Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2008. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2008.

Reglement Rijnpatenten 1998

Uitgebreide informatie
Besluit van 25 september 1997, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten (Besluit Reglement Rijnpatenten 1998)
Artikel 1.01. – Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. schip: een binnenschip, een zeeschip of een drijvend werktuig;
2. binnenschip: een schip, met inbegrip van een veerpont, dat uitsluitend of overwegend is bestemd voor de vaart op de binnenwateren;
3. zeeschip: een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe bestemd is;
4. drijvend werktuig: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren;
5. pleziervaartuig: een schip dat is bestemd voor sportieve of recreatieve doeleinden en dat niet is een passagiersschip;
6. passagiersschip: een schip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;
7. sleepboot: een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;
8. duwboot: een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel;
9. [vervallen] ;
10. overheidsvaartuig: een schip waarvan de lengte niet meer dan 25 m bedraagt en dat ter uitvoering van overheidstaken wordt ingezet;
11. brandweerboot: een schip waarvan de lengte 15 m of meer bedraagt en dat ter uitvoering van brandweerdiensten wordt ingezet;
12. lengte: de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;
13. breedte: de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen);
14. gekoppeld samenstel: een hecht samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
15. dekbemanning: de bemanning met uitzondering van machinisten;
16. matroos, matroos-motordrijver, volmatroos, stuurman: een persoon, die de bekwaamheid bedoeld in de bemanningsvoorschriften van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn bezit;
17. vaartijd: de tijd aan boord van een schip, dat een reis maakt.
Artikel 1.02. – Toepasselijkheid van het reglement
Dit reglement regelt de verplichting tot het hebben van een Rijnpatent voor de betreffende typen en afmetingen van schepen en voor de te bevaren riviergedeelten alsmede de voorwaarden betreffende het verkrijgen van een Rijnpatent.
1.
Degene die op de Rijn een schip wil voeren, moet ingevolge dit reglement zijn voorzien van een Rijnpatent voor het type en de grootte van het betreffende schip alsmede voor het te bevaren riviergedeelte.
2.
Het Rijnpatent wordt verleend voor de gehele Rijn of voor afzonderlijke gedeelten daarvan.
3.
Voor de vaart benedenstrooms van het Spijksche Veer (km 857,40) en op het riviergedeelte tussen de Mittlere Rheinbrücke te Bazel (km 166,64) en de sluizen te Iffezheim (km 335,92) kan worden volstaan met,
a. in plaats van het patent bedoeld in artikel 2.01, een vaarbewijs als bedoeld in de bijlage I van de Richtlijn van de Raad 91/672/EEG of een vaarbewijs afgegeven ingevolge de Richtlijn van de Raad 96/50/EG;
b. in plaats van het patent bedoeld in de artikelen 2.02 tot en met 2.04, een ander door de bevoegde autoriteit als gelijkwaardig erkend bewijs van vaarbekwaamheid.
4.
Voor schepen met een lengte van minder dan 15 m, met uitzondering van passagiersschepen, duw- en sleepboten, kan worden volstaan met een bewijs van vaarbekwaamheid voor de binnenwateren, dat in overeenstemming is met de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten en België.
5.
Voor veerponten en voor schepen die uitsluitend door spierkracht worden voortbewogen alsmede voor schepen met een lengte van minder dan 15 m die slechts
a. door middel van zeilen worden voortbewogen, dan wel
b. zijn uitgerust met mechanische middelen tot voortbeweging van niet meer dan 3,68 kW, wordt de verplichting tot het hebben van een patent uitsluitend geregeld door de nationale voorschriften van de Rijnoeverstaten.
1.
Rijnpatenten als bedoeld in dit reglement zijn:
a. het grote patent voor het voeren van alle schepen,
b. het kleine patent voor het voeren van een schip met een lengte van minder dan 35 m, mits het geen sleep- of duwboot is dan wel het niet voor het voortbewegen van een gekoppeld samenstel dient, of voor het voeren van een schip, dat bestemd is voor het vervoer van niet meer dan 12 passagiers,
c. het sportpatent voor het voeren van een pleziervaartuig met een lengte van minder dan 25 m,
d. [vervallen] ,
e. het overheidspatent voor het voeren van overheidsschepen en van brandweerboten.
2.
De patenten bedoeld in het eerste lid mogen eveneens worden gebruikt voor het voeren van een schip als bedoeld in artikel 1.03, vierde lid.
Artikel 1.05. – Richtlijnen
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voor de toepassing van dit reglement richtlijnen vaststellen. De bevoegde autoriteiten dienen zich aan deze richtlijnen te houden.
Artikel 1.06. Wijziging door voorschriften van tijdelijke aard
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard vaststellen, wanneer het voor een aanpassing aan de technische ontwikkeling van de binnenscheepvaart noodzakelijk wordt geacht om in dringende gevallen afwijkingen van dit reglement toe te laten dan wel proefnemingen mogelijk te maken, waardoor de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden benadeeld. Deze voorschriften van tijdelijke aard worden door de bevoegde autoriteit gepubliceerd en hebben een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren. Zij worden in alle Oeverstaten en in België op hetzelfde tijdstip in werking gesteld en worden onder dezelfde voorwaarden buiten werking gesteld.
1.
Degene die het grote patent wil verkrijgen moet ten minste 21 jaar oud zijn en de nodige kwalificatie bezitten, alsmede een vaartijd aantonen van ten minste vier jaar als lid van een dekbemanning, waarvan aan boord van een motorschip in de binnenvaart ten minste twee jaren als matroos of matroos-motordrijver dan wel ten minste één jaar als volmatroos. De gegadigde moet tevens in het bezit zijn van een marifoonbedieningscertificaat als bedoeld in bijlage 5 van de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de Binnenvaart.
2.
Gekwalificeerd is degene die:
a. lichamelijk en geestelijk geschikt is om een schip te voeren.
De geschiktheid wordt aangetoond door het overleggen van een medische verklaring, als bedoeld in de bijlagen B1 en B2 , afgegeven door een arts, die door de bevoegde autoriteit is aangewezen;
b. geen strafbare feiten in de scheepvaart heeft begaan, terwijl uit voorgaand gedrag verwacht mag worden dat een schip veilig gevoerd en het bevel over een bemanning uitgeoefend kan worden;
c. bekwaam is, dat wil zeggen beschikt over de noodzakelijke beroepsmatige vaardigheden en kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over voldoende kennis van de reglementen en van de vaarweg, in het bijzonder van het riviergedeelte waarvoor het patent wordt aangevraagd. Aan de voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer de gegadigde het daartoe ingestelde examen met goed gevolg heeft afgelegd.
3.
De vaartijd moet zijn doorlopen op een schip voor het voeren waarvan respectievelijk het grote patent of het kleine patent vereist zou zijn. Als één jaar vaartijd gelden 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als vaartijd worden meegerekend.
Tot de vaartijd als bedoeld in het eerste lid, die niet als matroos, matroos-motordrijver of volmatroos verricht hoeft te zijn, wordt meegerekend:
a. de tijd van de opleiding, met een maximum van twee jaren, indien de gegadigde in het bezit is van een door de bevoegde autoriteit erkende verklaring inzake een met goed gevolg afgesloten beroepsopleiding met praktijkgedeelten op het gebied van de binnenvaart,
b. de aangetoonde vaartijd, met een maximum van twee jaren, die op zee als lid van een dekbemanning is doorgebracht, waarbij 250 zeedagen als één jaar vaartijd gelden.
4.
Bovendien moet het riviergedeelte, waarvoor het grote patent wordt aangevraagd als matroos, matroos-motordrijver, volmatroos of stuurman aan boord van een motorschip, voor het voeren waarvan een groot patent is vereist, in een tijdvak van tien jaren voorafgaand aan de aanvraag tenminste zestien maal zijn bevaren, waarvan binnen de laatste drie jaren tenminste drie maal in elke richting. Deze eis is niet van toepassing voor het riviergedeelte benedenstrooms van het Spijksche Veer.
1.
Degene die het kleine patent wil verkrijgen moet ten minste 21 jaar oud zijn en de nodige kwalificatie bezitten, alsmede een vaartijd aantonen van ten minste één jaar aan boord van een motorschip in de binnenvaart als matroos of als matroos-motordrijver. De gegadigde moet tevens in het bezit zijn van een marifoonbedieningscertificaat als bedoeld in bijlage 5 van de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de Binnenvaart.
2.
Gekwalificeerd is degene die:
a. lichamelijk en geestelijk geschikt is om een schip te voeren.
De geschiktheid wordt aangetoond door het overleggen van een medische verklaring, als bedoeld in de bijlagen B1 en B2 , afgegeven door een arts, die door de bevoegde autoriteit is aangewezen;
b. geen strafbare feiten in de scheepvaart heeft begaan, terwijl uit voorgaand gedrag verwacht mag worden dat een schip veilig gevoerd en het gezag over een bemanning uitgeoefend kan worden;
c. bekwaam is, dat wil zeggen beschikt over de noodzakelijke beroepsmatige vaardigheden en kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over voldoende kennis van de reglementen en van de vaarweg, in het bijzonder van het riviergedeelte waarvoor het patent wordt aangevraagd. Aan de voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer de gegadigde het daartoe ingestelde examen met goed gevolg heeft afgelegd.
3.
De vaartijd moet zijn doorlopen op een schip voor het voeren waarvan respectievelijk het grote patent of het kleine patent vereist zou zijn. Als één jaar vaartijd gelden 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart.
4.
Bovendien moet het riviergedeelte, waarvoor het kleine patent wordt aangevraagd, als matroos, matroos-motordrijver, volmatroos of stuurman aan boord van een motorschip, voor het voeren waarvan een groot patent of een klein patent vereist zou zijn, in een tijdvak van tien jaren voorafgaand aan de aanvraag tenminste zestien maal zijn bevaren, waarvan binnen de laatste drie jaren tenminste drie maal in elke richting. Deze eis is niet van toepassing voor het riviergedeelte benedenstrooms van het Spijksche Veer.
1.
Degene die het sportpatent wil verkrijgen moet ten minste 18 jaar oud zijn en de nodige kwalificatie bezitten.
2.
Gekwalificeerd is degene die:
a. lichamelijk en geestelijk geschikt is om een schip te voeren.
De geschiktheid wordt aangetoond door het overleggen van een medische verklaring, als bedoeld in de bijlagen B1 en B2 , afgegeven door een arts, die door de bevoegde autoriteit is aangewezen;
b. geen strafbare feiten in de scheepvaart heeft begaan, terwijl uit voorgaand gedrag verwacht mag worden dat een schip veilig kan worden gevoerd;
c. bekwaam is, dat wil zeggen beschikt over de noodzakelijke vaardigheden en kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over voldoende kennis van de reglementen en van de vaarweg, in het bijzonder van het riviergedeelte waarvoor het patent wordt aangevraagd. Aan de voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer de gegadigde het daartoe ingestelde examen met goed gevolg heeft afgelegd.
3.
Bovendien moet het riviergedeelte waarvoor het sportpatent wordt aangevraagd met een schip met een lengte van 15 m of meer
a. hetzij ten minste zestien maal in een tijdvak van tien jaren voorafgaand aan de aanvraag, waarvan binnen de laatste drie jaren tenminste drie maal in elke richting,
b. hetzij binnen het kader van een vakkundige opleiding tenminste viermaal in elke richting in het laatste jaar voorafgaand aan de aanvraag zijn bevaren.
Deze eis is niet van toepassing voor het riviergedeelte benedenstrooms van het Spijksche Veer, noch op het riviergedeelte tussen de Mittlere Rheinbrücke te Bazel (km 166,64) en de sluizen te Iffezheim (km 335,92).
4.
Slechts reizen gemaakt vanaf de leeftijd van 15 jaar komen in aanmerking.
1.
Degene die het overheidspatent wil verkrijgen moet:
a. ten minste 21 jaar oud zijn;
b. deel uit maken van een politie- of douanedienst, een andere autoriteit dan wel van een erkende brandweerdienst;
c. lichamelijk en geestelijk geschikt zijn om een schip te voeren.
De geschiktheid wordt aangetoond door het overleggen van een medische verklaring, als bedoeld in de bijlagen B1 en B2, afgegeven door een arts, die door de bevoegde autoriteit is aangewezen;
d. bekwaam zijn, dat wil zeggen beschikken over de noodzakelijke beroepsmatige vaardigheden en kennis, ook in nautisch opzicht, alsmede over voldoende kennis van de reglementen en van de vaarweg, in het bijzonder van het riviergedeelte waarvoor het patent wordt aangevraagd.
Aan de eisen wordt geacht te zijn voldaan wanneer de gegadigde het daartoe ingestelde examen met goed gevolg heeft afgelegd;
e. ten minste drie jaren de binnenvaart in de praktijk hebben uitgeoefend, waarvan ten minste drie maanden gedurende het laatste jaar;
f. binnen een tijdvak van tien jaren voorafgaand aan de aanvraag moet het riviergedeelte, waarvoor het patent wordt aangevraagd, op een schip met een lengte van 15 m of meer ten minste zestien maal hebben bevaren, waarvan binnen de laatste drie jaren ten minste drie maal in elke richting. Deze eis is niet van toepassing voor het riviergedeelte benedenstrooms van het Spijksche Veer.
2.
De dienst waarvan de aanvrager deel uitmaakt moet een verklaring hebben afgegeven, waarin de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdelen b , e en f , wordt bevestigd.
1.
De vereiste vaartijd en de reizen op bepaalde riviergedeelten van de Rijn moeten worden aangetoond aan de hand van een behoorlijk ingevuld en gewaarmerkt dienstboekje, als bedoeld in de bijlage F van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn . Het dienstboekje moet door de bevoegde autoriteit zijn afgegeven. Het kan zijn opgesteld in de Duitse, Franse of Nederlandse taal.
2.
Voorzover een dienstboekje ingevolge het Reglement onderzoek schepen op de Rijn of ingevolge nationale voorschriften voor de vaarwegen buiten de Rijn niet is voorgeschreven, kunnen de reizen op bepaalde riviergedeelten van de Rijn en de vaartijd ook worden aangetoond door een geldig ambtelijk document, dat tenminste de volgende gegevens bevat:
a. soort, grootte, aantal passagiers, naam en vermogen van de schepen, waarop de aanvrager heeft gevaren;
b. de naam van de schipper;
c. het tijdstip van het begin en het einde van de reizen;
d. de uitgeoefende functie;
e. de bevaren riviergedeelten (precieze aanduiding met plaatsen van vertrek en aankomst).
3.
De vaartijd kan eveneens worden aangetoond met een vaarbewijs of een bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.05, derde lid, tot de omvang die voor het verkrijgen van dit bewijs reeds is aangetoond.
4.
De vaartijd op zee moet worden aangetoond door middel van een monsterboekje.
5.
De tijd doorgebracht op een vakschool voor schippers moet worden aangetoond door een getuigschrift van die school.
6.
Voor zover noodzakelijk, moeten de documenten, als bedoeld in het tweede tot en met het vijfde lid, vergezeld van een officiële vertaling in de Duitse, Franse of Nederlandse taal worden overgelegd.
1.
De bevoegde autoriteit benoemt één of meer examencommissies voor het afnemen van de examens. Iedere examencommissie bestaat uit een voorzitter, die vertegenwoordiger is van de overheid van één der Rijnoeverstaten of België, en tenminste twee bijzitters, die voldoende terzake kundig zijn.
2.
De examencommissie moet zo zijn samengesteld, dat tenminste één examinator houder is van het patent van het type dat wordt aangevraagd dan wel van het grote patent en deze, of een andere examinator, houder is van het patent voor het aangevraagde riviergedeelte.
1.
Degene die een Rijnpatent verkrijgen of uitbreiden wil moet een aanvraag voor toelating tot het examen en afgifte van het patent richten aan de bevoegde autoriteit, onder opgave van het volgende:
a. voor- en achternamen, geboortedatum, geboorteplaats en adres;
b. type patent dat men verkrijgen wil;
c. gedeelte van de Rijn waarvoor het patent wordt aangevraagd.
2.
Bij de aanvraag moeten worden overgelegd:
a. een recente pasfoto;
b. een medische verklaring als bedoeld in bijlage B2 , die niet ouder dan drie maanden mag zijn. Ingeval van twijfel aan de lichamelijke en geestelijke geschiktheid kan de bevoegde autoriteit verlangen dat verklaringen van een arts of een specialist worden overgelegd; de lichamelijke en geestelijke geschiktheid kan eveneens worden aangetoond met een geldig vaarbevoegdheidsbewijs, dat door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart is erkend en waarvoor dezelfde eisen gelden als bedoeld in bijlage B1 en B2 en als bedoeld in artikel 4.01;
c. voor zover vereist, een bewijs van de vaartijd en van de reizen op bepaalde riviergedeelten;
d. een kopie van de identiteitskaart of het paspoort;
e. voor zover vereist, een kopie van het marifoonbedieningscertificaat als bedoeld in bijlage 5 van de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de Binnenvaart.
3.
Het vereiste met betrekking tot de kwalificatie als bedoeld in de artikelen 2.01, tweede lid, onderdeel b, 2.02, tweede lid, onderdeel b, of 2.03, tweede lid, onderdeel b, moet door middel van
een uittreksel uit het strafregister of
een ander gelijkwaardig document worden aangetoond. Personen die hun domicilie hebben buiten het toepassingsgebied van dit reglement moeten een overeenkomstig geldig document overleggen dat is afgegeven ingevolge het geldende recht van hun woonplaats.
Deze documenten mogen in elk geval niet ouder zijn dan 6 maanden.
4.
Indien het patent tot een ander riviergedeelte moet worden uitgebreid, behoeft bij de aanvraag slechts een kopie van het patent en het bewijs van de reizen op het bedoelde riviergedeelte te worden bijgevoegd.
Wanneer een houder van een Rijnpatent een ander type Rijnpatent wenst te verkrijgen, kan de bevoegde autoriteit beslissen dat de bescheiden bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, of de documenten, bedoeld in het derde lid, niet opnieuw moeten worden overgelegd.
1.
De gegadigde die voldoet aan de vereisten als bedoeld in de artikelen 2.01, 2.02, of 2.03, met uitzondering van de artikelen 2.01, tweede lid, onderdeel c , 2.02, tweede lid, onderdeel c , of 2.03, tweede lid, onderdeel c , alsmede aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.02 wordt tot het examen toegelaten. Indien uit de medische verklaring slechts een beperkte geschiktheid blijkt, wordt de gegadigde toch tot het examen toegelaten. De bevoegde autoriteit kan in dit geval aan het patent voorwaarden verbinden, die bij afgifte in het patent worden aangetekend.
Een afwijzing van de aanvraag moet met redenen worden omkleed.
2.
De bevoegde autoriteit kan voor een gegadigde, die niet voldoet aan de eis als bedoeld in de artikelen 2.01, tweede lid, onderdeel b , 2.02, tweede lid, onderdeel b , of 2.03, tweede lid, onderdeel b , bepalen dat deze vóór afloop van een bepaalde termijn niet tot een examen kan worden toegelaten (uitsluitingstermijn).
1.
De gegadigde moet tijdens het examen voor de examencommissie aantonen dat hij overeenkomstig het examenprogramma bedoeld in de bijlage C:
a. beschikt over voldoende kennis van de voorschriften terzake van het voeren van schepen en de voor het veilig voeren daarvan vereiste nautische en scheepstechnische kennis, beroepsvaardigheden en kennis van de grondbeginselen van het voorkomen van ongevallen en
b. beschikt over de vereiste kennis van het betreffende riviergedeelte.
2.
Voor het verkrijgen van het grote patent en het kleine patent is met het oog op de vereisten met betrekking tot de vaartijd als bedoeld in de artikelen 2.01, eerste lid, en 2.02, eerste lid, een theoretisch examen, en voor het verkrijgen van het sportpatent en het overheidspatent een theoretisch en een praktisch examen vereist.
3.
Indien het examen niet wordt gehaald worden de redenen van afwijzing medegedeeld aan de gegadigde. De examencommissie kan aan het opnieuw deelnemen aan een examen verplichtingen of voorwaarden verbinden dan wel daarvoor vrijstellingen verlenen.
1.
Degene die het eindexamen van een beroepsopleiding met goed gevolg heeft afgelegd kan worden vrijgesteld van die gedeelten van het examen, die betrekking hebben op kennis en vaardigheden, die reeds onderwerp van een door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend examen waren.
2.
De houder van een bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in artikel 1.03, vierde lid, kan bij het verwerven van het sportpatent van dat gedeelte van het examen worden vrijgesteld dat betrekking heeft op nautische kennis.
3.
De houder van een vaarbewijs van één der Rijnoeverstaten of België dan wel een ander geldig en door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend bewijs van vaarbekwaamheid voor het voeren van een schip op andere vaarwegen moet voor het verkrijgen van een Rijnpatent voldoen aan de toelatingseisen als bedoeld in artikel 3.03, doch tijdens het examen slechts de kennis van de op de Rijn van toepassing zijnde reglementen en bepalingen en de kennis van het betreffende riviergedeelte aantonen.
4.
De houder van een overheidspatent verkrijgt op aanvraag een sportpatent voor hetzelfde riviergedeelte zonder daarvoor examen te doen.
5.
Voor het verkrijgen van een ander patent als bedoeld in artikel 1.04 of van een uitbreiding tot een ander riviergedeelte kan de houder van een Rijnpatent van dat deel van het examen worden vrijgesteld, dat betrekking heeft op de kennis of de vaardigheden, welke reeds voor het verkrijgen van zijn huidige patent moesten worden aangetoond. De patenten bedoeld in de artikelen 2.01, 2.02, 2.03 en 2.05 gelden op de riviergedeelten tussen Basel en de sluizen te Iffezheim alsmede benedenstrooms van het Spijksche Veer zonder dat zij tot die riviergedeelten zijn uitgebreid.
1.
De bevoegde autoriteit geeft aan degene die het examen met goed gevolg heeft afgelegd een Rijnpatent af volgens het model van de bijlage A1 .
Het model voor het kanaalspitsenpatent wordt vastgesteld door de bevoegde autoriteit.
Het is voorzien van respectievelijk één der navolgende opdrukken: «Groot Patent», «Klein Patent», «Sportpatent», of «Overheidspatent».
2.
De voorwaarden bedoeld in artikel 3.03, eerste lid, of de beperkingen bedoeld in artikel 5.02, derde lid, worden in het patent aangetekend.
3.
Voor de tijd gelegen tussen het slagen voor het examen en de afgifte van het patent volgens het model van de bijlage A1 , verstrekt de autoriteit die het patent afgeeft een voorlopig Rijnpatent volgens het model van de bijlage A2 .
4.
Ingeval van een uitbreiding kan een bevoegde autoriteit het document als bedoeld in het derde lid ook afgeven ter overbrugging van de tijd gelegen tussen het slagen voor het examen en de afgifte van het nieuwe Rijnpatent. In verband met de afgifte van een nieuw Rijnpatent wordt de autoriteit die het patent heeft afgegeven hiervan in kennis gesteld.
5.
De autoriteit die het patent heeft afgegeven geeft op verzoek een vervangend patent af indien het Rijnpatent onbruikbaar is geworden, verloren is gegaan of anderszins in het ongerede is geraakt. Dit patent wordt als zodanig gewaarmerkt. Het verlies moet bij de bevoegde autoriteit aannemelijk worden gemaakt. Een onbruikbaar geworden of een teruggevonden patent moet bij de autoriteit die het heeft afgegeven worden ingeleverd of worden voorgelegd teneinde ongeldig gemaakt te worden.
Artikel 3.07. Kosten
Het examen, de afgifte, de uitbreiding en het verstrekken van het Rijnpatent evenals het vervangen en het omruilen worden gedaan tegen een redelijke vergoeding van de kosten door de aanvrager. De hoogte van de kosten wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld. Deze kan de kosten geheel of ten dele vanaf het tijdstip van de aanvraag vorderen.
1.
De houder van het grote patent, het kleine patent of het sportpatent moet zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid opnieuw aantonen bij de autoriteit die het patent heeft afgegeven door het overleggen van een medische verklaring, als bedoeld in de bijlage B2, die niet ouder dan drie maanden mag zijn:
a. iedere vijf jaren vanaf het bereiken van de leeftijd van 50 jaar tot de leeftijd van 65 jaar;
b. ieder jaar vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
Bij het aantonen van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid kan deze autoriteit tot aan de ontvangst van het Rijnpatent een tijdelijke verklaring als vervangend document afgeven.
Het bewijs van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid kan ook bij een andere bevoegde autoriteit worden overgelegd. Deze autoriteit geleidt de bescheiden verder naar de autoriteit die het patent afgeeft en geeft zonodig een tijdelijke verklaring als vervangend document af.
2.
Onverminderd het eerste lid stelt de bevoegde autoriteit bij twijfel aan de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de houder van een patent de autoriteit die het patent heeft afgegeven hiervan in kennis. Deze kan verlangen dat een medische verklaring als bedoeld in de bijlage B2 over de huidige staat van lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt overgelegd. De kosten van de medische verklaring worden alleen dan gedragen door de houder van het patent indien het vermoeden gegrond blijkt te zijn.
3.
Indien uit de medische verklaring blijkt dat het om een beperkte geschiktheid gaat, kan de autoriteit die het afgeeft aan het patent voorwaarden verbinden, die daarin worden opgenomen.
1.
De geldigheid van een patent wordt opgeschort,
a. door een beslissing van de bevoegde autoriteit die daarbij de duur van het opschorten vaststelt. De bevoegde autoriteit kan een dergelijke beslissing tot opschorten nemen wanneer de voorwaarden voor intrekken nog niet zijn vervuld maar er twijfel bestaat aan de bekwaamheid van de patenthouder. Indien deze twijfel vóór het einde van de termijn van opschorten wordt weggenomen, dient de beslissing te worden ingetrokken;
b. automatisch zonder dat een dergelijke beslissing is genomen, tot aan de verlenging van het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid, indien de lichamelijke en geestelijke geschiktheid niet binnen 3 maanden na de verlengingstermijn, bedoeld in artikel 4.01, eerste lid, eerste volzin, opnieuw is aangetoond.
2.
In het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel a , moet het Rijnpatent bij de bevoegde autoriteit in bewaring worden gegeven.
3.
De bevoegde autoriteit deelt een door haar genomen beslissing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a , mede aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart en aan de autoriteit die het patent heeft afgegeven.
1.
De autoriteit die het patent heeft afgegeven moet het patent intrekken indien blijkt dat de houder van een Rijnpatent niet bekwaam is tot het voeren van een schip in de zin van de artikelen 2.01, 2.02 en 2.03.
2.
De autoriteit die het patent heeft afgegeven kan het patent intrekken indien de houder van een Rijnpatent herhaaldelijk een voorwaarde of een beperking als bedoeld in artikel 3.06, tweede lid, niet nakomt.
3.
Bij intrekking verliest het Rijnpatent haar geldigheid. Het ongeldige patent dient onverwijld bij de autoriteit die het patent heeft afgegeven te worden ingeleverd dan wel te worden overgelegd om ongeldig verklaard te worden.
4.
De autoriteit die het patent heeft afgegeven kan bij het intrekken bepalen dat
a. vóór het einde van een bepaalde termijn geen nieuw patent mag worden afgegeven, of
b. de kandidaat voor een nieuw patent, teneinde tot een nieuw examen te worden toegelaten, aan bepaalde voorwaarden moet hebben voldaan.
5.
Na ontvangst van de aanvraag tot het verstrekken van een nieuw patent kan de bevoegde autoriteit de gegadigde geheel of gedeeltelijk van het examen vrijstelling verlenen.
6.
De autoriteit die het patent intrekt deelt dit aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede. Indien een bevoegde autoriteit feiten vaststelt, die tot het intrekken van een patent kunnen leiden, stelt hij de autoriteit die het patent heeft afgegeven hiervan in kennis.
1.
Indien er dringende redenen aanwezig zijn om het patent in te trekken als bedoeld in artikel 4.03 of om de geldigheid daarvan op te schorten als bedoeld in artikel 4.02 eerste lid, aanhef en onderdeel a, kan de bevoegde autoriteit besluiten dat het patent tijdelijk wordt ingevorderd.
2.
Een patent dat tijdelijk is ingevorderd wordt onverwijld en onder opgave van redenen bij de autoriteit die het heeft afgegeven of bij de ingevolge de nationale voorschriften bevoegde rechtbank, overgelegd.
3.
De autoriteit die het patent heeft afgegeven moet onverwijld, nadat zij van het besluit van de tijdelijke invordering kennis heeft genomen, besluiten over het opschorten van de geldigheid van het patent of het intrekken daarvan. Indien een rechtbank bevoegd is, wordt besloten volgens de nationale voorschriften. Totdat een besluit als bedoeld in dit lid is genomen, geldt het besluit van de tijdelijke invordering tevens als een besluit als bedoeld in artikel 4.02, eerste lid, onderdeel a.
4.
Het tijdelijk invorderen van het patent moet worden opgeheven en het patent moet aan de houder worden teruggegeven, wanneer de reden daarvoor is komen te vervallen of een opschorting niet wordt voorgeschreven, dan wel het patent niet wordt ingetrokken.
1.
Patenten, afgegeven overeenkomstig de voorschriften die van toepassing zijn tot aan de inwerkingtreding van dit reglement dan wel waarvan de geldigheid volgens die voorschriften is verlengd, blijven geldig met inachtneming van die voorschriften tot de eerste vernieuwing van het bewijs van lichamelijke en geestelijke geschiktheid.
2.
Artikel 4.01 met betrekking tot de controle van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid is van toepassing op het in het eerste lid bedoelde Rijnschipperspatent, kleine patent en sportpatent, waarbij het anomaalquotiënt bij het kleuronderscheidingsvermogen 0,7 tot 3,0 mag bedragen. De houders van een patent die bij de inwerkingtreding van dit reglement reeds de leeftijd, bedoeld in artikel 4.01, eerste lid, onderdeel a , hebben bereikt moeten hun lichamelijke en geestelijke geschiktheid bij de eerstvolgende voorgeschreven onderzoeksdatum laten controleren. Bij de eerste verlenging van de gebleken lichamelijke en geestelijke geschiktheid wordt aan hun een patent volgens het model van de bijlage A1 afgegeven.
3.
De artikelen 4.02 en 4.03 zijn van toepassing op de patenten als bedoeld in het eerste lid.
1.
Geldige patenten als bedoeld in artikel 5.01, eerste lid, komen als volgt overeen met de patenten als bedoeld in artikel 1.04, eerste lid:
2.
Een geldig patent kan volgens de tabel in het eerste lid worden omgewisseld voor het gelijkwaardige patent voor hetzelfde riviergedeelte.
3.
De gegadigde die aantoont, dat hij voor de inwerkingtreding van dit reglement
a. een pleziervaartuig met een lengte van meer dan 15 m heeft gevoerd, krijgt op aanvraag een sportpatent voor het voeren van pleziervaartuigen met een waterverplaatsing van ten hoogste 15 m 3 , zonder daarvoor examen te doen. Als bewijs is een verklaring, afgegeven door een door de bevoegde autoriteit erkende watersportbond of een tot de erkende watersportbond behorende watersportvereniging, toereikend;
b. een ander schip met een lengte van meer dan 15 m heeft gevoerd, krijgt op aanvraag een klein patent voor het voeren van schepen met een waterverplaatsing van ten hoogste 15 m 3 , zonder daarvoor examen te doen. Als bewijs is een verklaring, afgegeven door de voor het te bevaren riviergedeelte bevoegde autoriteit, toereikend.
Artikel 5.03. – Berekenen van de vaartijd
De vaartijd en de reizen op bepaalde riviergedeelten, die vóór de inwerkingtreding van dit reglement zijn gemaakt, worden volgens de normen van de voorgaande voorschriften berekend.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. – Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. – Voorwaarden voor het verkrijgen van een rijnpatent
+ Hoofdstuk 3. – Toelatings- en examenprocedure
+ Hoofdstuk 4. – Controle en intrekking van de patenten
+ Hoofdstuk 5. – Overgangsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht