Let op. Deze wet is vervallen op 1 oktober 2016. U leest nu de tekst die gold op 30 september 2016.

Richtlijn strafvordering kinderpornografie 2013

Uitgebreide informatie
Richtlijn strafvordering kinderpornografie 2013
I. Inleiding
Deze richtlijn ziet op de overtreding van art. 240b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit betreft het vervaardigen, verspreiden, in bezit hebben, aanbieden en verwerven van kinderpornografisch materiaal en het zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang verschaffen tot kinderpornografisch materiaal.
Kinderpornografisch beeldmateriaal is altijd het uiteindelijke resultaat van seksueel misbruik en seksuele exploitatie van kinderen. Door de opkomst van het internet en de snelle technologische ontwikkelingen zijn de beschikbaarheid van kinderpornografisch materiaal, maar ook de mogelijkheden dit te vervaardigen of te verspreiden, en de verscheidenheid aan vormen van dit materiaal in snel tempo toegenomen. Bovendien zijn fysieke barrières en landsgrenzen daardoor feitelijk weggevallen. In antwoord op deze ontwikkelingen heeft de wetgever de maximumstraf aanzienlijk verhoogd, het aantal in art 240b Sr strafbaar gestelde handelingen met kinderpornografieaanzienlijk uitgebreid, en wettelijk vastgelegd dat een taakstraf voor overtreding van art 240b Sr, alleen kan worden opgelegd in combinatie met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf 1 . Ook in de rechtspraak is deze ontwikkeling zichtbaar: in vele gevallen worden zwaardere (vrijheids)straffen opgelegd, ook in zaken waarbij de verdachte een first offender is.
Uitgangspunt bij de vervolgingsbeslissing van het OM is dat op iedere overtreding van art 240b Sr een betekenisvolle reactie van het OM dient te volgen. In de meeste gevallen betekent dat dat de zaak aan de rechter zal worden voorgelegd en een straf zal worden geëist. Deze richtlijn bevat de criteria aan de hand waarvan in individuele zaken een strafeis geformuleerd dient te worden in zaken die ter zitting aan de rechter worden voorgelegd.
Daarnaast kunnen er omstandigheden aan de orde zijn die maken dat een afdoening buiten de zittingszaal in het concrete geval meer gewenst is en een snellere interventie met onder andere een intensieve, gedragsbeïnvloedende behandeling, een zinvollere reactie is dan een traject naar de rechtbank. De criteria op basis waarvan en de wijze waarop het OM tot een dergelijke afdoeningsbeslissing kan komen, worden beschreven in hoofdstuk VII (de ‘Indigo’-afdoening 2 ).
II. Uitgangspunten bij het bepalen van de strafmaat
Het verbinden van een strafeis van een bepaalde vorm en omvang gebaseerd op algemeen geldende elementen in kinderpornozaken is niet eenvoudig. Dergelijke zaken kennen een bijna oneindige variatie in delicts- en zaaksspecifieke factoren, die maar moeilijk op bepaalde standaardeisen gewaardeerd kunnen worden.
Deze richtlijn geeft een aantal ‘strafbepalende factoren’, die in onderling verband en samenhang met de omstandigheden van de zaak bezien de hoogte van de strafeis bepalen. Uitgangspunt is een bepaalde basisstrafmaat bij een aantal basisdelicten (zie paragraaf III), die door de bijkomende strafbepalende factoren verhoogd of verlaagd kan worden.
Niet gezegd kan worden dat deze factoren per definitie strafverzwarend of strafverminderend zijn, dit hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval en de verdachte en het verband tussen de factoren. Een bepaalde factor kan in de ene zaak (in de combinatie met andere factoren) strafverminderend werken en in de andere zaak juist strafverzwarend zijn.
De basisstrafmaten zijn uitsluitend van toepassing in zaken met meerderjarige verdachten. Het bepalen van een afdoeningsmodaliteit en strafmaat in zaken met minderjarige verdachten vergt, vanwege de specifieke jeugdrecht-aspecten, dusdanig maatwerk, dat deze niet in een algemene richtlijn als deze zijn te vatten. Voor dergelijke zaken wordt dan ook verwezen naar de beleidsdocumentatie die voor jeugdzaken zijn opgesteld.
Deze richtlijn gaat alleen uit van strafeisen van vrijheids- of taakstraf. Een strafverminderende werking van de omstandigheden van de zaak kan niet alleen betekenen dat de basisstrafmaat verlaagd wordt (dus vermindering van het te eisen aantal maanden vrijheidsstraf of uren taakstraf), maar ook dat de straffen deels voorwaardelijk worden geëist of (deels) vervangen door een geldboete of bijzondere voorwaarde (bijvoorbeeld tot betaling van geldbedragen aan slachtoffers of maatschappelijke organisaties).
Hierbij is het belangrijk voor ogen te houden dat de proeftijd die verbonden kan worden aan het voorwaardelijk deel van de vrijheidsstraf, maximaal 10 jaar kan bedragen. Proeftijden van 5 tot 7 jaar zijn tegenwoordig in vonnissen geen uitzondering meer. In veel zaken is het (zeer) lange tijd begeleiden en ‘monitoren’ (middels gestelde bijzondere voorwaarden) door de reclassering van de veroordeelden wenselijker dan het laten uitzitten van een veel kortere vrijheidsstraf, waarna de veroordeelde zonder begeleiding of met begeleiding gedurende slechts een kortere periode weer in de samenleving terugkomt. Een dergelijke verplicht opgelegde begeleiding van een aantal jaren is een intensieve ingreep in het leven van de veroordeelde. Een voorwaardelijke straf met een proeftijd van vele jaren is dan ook geen ‘lichte’ sanctie.
Gelet op de ontwikkelingen op digitaal en internetgebied en het relatieve gemak waarmee tegenwoordig in korte tijd bijzonder grote aantallen kinderpornografische afbeeldingen kunnen worden gedownload, gekopieerd, opgeslagen en bewaard, is het aantal bij een verdachte in bezit zijnde afbeeldingen niet een factor die de hoogte van de strafmaat in belangrijke mate bepaalt. Het aantal afbeeldingen is wel een omstandigheid die iets zegt over de mate van bewustheid, intensiteit of lange duur waarin de verdachte met het strafbare materiaal bezig is geweest. In die zin speelt het zeker een rol bij het beoordelen van de zaak.
Ook belangrijk is om de relatie tussen het aantal (en soort) afbeeldingen en de bron/‘vindplaats’ van de afbeeldingen te bezien: er zijn bijvoorbeeld openbaar toegankelijke internetomgevingen waarin afbeeldingen in grote series of verzamelingen van relatief ‘lichter’ kaliber te downloaden zijn, terwijl de verdachte die specifiek geïnteresseerd is in zwaarder of recenter misbruikmateriaal binnen meer besloten en minder toegankelijke omgevingen moet opereren en wellicht een kleinere collectie opbouwt. Een ‘grote’ of een ‘kleine’ collectie is bij de bepaling van de strafwaardigheid van het gedrag dan ook een relatief begrip.
Uitgangspunt van de strafeisen in kinderpornozaken is de (deels voorwaardelijke) vrijheidsstraf. Een taakstraf (in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf) komt alleen in aanmerking in zaken waarin de verdachte, die first offender is, slechts een beperkt aantal bestanden in zijn bezit heeft (of deze heeft verworven of er zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang toe verschaft heeft 3 ) en deze door zijn gedrag op internet op zoek naar niet-kinderpornografisch materiaal bewust (in de zin van voorwaardelijk opzet) eenmalig in zijn bezit heeft gekregen (of zich de toegang heeft verschaft). Te denken valt hier aan een verdachte die aantoonbaar op zoek was naar legaal (volwassenen-) pornomateriaal of uit nieuwsgierigheid de grenzen van het internet aan het opzoeken was, maar door het niet nemen van afdoende maatregelen eenmalig kinderpornografisch materiaal heeft binnengehaald (‘bijvangst’).
Zodra sprake is van meer structureel download- of kijkgedrag, een langere pleegperiode (meer dan 3 maanden) of het bewust zich begeven in kenbare kinderpornografische internetomgevingen of werken met kenbare kinderpornografische bestanden, ligt een eis tot een taakstraf naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer in de rede. Ook de verdachte die zegt op zoek te zijn geweest naar legale (volwassenen-)porno, maar meermalen heeft kunnen constateren dat door zijn onvoorzichtige gedrag ook kinderporno ‘meekwam’ en desondanks doorging met downloaden, komt niet meer in aanmerking voor een taakstraf.
III. Strafbepalende factoren
Activiteiten met betrekking tot de afbeeldingen
Art 240b Sr geeft geen rangorde aan in strafwaardigheid van de activiteiten die rondom kinderpornografie ontplooid kunnen worden. Er wordt één maximumstraf gesteld op alle als strafbaar gestelde handelingen en één verhoogde maximumstraf indien sprake is van het maken van een beroep of gewoonte van die handelingen.
De activiteiten die art. 240b Sr noemt zijn:
verspreiden;
aanbieden;
openlijk tentoonstellen;
vervaardigen;
invoeren;
doorvoeren;
uitvoeren;
verwerven;
in bezit hebben
zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang verschaffen.
Het uitsluitend voor eigen gebruik in bezit hebben van strafbaar materiaal, het verwerven ervan of zich toegang verschaffen, kunnen in beginsel tot de ‘minder zware’ activiteiten gerekend worden. Het zelf vervaardigen of voor eigen gewin verspreiden of aanbieden (waarbij het gewin ook kan bestaan uit het zich door de verspreiding/aanbieding een bepaalde positie, privileges of status verwerven), zijn uiteraard strafverzwarende factoren.
Ook de mate waarin de activiteiten structureel, doelbewust of gestructureerd zijn ondernomen, zijn belangrijke factoren bij het bepalen van de strafmaat. In beginsel zijn dit strafverzwarende omstandigheden. Hoe bewuster en structureler de strafbare feiten gepleegd zijn, des te meer kan de verdachte verweten worden een bijdrage te hebben geleverd aan het in stand houden van het wereldwijde misbruik van kinderen ten behoeve van kinderpornografisch materiaal. Dit geldt uiteraard in de sterkste mate in zaken waarin de verdachte voor het geleverd krijgen van het strafbare materiaal of het zelfs ‘op bestelling’ laten vervaardigen ervan, heeft betaald of anderszins een tegenprestatie heeft geleverd.
Deze omstandigheden zijn onder meer af te leiden uit de omgevingen waaruit het materiaal is verkregen of waarin het is verspreid (een openbare, niet als kinderpornografisch kenbare omgeving tegenover een omgeving waarvoor toegangseisen gelden of waarvan kenbaar is dat er strafbaar materiaal verkrijgbaar is), de tijd en moeite die verdachte in zijn activiteiten heeft gestoken, de (gestructureerde) wijze waarop het materiaal door verdachte bewaard is en de lengte van de pleegperiode.
Het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal omvat vele soorten zaken. Van vervaardigen is al sprake als op geheel vrijwillige basis en binnen een relatie minderjarigen erotische opnamen van elkaar maken, maar aan het andere eind van het spectrum bevinden zich de zaken waarin verdachten zelf een (pleeg-, stief-, oppas-) kind seksueel misbruiken en daar voor commerciële doeleinden beeldmateriaal van produceren. Voorts is sprake van vervaardigen van kinderporno als bijvoorbeeld een verdachte foto’s van kinderhoofdjes op pornografische foto’s van volwassenen plakt, realistische tekeningen of computeranimaties maakt, maar ook als (heimelijk) beeldmateriaal gemaakt wordt van (naakt) spelende kinderen, met een kenbaar seksuele strekking. De Nederlandse verdachte die naar het buitenland reist om daar kinderen te misbruiken en die van dat misbruik afbeeldingen maakt, valt ook onder de categorie ‘vervaardigers’.
Er is dus geen standaardstrafmaat voor het enkele gegeven ‘vervaardigen’ te bepalen. Bij het bepalen van een strafeis bij deze verdenkingen spelen de rol en werkwijze van de verdachte, eventueel door de verdachte gemaakt misbruik van omstandigheden van de minderjarige, evenals de aan het slachtoffer toegebrachte schade dan ook een bijzonder grote rol.
Het verspreiden van kinderporno omvat ook vele varianten en is daarom ook niet op één of twee standaardeisen bepaalbaar. Zo maakt iemand zich schuldig aan verspreiding door een enkel bestand per email aan een ander persoon te sturen, maar ook door kinderpornografische bestanden op een website of ander internetomgeving te plaatsen, zelf voor commerciële doeleinden een kinderpornografische website te onderhouden of deze bestanden door het gebruik van P2P (‘peer to peer’)-software aan anderen ter beschikking te stellen.
Wanneer gekeken wordt naar de schade die door de verspreiding is toegebracht, kan bijvoorbeeld het doelbewust op een openbaar chatforum plaatsen van erotische opnamen van een de verdachte bekend slachtoffer tot een hogere strafeis leiden dan het via P2P-software (‘peer to peer’) verspreiden van grote hoeveelheden materiaal dat afkomstig is van commerciële websites en reeds lang geleden opgeloste zaken. Uiteraard is dit geen vast gegeven, want ook andere omstandigheden van de zaak kunnen dit onderscheid weer veranderen.
Bij het bepalen van de strafeis voor verspreiding spelen over het algemeen met name een rol factoren als de omvang van het aantal verspreide bestanden, de omvang van het aantal (potentiële) afnemers, de aard van het materiaal en de schade die door de verspreiding (al dan niet doelbewust) aan het slachtoffer is toegebracht.
Het plegen van strafbare handelingen met kinderpornografisch materiaal met als doel om dat aan minderjarigen te tonen en zo het kind te ‘bewerken’, het idee te geven dat dergelijke seksuele handelingen en relaties acceptabel zijn en het wellicht over te halen er zelf aan deel te nemen, is een strafverzwarende omstandigheid. Dit geldt ook voor beelden van seksuele handelingen door/met minderjarigen (al dan niet door de verdachte zelf geproduceerd), die gebruikt worden om de minderjarige onder druk te zetten, te bedreigen of te chanteren, bijvoorbeeld om de minderjarige te bewegen meer van dergelijke beelden (van zichzelf) te (laten) maken. Voorzover deze feiten worden vervolgd op grond van een ander artikel dan 240b Sr, is het wel van belang deze bij de vervolging tevens aan te merken als het vervaardigen van kinderporno.
Op zichzelf niet per definitie strafbare andere handelingen dan de handelingen met kinderpornografie, die als strafverzwarende omstandigheid worden aangemerkt zijn het (op internet of daarbuiten) contact met kinderen zoeken met een erotiserend doel of lading (bijv. seksueel getinte chatgesprekken onderhouden), het zich op internet als minderjarige voordoen en ander (seksueel) grensoverschrijdend gedrag tegenover of in relatie met minderjarigen.Aard van de afbeeldingen/leeftijd slachtoffer
Over het algemeen wordt in de samenleving misbruikmateriaal waarin jongere kinderen optreden als ‘zwaarder’ materiaal beschouwd. Uitgaande van de schade die het produceren en het in de samenleving brengen van het kinderpornografisch materiaal bij minderjarigen veroorzaakt, dient echter ook bezien te worden waaruit het misbruik heeft bestaan (was er sprake van zware strafbare feiten als ontuchtige handelingen of seksueel binnendringen van het lichaam, of bestaat het materiaal uit erotisch geposeerde of erotiserend gebruikte houdingen van de minderjarige?) en wat de schade voor de minderjarige is, ook onafhankelijk van de leeftijd van het kind.
Zo kan niet gezegd worden dat het ‘slechts poseren’ (al dan niet ‘vrijwillig’) door een minderjarige in de puberleeftijd per definitie minder schade toebrengt dan het bijvoorbeeld plegen van ontuchtige handelingen met een kind in de peuter- of babyleeftijd. Met name als het ‘poseermateriaal’ openbaar of voor de omgeving van het kind (via internet) vindbaar verspreid is en derhalve nimmer meer uit de samenleving is te halen, is de impact en de schade daarvan aan de betrokken minderjarige bijzonder groot.
Belangrijk is dan ook de rol die verdachte heeft gespeeld rondom de aard van de afbeeldingen en de leeftijd van het slachtoffer (dus het verband met de factor ‘activiteiten met betrekking tot de afbeeldingen’) en daarmee de mate waarin de verdachte de schade aan het misbruikte kind voor lief heeft genomen, juist een voorkeur heeft voor een bepaalde vorm van misbruik of leeftijd van de slachtoffers of de schade aan het slachtoffer zelf veroorzaakt heeft.
In dit verband dient opgemerkt te worden dat het feit dat in een zaak sprake is van virtueel vervaardigd materiaal, niet automatisch betekent dat dat tot een lagere strafeis dient te leiden dan in zaken waarin sprake is van ‘echte’ foto’s of films. Veel van het in omloop zijnde virtuele materiaal heeft het karakter (en lijkt ook gemaakt te zijn) om de aanschouwer ervan de indruk te geven dat het afgebeelde misbruik acceptabel is, dat minderjarigen het ook als prettig ervaren, of kan als ‘lesmateriaal’ beschouwd worden. Dergelijke afbeeldingen kunnen dus niet als per definitie minder schadelijk dan ‘echt’ film- of fotomateriaal aangemerkt worden, enkel omdat bij het vervaardigen ogenschijnlijk geen minderjarigen daadwerkelijk betrokken zijn geweest.
Ook hier speelt bij het bepalen van de strafeis weer de combinatie met de factor ‘activiteiten met betrekking tot de afbeeldingen’: indien de verdachte het virtuele materiaal gebruikt heeft om of in bezit/vervaardigd heeft met als doel kinderen te verleiden tot het deelnemen aan seksuele handelingen of om een slachtoffer doelbewust schade toe te brengen door publicatie ervan, dan geldt dat als een strafverzwarende omstandigheid.Herkomst van de afbeeldingen
Als strafverzwarend kan worden aangemerkt de omstandigheid dat de verdachte voor het ter beschikking krijgen van strafbaar materiaal heeft betaald of anderszins een tegenprestatie heeft geleverd. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de verdachte zich begeven heeft in (internet-) omgevingen waarin het kenbaar was dat daar kinderpornografisch materiaal verkrijgbaar was, waar voor de toegang ertoe aan bepaalde eisen moest worden voldaan (bijv. het eerst zelf leveren van een bepaalde hoeveelheid strafbaar materiaal) of waarvoor de verdachte zich heeft moeten bedienen van codes, wachtwoorden, beveiligde bestanden of omgevingen. Samenvattend betekent dit dat hoe meer ‘moeite’ verdachte heeft gedaan om aan het materiaal te komen en hoe meer hij zich met duidelijk kenbare strafbare omgevingen en personen heeft ingelaten, des te hoger zal de strafeis zijn.Pleegperiode/ouderdom van de feiten
Strafbare feiten gepleegd over een langere periode (langer dan 3 maanden), dienen zwaarder aangerekend te worden dan een enkel feit of een feit dat enkele malen in een kortere periode (minder dan 3 maanden) is gepleegd.
Indien de verlopen periode tussen het gepleegde feit (of het einde van de pleegperiode in geval van het ‘maken van een beroep of gewoonte’ ervan) en de terechtzitting meer bedraagt dan een jaar, dient dat als een strafverminderende factor in de strafeis meegenomen te worden.Recidive
Indien sprake is van eenmalige recidive van een soortgelijk feit, vindt verhoging van 25% ten opzichte van de eis van het basisdelict plaats.
Verhoging van deze eis met 50% is aan de orde in zaken waarin sprake is van meermalen recidive van soortgelijke feiten, van ernstiger feiten of van feiten die gepleegd zijn na de laatste veroordeling en tijdens de proeftijd van het voorwaardelijk strafdeel van die veroordeling. Met name het in herhaling vallen tijdens de eerder opgelegde reclasseringsbegeleiding of gedragskundige behandeling, gericht op het juist voorkómen van deze recidive, is een strafverzwarende omstandigheid.Beroep en gewoonte
De omstandigheid dat verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het plegen van handelingen met betrekking tot kinderpornografisch materiaal, kan onder meer worden afgeleid uit de hoeveelheid aangetroffen afbeeldingen, digitaal bewijs over de data waarop of de periode waarbinnen de handelingen gepleegd zijn, de (verschillende) omgevingen waaruit of personen waarvan verdachte het materiaal heeft betrokken en (dus) de tijd die logischerwijs met de gepleegde handelingen gemoeid moet zijn geweest.
Alleen al uit het feit dat de wetgever het maken van een beroep of gewoonte van handelingen met kinderpornografisch materiaal met een aanmerkelijk hogere maximumstraf (8 jaar tegenover 4 jaar gevangenisstraf) heeft bedreigd, geeft aan dat dit een sterk strafverzwarende omstandigheid is.Persoonlijke omstandigheden
De persoonlijke omstandigheden van de verdachter zijn belangrijke strafbepalende factoren.
Bepalend kan zijn of aannemelijk is dat verdachte inzicht heeft verkregen in zijn strafbaar handelen of zijn problematiek en ook daadwerkelijk bereid of begonnen is daar iets aan te doen (bijvoorbeeld hulpverlening gezocht, van baan/hobby veranderd indien sprake was van een baan/hobby waar contact met kinderen een onderdeel van is).
Daarnaast kunnen feiten spelen als het verlies van een baan, vrijetijdsbesteding/hobby, omgangsrecht met kinderen of woning en ondergane (negatieve) publiciteit of maatschappelijke onrust.
IV. Basisdelicten
Hieronder zijn weergegeven enkele ‘kale’ basisdelicten en de strafeis die daarbij als basiseis gezien kan worden.
De in de paragrafen hierboven genoemde strafbepalende factoren zijn van belang bij het bepalen van de verhoging of verlaging van de basis-strafeis, op grond van de specifieke omstandigheden van de zaak.
V. De INDIGO-afdoening
Uitgangspunten afdoening kinderpornozaken
Uitgangspunt bij de afdoening van kinderpornozaken is dat op iedere overtreding van art. 240b Sr een zinvolle reactie dient te volgen. Binnen het strafrechtelijk kader heeft de inzet van politie- en OM-capaciteit als doel voldoende bewijs van het gepleegde feit te leveren voor een strafrechtelijke afdoening en zoveel mogelijk onderzoek te doen, gericht op het identificeren van bij het delict betrokken slachtoffers.
De vervolgingsbeslissing van het OM dient altijd een passende reactie op het gepleegde feit te zijn. In beginsel betekent dit dat de zaak uiteindelijk aan de rechter zal worden voorgelegd, de verdachte zich tegenover de rechter en de samenleving publiekelijk dient te verantwoorden en een straf zal worden geëist. Er kunnen echter omstandigheden aan de orde zijn die er voor zorgen dat een afdoening buiten de zittingszaal in het concrete geval meer gewenst is. De redenen hiervoor kunnen onder meer zijn de ouderdom van de zaak, gewijzigde belangen van de bij de zaak betrokkenen en persoonlijke omstandigheden van de verdachte en/of de wenselijkheid snel een behandeltraject in te gaan met de verdachte en/of snel andere maatregelen te treffen.
Onder dergelijke omstandigheden kan het opleggen van een voorwaardelijk sepot, bijzondere voorwaarden onder andere inhoudende een intensieve gedragsbeïnvloedende behandeling en/of andere het (internet)gedrag van de verdachte bepalende voorwaarden een meer passende reactie zijn dan het langer durende, volledige strafrechtelijke onderzoek, inclusief het traject naar de rechtbank.
In het onderstaande worden de kaders geschetst waarbinnen tot deze buitengerechtelijke afdoening, genaamd ‘Indigo’-afdoening, kan worden besloten. Indigo is een afdoeningsmodaliteit die buiten de al bestaande afdoeningsmodaliteiten een extra mogelijkheid biedt tot het leveren van maatwerk en het doen van recht aan de ernst van de zaken en de persoon van de verdachten onder de omstandigheden van het specifieke geval.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat het hier slechts een leidraad voor de Indigo-afdoeningsmodaliteit betreft, de beslissing om voor deze afdoeningswijze te kiezen altijd een beslissing van de officier van justitie is en dat deze altijd gebaseerd is op criteria die in samenhang met elkaar per individuele zaak worden afgewogen: een ‘standaard Indigo-zaak’ bestaat niet. De beslissing van de officier van justitie kan al naar gelang de geconstateerde omstandigheden van de zaak, gedurende het onderzoek ook gewijzigd worden.Criteria Indigo-afdoening
De officier van justitie kan tot een dergelijke afdoening besluiten in zaken waarin in beginsel sprake is
van een verdachte die first offender is en
van de afwezigheid van een beroep of hobby waarbij de verdachte mogelijk risicovol contact met kinderen kan hebben en
van een gepleegd delict dat bestaat uit het beperkt bezit/verspreiden (waaronder ook begrepen zich toegang verschaffen tot, aanbieden en verwerven) van kinderporno of dat slechts een beperkte noodzaak tot voorbereidend (digitaal of gedragskundig) onderzoek of een onderzoek ter terechtzitting met zich brengt,
of waarin sprake is van
onderzoeksgegevens en initiële verdenking van een dusdanige ouderdom dat de te verwachten straf of maatregel die zou volgen op een gerechtelijke afdoening ook verkregen kan worden binnen de Indigo-afdoening.
Leidend binnen de afweging van deze criteria is de vraag of het gewenst en noodzakelijk is dat een volledig onderzoek (naar de feiten en omstandigheden van het delict en de persoon van de verdachte) wordt uitgevoerd en de verdachte ter terechtzitting dient te verschijnen.Afdoeningswijzen
De Indigo-afdoeningsmodaliteit bestaat uit verschillende elementen, die al naar gelang de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte door de officier van justitie noodzakelijk kunnen worden geacht om tot een zinvolle afdoening te komen.
Alle verdachten worden onaangekondigd thuis bezocht en alle digitale middelen en voorwerpen waarop kinderporno voorkomt of waarmee de strafbare feiten zijn gepleegd, worden in beslag genomen. Afhankelijk van de persoon van de verdachte en de mogelijkheden die de adviserende Reclassering en/of GGZ-instelling zien, kunnen gedragsbeïnvloedende maatregelen in de vorm van psychosociale behandeling bij een GGZ-instelling aan de verdachte worden opgelegd, alsmede een proeftijd, verplicht reclasseringscontact, periodieke huisbezoeken en controle van het computer- en internetgedrag tijdens die proefperiode of andere gedragsbeïnvloedende maatregelen. De officier van justitie verwerkt deze voorwaarden onder een opgelegd voorwaardelijk sepot.
Altijd blijft het voorbehoud gelden dat de officier van justitie alsnog kan besluiten de verdachte voor de rechter te brengen, wanneer hij de gestelde voorwaarden niet nakomt of uit het huisbezoek, de gesprekken, de doorzoeking, het in beslag genomen materiaal of andere omstandigheden andere of zwaardere strafbare feiten blijken.
In de gevallen waarin weliswaar sprake is van een verdenking, maar onvoldoende opsporingsmogelijkheden om te komen tot een concreet, tot een persoon te herleiden en vervolgbaar strafbaar feit 4 , kan volstaan worden met het uitreiken van een door de officier van justitie ondertekende brief. Hierin wordt verwoord welke verdenking en gegevens over de gepleegde strafbare feiten op naam van de betrokkene 5 en eventuele andere gebruikers van zijn IP-adres in de politiesystemen geregistreerd zullen blijven. Deze gegevens kunnen derhalve worden betrokken bij de beoordeling van nieuwe verdenkingen tegen dezelfde perso(o)n(en).
In gevallen waarin een concrete verdachte kan worden aangewezen en voldoende vruchtbare mogelijkheden tot opsporing en vervolging aanwezig zijn, dient te worden gekozen voor ofwel een gerechtelijke vervolging, ofwel het treffen van maatregelen binnen een voorwaardelijk sepot, zoals boven omschreven.
VI. Overgangsrecht
De beleidsregels in deze richtlijn voor strafvordering hebben gelding vanaf de dag van inwerkingtreding. 1
Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven, Stb. 2012, 1. 2
Initiatief Niets Doen Is Geen Optie. 3
Omwille van de leesbaarheid zal in het vervolg gesproken worden over ‘toegang verschaffen’. 4
Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een langer geleden via internet gepleegd delict, terwijl destijds meerdere (al dan niet identificeerbare) personen via een open netwerk gebruik maakten van het betrokken IP-adres. 5
Over het algemeen zal de betrokkene zijn de abonneehouder van het IP-adres via welke de strafbare feiten zijn gepleegd.
Inhoudsopgave
I. Inleiding
II. Uitgangspunten bij het bepalen van de strafmaat
III. Strafbepalende factoren
IV. Basisdelicten
V. De INDIGO-afdoening
VI. Overgangsrecht
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht