Let op. Deze wet is vervallen op 29 december 2005. U leest nu de tekst die gold op 28 december 2005.

Reïntegratie-instrumenten-besluit Wet REA

Uitgebreide informatie
Besluit van 12 mei 1998 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 15, 18, 22, 29, 31 en 32 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Reïntegratie-instrumenten-besluit Wet REA)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 februari 1998, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/WV/98/931;
Gelet op de artikelen 15, 18, 22, 29, 31 en 32 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;
De Raad van State gehoord (advies van 16 maart 1998, nr. W12.98.0069);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 april 1998, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/WV/98/1985;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Algemene begrippen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Wet: de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten ;
b. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ , de WAJONG of de WAO ;
c. theoretische verdiencapaciteit: het bij of krachtens artikel 2 van de WAZ, artikel 2 van de WAJONG of artikel 18 van de WAO vastgestelde inkomen of loon dat een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet nog zou kunnen verdienen.
1.
Een subsidie als bedoeld in artikel 16 van de Wet en een voorziening als bedoeld in artikel 22 en 31 van de Wet, wordt niet verstrekt indien kosten zijn gemaakt ten behoeve van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn of waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.
2.
In afwijking van het eerste lid kan een subsidie als bedoeld in artikel 16 van de Wet en een voorziening als bedoeld in artikel 22 en 31 van de Wet, wel verstrekt worden indien deze dient ter vergoeding van kosten of voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn en niet op grond van een andere wettelijke regeling worden vergoed of verstrekt en vrijwel uitsluitend zijn geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kunnen worden gebruikt voor of in de werksituatie.
3.
Bij de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verstrekking van een voorziening uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.
Artikel 3. De aanvraag voor subsidie
Bij een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 16 van de Wet verstrekt de werkgever ten minste de volgende gegevens:
a. het aansluitingsnummer van de werkgever bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
b. het sociaal-fiscaal nummer van de werknemer;
c. de naam van de werknemer;
d. de datum van aanvang en de aard en de omvang van de dienstbetrekking;
e. het loon van de werknemer;
f. een overzicht van de gemaakte of de te maken kosten;
g. een onderbouwing van de noodzaak tot het maken van de kosten;
h. gegevens waaruit blijkt op grond waarvan de werknemer door de werkgever als arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt; en
1.
Bij de beoordeling en de berekening van de kosten, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet wordt de omzetbelasting buiten beschouwing gelaten, tenzij de werkgever aantoont dat deze door hem niet kan worden verrekend.
2.
Indien het totaal van de kosten, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wet, meer bedraagt dan € 22 689 wordt bij de bepaling van de hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 16, van de Wet, rekening gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de werkgever bij de te treffen voorziening. De vaststelling van het bedrijfseconomisch voordeel geschiedt met inachtneming van de in het maatschappelijk verkeer aanvaarde bedrijfseconomische normen.
Artikel 5b. Geen subsidie bij geringe kosten
Een subsidie als bedoeld in artikel 16 van de Wet wordt niet verstrekt indien de kosten, bedoeld in dat artikel, minder bedragen dan 1,85 maal het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat artikel luidde op 1 januari van het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt.
1.
Een beschikking tot subsidieverstrekking kan op aanvraag van de werkgever door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden herzien, indien de periode van 3 jaar respectievelijk 1 jaar, bedoeld in artikel 16 van de Wet, voortijdig wordt beëindigd op initiatief van de werknemer of omdat de werknemer wegens arbeidsongeschiktheid definitief niet in de dienstbetrekking terugkeert terwijl de werkgever kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wet. De bedragen, genoemd in artikel 16 van de Wet, worden verlaagd naar evenredigheid van de kortere duur van de dienstbetrekking.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nadat de kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn gemaakt, vaststelt dat bij de werkgever geen passende arbeid aanwezig is.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld in verband met de uitvoering van dit artikel.
Artikel 5d. Voortzetting subsidie na het bereiken 65-jarige leeftijd
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan een werkgever ten behoeve van een persoon die niet meer als arbeidsgehandicapte werknemer kan worden beschouwd omdat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, subsidie verstrekken als bedoeld in artikel 16, van de Wet, ten behoeve van de voortzetting van een voorziening waarvoor kosten zijn gemaakt waarvoor reeds een subsidie is verleend, indien die persoon de inkomensvormende arbeid ten behoeve waarvan de kosten laatstelijk zijn gesubsidieerd nog in ongeveer gelijke mate verricht.
Artikel 6. Op het individu gerichte voorzieningen
Een voorziening als bedoeld in artikel 22 en 31 van de Wet wordt slechts toegekend indien deze in overwegende mate op het individu is gericht.
1.
Een voorziening als bedoeld in artikel 22 en 31 van de Wet wordt niet toegekend indien de waarde van de voorziening minder bedraagt dan 1,85 maal het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
2.
Indien de gezamenlijke waarde van voorzieningen als bedoeld in artikel 22 of 31 van de Wet, die in een kalenderjaar zijn aangevraagd, een bedrag ter grootte van 1,85 maal het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag overtreft, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen die voorzieningen toekennen.
Artikel 7a. Medisch geïndiceerde reïntegratietrainingen niet-werknemers
Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet worden niet verstaan medisch geïndiceerde reïntegratietrainingen of de vergoeding van kosten daarvan.
1.
Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel a, van de Wet, worden niet verstaan opleiding of scholing of de vergoeding van kosten daarvan ten behoeve van de arbeidsgehandicapte aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen werkzaamheden ter bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet, aanbiedt of heeft aangeboden, terwijl die werkzaamheden worden verricht door een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt onder voorzieningen als bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel a, van de Wet verstaan opleiding of scholing of de vergoeding van kosten daarvan ten behoeve van de arbeidsgehandicapte aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen werkzaamheden ter bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet, aanbiedt of heeft aangeboden, terwijl die werkzaamheden, uit hoofde van een overeenkomst waarvan de looptijd is aangevangen voor 1 juli 2003, worden verricht door een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert.
3.
Tot een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip is het eerste lid niet van toepassing ten aanzien van arbeidsgehandicapten die een opleiding of scholing volgen, verzorgd door een scholingsinstituut als bedoeld in artikel 44 van de Wet.
Artikel 7c
Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel a, van de Wet worden niet verstaan opleiding of scholing aan een scholings-instituut als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Wet REA, of de vergoeding van kosten daarvan, voorzover voor die scholings- of opleidingsplaatsen niet tevens subsidie op grond van artikel 44, eerste lid, van de Wet REA is verstrekt.
1.
Vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 22, eerste, tweede, derde en vijfde lid, en 31 van de Wet, worden niet toegekend of worden beëindigd, indien het inkomen van de persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is toegekend, in het kalenderjaar waarin de voorziening is aangevraagd of voortzetting van een toegekende voorziening wordt overwogen, meer bedraagt dan 261 maal 70% van het maximum dagloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, en 9a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
2.
Indien het inkomen van de persoon, bedoeld in het eerste lid, in betekenende mate aan fluctuaties onderhevig is, wordt voor de toepassing van het eerste lid de som van het inkomen over het in het eerste lid genoemde kalenderjaar en het inkomen over de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren gedeeld door drie.
3.
Onder vervoersvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval verstaan een bruikleenauto, een taxikostenvergoeding en een kilometervergoeding voor het gebruik van een eigen auto of van een bruikleenauto.
4.
Bij ministeriële regeling:
a. worden regels gesteld over de wijze van vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, waarbij kan worden bepaald, dat bij de vaststelling van het inkomen mede in aanmerking wordt genomen het inkomen van de echtgenoot, de partner of van een ander gezinslid van de in het eerste lid bedoelde persoon;
b. kan het in het eerste lid bedoelde percentage voor categorieën van personen worden verhoogd; en
c. kan worden bepaald dat het eerste lid geen toepassing vindt bij de toekenning van nader te bepalen vervoersvoorzieningen.
5.
Beëindiging van de vervoersvoorziening wegens overschrijding van de inkomensgrens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met ingang van de datum gelegen zes maanden nadat de persoon aan wie de voorziening is toegekend van de voorgenomen beëindiging in kennis is gesteld.
Artikel 9. Onderwijsvoorzieningen
Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de Wet worden niet verstaan:
a. voorzieningen op het gebied van onderwijs die behoren tot de verstrekkingen waarvoor een regeling is getroffen onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
b. personele onderwijsfaciliteiten, waaronder in ieder geval worden verstaan activiteiten als remedial teaching, ambulante begeleiding of het geven van begeleidingslessen;
c. met ingang van het schooljaar 2002/2003, voorzieningen voor het vervoer van leerlingen naar en van een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs , de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs , tenzij artikel V van de wet van 17 januari 2002 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het vervoer van leerlingen (Stb. 2002, 59) van toepassing is;
d. voorzieningen verband houdende met dyslexie.
1.
Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, en 31, derde lid, van de Wet, wordt slechts verleend indien daarmee de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen worden opgeheven of verminderd.
2.
Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de Wet, wordt slechts verleend indien op grond van artikel 22, eerste, derde of vierde lid, van de Wet, een vervoersvoorziening is verleend.
3.
Indien de vervoersvoorziening, toegekend op grond van artikel 22, eerste of derde lid, of op grond van artikel 31, tweede lid, van de Wet, wordt beëindigd omdat de persoon aan wie de voorziening is verstrekt vanwege het bereiken van de leeftijd van 65 jaar niet meer als arbeidsgehandicapte kan worden beschouwd, wordt de leefvervoersvoorziening, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, en 31, derde lid, van de Wet, eveneens beëindigd.
4.
Na beëindiging van een vervoersvoorziening, toegekend op grond van artikel 22, eerste, derde of vierde lid, of op grond van artikel 31, tweede lid, van de Wet, om andere redenen dan die genoemd in het derde lid, wordt de leefvervoersvoorziening voortgezet gedurende de termijn die is voorzien in de beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarbij de voorziening is toegekend, doch ten hoogste voor de duur van twaalf maanden.
1.
Een voorziening in de vorm van persoonlijke ondersteuning kan uitsluitend worden toegekend op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel b, van de Wet. De toekenning, bedoeld in de eerste zin, kan bestaan uit het beschikbaar stellen van persoonlijke ondersteuning of uit vergoeding voor de kosten van persoonlijke ondersteuning.
2.
De voorziening, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien:
a. de persoonlijke ondersteuning bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma op de werkplek en een systematische begeleiding van de arbeidsgehandicapte werknemer gericht op het behouden van de arbeidsplaats;
b. de arbeidsgehandicapte werknemer zonder een systematische begeleiding niet in staat zou zijn de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten;
c. de persoonlijke ondersteuning wordt gegeven door een persoon die verbonden is aan een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen erkende rechtspersoon die tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als persoonlijke ondersteuning als bedoeld onder a.
3.
De voorziening, bedoeld in het eerste lid, kan in het eerste, tweede, derde en de daarop volgende jaren, worden toegekend voor een aantal uren dat correspondeert met respectievelijk 15%, 7.5% en 6% van het aantal door de arbeidsgehandicapte werknemer te werken uren per kalenderjaar.
4.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan van de in het derde lid bedoelde percentages afwijken voorzover toepassing daarvan gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
1.
Onder een communicatievoorziening voor doven als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de Wet, wordt uitsluitend verstaan een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker die is erkend door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De toekenning van een voorziening als bedoeld in de eerste zin, kan bestaan uit het beschikbaar stellen van een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker of uit een vergoeding van de kosten voor het gebruik van een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker.
2.
De voorziening, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste worden toegekend voor het aantal uren dat overeenkomt met 15% van het aantal door de arbeidsgehandicapte werknemer te werken uren per kalenderjaar.
3.
Het eerste, tweede en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij de toekenning van een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker op grond van artikel 22, derde lid, van de Wet.
4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij de toekenning van een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker op grond van artikel 22, eerste of vierde lid, van de Wet.
5.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan van het in het tweede lid bedoelde percentage afwijken voorzover toepassing daarvan gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 13. Voortzetting voorzieningen na bereiken 65-jarige leeftijd
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 22 of 31 van de Wet, aan een persoon die vanwege het bereiken van de leeftijd van 65 jaar niet meer als arbeidsgehandicapte kan worden beschouwd voortzetten, indien hij de inkomensvormende arbeid waarvoor de voorziening laatstelijk werd toegekend nog in ongeveer gelijke mate verricht.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan indien een of meer feiten op grond waarvan een voorziening als bedoeld in artikel 22 of 31, tweede lid onderdeel a, of derde lid, van de Wet, is toegekend, zodanig wijzigen dat de toekenning van de voorziening niet langer is aangewezen, of indien een met betrekking tot een voorziening afgesloten bruikleencontract afloopt, een belanghebbende de niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming verleende voorziening doen behouden of doen kopen, voor een prijs die de op dat moment in het maatschappelijke verkeer geldende waarde van een dergelijke voorziening niet te boven gaat.
2.
Indien de voorziening, bedoeld in het eerste lid, een vervoermiddel betreft, wordt bij het bepalen van de prijs, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van de voorziening zonder specifieke aanpassingen.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten op aanvraag inkomenssuppletie toekennen, indien zijn inkomen uit het bedrijf of beroep lager is dan zijn theoretische verdiencapaciteit.
2.
De inkomenssuppletie wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf of beroep wordt uitgeoefend, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de datum met ingang waarvan de inkomenssuppletie voor het eerst is toegekend.
3.
De inkomenssuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing en inhouding aangemerkt als een uitkering op grond van de WAZ .
1.
De hoogte van de inkomenssuppletie bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar 100%,
b. gedurende het tweede jaar 75%,
c. gedurende het derde jaar 50% en
d. gedurende het vierde jaar 25%,
van het verschil tussen het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de theoretische verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot het feitelijk door betrokkene per uur verdiende inkomen en het bedrag van de feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of, indien geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, het bedrag van de theoretische verdiencapaciteit, met dien verstande dat de inkomenssuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn theoretische verdiencapaciteit.
2.
Indien betrokkene in het bedrijf of beroep minder uren werkt dan waartoe hij bij de theoretische vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in staat wordt geacht, wordt het bedrag van de inkomenssuppletie vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren waarin in het bedrijf of beroep arbeid wordt verricht en de noemer door het aantal uren waarop de resterende theoretische verdiencapaciteit is gebaseerd.
3.
De inkomenssuppletie bedraagt tezamen met het inkomen uit het bedrijf of beroep en, indien van toepassing,
a. het loon,
b. de loonsuppletie, bedoeld in artikel 17,
c. een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
d. een uitkering op grond van de Ziektewet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering,
e. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, of
f. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg,
niet meer dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel 2 van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong.
1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet, die arbeid in dienstbetrekking aanvaardt op aanvraag loonsuppletie toekennen, indien het loon lager is dan zijn theoretische verdiencapaciteit.
2.
De loonsuppletie wordt verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de datum met ingang waarvan voor de eerste maal loonsuppletie is toegekend.
3.
Als perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het tweede lid worden eveneens aangemerkt, perioden waarin een uitkering op grond van de Ziektewet of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is geëindigd.
4.
De loonsuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing en inhouding aangemerkt als een uitkering op grond van de WAO .
1.
De hoogte van de loonsuppletie bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar 100%,
b. gedurende het tweede jaar 75%,
c. gedurende het derde jaar 50% en
d. gedurende het vierde jaar 25%
van het verschil tussen het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de theoretische verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot het feitelijk door betrokkene per uur verdiende loon en het bedrag van de feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of, indien geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, het bedrag van de theoretische verdiencapaciteit, met dien verstande dat de loonsuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn theoretische verdiencapaciteit.
2.
Indien betrokkene in de dienstbetrekking waarvoor loonsuppletie wordt verstrekt minder uren werkt dan waartoe hij bij de theoretische vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in staat wordt geacht, wordt het bedrag van de loonsuppletie vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren waarin in deze dienstbetrekking arbeid wordt verricht en de noemer door het aantal uren waarop de resterende theoretische verdiencapaciteit is gebaseerd.
3.
De loonsuppletie bedraagt tezamen met het loon en, indien van toepassing,
a. het inkomen uit bedrijf of beroep,
b. de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 15,
c. een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
d. een uitkering op grond van de Ziektewet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering,
e. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, of
f. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg,
niet meer dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel 2 van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong.
Artikel 19. Overgangsbepaling vervoermiddelen WVG
Artikel 14 is van overeenkomstige toepassing op de persoon ten aanzien van wie de bruikleen van een vervoermiddel, met inachtneming van artikel 23 van de Wet voorzieningen gehandicapten, na inwerkingtreding van die wet is voortgezet.
Artikel 20. Inwerkingtreding
Indien het bij koninklijke boodschap van 1 september 1997 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van nieuwe regels met betrekking tot de (re)integratie van arbeidsgehandicapten ( Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten ) (25 478) tot wet wordt verheven, treedt dit besluit in werking op het tijdstip waarop artikel 15 van die wet in werking treedt.
Artikel 21. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 12 mei 1998
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven zesentwintigste mei 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemeen
+ Hoofdstuk II. Subsidie werkgever ex artikel 16 van de Wet
+ Hoofdstuk III. Voorzieningen arbeidsgehandicapten
+ Hoofdstuk IV. Inkomenssuppletie
+ Hoofdstuk V. Loonsuppletie
+ Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht