Let op. Deze wet is vervallen op 1 februari 2006. U leest nu de tekst die gold op 31 januari 2006.

Reglement voor de kamer voor het kwekersrecht

Uitgebreide informatie
Besluit van 7 april 1967, ter uitvoering van bepalingen van Hoofdstuk IV, Afdeling VI, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 17 februari 1967, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 70/667 mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij;
Gelet op artikel 68 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet;
De Raad van State gehoord (advies van 8 maart 1967, nr. 35);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 31 maart 1967, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht nr. 132/667, mede namens Onze Minister van Landbouw en Visserij;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
De raden en de plaatsvervangende raden in de kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage, belast met de beslissing inzake beroepen als bedoeld in artikel 60 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet worden benoemd tot eerste raad en tweede raad en tot plaatsvervangers van de eerste raad en van de tweede raad.
2.
De bepaling van het vorige lid heeft geen betrekking op de rang van benoeming.
1.
De rang van benoeming der raden, onderscheidenlijk plaatsvervangende raden van de in artikel 1 bedoelde kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage wordt bepaald naar de dag waarop het besluit van hun eerste benoeming door Ons is getekend.
2.
De rang van benoeming van verschillende op éénzelfde dag benoemde leden of plaatsvervangende leden wordt, indien hun benoeming bij hetzelfde besluit plaatsvindt, bepaald door de volgorde hunner namen en, indien zij bij verschillen besluiten benoemd zijn, door de volgorde dezer besluiten.
3.
Bij het gerechtshof te 's-Gravenhage wordt door de griffier een lijst gehouden, waarop de namen van de raden en de plaatsvervangende raden in de in artikel 1 bedoelde kamer van dat gerechtshof worden geplaatst, met vermelding van ieders rang van benoeming.
Artikel 3
De raden en de plaatsvervangende raden in de in artikel 1 bedoelde kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage zullen, elk naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, alvorens in bediening te treden, de eed (belofte) afleggen:
"Dat zij getrouw zullen zijn aan de Koning en de grondwet zullen onderhouden en nakomen.
Dat zij, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel, tot het verkrijgen hunner aanstelling aan iemand, wie hij ook zij, iets hebben gegeven of beloofd, noch zullen geven of beloven.
Dat zij nimmer enige giften of geschenken zullen aannemen of ontvangen van enig persoon, welke zij weten of vermoeden enig rechtsgeding of zaak te hebben of te zullen krijgen, in welke hun ambtsverrichtingen zouden kunnen te pas komen.
Dat zij zich niet zullen belasten met de consultatie omtrent en de verdediging van zaken, welke bij hen in behandeling zijn of waarvan zij weten of vermoeden, dat deze door hen behandeld zullen worden.
Dat zij zich directelijk noch indirectelijk over enige door hen behandelde aangelegenheid, of die zij weten of vermoeden, dat door hen behandeld zullen worden, in enig bijzonder onderhoud of gesprek zullen inlaten met partijen of dezelver advocaten, procureurs of gemachtigden noch daarover enige bijzondere onderrichting, memorie of schrifturen zullen aannemen.
Dat zij voorts hun posten met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zullen waarnemen en zich in de uitoefening van hun bediening gedragen zoals brave en eerlijke ambtenaren betaamt".
1.
De eed (belofte), voorgeschreven bij het voorgaande artikel, zal worden afgelegd in handen van de Hoge Raad.
2.
Van het afleggen van de eed (belofte) wordt een akte opgemaakt.
3.
De eed (belofte) wordt afgenomen op requisitoir van het openbaar ministerie, op een rechtsdag voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemd.
1.
De griffier van de Hoge Raad houdt een register, waarin hij de besluiten, bevattende de benoeming van de raden en plaatsvervangende raden in de in artikel 1 bedoelde kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage die voor zijn college tot het afleggen van de eed (belofte) zijn toegelaten, inschrijft.
2.
De griffier schrijft tevens in de akten van de door hen afgelegde eden (beloften). Een uittreksel uit het register van deze akten, de akte van de door hem afgelegde eed (belofte) bevattende, wordt aan iedere ambtenaar, in het eerste lid bedoeld, uitgereikt.
Artikel 6
De installatie van de raden en plaatsvervangende raden in de in artikel 1 bedoelde kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage bestaat in de voorlezing op de terechtzitting der akte van de afgelegde eed (belofte) door de griffier of door degene, die diens functie waarneemt.
1.
De griffier is gehouden, de raden en plaatsvervangende raden in de in artikel 1 bedoelde kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage bij te staan in de gevallen, waarin zulks is vereist.
2.
De raden en plaatsvervangende raden kunnen de processtukken, ter griffie berustende, te hunnen huize ontvangen tegen ontvangstbewijs.
3.
De raden en plaatsvervangende raden ontvangen van de griffier de nodige kennisgeving van de terechtzittingen en andere bijeenkomsten, waarbij zij tegenwoordig moeten zijn.
Artikel 8
Aan de raden en de plaatsvervangende raden in de in artikel 1 bedoelde kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage wordt een vergoeding toegekend met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de raadsheren-plaatsvervangers.
Artikel 9
Iedere raad of plaatsvervangende raad in de in artikel 1 bedoelde kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage die weet, dat er enige reden van wraking tegen hem bestaat, is gehouden deze aan de voorzitter van de kamer op te geven.
1.
In alle zaken doet de voorzitter hoofdelijk omvraag. Hij vraagt hierbij het advies van een jonger benoemd lid voor dat van een ouder. Hij zelf brengt het laatst advies uit.
2.
Een afwezig lid kan zijn advies noch door een van zijn medeleden doen voordragen, noch hetzelve schriftelijk indienen.
3.
Wanneer er meer dan twee verschillende gevoelens zijn uitgebracht, zal het besluit worden opgemaakt op de wijze, die het meest overeenkomt met het gevoelen der meerderheid.
1.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Reglement voor de kamer voor het kwekersrecht.
2.
Dit besluit treedt in werking tegelijk met de Zaaizaad- en Plantgoedwet .
Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 7 april 1967
De Minister van Justitie,
De Minister van Landbouw en Visserij,
Uitgegeven de tweede mei 1967.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht