Besluit van 1 maart 2014 houdende voorschriften ter uitvoering van de Remigratiewet en tot wijziging van enige andere algemene maatregelen van bestuur (Remigratiebesluit)
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 augustus 2013, nr. 2013-0000117426 en van 2 november 2012, nr. KO/B/2012/16341;
Gelet op de artikelen 6aa, zesde lid, 6b, zevende lid, 7, eerste lid, en 8, tweede lid, van de Remigratiewet, 14a, tiende lid, van de Toeslagenwet, 27a, tiende lid, van de Werkloosheidswet, 48, tiende lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 21, tiende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 29a, tiende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 2:69, tiende lid, en 3:40, tiende lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, 91, tiende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 45a, tiende lid, van de Ziektewet, 17a, negende lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 39, negende lid, van de Algemene nabestaandenwet, 17c, tiende lid, van de Algemene Ouderdomswet, 20a, negende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 20a, negende lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 18a, negende lid, en 47g, negen de lid, van de Wet werk en bijstand, 14, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en 1.50, tweede lid, en 2.6, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 oktober 2013, no.W12.13.0302/III en van 13 december 2012, No. W12.12.0452/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 februari 2014, nr. 2013-000018730;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. remigratie-uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet;
b. wet: Remigratiewet .
2.
Onder partner wordt in de artikelen 2, derde lid, 6, 7, vijfde, zesde en zevende lid, 8, eerste tot en met vierde lid, en 10, tweede lid, mede verstaan de bij vertrek van de remigrant uit Nederland in het bestemmingsland verblijvende echtgenoot of geregistreerde partner.
3.
Onder kind wordt in de artikelen 2, derde lid, 8, vierde lid, 9, eerste en tweede lid, en 10, tweede lid, mede verstaan het bij vertrek van de remigrant uit Nederland in het bestemmingsland verblijvende minderjarige eigen kind, stiefkind of pleegkind.
1.
Het bruto bedrag van de remigratie-uitkering wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
2.
Het bruto bedrag van de remigratie-uitkering kan per bestemmingsland verschillend worden vastgesteld.
3.
Het bruto bedrag van de remigratie-uitkering is verschillend al naar gelang er sprake is van een alleenstaande remigrant, een remigrant met partner, dan wel van een alleenstaande remigrant met een kind.
4.
Het bruto bedrag van de remigratie-uitkering kan verschillend zijn:
a. afhankelijk van de loonheffing die op de remigratie-uitkering moet worden ingehouden, waarbij:
1°. voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet hebben bereikt uitsluitend rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, en
2°. voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt rekening wordt gehouden met de toepasselijke heffingskortingen op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 ;
b. al naar gelang de remigrant of zijn partner rechthebbende zijn op verstrekkingen voor medische zorg op grond van een verdrag tussen Nederland en het bestemmingsland of de Verordening (EG) 883/04 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.
5.
De hoogte van het bruto bedrag van de remigratie-uitkering wordt bepaald naar de toestand op de datum van vertrek uit Nederland, een en ander onverminderd de artikelen 7, 8, tweede lid, en 10.
1.
De bruto bedragen van de remigratie-uitkering, bedoeld in artikel 2, worden jaarlijks gewijzigd aan de hand van de helft van het percentage waarmee in het voorafgaande kalenderjaar de bijstandsnormen met toepassing van artikel 38, eerste en tweede lid, van de Participatiewet zijn gewijzigd.
2.
De bruto bedragen van de remigratie-uitkering, bedoeld in artikel 2, kunnen door Onze Minister worden gewijzigd indien de noodzakelijke kosten van bestaan in het bestemmingsland dusdanig wijzigen dat daartoe aanleiding bestaat.
1.
De remigratie-uitkering wordt per maand uitbetaald.
2.
Indien de netto remigratie-uitkering minder dan € 25 bedraagt, kan de som van de remigratie-uitkeringen eenmaal per jaar worden uitbetaald.
1.
Het bruto bedrag van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
2.
De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, en 3, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het bedrag, bedoeld in het eerste lid.
3.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt per maand uitbetaald.
1.
Op het bruto bedrag van de remigratie-uitkering wordt in mindering gebracht het bruto bedrag van de uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten , de Algemene Ouderdomswet , de Algemene nabestaandenwet en de Toeslagenwet , waarop de remigrant of zijn partner over de maand waarover de remigratie-uitkering verstrekt wordt, aanspraak heeft.
2.
In het bruto bedrag van een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet wordt niet begrepen de tegemoetkoming op grond van artikel 29a van die wet.
3.
Op de remigratie-uitkering wordt niet in mindering gebracht het bruto bedrag van de tegemoetkoming op grond van artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet, waarop de remigrant of zijn partner over de maand waarover de remigratie-uitkering wordt verstrekt aanspraak heeft.
1.
Het recht op de remigratievoorzieningen gaat in op de eerste dag na die van vertrek van de remigrant naar het bestemmingsland.
2.
Het recht op de remigratievoorzieningen, bedoeld in het eerste lid, gaat in ieder geval niet eerder in dan op de eerste dag van de maand na die waarop het besluit op de aanvraag is genomen.
3.
De Sociale verzekeringsbank kan het tweede lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van de remigrant, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.
Indien de remigrant een aanvraag tot remigratievoorzieningen indient nadat hij uit Nederland is vertrokken, gaat het recht op de remigratievoorzieningen, bedoeld in de artikelen 4, derde lid, en 11, eerste lid, van de wet, in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daarvoor is ingediend.
5.
Het recht op de remigratievoorzieningen van de remigrant en zijn partner, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, gaat in op de eerste dag van de maand waarin de remigrant is opgehouden met zijn partner een gezamenlijke huishouding te voeren.
6.
Het recht op de remigratievoorzieningen van de remigrant of zijn partner, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, gaat in op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand waarin de remigrant of zijn partner is overleden.
7.
Het recht op de remigratievoorzieningen van de minderjarige kinderen, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet, gaat in op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand waarin de remigrant en zijn partner niet meer in leven zijn.
1.
Het recht op de remigratievoorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en 11, eerste lid, van de wet, vervalt met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of zijn partner.
2.
Het recht op de remigratievoorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en 11, eerste lid, van de wet, wordt omgezet in een recht op de voorzieningen, bedoeld in die artikelen, als ware de remigrant een alleenstaande remigrant met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de remigrant is opgehouden met zijn partner een gezamenlijke huishouding te voeren.
3.
Het recht op de remigratievoorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet, vervalt met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of zijn partner.
4.
Na een overlijden als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid worden de nog verschuldigde remigratievoorzieningen verstrekt aan achtereenvolgens:
a. de partner of de remigrant;
b. indien deze er niet zijn: de kinderen of
c. indien deze er niet zijn: de persoon of personen die daarvoor naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank uit billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt of komen, mits deze binnen zes maanden na het overlijden een daartoe strekkend verzoek bij de Sociale verzekeringsbank heeft of hebben ingediend.
1.
Met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand van overlijden van een kind dan wel met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op de maand waarin een kind niet langer minderjarig is, vervalt het recht, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet, op het evenredig deel, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet.
2.
Na het overlijden, bedoeld in het eerste lid, worden de nog verschuldigde voorzieningen verstrekt aan de persoon of personen die daarvoor naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank uit billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt onderscheidenlijk komen, mits deze binnen zes maanden na het overlijden een daartoe strekkend verzoek bij de Sociale verzekeringsbank heeft onderscheidenlijk hebben ingediend.
1.
Ingeval twee alleenstaande remigranten die ieder afzonderlijk recht hebben op de remigratievoorzieningen een gezamenlijke huishouding gaan voeren, hun partnerschap laten registreren of met elkaar huwen, worden de twee afzonderlijke rechten op de remigratievoorzieningen omgezet in een recht op de remigratievoorzieningen als waren zij een remigrant en partner.
2.
Indien de kinderen van de alleenstaande remigrant of de alleenstaande partner meerderjarig worden of overlijden, worden de remigratievoorzieningen aan de gewijzigde omstandigheden aangepast.
3.
Een omzetting of aanpassing als bedoeld in het eerste of tweede lid gaat in op de eerste dag van de maand na die waarin de omstandigheid die daartoe de aanleiding vormt zich heeft voorgedaan.
Artikel 11
Personen die zijn geremigreerd op grond van de wet , komen in aanmerking voor de terugkeerregeling, bedoeld in artikel 8 van de wet, indien zij bij hun aanvraag tot wedertoelating voldoen aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3.51, eerste lid, onderdeel g, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en er op grond van het gestelde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 geen andere beletselen zijn voor wedertoelating.
Artikel 16
Het Besluit begroting en verantwoording Remigratiewet , het Besluit voorzieningen Remigratiewet en het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet worden ingetrokken.
1.
De artikelen 10, eerste lid, onderdeel b, 12, vierde en vijfde lid, 13, eerste en vierde lid, en 15, eerste en vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet, en artikel 13 van het Besluit voorzieningen Remigratiewet, zoals die luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op personen die voor dat tijdstip zijn geremigreerd en basisvoorzieningen hebben ontvangen of een aanvraag tot toekenning van die basisvoorzieningen bij de Sociale verzekeringsbank hebben ingediend. Onder basisvoorzieningen worden verstaan de voorzieningen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
2.
De artikelen 10 en 11 van het Uitvoeringbesluit Remigratiewet zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op personen die voor dat tijdstip zijn geremigreerd of een aanvraag voor remigratievoorzieningen bij de Sociale verzekeringsbank hebben ingediend.
3.
Artikel 3, eerste lid, is niet van toepassing op personen die zijn geremigreerd vóór 1 april 2000.
Artikel 18
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Remigratiewet (heroverweging Remigratiewet) (Stb. 2013, 331) in werking treedt, met uitzondering van de artikelen 13, aanhef en onderdeel B, en 15, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 19
Dit besluit wordt aangehaald als: Remigratiebesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Wassenaar, 1 maart 2014
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven de elfde maart 2014
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Hoogte van de remigratievoorzieningen
+ Hoofdstuk III. Samenloop van de remigratie-uitkering met andere uitkeringen
+ Hoofdstuk IV. Tijdstip waarop het recht op voorzieningen ingaat en vervalt
+ Hoofdstuk V. Terugkeerregeling
+ Hoofdstuk VI. Wijziging en intrekking besluiten
+ Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht