1.
Na de beraadslaging te hebben gesloten stelt de Voorzitter de stemming over een voorstel aan de orde.
2.
Wanneer geen der leden om stemming verzoekt stelt de Voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aanvaard.
3.
De Voorzitter bepaalt het tijdstip waarop de stemming zal plaatsvinden. Over een voorstel van orde wordt onmiddellijk gestemd, tenzij de Kamer anders besluit.
Artikel 106
Indien tijdens de beraadslaging over een voorstel moties zijn ingediend wordt hierover gestemd na de stemming over het voorstel, tenzij de Kamer anders besluit.
Artikel 107
Voor de stemming stelt de Voorzitter de leden in de gelegenheid korte verklaringen ter motivering van hun stem af te leggen.
Artikel 108
Stemmen geschiedt bij hoofdelijke oproeping, tenzij de Kamer op voorstel van de Voorzitter of van één der overige leden tot stemmen bij zitten en opstaan besluit. Indien de uitslag van een stemming bij zitten en opstaan naar het oordeel van de Voorzitter of dat van een der leden onduidelijk is, wordt hoofdelijk herstemd.
1.
Voor de hoofdelijke oproeping beslist het lot bij welk nummer van de presentielijst de oproeping een aanvang neemt. De Voorzitter brengt zijn stem als laatste uit.
2.
Ieder lid stemt met de woorden "voor" of "tegen", zonder enige bijvoeging.
1.
Behoudens in de gevallen, in de Grondwet voorzien, worden alle besluiten over zaken genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.
2.
Bij staken van stemmen wordt het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering. Staken ook dan de stemmen, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
Artikel 111
Indien tijdens de stemming blijkt dat het quorum, als bedoeld in artikel 74, niet meer aanwezig is, kan geen uitslag van de stemming worden vastgesteld. Zij wordt beschouwd als niet te zijn gehouden. De Voorzitter sluit, na te hebben geconstateerd dat het quorum niet aanwezig is, de vergadering.
Artikel 112
Indien een voorstel zonder stemming is aanvaard, kunnen leden die de wens daartoe te kennen geven in het officiële verslag doen aantekenen dat zij geacht willen worden zich niet met het voorstel te hebben kunnen verenigen. Een dergelijke aantekening wordt niet met redenen omkleed.
1.
Stemming over personen geschiedt schriftelijk.
2.
De Voorzitter benoemt bij iedere keuze een commissie van vier leden, die als stemopnemers zich ervan overtuigen dat het aantal stembiljetten dat van de aanwezige leden niet overtreft, de stembiljetten openen, de uitkomst der stemming vaststellen en bij monde van het eerstbenoemde lid bekendmaken.
Artikel 114
Niet, niet behoorlijk of niet duidelijk ingevulde stembriefjes zijn ongeldig.
Artikel 115
Voor het tot stand komen van een keuze als in artikel 113 bedoeld, wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht door het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.
1.
Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede, eveneens geheel vrije, stemming overgegaan.
2.
Indien daarbij wederom niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt een derde stemming gehouden over de twee personen die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd.
3.
Mocht toepassing van het bepaalde in het vorige lid niet kunnen plaatshebben doordat twee of meer personen een gelijk aantal stemmen op zich hebben verenigd, dan wordt eerst door afzonderlijke stemming uitgemaakt wie van hen in herstemming komt (komen).
Artikel 117
Indien bij de stemming over de vraag wie in herstemming komt (komen), de stemmen staken, of wanneer de stemmen bij eindstemming staken, beslist het lot.
1.
Wanneer de Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen, geeft zij daarvan kennis aan de Koning en aan de Tweede Kamer.
2.
Indien het voorstel door de Koning ingediend werd, richt de Kamer zich
a. tot de Koning met het volgende formulier:
"Aan de Koning, De Staten-Generaal hebben het voorstel aangenomen zoals het daar ligt".
b. tot de Tweede Kamer met het volgende formulier:
"Aan de Tweede Kamer, De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan de Tweede Kamer van het feit dat zij het voorstel van wet betreffende ..., op de ... aan haar door de Tweede Kamer toegezonden, heeft aangenomen."
3.
Indien het voorstel door de Tweede Kamer ingediend werd, richt de Kamer zich
a. tot de Koning met het volgende formulier:
"Aan de Koning, De Staten-Generaal hebben nevenstaand voorstel aangenomen. Zij verzoeken daarop de bekrachtiging van de Koning."
b. tot de Tweede Kamer met het volgende formulier:
"De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan de Tweede Kamer van het feit dat zij het van haar op de ... ontvangen voorstel betreffende ... heeft aangenomen en daarop namens de Staten-Generaal de bekrachtiging van de Koning heeft verzocht."
1.
Wanneer de Kamer een voorstel van wet heeft verworpen, geeft zij daarvan kennis op de in het tweede en derde lid aangegeven wijze.
2.
Indien het voorstel door de Koning werd ingediend, richt de Kamer zich
a. tot de Koning met het volgende formulier:
"Aan de Koning, De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft nevenstaand voorstel verworpen."
b. Tot de Tweede Kamer met het volgende formulier:
"Aan de Tweede Kamer, De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kamer kennis van het feit dat zij het voorstel van wet betreffende ..., op de ... aan haar toegezonden, heeft verworpen."
3.
Indien het voorstel door de Tweede Kamer ingediend werd, richt de Kamer zich tot die Kamer met het volgende formulier:
"Aan de Tweede Kamer, De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft onvoldoende reden gevonden de Koning te verzoeken het hierbij teruggaande voorstel te bekrachtigen."
1.
De Voorzitter is belast met het doen opmaken en ondertekenen van de formulieren, bedoeld in bovenstaande artikelen en het doen verzenden aan de Koning en aan de Tweede Kamer.
2.
Opmaken, ondertekenen en verzenden van de formulieren geschiedt zo spoedig mogelijk nadat de Kamer heeft besloten een voorstel al dan niet te aanvaarden.
Inhoudsopgave
- Inleidende bepaling
+ Hoofdstuk I. Toelating en ontslag van de leden
+ Hoofdstuk II. Inrichting van de Kamer
+ Hoofdstuk III. Vaste en bijzondere commissies
+ Hoofdstuk IV. Commissieverslag
+ Hoofdstuk V. Algemene bepalingen betreffende de vergaderingen
+ Hoofdstuk VI. Voeren van het woord
- Hoofdstuk VII. Stemmingen over zaken en personen
+ Hoofdstuk VIII. Officieel verslag
+ Hoofdstuk IX. Recht van enquête, van interpellatie en het stellen van vragen
+ Hoofdstuk X. Verzoekschriften
+ Hoofdstuk XI. Behandeling van verdragen
+ Hoofdstuk XII. Behartiging van aangelegenheden van het Koninkrijk
+ Hoofdstuk XIIa. Integriteit
+ Hoofdstuk XIII. Wijzigingen in het reglement
+ Hoofdstuk XIV. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht