een opleiding op het gebied van motoren en werktuigkunde, of
b) ten minste 19 jaar zijn en een vaartijd hebben van ten minste 2 jaren als matroos-motordrijver op een binnenschip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging.
1.
Voor de lichamelijke geschiktheid voor het beroep gelden de eisen overeenkomstig de bijlagen B1 en B2 van het Reglement Rijnpatenten . Deze moet worden aangetoond voor de eerste afgifte van het dienstboekje door:
a. een medische verklaring bedoeld in bijlage B2 van het Reglement Rijnpatenten of
b. een overeenkomstig artikel 3.02 van het Reglement Rijnpatenten erkende
aa. medische verklaring of
bb. geldig vaarbevoegdheidsbewijs
Een medische verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.
2.
De eisen voor ogen en oren, bedoeld in bijlage B1 van het Reglement Rijnpatenten 1998 , zijn niet van toepassing voor de functie van machinist.
3.
Het bewijs van geschiktheid, bedoeld in het eerste en het tweede lid, dient binnen 3 maanden na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en daarna jaarlijks te worden vernieuwd.
4.
Indien een bevoegde autoriteit twijfels heeft omtrent de lichamelijke geschiktheid van een bemanningslid, kan zij om een medische keuring verzoeken. Het bemanningslid draagt slechts de daaruit voortvloeiende kosten wanneer de twijfels gegrond zijn gebleken.
1.
Het dienstboekje bevat enerzijds gegevens van algemene aard, zoals de medische verklaringen en de bekwaamheid van de houder, bedoeld in artikel 23.02, en anderzijds de specifieke gegevens betreffende de afgelegde reizen. De plaatselijk bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het invullen van de gegevens van algemene aard alsmede voor de afstempeling ter controle. Zij kan daartoe het overleggen van vaartijdenboeken dan wel uittreksels daarvan of van andere relevante bescheiden verlangen. Zij mag slechts die reizen van een afstempeling voorzien die niet ouder zijn dan 15 maanden.
2.
Elk lid van de bemanning moet in het bezit zijn van een persoonlijk dienstboekje overeenkomstig het model van bijlage F dan wel in het bezit zijn van een ander door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend dienstboekje. Deze persoon wordt als houder van het dienstboekje aangemerkt.
De houder moet het dienstboekje:
a) bij de eerste indiensttreding aan boord overhandigen aan de schipper, en
b) telkens binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum van afgifte, ten minste éénmaal overleggen en laten afstempelen zoals bedoeld in het eerste lid door een plaatselijk bevoegde autoriteit.
Stuurlieden die geen groot patent als bedoeld in het Reglement Rijnpatenten 1998 willen verkrijgen zijn van de verplichting tot het overleggen vrijgesteld. Indien de stuurman later alsnog een patent wil verkrijgen, wordt slechts met die riviergedeelten rekening gehouden die in het dienstboekje zijn ingevuld en die zijn afgestempeld zoals bedoeld in het eerste lid.
3.
De schipper is verantwoordelijk voor:
a) het regelmatig invullen in het dienstboekje van alle gegevens overeenkomstig de aanwijzingen en instructies voor het bijhouden vermeld in bijlage F ;
b) het veilig in het stuurhuis bewaren van het dienstboekje tot aan het eind van het dienstverband, arbeidscontract dan wel andere regeling;
c) het te allen tijde op verzoek van de houder onverwijld teruggeven van het dienstboekje.
4.
Bij leden van de bemanning die in het bezit zijn van een groot patent als bedoeld in bijlage A1 dan wel van een voorlopig groot patent als bedoeld in bijlage A2 van het Reglement Rijnpatenten 1998 geldt dit patent als dienstboekje.
5.
De bekwaamheid voor een functie aan boord moet te allen tijde kunnen worden aangetoond:
a) door de schipper door middel van het patent dat overeenkomstig het Reglement Rijnpatenten 1998 wordt vereist;
b) door de overige leden van de bemanning door middel van het dienstboekje of een patent als bedoeld onder a.
1.
Men onderscheidt de volgende exploitatiewijzen:
A1: vaart van ten hoogste 14 uren;
A2: vaart van ten hoogste 18 uren;
B: vaart van ten hoogste 24 uren; telkens binnen een tijdvak van 24 uur.
2.
Bij exploitatiewijze A1 mag de vaart eenmaal per week tot ten hoogste 16 uren worden verlengd, indien de vaartijd kan worden aangetoond met de registraties van een goed functionerende tachograaf van een type dat overeenkomstig bijlage H is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van een Oeverstaat of van België en wanneer er behalve de schipper nog een bemanningslid in de bemanning is opgenomen met de bevoegdheid van stuurman.
3.
Een schip dat op de onder A1, onderscheidenlijk A2 bedoelde wijze wordt geëxploiteerd moet de vaart gedurende 8, onderscheidenlijk 6 aaneengesloten uren onderbreken, te weten:
a) in de exploitatiewijze A1 tussen 22.00 en 06.00 uur, en
b) in de exploitatiewijze A2 tussen 23.00 en 05.00 uur.
Er mag van deze tijden worden afgeweken, indien het schip is uitgerust met een goed functionerende tachograaf van een type dat overeenkomstig bijlage H is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van een Oeverstaat of België. De tachograaf moet ten minste in bedrijf zijn vanaf het begin van de laatste ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren en voor de controlerende diensten te allen tijde bereikbaar zijn.
1.
Bij exploitatiewijze A1 heeft elk bemanningslid recht op een ononderbroken rusttijd van 8 uren buiten de vaartijd per tijdvak van 24 uren, gerekend vanaf het eind van elke rusttijd van 8 uren.
2.
Bij exploitatiewijze A2 heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 8 uren, waarvan 6 uren ononderbroken buiten de vaartijd per tijdvak van 24 uren, gerekend vanaf het einde van elke rusttijd van 6 uren. Voor bemanningsleden onder de 18 jaar moet een ononderbroken rusttijd van 8 uren worden aangehouden waarvan 6 uren buiten de vaartijd.
3.
Bij exploitatiewijze B heeft elk bemanningslid recht op een rusttijd van 24 uren per tijdvak van 48 uren, waarvan er ten minste 2 maal 6 uren ononderbroken moeten zijn.
4.
Gedurende zijn verplichte rusttijd mag een bemanningslid niet worden verplicht tot enige taak, met inbegrip van toezicht houden of zich beschikbaar houden. De wacht en het toezicht zoals bedoeld in de politievoorschriften voor stilliggende vaartuigen worden niet beschouwd als taak in de zin van dit lid.
5.
Bepalingen in de arbeidsvoorschriften of collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in een langere duur van de rusttijden blijven onverminderd van kracht.
1.
In afwijking van artikel 23.05, eerste en derde lid, is een wisseling of herhaling van exploitatiewijze slechts mogelijk met inachtneming van het tweede tot met zesde lid.
2.
Van exploitatiewijze A1 mag slechts dan naar exploitatiewijze A2 worden gewisseld, indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
b) de voor exploitatiewijze A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een rusttijd van 8 uren, waarvan 6 uren buiten de vaartijd, in acht genomen en aangetoond hebben en de voor exploitatiewijze A2 voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
3.
Van exploitatiewijze A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 worden gewisseld, indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
b) de voor exploitatiewijze A1 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8 uren buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
4.
Van exploitatiewijze B mag slechts dan naar exploitatiewijze A1 of A2 worden gewisseld, indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelos, of
b) de voor exploitatiewijze A1, onderscheidenlijk A2 bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren in acht genomen en aangetoond hebben.
5.
Van exploitatiewijze A1 of A2 mag slechts dan naar exploitatiewijze B worden gewisseld, indien:
a) de bemanning in zijn geheel is afgelost, of
b) de voor exploitatiewijze B bestemde bemanningsleden direct vóór de wisseling een ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben en de voor exploitatiewijze B voorgeschreven versterking zich aan boord bevindt.
6.
Een schip kan onmiddellijk in aansluiting op de exploitatiewijze A1 of A2 voor een verdere A1 of A2 worden ingezet, indien een voltallige uitwisseling van de bemanning heeft plaatsgevonden en de nieuwe bemanningsleden onmiddellijk voorafgaand aan de verdere exploitatiewijze A1 en A2 een ononderbroken rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren buiten de vaartijd in acht genomen en aangetoond hebben.
7.
Het bewijs van een rusttijd van 8, onderscheidenlijk 6 uren wordt aangetoond met een verklaring als bedoeld in bijlage K of door een kopie van de pagina met aantekeningen van de vaar-, onderscheidenlijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip, waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden.
1.
Aan boord van elk schip, met uitzondering van sleep- en duwboten die slechts in havens verkeren, onbemande duwbakken, overheidsschepen en pleziervaartuigen, moet zich in de stuurhut een vaartijdenboek bevinden overeenkomstig het model van bijlage E . Dit boek dient te worden bijgehouden overeenkomstig de daarin vervatte aanwijzingen. De schipper is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van het vaartijdenboek en de aantekeningen die daarin moeten worden gemaakt. Het eerste vaartijdenboek, waarop het nummer 1, de naam van het schip en het officiële scheepsnummer dienen te staan, moet worden afgegeven door de autoriteit die het certificaat van onderzoek aan het schip heeft uitgereikt.
Onderdeel 2 van de aanwijzingen voor het bijhouden van het vaartijdenboek, volgens welk per reis kan worden volstaan met één schema voor het aantekenen van de rusttijden, geldt slechts voor bemanningsleden in de exploitatiewijze B. In de exploitatiewijze A1 en in de exploitatiewijze A2 moeten het begin en het einde van de rusttijd van elk bemanningslid iedere dag gedurende de reis worden aangetekend.
De na een wisseling van de exploitatiewijze noodzakelijke aantekeningen moeten op een nieuwe bladzijde van het vaartijdenboek worden aangebracht.
2.
Alle latere vaartijdenboeken mogen worden afgegeven door een plaatselijk bevoegde autoriteit, die het van een volgnummer voorziet; zij kunnen evenwel slechts worden afgegeven tegen overlegging van het voorgaande vaartijdenboek. Het voorgaande vaartijdenboek moet worden voorzien van de onuitwisbare aantekening« ongeldig» en dient aan de schipper te worden teruggegeven.
Het overhandigen van het nieuwe vaartijdenboek kan geschieden op vertoon van het document, bedoeld in het vierde lid. De exploitant van het schip moet er voor zorg dragen, dat het voorafgaande vaartijdenboek binnen 30 dagen na de afgiftedatum van het nieuwe vaartijdenboek, die op het document, bedoeld in het vierde lid, door de bevoegde autoriteit geregistreerd is, door dezelfde bevoegde autoriteit onuitwisbaar ongeldig verklaard wordt.
De exploitant van het schip moet er bovendien voor zorgen, dat daarna het vaartijdenboek weer aan boord wordt gebracht.
3.
Het ongeldig verklaarde vaartijdenboek moet gedurende zes maanden na de laatste aantekening aan boord worden bewaard.
4.
Bij de afgifte van het eerste vaartijdenboek overeenkomstig het eerste lid bevestigt de autoriteit, die het eerste vaartijdenboek uitreikt, deze afgifte door middel van een verklaring waarop de naam van het schip, het officiële scheepsnummer, het nummer van het vaartijdenboek en de datum van afgifte zijn vermeld. Deze verklaring dient aan boord te worden bewaard en op verzoek te worden getoond. De afgifte van latere vaartijdenboeken overeenkomstig het tweede lid moet door de bevoegde autoriteit op de verklaring worden aangetekend.
5.
De registraties van de tachografen moeten gedurende zes maanden na de laatste registratie aan boord worden bewaard.
6.
Bij een aflossing of versterking van de bemanning als bedoeld in artikel 23.07 moet voor ieder nieuw bemanningslid een verklaring als bedoeld in bijlage K of een kopie van de pagina met de aantekeningen van de vaar-, onderscheidenlijk rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip, waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden, voorhanden zijn.
1.
Onverminderd de overige bepalingen van dit reglement moeten motorschepen, duwboten, duwstellen en passagiersschepen, die met een minimum-bemanning worden geëxploiteerd, aan de volgende voorschriften voldoen:
1.1 Standaard S1
a) De voortstuwingsinstallaties moeten zo zijn ingericht, dat de verandering van de vaarsnelheid en de omkering van de richting van de stuwkracht van de schroef vanaf de stuurstelling kunnen geschieden. De hulpmotoren die nodig zijn bij het varen met het schip moeten vanaf de stuurstelling kunnen worden aan- en afgezet, tenzij dit automatisch geschiedt, dan wel deze motoren gedurende elke reis ononderbroken in bedrijf zijn.
b) Het kritieke peil van de temperatuur van het koelwater van de hoofdmotoren, van de druk van de smeerolie van de hoofdmotoren en de transmissie, van de oliedruk en de luchtdruk van de omkeerinrichting van de hoofdmotoren, de keerkoppeling of de schroeven en van het bilgewater in de hoofdmachinekamer moet worden aangegeven door installaties die in het stuurhuis akoestische en optische alarmsignalen in werking stellen. De akoestische alarmsignalen mogen in één akoestisch apparaat verenigd zijn. Zij mogen worden uitgeschakeld zodra de storing is vastgesteld. De optische alarmsignalen mogen pas worden uitgeschakeld, nadat de desbetreffende storingen zijn verholpen.
c) De brandstoftoevoer en de koeling van de hoofdmotoren dienen automatisch te geschieden.
d) De bediening van de stuurinrichting moet zelfs bij de grootste toegelaten inzinking door één persoon zonder bijzondere krachtsinspanning kunnen worden verricht.
e) De bij het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven optische tekens en geluidsseinen van varende schepen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden gegeven.
f) Indien geen rechtstreeks contact mogelijk is tussen de stuurstelling en het voorschip, het achterschip, de verblijven en de machinekamer, dient een spreekverbinding te zijn aangebracht. Voor contact met de machinekamer mogen in plaats van een spreekverbinding optische en akoestische signalen worden gebruikt.
g) (Vervallen).
h) (Vervallen).
i) De kracht die nodig is om zwengels en soortgelijke draaibare voorzieningen van hefwerktuigen te bedienen mag niet meer dan 160 N bedragen.
j) De in het certificaat van onderzoek vermelde sleeplieren dienen door een motor te worden aangedreven.
k) De lenspompen en de dekwaspompen dienen door een motor te worden aangedreven.
l) De voornaamste bedieningsinrichtingen en controle-instrumenten dienen ergonomisch te zijn aangebracht.
m) De krachtens artikel 6.01, eerste lid, vereiste inrichtingen dienen vanaf de stuurstelling te kunnen worden bediend.
1.2 Standaard S2
a) voor alleen varende motorschepen:
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie;
b) voor motorschepen, die gekoppelde vaartuigen voortbewegen:
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie;
c) voor motorschepen, die een duwstel, bestaande uit het motorschip en een vaartuig ervoor, voortbewegen:
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust, die vanuit de stuurhut van het duwende motorschip te bedienen is;
d) voor duwboten, die een duwstel voortbewegen:
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met hydraulisch of elektrisch aangedreven koppellieren. Deze uitrusting is echter niet vereist, wanneer het vaartuig aan de kop van het duwstel met een boegschroefinstallatie is uitgerust, die vanuit de stuurhut van het duwende duwboot te bedienen is;
e) voor passagiersschepen:
Standaard S1 en bovendien een uitrusting met een vanuit de stuurhut bedienbare boegschroefinstallatie. Deze uitrusting is echter niet vereist, indien de voortstuwingsinstallatie en de stuurinrichting van het passagiersschip gelijkwaardige manoeuvreereigenschappen waarborgen.
2.
Het voldoen of niet voldoen aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Commissie van Deskundigen in het certificaat van onderzoek onder nummer 47 gewaarmerkt.
1.
De minimum-bemanning van motorschepen en duwboten bestaat uit:
2.
De in het eerste lid voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen, die een minimum-leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
3.
De in het eerste lid voorgeschreven minimum-bemanning
a) in groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en
b) in groep 3, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten met een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het tweede lid.
1.
De minimum-bemanning van hechte samenstellen en andere hechte samenstellingen bestaat uit:
2.
De in het eerste lid voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen, die een minimum-leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
3.
De in het eerste lid voorgeschreven minimum-bemanning
a) in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en
b) in de groep 3, 5 en 6 exploitatiewijze A1, Standaard S1,
kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten met een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het tweede lid.
1.
De minimum-bemanning voor schepen voor dagtochten bestaat uit:
2.
De minimum-bemanning voor stoomschepen voor dagtochten bestaat uit:
3.
De minimum-bemanning voor hotelschepen bestaat uit:
4.
Voor passagiersschepen, bedoeld in het eerste en het derde lid, die zonder passagiers aan boord varen, geldt de minimum-bemanning volgens artikel 23.10.
5.
De in het eerste en tweede lid voorgeschreven matrozen mogen door lichtmatrozen worden vervangen, die een minimum-leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, zich ten minste in het derde leerjaar bevinden en een jaar vaartijd in de binnenvaart kunnen aantonen.
6.
De in het eerste lid voorgeschreven minimum-bemanning (schepen voor dagtochten)
a) in de groep 2, exploitatiewijze A1, Standaard S2, en
b) in de groepen 3 en 5, exploitatiewijze A1, Standaard S1,
kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten met een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het vijfde lid.
7.
De in het tweede lid voorgeschreven minimum-bemanning (stoomschepen voor dagtochten) in de groep 2, exploitatiewijze A1, standaard S1, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten met een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de lichtmatroos, bedoeld in het vijfde lid.
8.
De in het eerste lid voorgeschreven minimum-bemanning (hotelschepen) in de groep 3, exploitatiewijze A1, standaard S1, kan voor de ononderbroken duur van ten hoogste drie maanden in een kalenderjaar met een lichtmatroos, die een schippersschool bezoekt, worden verminderd. Opeenvolgende periodes met een verminderde bemanning moeten met een periode van minimaal één maand worden onderbroken. Het bezoek aan de schippersschool moet worden aangetoond met een verklaring van de schippersschool, die zich aan boord moet bevinden en waarin de tijden van het schoolbezoek zijn aangegeven.
artikel 23.09 voorgeschreven minimum uitrusting van Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995">
Artikel 23.13. Afwijking van de in artikel 23.09 voorgeschreven minimum uitrusting
1.
Wanneer de uitrusting van een motorschip, een duwboot, een hecht samenstel, een andere hechte samenstelling of een passagiersschip niet voldoet aan de standaard S1, bedoeld in artikel 23.09, eerste lid, dient de minimum-bemanning, bedoeld in de artikelen 23.10, 23.11 of  23.12, te worden verhoogd
a) in de exploitatiewijze A1 en A2 telkens met een matroos, en
b) in de exploitatiewijze B telkens met twee matrozen.
Wordt alleen niet voldaan aan de gestelde eisen in de onderdelen i en l, onderscheidenlijk de onderdelen i of l van de standaard S1, bedoeld in artikel 23.09, dan wordt de bemanning bij exploitatiewijze B met één matroos in plaats van twee verhoogd.
2.
Wordt niet voldaan aan één of meer gestelde eisen van artikel 23.09, lid 1.1, onderdelen a tot en met c, dan moeten worden vervangen
a) in de exploitatiewijze A1 en A2 de matroos, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, door een matroos-motordrijver, en
b) in de exploitatiewijze B de twee matrozen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, door twee matrozen-motordrijver.
Artikel 23.14. Minimum bemanning van overige vaartuigen
De Commissie van Deskundigen stelt voor de vaartuigen waarop de artikelen 23.10 tot en met 23.12 niet van toepassing zijn, zoals sleepboten, sleepschepen en drijvende werktuigen, vast welke bemanning zich tijdens de vaart aan boord moet bevinden, naar gelang hun afmetingen, bouwwijze, inrichting en bestemming. Ten aanzien van bunkerschepen, die slechts op korte riviergedeelten ingezet mogen worden, kan de Commissie van Deskundigen een minimum-bemanning voorschrijven die afwijkt van artikel 23.10.
Artikel 23.15. Vrijstellingen en verminderingen
Voor de vaart beneden het Spijksche Veer (km 857,40) kan, voorzover de Duits-Nederlandse grens tijdens de vaart in de ene of de andere richting niet wordt overschreden, in plaats van met de voorschriften van dit hoofdstuk, worden volstaan met de voorschriften van de Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart .
1.
De artikelen 24.02 tot en met 24.04 zijn slechts van toepassing op vaartuigen, die bij de inwerkingtreding van dit reglement voorzien zijn van een geldig certificaat van onderzoek overeenkomstig het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn of in aanbouw zijn dan wel verbouwd worden.
2.
Onverminderd artikel 2.09, tweede lid, blijven de overeenkomstig het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn afgegeven certificaten van onderzoek geldig tot de op deze certificaten aangegeven datum van beëindiging van de geldigheid.
3.
Op vaartuigen, die niet onder het eerste lid vallen, is artikel 24.06 van toepassing.
Artikel 24.02. Afwijkingen voor reeds in bedrijf zijnde vaartuigen
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
21.01 t/m 21.03   Deze voorschriften gelden voor pleziervaartuigen die zijn gebouwd vóór 1.1.1995 pas bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
1.
Onverminderd de artikelen 24.03 en 24.04 moeten vaartuigen, die niet volledig aan de bepalingen van dit reglement voldoen:
a. daaraan volgens de in de onderstaande tabel vermelde overgangsbepalingen worden aangepast,
b. totdat de aanpassing heeft plaatsgevonden, voldoen aan het op 31 december 1994 geldende Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
2.
In de onderstaande tabel betekent:
«N.V.O.»: het voorschrift is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit voorschrift slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging «V» volgens deze overgangsbepalingen.
«Verlenging certificaat»: aan het voorschrift moet zijn voldaan bij de eerstvolgende verlenging van de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek na de daarop aangegeven datum.Tabel van overgangsbepalingen
HOOFDSTUK 3
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
3.03, lid 1, onder a Plaats van het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
3.03, lid 2 Verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
3.03, lid 2 Noodzakelijke voorzieningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
3.03, lid 4 Gasdichte afscheiding van verblijven van machinekamers, ketel- en laadruimen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
3.03, lid 5, 2 e alinea Bewaking op afstand van deuren in het hekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
3.03, lid 7 Voorschip met ankernissen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2041
3.04, lid 3, tweede zin Isolaties in machinekamers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
3.04, lid 3, derde en vierde zin Openingen en afsluitinrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
3.04, lid 6 Uitgangen van machinekamers Machinekamers die vóór 1995 overeenkomstig artikel 1.01 niet onder het begrip «machinekamer» waren te rangschikken, behoeven pas van een tweede uitgang te worden voorzien bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035

HOOFDSTUK 5
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
5.06, lid 1, eerste zin Minimum snelheid Voor vaartuigen met een bouwjaar van vóór 1996 bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035

HOOFDSTUK 6
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
6.01, lid 1 Manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
6.01, lid 3 Helling en omgevingstemperatuur N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
6.01, lid 7 Doorvoering van roerkoningen Voor vaartuigen met een bouwjaar van vóór 1996 bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
6.02, lid 2 In bedrijf brengen van de 2 e aandrijfinrichting met slechts één bedieningshandeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
6.02, lid 3 Voldoen aan de manoeuvreereigenschappen volgens hoofdstuk 5 bij het in bedrijf zijn van de tweede aandrijving/handbedrijf N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
6.03, lid 1 Aansluiten andere verbruikers op hydraulische aandrijfinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
6.03, lid 2 Afzonderlijke hydraulische tanks N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
6.05, lid 1 Automatische ontkoppeling van het handstuurwerk N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
6.06, lid 1 Twee van elkaar onafhankelijke stuursystemen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
6.07, lid 2, onder a Niveau alarm van de beide hydrauliektanks en systeemdruk N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
6.07, lid 2, onder e Bewaking van het buffersysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
6.08, lid 1 Eisen aan elektronische installaties volgens artikel 9.20 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015

HOOFDSTUK 7
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
7.02, lid 3, tweede alinea Vrij uitzicht in de zichtas van de roerganger N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
7.02, lid 5 Gekleurde vensters N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
7.03, lid 7 Buiten werking stellen van alarmen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is
7.03, lid 8 Automatisch omschakelen op een andere stroombron N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
7.04, lid 1 Bediening aandrijfwerktuigen en stuurinrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
7.04, lid 2 Machinebediening Voor zover geen éénmansstuurstelling voor het varen op radar aanwezig is: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 in het geval van direct omkeerbare machines, na 1.1.2010 in het geval van overige machines
7.09 Alarminstallatie N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
7.12, eerste alinea In hoogte verstelbare stuurhuizen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek. In het geval van niet hydraulisch kunnen neerlaten: uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
7.12, tweede en derde alinea In hoogte verstelbare stuurhuizen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek

HOOFDSTUK 8
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
8.01, lid 3 Alleen verbrandingsmotoren waarvan het vlampunt van de brandstof boven 55° ligt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
8.02, lid 1 Beveiliging van machine-installaties tegen onopzettelijke in bedrijf stelling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
8.02, lid 4 Isolaties van machineonderdelen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
8.03, lid 2 Aangeven van het kritieke peil N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
8.03, lid 3 Inrichting voor automatische reductie van het toerental N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
8.03, lid 4 Doorvoeringen van assen van de voortstuwingsinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
8.05, lid 1 Brandstoftanks van staal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
8.05, lid 2 Zelfsluitende afsluitinrichting voor het ontnemen van water N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
8.05, lid 3 Geen brandstoftanks vóór het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
8.05, lid 4 Geen dagtank en appendages boven machine-installaties of uitlaatgassenleidingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010. Tot aan dat tijdstip moet door opvangcontainers of druipblikken verzekerd zijn dat uitlopende brandstof zonder gevaar kan worden afgevoerd
8.05, lid 6, derde tot en met vijfde zin Inrichting en afmetingen van ontluchtings- en verbindingsleidingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
8.05, lid 7 Bediening vanaf het dek van afsluitinrichtingen van de tank N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
8.05, lid 9, eerste zin Peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
8.05, lid 13 Controle van de vulstand niet alleen voor de aandrijvingsmotoren maar ook voor de andere motoren die voor de vaart nodig zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
8.06, lid 8 Een afsluiter (zonder terugslagklep) als aansluiting van ballasttanks aan het lenssysteem geldt niet voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
8.06, lid 9 Peilmogelijkheden voor vullingen van ruimen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
8.07, lid 2 Inrichtingen voor het verzamelen van bilgewater en afgewerkte olie N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
8.08, lid 3 Geluidsgrens van 65 dB(A) voor stilliggende schepen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015

HOOFDSTUK 8a
*[22] 8a.02, lid 2
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
  Uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes door dieselmotoren De voorschriften gelden niet a. voor motoren die vóór 1.1.2003 aan boord ingebouwd waren, en b. voor vervangingsmotoren , die tot en met 31.12.2011 aan boord van schepen, die op 1.1.2002 in bedrijf waren, geïnstalleerd worden
Grenswaarden Voor motoren die vóór 1.7.2007 aan boord ingebouwd waren, gelden de grenswaarden van de volgende tabel:
P N [kW] CO [g/kWh] HC [g/kWh] NO x [g/kWh] PT [g/kWh]
37 ? P N  < 75 6,5 1,3 9,2 0,85
75 ? P N  < 130 5,0 1,3 9,2 0,70
P N ? 130 5,0 1,3 n ? 2800 min -1  = 9,2 500 ? n < 2800 min -1  = 45· n (-0,2) 0,54

HOOFDSTUK 9
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
9.01, lid 1, tweede zin Benodigde bescheiden voorleggen aan de Commissie van Deskundigen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
9.01, lid 2, onder b Schema's van hoofd- en noodschakelbord en de verdeelkasten moeten zich aan boord bevinden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
9.01, lid 3 Omgevingstemperatuur in het schip en aan dek N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
9.02, lid 1 tot en met 3 Systemen voor de energieverzorging N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
9.05, lid 4 Doorsnede van de aardleiding N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.11, lid 4 Ventilatie van gesloten ruimten, kisten of kasten waarin accumulatoren zijn opgesteld N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
9.12, lid 2, onder d Directe voeding vanaf het hoofdschakelbord van verbruikers die voor de voortstuwing en het manoeuvreren noodzakelijk zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.12, lid 3, onder b Aardfoutbewakingsinrichting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
9.13 Noodstopschakelaars N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
9.14, lid 3, tweede zin Eenpolige schakelaars zijn in was-, bad- en overige natte ruimten niet toegestaan N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
9.15, lid 2 Minimale doorsnede van de aders van 1,5 mm² N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
9.15, lid 9 Kabels naar beweegbare stuurhuizen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
9.16, lid 3, tweede zin Tweede stroomkring N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.19 Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.20 Elektronische installaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
9.21 Elektromagnetische verdraagbaarheid N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035

HOOFDSTUK 10
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
10.01 Ankeruitrusting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
10.02, lid 2, onder a Keuringsbewijs voor stalen trossen en andere kabels Voor de eerste tros die op het schip wordt vervangen: N.V.O., uiterlijk 1.1.2008. Voor de tweede en derde tros: 1.1.2013
10.03, lid 1 Europese norm Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2010
10.03, lid 2 Geschiktheid voor brandklasse A, B en C Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2010
10.03, lid 4 Hoeveelheid CO 2 en inhoud van de ruimten Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2010
10.03a Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
10.03b Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers *
10.04 Toepassing Europese norm op bijboten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
10.05, lid 2 Opblaasbare zwemvesten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010. Zwemvesten die op 30.9.2003 aan boord zijn mogen tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 verder worden gebruikt

* 1. Vóór 1 oktober 1980 vast ingebouwde CO 2 -brandblusinstallaties blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 7.03, vijfde lid, in de versie van protocol 1975-I-23.
2. Vóór 1 april 1992 vast ingebouwde brandblusinstallaties die met het blusmiddel Halon 1301 (CBrF3) werken blijven tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2005, echter uiterlijk tot 1.1.2010, toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 7.03, vijfde lid, in de versie van protocol 1985-II-26.
3. Tussen 1 april 1992 en 1 januari 1995 vast ingebouwde CO 2 -brandblusinstallaties blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 7.03, vijfde lid, van het op 31 december 1994 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
4. Tussen 1 april 1992 en 1 januari 1995 verstrekte aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart voor de toepassing van artikel 7.03, vijfde lid, van het op 31 december 1994 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 geldig.
5. Artikel 10.03b, tweede lid onder a, geldt uiterlijk tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 alleen dan, wanneer deze installaties worden ingebouwd in schepen waarvan de kiel is gelegd ná 1 oktober 1992.
HOOFDSTUK 11
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
11.02, lid 4 Voorziening aan de buitenkanten van dekken, gangboorden en andere werkplekken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
11.04 Gangboord ** Bij eerste verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 bij een breedte van meer dan 7,30 m
11.05, lid 1 Toegang tot de werkplekken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
11.05, lid 2 en lid 3 Deuren, in- en uitgangen en gangen die hoogte verschillen van meer dan 0,50 m hebben Bij verlenging van het certificaat van onderzoek
11.05, lid 4 Trappen bij permanent bezette werkplekken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
11.06, lid 2 Uitgangen en nooduitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
11.07, lid 1, tweede zin Klimvoorzieningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
11.07, lid 2 en lid 3   Bij verlenging van het certificaat van onderzoek
11.10 Luiken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
11.11 Lieren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
11.12, lid 2 tot en met lid 6 en lid 8 tot en met lid 10 Kranen: fabriekslabel, maximaal toelaatbare bedrijfslast, beveiliging, rekenkundig bewijs, controle door deskundige, bescheiden aan boord N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
11.13 Opslag van brandbare vloeistoffen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek

** Dit artikel geldt voor schepen waarvan de kiel is gelegd ná 31.12.1994 en voor in bedrijf zijnde schepen met in acht name van het volgende: Bij vernieuwingswerkzaamheden, het gehele laadruim omvattend, is artikel 11.04 van toepassing. Bij een verbouwing, die de totale lengte van de gangboorden omvat en waardoor de vrije breedte van het gangboord wordt gewijzigd:
a. is artikel 11.04 van toepassing, indien de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, moet worden verminderd;
b. mag de vóór de verbouwing beschikbare vrije breedte van het gangboord tot een hoogte van 0,90 m, of de vrije breedte daarboven, niet worden verminderd, indien deze afmetingen kleiner zijn dan die bedoeld in artikel 11.04.
HOOFDSTUK 12
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
12.01, lid 1 Verblijven voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.02, lid 3 Positie van de vloer N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.02, lid 4 Woon- en slaapruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.02, lid 6 Stahoogte in verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.02, lid 8 Vloeroppervlak in woonruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.02, lid 9 Inhoud van ruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.02, lid 10 Luchtvolume per persoon N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.02, lid 11 Afmetingen van deuren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.02, lid 12, onder a en b Aanbrengen van trappen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.02, lid 13 Leidingen van gevaarlijke gassen en vloeistoffen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.03 Sanitaire voorzieningen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.04 Keukens N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.05 Drinkwaterinstallaties N.V.O., uiterlijk 31.12.2006
12.06 Verwarming en ventilatie N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
12.07, lid 1, tweede zin Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035

HOOFDSTUK 15
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
15.01, lid 1, onder c Niet van toepassing zijn van art. 8.06, lid 2, 2 e zin N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.01, lid 1, onder d Niet van toepassing zijn van art. 9.14, lid 3, 2 e zin, bij nominale spanningen boven 50 V N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.01, lid 2, onder b Verbod van oliekachels met verdampingsbranders bedoeld in art. 13.04 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.01, lid 2, onder c Verbod van verwarmingen met vaste brandstoffen bedoeld in art. 13.07 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 Het voorschrift geldt niet voor vaartuigen met voortstuwingsinstallaties die werken met vaste brandstoffen (stoommachines).
15.01, lid 2, onder e Verbod van vloeibaargasinstallaties bedoeld in hoofdstuk 14 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.02, lid 2 Aantal en plaats van de schotten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.02, lid 5, 2 e zin Indompelingsgrenslijn indien geen schottendek Voor passagiersschepen waarvan de kiel is gelegd vóór 1.1.1996 geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.02, lid 10, onder c Duur van het sluiten door afstandsbediening N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.02, lid 12 Alarminstallatie in het stuurhuis die aangeeft welke schottendeur open is N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
15.02, lid 15 Hoogte van de dubbele bodem, breedte van dubbele wanden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.03, lid 1 t/m 6 Stabiliteit van het onbeschadigde schip N.V.O., en bij verhoging van het toegelaten aantal passagiers uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.03, lid 7 t/m 13 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.03, lid 9 2-compartimentstatus N.V.O.
15.05, lid 2, onder a Aantal passagiers waarvoor een verzamelruimte bedoeld in art. 15.06, lid 8, is aangetoond N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.05, lid 2, onder b Aantal passagiers waarvoor de stabiliteitsberekening bedoeld in art. 15.03 is uitgevoerd N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 1, onder a Passagiersverblijven op alle dekken achter het aanvaringsschot en voor het achterpiekschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 2 Kasten en ruimten bedoeld in art. 11.13 voor brandbare vloeistoffen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.06, lid 3, onder c, 1 e zin Vrije hoogte van uitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 3, onder c, 2 e zin Vrije breedte van deuren van hutten voor passagiers en andere kleine verblijven Voor de breedte van 0,7 m geldt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 3, onder f, 1 e zin Afmeting van de nooduitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 3, onder g Uitgangen die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 4, onder d Deuren die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 5 Eisen aan verbindingsgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 6, onder b Vluchtwegen naar verzamelruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 6, onder c Vluchtwegen niet door machinekamers en keukens N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.06, lid 6, onder d Geen gangen met klimtreden, ladders e.d. in vluchtwegen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 7 Geschikt veiligheidsgeleidesysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 8 Eisen aan verzamelruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 9 Eisen aan trappen en portalen in het gedeelte voor passagiers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 10, onder a, 1 e zin Verschansing volgens norm EN 711: 1995 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 10, onder a, 2 e zin Hoogte van relingen en verschansingen van dekken die door personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 10, onder b, 2 e zin Vrije breedte van openingen die voor het embarkeren van personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 12 Loopplanken overeenkomstig norm EN 14206: 2003 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.06, lid 13 Doorgangsruimten en wanden van doorgangsruimten die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 14, 1 e zin Vervaardiging van glazen deuren, glazen wanden van doorgangsruimten en vensterruiten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 15 Eisen aan opbouwen die volledig of waarvan de daken uit panoramaruiten bestaan N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 16 Drinkwaterinstallaties overeenkomstig art. 12.05 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 31.12.2006
15.06, lid 17, 2 e zin Eisen aan toiletten voor personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 18 Ventilatiesysteem voor hutten zonder vensters die geopend kunnen worden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.06, lid 19 Eisen van art. 15.06 aan ruimten waarin bemanning of boordpersoneel is ondergebracht N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.07 Eisen aan het voortstuwingssysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.08, lid 2 Eisen aan luidsprekerinstallaties in het passagiersgedeelte Voor passagiersschepen met L WL van minder dan 40 m of voor ten hoogste 75 personen geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.08, lid 3 Eisen aan de alarminstallatie Voor schepen voor dagtochten geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.08, lid 3, onder c Alarminstallatie voor het waarschuwen van de bemanning en het boordpersoneel door de scheepsleiding Voor hotelschepen geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.08, lid 4 Bilge-alarm voor iedere waterdichte afdeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.08, lid 5 Twee gemotoriseerde lenspompen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.08, lid 6 Vast geïnstalleerd lenssysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.08, lid 7 Van binnen uit kunnen openen van deuren van koelruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.08, lid 8 Automatische ventilatie voor CO 2 kast installaties in ruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.08, lid 9 Verbandtrommels N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.09, lid 1, 1 e zin Reddingsboeien N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.09, lid 2 Individuele reddingsmiddelen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.09, lid 3 Inrichtingen voor het veilig van boord brengen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.09, lid 4 Individuele reddingsmiddelen voor 100% van de passagiers volgens EN 395: 1998 of EN 396: 1998 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
  Individuele reddingsmiddelen voor kinderen Deze worden tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 als alternatief voor de individuele reddingsmiddelen beschouwd.
  Soort reddingsmiddelen Voor passagiersschepen die voor 1.1.2005 met gemeenschappelijke reddingsmiddelen overeenkomstig art. 15.09, lid 5, waren uitgerust, worden deze als alternatief voor de individuele reddingsmiddelen beschouwd. Voor passagiersschepen die voor 1.1.2005 met gemeenschappelijke reddingsmiddelen overeenkomstig art. 15.09, lid 6, waren uitgerust, worden deze tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 als alternatief voor de individuele reddingsmiddelen beschouwd.
15.09, lid 9 Testen van reddingsmiddelen volgens de indicaties van de fabrikant N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.09, lid 10 Bijboot uitgerust met motor en verstelbare schijnwerper N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.09, lid 11 Draagbaar N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.10, lid 2 Art. 9.16, lid 3, geldt ook voor gangen en ruimten waar passagiers verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.10, lid 3 Voldoende noodverlichting Voor noodverlichting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.10, lid 4 Noodstroominstallatie Voor schepen voor dagtochten met L WL van 25 m of minder geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.10, lid 4, onder f Noodstroom voor schijnwerpers bedoeld in art. 10.02, lid 2, onder i N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.10, lid 4, onder i Noodstroom voor liften en hefinrichtingen bedoeld in art. 15.06, lid 9, 2 e zin N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.10, lid 6 Eisen aan de noodstroominstallatie:  
15.10, lid 6, 1 e zin scheidingsvlakken bedoeld in art. 15.11, lid 2 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.10, lid 6, 2 e en 3 e zin inbouw van de kabels N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.10, lid 6, 4 e zin noodstroominstallatie boven de indompelingsgrenslijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.11, lid 1 Technische geschiktheid op het gebied van brandbescherming van materialen en onderdelen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 2 Uitvoering van scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 3 In ruimten met uitzondering van machinekamers en voorraadruimten toegepaste oppervlak behandeling en voorwerpen moeten moeilijk ontvlambaar zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
15.11, lid 4 Plafonds en stofferingen van wanden van onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 5 Meubels en constructies in verzamelruimten van onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 6 Brandtestmethode volgens de Code N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 7 Isolatiemateriaal in verblijfsruimten onbrandbaar N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 8 Eisen aan deuren in scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 9 Wanden van dek tot dek als bedoeld in het tweede lid Op hotelschepen zonder sprinkler-installatie eindigen van de wanden tussen hutten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.11, lid 10 Scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 11 Tochtkleppen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 12 Traptreden van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 13 Omgeven van inwendig gelegen trappen door wanden als bedoeld in het tweede lid N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 14 Ventilatie- en airconditioningsystemen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 15 Ventilatiesystemen in keukens en keukenfornuizen met afzuiging N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 16 Controleposten, trappenschachten, verzamelruimten en rookafzuiginrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.11, lid 17 Brandmeldsysteem Voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.12, lid 1 Draagbare blustoestellen Brandblussers en blusdekens in keukens, kapsalons en parfumerieën: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
15.12, lid 2 Blusinstallatie Tweede bluspomp: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.12, lid 3 Eisen aan blusinstallaties Druk en lengte van de waterstralen: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.12, lid 4 Aansluitingen van blusinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.12, lid 5 Axiaal aangebrachte haspel N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.12, lid 6 Materialen, bescherming tegen uitvallen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.12, lid 7 Vermijden van de mogelijkheid dat pijpleidingen en blusinstallaties bevriezen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.12, lid 8, onder b Onafhankelijk functioneren van bluspompen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.12, lid 8, onder c Lengte van waterstralen op alle dekken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.12, lid 8, onder d Opstelling van bluspompen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.12, lid 9 Brandblusinstallatie in machinekamers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.13 Veiligheidsorganisatie Voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2007
15.14, lid 1 Verzameltanks voor afvalwater of zuiveringsinstallaties Voor hotelschepen met niet meer dan 50 bedden en voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.14, lid 2 Eisen aan verzameltanks voor afvalwater Voor hotelschepen met niet meer dan 50 bedden en voor schepen voor dagtochten met niet meer dan 50 passagiers : N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.15, lid 1 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045
15.15, lid 5 Aanwezig zijn van een bijboot, een platform of een vergelijkbare inrichting Voor passagiersschepen die zijn toegelaten voor ten hoogste 250 passagiers of 50 bedden: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.15, lid 6 Aanwezig zijn van een bijboot, een platform of een vergelijkbare inrichting Voor passagiersschepen die zijn toegelaten voor ten hoogste 250 passagiers of 50 bedden: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010
15.15, lid 9 Alarminstallaties voor vloeibaargasinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van de aantekening bedoeld in art. 14.15

HOOFDSTUK 16
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
16.01, lid 2 Speciale lieren of gelijkwaardige inrichtingen op het voor het duwen geschikte vaartuig Het voorschrift geldt voor schepen die voor 1.1.1995 zijn toegelaten om te duwen zonder eigen inrichting voor het spannen van de kabels bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
16.01, lid 3, laatste zin Eisen met betrekking tot aandrijvingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035

HOOFDSTUK 17
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
17.02, lid 3 Aanvullende bepalingen Dezelfde overgangsbepalingen als van kracht voor de in dit lid genoemde artikelen
17.03, lid 1 Algemene alarminstallatie N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
17.03, lid 4 Maximaal toelaatbare last van heftoestellen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
17.04, lid 2 en lid 3 Resterende veiligheidsafstand bij openingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
17.05, lid 2 en lid 3 Resterend vrijboord N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
17.06, 17.07, 17.08 Hellingproef en aantonen van de stabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek
17.09 Inzinkingsmerken en diepgangsschalen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek

HOOFDSTUK 20
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
20.01 Artt. 7.01, lid twee, 8.05, lid 13, en 8.08 Voor zeeschepen die niet zijn bestemd voor het vervoer van goederen in de zin van het ADNR en waarvan de kiel is gelegd vóór 1.10.1987: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015.
20.01 Artikel 8.07, lid 2 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010

HOOFDSTUK 21
1.
Vaartuigen waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of daarvóór moeten, behalve aan artikel 24.02, voldoen aan de hierna genoemde bepalingen. In de onderstaande tabel betekent:
«V.O.»: het voorschrift is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat dit voorschrift slechts van toepassing is bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging «V» volgens deze overgangsbepalingen.
«Verlenging certificaat»: aan het voorschrift moet zijn voldaan bij de eerstvolgende verlenging van de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek na de daarop aangegeven datum.
HOOFDSTUK 3
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
3.03, lid 1 Plaats van het aanvaringsschot V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
3.04, lid 2 Begrenzingsvlakken van bunkers met ruimten bestemd voor passagiers en verblijven V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035
3.04, lid 7 Ten hoogste toegestane niveau van de geluidsdruk Bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015

HOOFDSTUK 4
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
4.01, lid 2, 4.02 en 4.03 Veiligheidsafstand, vrijboord, kleinste vrijboord Bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015

HOOFDSTUK 7
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
7.01, lid 2 Niveau van de geluidsdruk voortgebracht door het schip V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
7.05, lid 2 Controle van de navigatielichten Bij verlenging van het certificaat van onderzoek

HOOFDSTUK 8
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
8.06, lid 3 en lid 4 Minimale capaciteit en diameter van de lensleidingen Bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
8.08, lid 2 Door een varend schip voortgebracht geluid V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015

HOOFDSTUK 9
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
9.01 Eisen aan elektrische installaties V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.03 Bescherming tegen aanraken, binnendringen van vreemde voorwerpen en water V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.06 Ten hoogste toegelaten spanningen V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.10 Generatoren en motoren V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.11, lid 2 Opstelling van accumulatoren V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.12 Schakelinrichtingen V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.14 Installatiemateriaal V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.15 Kabels V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015
9.17 Navigatielantaarns V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015

HOOFDSTUK 12
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden
12.02, lid 5 Geluidshinder en trillingen in verblijven Bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015

HOOFDSTUK 15
2.
Artikel 15.11, derde lid, eerste volzin en zesde lid, is op schepen voor dagtochten waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of daarvóór, tot aan de eerste verlenging van het certificaat van onderzoek na 1 januari 2045 slechts met dien verstande van toepassing dat slechts de verven, lakken en andere producten voor de behandeling van oppervlakken en voor de dekbedekking, gebruikt voor de naar vluchtwegen toegekeerde oppervlakken, moeilijk ontvlambaar moeten zijn en rook en andere giftige stoffen niet in buitengewone hoeveelheden kunnen ontstaan.
3.
Artikel 15.11, twaalfde lid, is op schepen voor dagtochten, waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of daarvóór, tot aan de eerste verlenging van het certificaat van onderzoek ná 1.1.2045 slechts met dien verstande van toepassing dat het voldoende is wanneer, in plaats van de dragende constructie vervaardigd van staal van trappen die als vluchtweg dienen, deze trappen zo zijn uitgevoerd dat zij in geval van brand ongeveer even lang bruikbaar blijven als trappen met een dragende constructie van staal.
1.
Voor vaartuigen, waarvan het minste vrijboord overeenkomstig artikel 4.04 van de op 31 maart 1983 geldende voorschriften is vastgesteld, kan de Commissie van Deskundigen op verzoek van de eigenaar het vrijboord vaststellen op grond van artikel 4.03 van de op 1 januari 1995 geldende voorschriften.
2.
Vaartuigen, waarvan de kiel is gelegd vóór 1 juli 1983, behoeven niet te voldoen aan hoofdstuk 9. Deze vaartuigen moeten echter ten minste voldoen aan hoofdstuk 6 van de op 31 maart 1983 geldende voorschriften.
3.
Artikel 15.06, derde lid, onder a tot en met e, en artikel 15.12, derde lid, onder a, met betrekking tot de bepaling over de enige slanglengte, zijn slechts van toepassing op passagiersschepen waarvan de kiel is gelegd ná 30 september 1984, alsmede in geval van verbouwing van de betrokken sectoren, uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045.
4.
Indien de toepassing van de in dit hoofdstuk genoemde bepalingen na afloop van de overgangsbepalingen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is of onevenredig hoge kosten met zich brengt, kan de Commissie van Deskundigen op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart afwijkingen van deze voorschriften toestaan. Deze afwijkingen moeten in het certificaat van onderzoek worden aangetekend.
5.
Indien dit voorschrift bij de vereisten aan de hoedanigheid van uitrustingsstukken verwijst naar een Europese of internationale norm, mogen na een nieuwe formulering of bewerking van die norm de betreffende uitrustingsstukken nog 20 jaar na de nieuwe formulering of bewerking van de norm verder worden gebruikt.
Artikel 24.05. Overgangsbepalingen bij hoofdstuk 23 «Bemanningen»
Onverminderd artikel 23.03 betreffende de lichamelijke geschiktheid geldt de volgende overgangsregeling voor hoofdstuk 23:
1.
Een op 31 december 2001 in de binnenvaart werkzame deksman kan de bevoegdheid als matroos verkrijgen, nadat hij zijn 19e levensjaar heeft beëindigd en een vaartijd als lid van de dekbemanning van ten minste drie jaar heeft aangetoond; daarvan moeten ten minste een jaar in de binnenvaart en twee jaar in de binnenvaart of in de zee- of kustvaart of visserij vervuld zijn. Deze matroos kan de bevoegdheid als:
a. volmatroos verkrijgen, wanneer hij een vaartijd in de Rijnvaart van ten minste een jaar als matroos kan aantonen,
b. stuurman verkrijgen, wanneer hij een vaartijd in de Rijnvaart van ten minste twee jaar als matroos kan aantonen.
2.
Een op 31 december 2001 in de binnenvaart werkzame matroos kan de bevoegdheid als volmatroos verkrijgen, wanneer hij een vaartijd in de Rijnvaart van ten minste een jaar als matroos kan aantonen.
3.
Een op 31 december 2001 in de binnenvaart werkzame matroos kan de bevoegdheid als stuurman verkrijgen, wanneer hij een vaartijd in de Rijnvaart van ten minste twee jaar als matroos kan aantonen.
4.
Een op 31 december 2001 in de Rijnvaart werkzame volmatroos kan de bevoegdheid als stuurman verkrijgen, wanneer hij een vaartijd in de Rijnvaart van ten minste een jaar als volmatroos kan aantonen.
5.
Tot aan de eerstvolgende verlenging van het certificaat van onderzoek, echter uiterlijk tot 1 juli 2007, kan het voldoen aan artikel 23.09, lid 1.1 of lid 1.2, zoals vereist in artikel 23.09, tweede lid, als volgt in het certificaat van onderzoek worden aangetekend:
a. Voor het voldoen aan artikel 23.09, lid 1.1, volstaat een aantekening onder punt 47 als volgt: «Het schip voldoet aan artikel 23.09, eerste lid».
b. Voor het voldoen aan artikel 23.09, lid 1.2, volstaan de volgende aantekeningen:
in het geval van alleen varende motorschepen en van motorschepen die een gekoppeld samenstel voortbewegen:
onder punt 47: «Het schip voldoet aan artikel 23.09, eerste lid» en
onder punt 34:
34        
  boegbesturingsinstallatie   afstandbediend aan- en afstellen op afstand
  ja boegstraal ja ja
in het geval van passagiersschepen:
onder punt 47: «Het schip voldoet aan artikel 23.09, eerste lid» en ofwel
onder punt 34:
34        
  boegbesturingsinstallatie   afstandbediend aan- en afstellen op afstand
  ja boegstraal of andere inrichting ja ja
dan wel
onder punt 27:
27. Aantal voortstuwingsmotoren «...» (meer dan 1)
en
onder punt 29:
29. Aantal hoofdschroeven «...» (meer dan 1)
artikel 24.01 vallen van Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995">
Artikel 24.06. Afwijkingen voor vaartuigen die niet onder artikel 24.01 vallen
1.
Op vaartuigen waarvoor vanaf 1 januari 1995 voor het eerst een certificaat van onderzoek als bedoeld in dit reglement is afgegeven zijn de volgende bepalingen van toepassing, tenzij zij op 31 december 1994 in aanbouw of in ombouw waren.
2.
Deze vaartuigen moeten voldoen aan de versie van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn die van kracht is op de dag waarop het certificaat van onderzoek is afgegeven. In afwijking hiervan mogen passagiersschepen, waaraan met ingang van 1 januari 2006 en vóór 1 januari 2007 voor het eerst een certificaat van onderzoek overeenkomstig dit reglement wordt afgegeven, voldoen aan de op 31 december 2005 geldende voorschriften van hoofdstuk 15 van dit reglement.
3.
Deze vaartuigen moeten aan de voorschriften, die na de eerste afgifte van hun certificaat van onderzoek van kracht zijn geworden, volgens de in de onderstaande tabel vermelde overgangsbepalingen worden aangepast.
4.
Artikel 24.04, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
5.
In de onderstaande tabel betekent:
«N.V.O.»: de betreffende bepaling is niet van toepassing op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen, tenzij de betreffende delen worden vervangen of omgebouwd, dat wil zeggen dat deze bepaling slechts van toepassing is op Nieuwbouw, bij Vervanging of bij Ombouw van de betreffende delen of sectoren. Worden bestaande delen vervangen door delen welke in technische zin en bouwwijze gelijk zijn, dan wordt dit niet beschouwd als vervanging «V» volgens deze overgangsbepalingen.
«Verlenging certificaat»: aan het voorschrift moet zijn voldaan bij de eerstvolgende verlenging van de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek na de daarop aangegeven datum.
HOOFDSTUK 3
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden Van kracht
3.03, lid 7 Voorschip; ankernissen Het voorschrift geldt vanaf 01.01.2001 bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2041 1.10.1999
3.03, lid 3, tweede zin Isolaties in machinekamers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.04.2003
3.04, lid 3, derde en vierde zin Openingen en afsluitorganen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.10.2003

HOOFDSTUK 8
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden Van kracht
8.02, lid 4 Isolaties van machineonderdelen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.4.2003
8.03, lid 4 Inrichting voor automatische reductie van het toerental N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.4.2004
8.05, lid 9, 1 e alinea Peilinrichtingen moeten afleesbaar zijn tot aan de hoogste vulstand N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.4.1999
8.05, lid 13 Controle van de hoeveelheid brandstof niet alleen voor de voortstuwingsmotoren maar ook voor de voor de vaart noodzakelijke andere motoren N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.4.1999

HOOFDSTUK 8a
*[23] 8a.02, lid 2
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden Van kracht
    De voorschriften gelden niet a. voor motoren die vóór 1.1.2003 aan boord ingebouwd waren, en b. voor vervangingsmotoren , die tot 31.12.2011 aan boord van schepen, die op 1.1.2002 in bedrijf waren, geïnstalleerd worden 1.1.2002
Grenswaarden Voor motoren die vóór 1.7.2007 aan boord ingebouwd waren, gelden de grenswaarden van de volgende tabel: 1.7.2007
P N [kW] CO [g/kWh] HC [g/kWh] NO x [g/kWh] PT [g/kWh]
37 ? P N  < 75 6,5 1,3 9,2 0,85
75 ? P N  < 130 5,0 1,3 9,2 0,70
P N ? 130 5,0 1,3 n ? 2800 min -1  = 9,2 500 n < 2800 min -1  = 45 · n (-0,2) 0,54

HOOFDSTUK 10
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden Van kracht
10.02, lid 2, onder a Keuringsbewijs voor stalen trossen en andere kabels Voor de 1 e tros die op het schip wordt vervangen: N.V.O., uiterlijk 1.1.2008. Voor de 2 e en 3 e tros: 1.1.2009, 1.1.2013 1.4.2003
10.03, lid 1 Europese norm Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2010 1.4.2002
10.03, lid 2 Geschiktheid voor brandklasse A, B en C Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2010 1.4.2002
10.03, lid 4 Hoeveelheid CO 2 en inhoud van de ruimten Bij vervanging, uiterlijk 1.1.2007 1.4.2002
10.03a Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 1.4.2002
10.03b Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers **, uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 1.4.2002
10.04 Toepassing Europese norm op bijboten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.10.2003
10.05, lid 2 Opblaasbare zwemvesten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010. Zwemvesten die op 30.9.2003 aan boord zijn mogen tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 verder worden gebruikt 1.10.2003

** 1. Tussen 1 januari 1995 en 31 maart 2003 vast ingebouwde CO 2 -brandblusinstallaties blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 toegelaten, wanneer zij voldoen aan artikel 10.03, vijfde lid, van het op 31 maart 2002 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
2. Tussen 1 januari 1995 en 31 maart 2002 verstrekte aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart voor de toepassing van artikel 10.03, vijfde lid, van het op 31 maart 2002 van kracht zijnde Reglement onderzoek schepen op de Rijn blijven uiterlijk tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 geldig.
3. Artikel 10.03b, tweede lid, onder a, geldt uiterlijk tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2035 alleen dan, wanneer deze installaties worden ingebouwd in schepen waarvan de kiel is gelegd ná 1 oktober 1992.
HOOFDSTUK 11
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden Van kracht
11.13 Opslag van brandbare vloeistoffen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.10.2002

HOOFDSTUK 12
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden Van kracht
12.05 Drinkwaterinstallaties N.V.O., uiterlijk 31.12.2006 1.4.2001

HOOFDSTUK 15
Artikel Inhoud Termijn en voorwaarden Van kracht
15.01, lid 1, onder c Niet van toepassing zijn van art. 8.06, lid 2, 2 e zin N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.01, lid 1, onder d Niet van toepassing zijn van art. 9.14, lid 3, 2 e zin, bij nominale spanningen boven 50 V N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.01, lid 2, onder b Verbod van oliekachels met verdampingsbranders bedoeld in art. 13.04 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.01, lid 2, onder c Verbod van verwarmingen met vaste brandstoffen bedoeld in art. 13.07 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.01, lid 2, onder e Verbod van vloeibaargasinstallaties bedoeld in hoofdstuk 14 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.02, lid 2 Aantal en plaats van de schotten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.02, lid 5, 2 e zin Indompelingsgrenslijn indien geen schottendek Voor passagiersschepen waarvan de kiel is gelegd vóór 1.1.1996 geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.02, lid 15 Hoogte van dubbele bodem en breedte van dubbele wanden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.03, lid 1 t/m 6 Stabiliteit van het onbeschadigde schip N.V.O., en bij verhoging van het toegelaten aantal passagiers uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.03, lid 7 t/m 13 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.03, lid 9 2-compartimentstatus N.V.O. 1.1.2006
15.05, lid 2, onder a Aantal passagiers waarvoor een verzamelruimte bedoeld in art. 15.06, lid 8, is aangetoond N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.05, lid 2, onder b Aantal passagiers waarvoor de stabiliteitsberekening bedoeld in art. 15.03 is uitgevoerd N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 1 Passagiersverblijven op alle dekken achter het aanvaringsschot N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 2 Kasten en ruimten als bedoeld in art. 11.13 voor brandbare vloeistoffen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.06, lid 3, onder c, 1 e zin Vrije hoogte van uitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 3, onder c, 2 e zin Vrije breedte van deuren van hutten voor passagiers en andere kleine verblijven Voor de maat 0,7 m geldt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 3, onder f, 1 e zin Afmeting van de nooduitgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 3, onder g Uitgangen van verblijven die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 4, onder d Deuren die zijn bestemd voor gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 5 Eisen aan verbindingsgangen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 6, onder b Vluchtwegen naar verzamelruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 6, onder c Vluchtwegen niet door machinekamers en keukens N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.06, lid 6, onder d Geen gangen met klimtreden, ladders e.d. in vluchtwegen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 7 Geschikt veiligheidsgeleidesysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 8 Eisen aan verzamelruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 9, onder a t/m c, onder e en laatste zin Eisen aan trappen en portalen in het gedeelte voor passagiers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 10, onder a, 1 e zin Verschansing volgens norm EN 711: 1995 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 10, onder a, 2 e zin Hoogte van relingen en verschansingen van dekken die door personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 10, onder b, 2 e zin Vrije breedte van openingen die voor het embarkeren van personen met beperkte mobiliteit worden gebruikt N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 12 Loopplanken overeenkomstig norm EN 14206: 2003 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.06, lid 13 Doorgangsruimten en wanden van doorgangsruimten die zijn bestemd voor het gebruik door personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 14, 1 e zin Vervaardiging van glazen deuren, glazen wanden van doorgangsruimten en vensterruiten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 15 Eisen aan opbouwen die volledig of waarvan de daken uit panoramaruiten bestaan N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 16 Drinkwaterinstallaties overeenkomstig art. 12.05 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.06, lid 17, 2 e zin Eisen aan toiletten voor personen met beperkte mobiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.06, lid 18 Ventilatiesysteem voor hutten zonder vensters die geopend kunnen worden N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.07 Eisen aan het voortstuwingssysteem N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.08, lid 2 Eisen aan luidsprekerinstallaties in het passagiersgedeelte Voor passagiersschepen met L WL van minder dan 40 m of voor ten hoogste 75 personen geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.08, lid 3 Eisen aan de alarminstallatie Voor schepen voor dagtochten geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.08, lid 3, onder c Alarminstallatie voor het waarschuwen van de bemanning en het boordpersoneel door de scheepsleiding Voor hotelschepen geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.08, lid 4 Bilge alarm voor iedere waterdichte afdeling N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.08, lid 5 Twee gemotoriseerde lenspompen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.08, lid 6 Vast geïnstalleerd lenssysteem als bedoeld in art. 8.06, lid 4 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.1.2006
15.08, lid 7 Van binnen uit kunnen openen van deuren van koelruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.08, lid 8 Automatische ventilatie voor CO 2 installaties in ruimten N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.08, lid 9 Verbandtrommels N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.09, lid 1, 1 e zin Reddingsboeien N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.09, lid 2 Individuele reddingsmiddelen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.09, lid 3 Inrichtingen voor het veilig van boord brengen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.09, lid 4 Individuele reddingsmiddelen voor 100% van de passagiers volgens EN 395: 1998 of EN 396: 1998 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
  Individuele reddingsmiddelen geschikt voor kinderen Deze worden tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 als alternatief voor de individuele reddingsmiddelen beschouwd. 1.1.2006
  Soort reddingsmiddelen Voor passagiersschepen die voor 1.1.2005 met de gepaste gemeenschappelijke reddingsmiddelen, waren uitgerust, worden deze tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 als alternatief voor de individuele reddingsmiddelen beschouwd. Voor passagiersschepen die voor 1.1.2005 met gemeenschappelijke reddingsmiddelen overeenkomstig art. 15.09, lid 6, waren uitgerust, worden deze tot aan de verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 als alternatief voor de individuele reddingsmiddelen beschouwd. 1.1.2006
15.09, lid 9 Reddingsmiddelen getest volgens de indicaties van de fabrikant N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.09, lid 10 Bijboot uitgerust met motor en verstelbare schijnwerper N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.09, lid 11 Geschikte draagbaar N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.10, lid 2 Art. 9.16, lid 3, geldt ook voor gangen en ruimten waar passagiers verblijven N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.1.2006
15.10, lid 3 Voldoende noodverlichting N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.1.2006
15.10, lid 4 Noodstroominstallatie Voor schepen voor dagtochten met L WL van 25 m of minder geldt het voorschrift bij N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.1.2006
15.10, lid 4, onder f Noodstroom voor schijnwerpers bedoeld in art. 10.02, lid 2, onder i N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.1.2006
15.10, lid 4, onder i Noodstroom voor liften en hefinrichtingen bedoeld in art. 15.06, lid 9, 2 e zin N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.1.2006
15.10, lid 6 Eisen aan de noodstroominstallatie:   1.1.2006
15.10, lid 6, 1 e zin scheidingsvlakken bedoeld in art. 15.11, lid 2 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.1.2006
15.10, lid 6, 2 e en 3 e zin inbouw van de kabels N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.1.2006
15.10, lid 6, 4 e zin noodstroominstallatie boven de indompelingsgrenslijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.1.2006
15.11, lid 1 Technische geschiktheid op het gebied van brandbescherming van materialen en onderdelen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 2 Uitvoering van scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 3 In ruimten met uitzondering van machinekamers en voorraadruimten toegepaste oppervlakbehandeling en voorwerpen moeten moeilijk ontvlambaar zijn N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2015 1.1.2006
15.11, lid 4 Plafonds en stofferingen van wanden van onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 5 Meubels en constructies in verzamelruimten van onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 6 Brandtestmethode volgens de Code N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 7 Isolatiemateriaal in verblijfsruimten onbrandbaar N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 8, onder a, b, c 2 e zin, en d Eisen aan deuren in scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 9 Wanden van dek tot dek overeenkomstig lid 2 Op hotelschepen zonder sprinklerinstallatie eindigen van de wanden tussen hutten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.11, lid 10 Scheidingsvlakken N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 12 Traptreden van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 13 Omgeven van inwendig gelegen trappen door wanden overeenkomstig lid 2 N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 14 Eisen aan ventilatie- en airconditioningsystemen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 15 Keukens met ventilatiesystemen en keukenfornuizen met afzuiging N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 16 Eisen aan controleposten, trappenschachten, verzamelruimten en rookafzuiginrichtingen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.11, lid 17 Brandmeldsysteem Voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.12, lid 1 Draagbare blustoestellen aan boord Brandblussers en blusdekens in keukens, kapsalons en parfumerieën: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.12, lid 2 Blusinstallatie Tweede bluspomp: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.12, lid 4 Aansluitingen van de blusinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.12, lid 5 Axiaal aangebrachte haspel N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.12, lid 6 Materialen; bescherming tegen uitvallen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.12, lid 7 Vermijden van de mogelijkheid dat pijpleidingen en blusinstallaties bevriezen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.12, lid 8, onder b Onafhankelijk functioneren van bluspompen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.12, lid 8, onder d Opstelling van bluspompen N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.12, lid 9 Brandblusinstallatie in machinekamers N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.12, lid 9 Brandblusinstallatie in machinekamers van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045. Deze overgangstermijn geldt niet voor passagiersschepen waarvan de kiel is gelegd na 31.12.1995 en waarvan de romp bestaat uit hout, aluminium of kunststof en waarvan de machinekamers niet zijn gebouwd van een materiaal als bedoeld in art. 3.04, lid 3 en lid 4. 1.1.2006
15.13 Veiligheidsorganisatie Voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek 1.1.2006
15.14, lid 1 Verzameltanks voor afvalwater of zuiveringsinstallaties Voor hotelschepen met niet meer dan 50 bedden en voor schepen voor dagtochten: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.14, lid 2 Eisen aan verzameltanks voor afvalwater Voor hotelschepen met niet meer dan 50 bedden en voor schepen voor dagtochten met niet meer dan 50 passagiers: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.15, lid 1 Lekstabiliteit N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2045 1.1.2006
15.15, lid 5 Aanwezig zijn van een bijboot, een platform of een vergelijkbare inrichting Voor passagiersschepen die zijn toegelaten voor ten hoogste 250 passagiers of 50 bedden: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.15, lid 6 Aanwezig zijn van een bijboot, een platform of een vergelijkbare inrichting Voor passagiersschepen die zijn toegelaten voor ten hoogste 250 passagiers of 50 bedden: N.V.O., uiterlijk bij verlenging van het certificaat van onderzoek na 1.1.2010 1.1.2006
15.15, lid 9 Alarminstallaties voor vloeibaargasinstallaties N.V.O., uiterlijk bij verlenging van de aantekening bedoeld in art. 14.15 1.1.2006

HOOFDSTUK 22A
6.
Bij nieuwbouw van schepen met een lengte van meer dan 110 m, waarvan de kiel is gelegd vóór 1 oktober 2001, kan het voldoen aan artikel 22a.05, tweede lid, onder d, achterwege blijven voor de vaart tussen Mannheim en Karlsruhe. Deze vaartbeperking moet in het certificaat van onderzoek worden aangetekend onder punt 10.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Procedure
+ Hoofdstuk 3. Scheepsbouwkundige eisen
+ Hoofdstuk 4. Veiligheidsafstand, vrijboord en diepgangsschalen
+ Hoofdstuk 5. Manoeuvreereigenschappen
+ Hoofdstuk 6. Stuurinrichtingen
+ Hoofdstuk 7. Stuurhuis
+ Hoofdstuk 8. Werktuigbouwkundige eisen
+ Hoofdstuk 8A. Uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes door dieselmotoren
+ Hoofdstuk 9. Elektrische installaties
+ Hoofdstuk 10. Uitrusting
+ Hoofdstuk 11. Veiligheid op de werkplek
+ Hoofdstuk 12. Verblijven
+ Hoofdstuk 13. Verwarmings-, kook- en koelinstallaties die werken op brandstoffen
+ Hoofdstuk 14. Vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik
+ Hoofdstuk 15. Bijzondere bepalingen voor passagiersschepen
+ Hoofdstuk 16. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen die zijn bestemd om deel uit te maken van een duwstel, een sleep of een gekoppeld samenstel
+ Hoofdstuk 17. Bijzondere bepalingen voor drijvende werktuigen
+ Hoofdstuk 18. Bijzondere bepalingen voor schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden
+ Hoofdstuk 19. Bijzondere bepalingen voor kanaalspitsen
+ Hoofdstuk 20. Bijzondere bepalingen voor zeeschepen
+ Hoofdstuk 21. Bijzondere bepalingen voor pleziervaartuigen
+ Hoofdstuk 22. Stabiliteit van schepen die containers vervoeren
+ Hoofdstuk 22b. Bijzondere bepalingen voor snelle schepen
+ Hoofdstuk 23. Bemanning
+ Hoofdstuk 24. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht