Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2007. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2007.

Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Uitgebreide informatie
Richtlijn voor strafvordering regelgeving Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Achtergrond
Het Openbaar Ministerie kan via het aanbieden van een transactie – artikel 74 Wetboek van Strafrecht (WvSr) – of via dagvaarding een strafzaak afhandelen. Voor gedragingen, als economisch delict strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (WED) geeft art. 36 WED de mogelijkheid extra voorwaarden te stellen.
Indien het Openbaar Ministerie een zaak afdoet met inachtneming van bovengenoemde artikelen, zal het voorwaarden stellen bij vrijwillige voldoening waaraan het recht tot strafvordering vervalt. Met het oog op de gewenste eenheid in strafvorderingsbeleid in strafzaken heeft het College van procureurs-generaal de onderhavige aanwijzing gegeven.
Recente voorvallen in de voedselindustrie hebben voor grote maatschappelijke onrust gezorgd. Zowel het toenemende aantal BSE-gevallen als de MKZ-uitbraak hebben een grote invloed op zowel de landbouweconomie als op het vertrouwen van de consument in de veiligheid van de producten afkomstig uit de vleesindustrie.
De maatschappelijke opvattingen over dierenwelzijn zijn veranderd. Regelgeving door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna ook: LNV) bestrijkt, onder meer, het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn. Beleidsterreinen die van een enorme maatschappelijke en economische importantie zijn gebleken. Het is dan ook van belang de handhaving van genoemde regelgeving te blijven toetsen aan de maatschappelijke en economische impact.
Deze richtlijn geeft regels voor het vervolgingsbeleid voor het geval de regelgeving op het gebied van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij niet wordt nageleefd.
De afspraken inzake verbaliseringsbeleid tussen OM en de Algemene Inspectiedienst – een bijzondere opsporingsdienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij – zijn eveneens in de onderhavige richtlijn opgenomen.
Afwijking aangegeven bedragen De aangegeven bedragen zijn bedoeld voor standaardzaken. Onder standaardzaken worden verstaan zaken die een minder ernstig karakter dragen – bijvoorbeeld omdat de verdachte ‘first offender’ is, of omdat hem slechts een gering verwijt kan worden gemaakt – of als blijkt dat de verdachte ernaar streeft de overtredingstoestand te beëindigen.
Binnen de door de wet gestelde grenzen kan worden afgeweken van de aangegeven bedragen, hetzij naar beneden, hetzij naar boven, indien de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd daartoe aanleiding geven.
Daarnaast geldt onverkort de Richtlijn voor strafvordering ontneming (Stcrt. 2002, 208).
Polaris
Anticiperend op de invoering van de Polaris-systematiek, ook voor de afdoening van economische delicten, zal in de onderhavige richtlijn voor strafvordering gebruik gemaakt worden van het Polaris-puntensysteem. De ‘waarde’ van 1 sanctiepunt is gelijk aan € 22.
Samenvatting
De richtlijn bestaat uit de hoofdstukken I t/m XVIII.
De respectievelijke hoofdstukken zien op wetten op het gebied van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, wetten met zowel commune delicten als wel wetten waarin opgenomen gedragingen welke als economisch delict strafbaar zijn gesteld in de Wet op de Economische delicten .
Daarbij zijn slechts die wetten opgenomen bij of krachtens welke gedragingen zijn strafbaar gesteld voor welke het opnemen van een aanwijzing in de zin van art. 130, lid 4 Wet RO vanwege het College van procureurs-generaal in de rede ligt.
Overgangsrecht
Deze richtlijn voor strafvordering geldt met onmiddellijke ingang vanaf de datum van inwerkingtreding.
Achtergrond
Voor het Openbaar Ministerie bestaat de mogelijkheid om via het aanbieden van een transactie ( artikel 74 Wetboek van Strafrecht jo. artikel 36 Wet op de economische delicten ) of via dagvaarding een strafzaak af te handelen.
Indien het Openbaar Ministerie een zaak afdoet met inachtneming van bovengenoemde artikelen zal het voorwaarden stellen bij vrijwillige voldoening waaraan het recht tot strafvervolging vervalt. De voorwaarden staan vermeld in de artikelen 74 Sr en 36 WED .
Met het oog op de gewenste eenheid in het strafvorderingsbeleid ten aanzien van overtredingen van de Destructiewet hebben de procureurs-generaal tarieven vastgesteld die landelijk als uitgangspunt dienen voor de bepaling van de bedragen welke als transactie c.q. eis ter zitting worden gehanteerd.
Het is ter beslissing aan de Officier van Justitie of een zaak via transactie of behandeling ter zitting wordt afgedaan. Voor sommige delicten zijn uitgangspunten geformuleerd voor de keuze tussen transactie een dagvaarden.
De tarieflijst
Onder verantwoordelijkheid van de Coördinatiecommissie Milieu van het Openbaar Ministerie is de Tarieflijst Destructiewet door de OM-Werkgroep Groen opgesteld. Bij het opstellen zijn de ervaringen van de meestbetrokken arrondissementsparketten en de met de handhaving van de betreffende regels belaste opsporingsdiensten, te weten de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de politie betrokken.
De tarieflijst is zodanig opgesteld dat:
a. er ‘in zwaarte’ voldoende evenwicht bestaat tussen de diverse overtredingen;
b. er geen specifieke berekeningen in het proces-verbaal behoeven te worden gerelateerd, uitgezonderd een eventuele voordeelberekening;
c. de lijst op een vrij gemakkelijke en praktische manier is te hanteren.
De tarieven gelden in alle gevallen als uitgangspunt, zowel voor het schikkingsvoorstel als voor de eis ter terechtzitting. De officier van justitie kan – al naar gelang de omstandigheden en binnen de door de wet gestelde grenzen – het bedrag verhogen c.q. verlagen. Een indicatie voor een verhoging is in elk geval recidive. Voor de overtredingen waarop deze tarieflijst ziet geldt in beginsel dat bij recidive binnen 2 jaar het basisbedrag met 50% wordt verhoogd.
De rechter is noch aan de eis van de Officier van Justitie noch aan deze tarieflijst van het Openbaar Ministerie gebonden.
Waar mogelijk zal in het proces-verbaal gemotiveerd het bedrag van het werderrechtelijk verkregen voordeel worden aangegeven. Dit bedrag kan dan in daarvoor in aanmerking komende gevallen aan de verdachte worden ontnomen.
Opzet van de tarieflijst
De tarieflijst ziet op de meest voorkomende overtredingen van regels die bij of krachtens de Destructiewet zijn gesteld. Deze regels betreffen het verbod op onttrekking van destructiemateriaal uit artikel 4 en de op basis van artikel 12 gestelde regels voor eigenaren en houders van destructiemateriaal.
Laatstbedoelde regels zijn opgenomen in de Regeling eisen eigenaar of houder van hoog- en laag-risicomateriaal, hierna te noemen ‘regeling’.
De overtredingen waarop de tarieflijst ziet zijn zowel feitelijk als middels een opgave van het overtreden voorschrift aangeduid. De hoogte van de transactie verschilt ten aanzien van dezelfde overtreding naar gelang de soort destructiemateriaal. Dit onderscheid heeft te maken met twee factoren. Op de eerste plaats behoeven schapen, anders dan paarden, runderen en varkens geen dagelijkse verzorging. Daardoor bestaat er in het algemeen een verschil in verwijtbaarheid tussen het niet tijdig reageren op en/of melden van een kadaver van een schaap en van andere dieren. Daarnaast speelt bij kadavers van varkens en runderen het risico van dierziekteverspreiding een belangrijker rol dan bij kadavers van schapen. Bij paarden is de kans op verspreiding van ziektes zelfs nog kleiner.
Vanwege het in beide gevallen aanzienlijke risico van dierziekteverspreiding is er ook geen onderscheid gemaakt tussen overtredingen met betrekking tot volwassen varkens en biggen.
Slachtafval is in de tarieflijst als afzonderlijke categorie opgenomen.
De tarieflijst ziet niet op overtredingen met betrekking tot ander destructiemateriaal dan de expliciet genoemde categorieën.
Tarieflijst
artikel 4 Destructiewet; onttrekken destructiemateriaal aan verwerking
per schaap € 220
per rund/paard/varken* € 450
slachtafval € 340

artikel 12 destructiewet jo. artikel 2 regeling; geen aangifte doen van destructiemateriaal
per schaap € 110/€ 45 voor elk schaap meer
per rund/paard/varken* € 220/€ 65 voor elk dier meer

artikel 12 Destructiewet jo. artikel 3 regeling: op verkeerde dag aanbieden
basisbedrag € 220

artikel 12 destructiewet jo. artikel 4 regeling: niet goed afgedekt aanbieden bij tweede overtreding na een (geregistreerde) waarschuwing bij eerste overtreding)
per schaap € 220
per rund/paard/varken* € 450

artikel 12 Destructiewet jo. artikel 4: niet afgedekt aanbieden (bij eerste overtreding)
per schaap € 220
per rund/paard/varken* € 450

Ten aanzien van overtreding van artikel 4 van de regeling is een onderscheid gemaakt tussen het niet goed en het geheel niet afdekken van het destructiemateriaal. Het niet goed afgedekt zijn van het materiaal kan een andere oorzaak hebben dan onwilligheid bij de eigenaar of houder. In deze gevallen dient primair getracht te worden te bevorderen dat in de toekomst zorgvuldiger wordt gehandeld.
Het geheel achterwege laten van afdekking gebeurt altijd opzettelijk en dient steeds tot een proces-verbaal te leiden.
De cumulatieregeling bij overtredingen met betrekking tot varkens is opgenomen in verband met de in het algemeen intensieve wijze waarop deze dieren worden gehouden. De kans op het gelijktijdig met betrekking tot meerdere dieren niet naleven van de regels is groter dan bij dieren die in kleinere aantallen worden gehouden.
Vanzelfsprekend kunnen de omstandigheden van het geval voor de officier van justitie aanleiding zijn om in een geval waarop de cumulatieregeling ziet toch een hoger transactiebedrag dan € 1.100 te hanteren of zelfs tot dagvaarding over te gaan.

Hoofdstuk V. de Flora- en faunawet

De hierna ingevoegde richtlijn voor strafvordering Flora- en faunawet maakt onderdeel uit van het Handhavingsdocument Flora en faunawet. Dit document is te raadplegen op het Omtranet en het internet (www.om.nl)
Achtergrond
Deze richtlijn voor strafvordering voor de Flora- en faunawet bevat indicaties voor de eis ter zitting en transactiebedragen.
De prioriteit bij de handhaving van Flora- en faunawet ligt bij de bedreigingen die uitgaan van overtreding van de benoemde kernbepalingen uit die wet .
Eis ter zitting/transactiebedragen
De in deze richtlijn opgenomen bedragen betreffen eisen ter terechtzitting (zie bijlage). In een aantal gevallen zal eerst nog een transactie worden aangeboden. In dat geval kan voor het bepalen van het transactiebedrag 20% van het tarief worden afgetrokken.Polaris: basis- en beoordelingsfactoren milieu-overtredingen
De richtlijn voor strafvordering van de Flora- en faunawet is gebaseerd op Polaris, een stelsel van samenhangende richtlijnen voor strafvordering van het Openbaar Ministerie. Het gebruik van de richtlijnen uniformeert en expliciteert de beoordeling aan de hand van beoordelingscriteria. Afwijken van die criteria is mogelijk, maar zal dan ook gemotiveerd moeten worden.
De beoordeling op basis van Polaris werkt door middel van een puntensysteem. De punten bestaan uit strafpunten en sanctiepunten. De strafpunten zijn een maat voor de ernst van het feit of het complex van feiten.
De sanctiepunten zijn bepalend voor de strafmaat die de richtlijn indiceert.
Polaris gaat uit van de basisdelicten (in casu de kernbepalingen Flora- en faunawet ). Dat zijn de delicten in hun meest eenvoudige verschijningsvorm zonder bijkomende strafverzwarende of -verminderende omstandigheden.
Aan deze basisdelicten wordt een aantal strafpunten toegekend dat dient als uitgangspunt voor de verdere beoordeling.
Belangrijke bijkomende verzwarende omstandigheden zijn:
de kwetsbaarheid van de dier- en plantensoort en producten daarvan waarbij een onderscheid is gemaakt tussen soorten die met uitroeiing bedreigd of speciaal gevaar lopen en daarom zijn opgenomen in lijsten, en overige minder kwetsbaar geachte soorten;
de kwetsbaarheid van een gebied waarbinnen de overtreding is begaan. Het gaat daarbij om vaste rust- of voortplantings- of verblijfplaatsen van soorten.
De mate van redelijkerwijs te verwachten deskundigheid van de verdachte in relatie tot de overtreding:
De schaal waarop de soort(en)populatie is bedreigd:
Het oogmerk van economisch gewin/belang
De waardering van één sanctiepunt is o.a. gelijk aan een transactie van € 22 (meest voorkomende waarderingen m.b.t. milieu-overtredingen).
Voor de vertaling van de geldelijke strafeis naar gevangenisstraf wordt verwezen naar de OM-richtlijn Kader voor strafvordering.
Voor de verdere toelichting op de waarde van de sanctiepunten en de bepaling van de transactie of richteis wordt verwezen naar het Polaris-kader voor strafvordering.
Transactie of dagvaarden
Bij overtreding van de kernbepalingen uit de Flora- en faunawet zal in beginsel altijd proces verbaal opgemaakt moeten worden. Voor gecompliceerde zaken is maatwerk van belang waarbij het OM voldoende inzicht moet hebben in de verhouding van de verdachte ten opzichte van de milieuregels en de te beschermen belangen. Belangrijke kenmerken die daarbij een rol spelen komen terug in de beoordelingsfactoren in de Polaris-systematiek: o.a. professionaliteit, doelbewust overtreden, recidive, aard van de verdachte, draagkracht van de verdachte, zorgplicht.
Uitgangspunt bij complexe zaken is dagvaarding. De rechtvaardiging is gelegen in de veelal grotere bedreiging die van de overtredingen uitgaat ten aanzien van (mogelijke) schade aan de te beschermen belangen veelal in combinatie met het doelbewust en calculerend overtreden van wettelijke voorschriften. Verder is strafrechtelijk optreden door het veelal ontbreken van bestuursrechtelijke handhavingsmogelijkheden de enige mogelijkheid om doeltreffend normbevestigend in te grijpen.
Bij eenvoudige strafzaken zal, gelet op de aard en de geringe inbreuk op de te beschermen belangen, de meest passende reactie in de regel een transactievoorstel zijn. In principe wordt geen transactiegrens gehanteerd bij (economische en) milieudelicten. Bij de afdoening van veel voorkomende milieuzaken van relatief eenvoudige aard of met een vrij geringe inbreuk op de te beschermen belangen – naar schatting ongeveer tweederde van het totaal – zal veelal alleen normbevestiging door bewustmaking en, voorzover nodig, ontmoediging worden beoogd. Snelheid is hierbij een belangrijke factor. Het streven van het OM zal er dan ook op gericht zijn om zo snel mogelijk, bij voorkeur lik-op-stuk, maar uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het proces-verbaal de verdachte te informeren over de vervolgingsbeslissing (zie ook de aanwijzing handhaving milieurecht d.d. 08-06-1999; Staatscourant 1999, 119). Binnen het lik-op-stuk-beleid kan een overtreding van regels m.b.t. handelingen met (in het wild) levende dieren en planten tot een maximum transactiebedrag dat gelijk is aan 50 punten worden afgedaan. In geval van een inrichtingsgebonden, in het kader van de bedrijfsuitoefening gepleegde overtreding, is lik-op-stuk mogelijk tot een maximum transactiebedrag dat gelijk is aan 100 punten.
Meer strafbare feiten in een zaak
Indien sprake is van meer strafbare feiten in één strafdossier, dan dienen de door middel van Polaris bepaalde punten per feit bij elkaar opgeteld te worden. De formulering van een eis vindt plaats voor het totaal van de feiten in een zaak. Gezien de aard van de delicten geldt de afnemend strafnut regeling niet voor milieudelicten en economische delicten. Op grond van de economische basis van die delicten is de sanctie daar tevens gebaseerd op het (beoogde) economisch voordeel. Het afnemend strafnut wordt derhalve alleen berekend over de getotaliseerde strafpunten van die delicten die niet gekarakteriseerd worden als milieudelict of economisch delict (zie ook Kader voor de strafvordering d.d. 5 januari 1999).
In enkele gevallen is het moeilijk vast te stellen of sprake is van meer strafbare feiten. Dat geldt in situaties waarin preparaten van dieren en of planten zijn gebruik in bijvoorbeeld traditionele medicijnen. Een ander voorbeeld kan zijn een hoeveelheid ‘bush-meat’ (vlees van exotische wilde dieren ten behoeve van consumptie).
Veelal is niet duidelijk vast te stellen hoeveel (delen van) dieren en of planten voor de productie zijn gebruikt. hetgeen het bepalen van een richteis aan de hand van Polaris vrijwel onmogelijk maakt. Voor deze gevallen is in de betreffende richtlijn een schijfverdeling naar gewichtsklasse gemaakt waarmee dan het aantal basispunten kan worden bepaald. Voor de bepaling van het gewicht dient te worden uitgegaan van het totale netto gewicht van de producten waarin preparaten van dieren en of planten zijn verwerkt.
Indien sprake is van een gemengde partij met daarin preparaten van zowel bijlagen A, B of C, dan dient men (indien mogelijk) per bijlage de totale gewichtsklasse en de bijbehorende puntenwaardering te bepalen.
De puntenverdeling is als volgt opgebouwd.
Grote partijen bestaan in de praktijk uit een netto gewicht van meer dan 10 kilogram. Voor dergelijke grote hoeveelheden is qua puntentoedeling aansluiting gezocht bij het puntenaantal voor levende/dode exemplaren van dezelfde bijlage afkomstig. Onderscheid is gemaakt bij soorten van bijlage A tussen dieren en planten aangezien alleen bij deze richtlijn ook dat onderscheid zich voordoet tussen waardering tussen dieren en planten.
Voor dergelijke grote partijen geldt dat het puntentotaal moet worden gezien als sanctie alleen. Door inbeslagname van de partij wordt het aanwezige economische voordeel (veelal vele malen groter dan de sanctie) eveneens weggenomen.
Voor middelgrote partijen is aansluiting gezocht bij de waardering van (herkenbare) delen van dieren of planten.
Voor kleine partijen die als handelsgoed zijn te beschouwen is het aantal punten ten opzette van middelgrote partijen gehalveerd.
Partijen met een gewicht lager dan 500 gram worden beschouwd als persoonlijk goed. Het gaat om hoeveelheden die gemiddeld genomen vergelijkbaar zijn met individueel gebruik voor enkele weken. De puntenwaardering heeft primair tot doel de overtreder te attenderen op het feit dat het bezit niet is toegestaan.
Voor ivoor en kaviaar gelden, gelet op de afwijkende economische waarde, aangepaste richtlijnen.
Economisch voordeel In beginsel is de beoordeling van het strafbare feit met behulp van de strafvorderingsrichtlijn mede bedoeld om tevens het economisch voordeel bij de straf te betrekken. Het economisch voordeel, zoals gemiddeld aanwezig geacht in het merendeel van de overtredingen, is in de toekenning van het aantal punten meegewogen en deels, indien van toepassing, weggehaald door inbeslagname van het goed.
Indien de waarde van het in beslaggenomen goed niet meer in verhouding staat tot het daadwerkelijk genoten economische voordeel, dan verdient een aparte specifieke berekening van het economische voordeel aanbeveling.
Voor berekende richteisen boven de 500 punten wordt aanbevolen het economisch voordeel apart vast te laten stellen. Afhankelijk van de hoogte van dat economisch voordeel zal beoordeeld moeten worden hoe hoog de richteis moet worden.
Voor het berekenen van het te ontnemen economisch voordeel, kan contact worden opgenomen met het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM), postbus 837, 8901 BP Leeuwarden.
Telefoon: 058-2341174, fax: 058-2341170.
In die situaties waarin sprake is van inbeslagname is veelal sprake van een gering genoten economisch voordeel.
Ook in die gevallen kan POLARIS worden gebruikt voor het berekenen van de strafmaat. In plaats van het economisch voordeel is dan sprake van verrekening van door Justitie te maken kosten voor afhandeling van in beslag genomen goederen.
Bijkomende straffen
Indien sprake is van overtredingen van de Flora- en faunawet waarbij door jacht en schadebestrijding de bescherming van inheemse diersoorten onnodig en opzettelijk in gedrang is gekomen, kan overwogen worden verleende vergunningen (akten) en ontheffingen in te trekken.
Imperatieve en facultatieve gronden voor het intrekken van jachtakten, valkeniersakten en kooikersakten staan vermeldt in art 41 Flora- en faunawet. Na intrekking jachtakte moet een geweer in bewaring worden gegeven bij (plaatselijke) politie zolang de aktehouder niet kan beschikken over de jachtakte. De intrekkingsduur van de jachtakte zal aan de verdachte (schriftelijk) bekend moeten zijn gemaakt.
Ook is het verbeurdverklaren van een in beslag genomen geweer of (andere) ongeoorloofde vangmiddelen aan te merken als een bijkomende straf.
Redenen om een preparateurvergunning in te trekken kunnen gelegen zijn in het stelselmatig overtreden van de wettelijke verplichtingen door de vergunninghouder.
Voor vergunningen en ontheffingen gelden de gronden voor intrekking zoals genoemd in art 80 Flora- en faunawet.
Overgangsrecht
De beleidsregels in deze aanwijzing hebben onmiddellijke gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.
artikel 8 en 9) van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
1. Doden, vangen, bemachtigen van beschermde inheemse dieren/Plukken, afsnijden, uitsteken, vernielen etc beschermde inheemse planten ( artikel 8 en 9)
Beschrijving
Bij de beoordeling van het doden, vangen, bemachtigen van beschermde inheemse dier- en plantensoorten zijn de soort, de mate van bedreigd zijn en de omvang van het delict van primair belang. Voor wat betreft de soort is een verschil gemaakt tussen bedreigde soorten en de overige soorten.
Als verzwarende factoren kunnen gelden dat de activiteit in een kwetsbaar gebieden heeft plaatsgevonden (gebieden zoals bedoeld in art 19 en art 46, lid 3 Flora- en faunawet), de mate van professionaliteit van de overtreder (o.a. deskundigheid, werkwijze en omvang vangactiviteiten), het doelbewust overtreden met ‘winst’-oogmerk en de zorgplicht.
artikel 10 en 11) van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
2. Opzettelijk verontrusten van beschermde inheemse diersoorten/Verstoren, beschadigen, wegnemen, uithalen nesten, holen, of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaats van beschermde inheemse diersoort ( artikel 10 en 11)
Beschrijving
Bij het verontrusten van beschermde inheemse dieren dient expliciet de opzet te worden aangetoond.
Van belang bij de beoordeling is de omvang van de verontrusting in relatie tot de kwetsbaarheid van de soort die wordt verontrust. Voor wat betreft de soort is een verschil gemaakt tussen kwetsbare soorten en de overige minder kwetsbare soorten.
Als verzwarende factor geldt het verstoren of verontrusten in een kwetsbaar gebied (gebieden zoals bedoeld in art 19 en art 46, lid 3 Flora- en faunawet). Bij het verstoren van nesten, holen, voortplantings- of rust- of verblijfplaatsen van beschermde inheemse diersoorten is het aantonen van opzet niet noodzakelijk.
artikel 13) van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
3. Exemplaren of producten van beschermde inheemse plant en of diersoorten onder zich hebben, vervoeren of verhandelen ( artikel 13)
Beschrijving
Het onder zich hebben omvat ook het vervoeren van een beschermde dier of plant en alle met het oog op handelsactiviteiten gerichte handelingen, waaronder ook uitvoer en het tentoonstellen met planten en dieren.
De beoordeling van het onder zich hebben, vervoeren of verhandelen van beschermde inheemse plant en of diersoorten is afhankelijke van de mate van kwetsbaarheid van de soort. Voor wat betreft de soort is een verschil gemaakt tussen kwetsbare soorten en de overige minder kwetsbare soorten.
4. Jacht en beheer en schadebestrijding (diverse artikelen)
Beschrijving
Onder de delictsomschrijvingen in het kader van jacht vallen de subdelicten jacht zonder akte, bezit en gebruik van ongeoorloofde vangmiddelen, jagen in gesloten tijd en drijfjacht. Uitgangspunt is dat de delicten onder het begrip jacht vallen en sprake is van handelingen met aangewezen wildsoorten waarvoor een akte (jacht-, valkeniers- of kooikersakte) noodzakelijk is. In andere gevallen is sprake van overtredingen ten opzichte van beschermde inheemse soorten.
Als verzwarende factor geldt bij de beoordeling van het delict of het in een kwetsbaar gebied heeft plaatsgehad (gebieden zoals bedoeld in art 19 en art 46, lid 3 Flora- en faunawet).
Voor beheer en schadebestrijding dient men in het bezit te zijn van ofwel een jachtakte of gebruiker te zijn van de grond. Het in strijd met de wettelijke regels doden of vangen van dieren in het kader van beheer en schadebestrijding is vergelijkbaar gesteld met de jachtovertredingen.
art 13) van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
5. Exemplaren of producten van beschermde uitheemse plant en of diersoorten uit bijlage A onder zich hebben, vervoeren of verhandelen ( art 13)
Beschrijving
Het onder zich hebben omvat ook het vervoeren van een beschermde dier of plant en alle met het oog op handelsactiviteiten gerichte handelingen met planten en dieren.
De beoordeling van het onder zich hebben, vervoeren, in- en uitvoer of verhandelen van beschermde plant en of diersoorten is afhankelijke van de kwetsbaarheid van de specimen. Dier en planten van een soort die onder bijlage A vallen worden direct met uitsterven bedreigd. Daardoor worden delicten met deze soorten zwaarder beoordeeld dan voor dier- of plantensoorten van andere bijlagen.
art 13) van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
6. Exemplaren of producten van beschermde uitheemse planten of diersoorten uit bijlage B onder zich hebben, vervoeren of verhandelen ( art 13)
Beschrijving
In bijlage B zijn delen of producten van dieren opgenomen die direct met uitsterven worden bedreigd en die afkomstig zijn van de tijger (botten en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de Panthera Tigris) of de neushoorn (hoorns en daarvan of daarmee vervaardigde producten van de familie Thinocerotidae). Daarnaast zijn in bijlage B genoemd dode dieren of delen of producten van dieren en dode planten, alsmede delen of producten van planten die behoren tot de beschermde flora en fauna van het Europese grondgebied.
Het vervoeren, in- en uitvoer of het onder zich hebben van exemplaren, delen of producten van die soorten wordt zwaarder gestraft dan in geval van soorten van bijlage C, maar minder zwaar dan in geval van soorten van bijlage A.
art 13) van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
7. Exemplaren of producten van beschermde uitheemse plant en of diersoorten uit bijlage C onder zich hebben, vervoeren of verhandelen ( art 13)
Beschrijving
In bijlage C staan levende dieren en planten, dode dieren en planten en delen of producten van dieren en planten genoemd die behoren tot soorten waarvoor handelsbeperkende maatregelen moeten worden genomen teneinde te voorkomen dat deze dezelfde status krijgen als de soorten op bijlage A en B.
art 13) van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
8. Persoonlijke goederen (waaronder ook souvenirs en huisraad) ( art 13)
Beschrijving
De belangrijkste indicaties om te bepalen of sprake is van een persoonlijk goed of handelswaar is het aantal en/of de hoeveelheid van de aangetroffen goederen. Voor overtredingen ten aanzien van koralen, schelpen, rainsticks en planten in de sfeer van niet-handelsgoed (maximaal 3 stuks) gelden afwijkende sancties. Voor grotere aantallen (> 3 stuks) wordt uitgegaan van een handelsgoed. Voor producten, gemaakt van beschermde dieren of planten, wordt uitgegaan van het totale netto gewicht (zonder verpakking e.d.) waarbij bij een hoeveelheid van < 500 gram aannemelijk dat het een persoonlijk goed betreft.
Op deze wijze is het mogelijk onderscheid te maken tussen een toerist en een koerier die zich als toerist voordoet.
Vanwege de economische waarde van kaviaar en ivoor zijn voor deze goederen aparte berekeningen noodzakelijk.
Basisfactoren    
Aantal souvenirs    
– per stuk: 2 pt = € 44,–
     
Producten gemaakt van beschermde dieren of planten    
– tot 500 gram: 1 pt = € 22,–
     
Kaviaar    
– hoeveelheid tot 250 gram 1 0 pt = € 0,–
– 250 tot 350 gram 10 pt = € 220,–
– 350 tot 500 gram 15 pt = € 330,–
     
Ivoor    
– per gram 0,1 pt = € 2,20
     
Delictspecifieke factoren    
     
Recidiveregeling    
Mate van recidive (milieu, 5 jaar)    
– geen recidive   + 0%
– 1 maal   + 50%
– 2 maal   + 100%
– 3 maal of meer   + 150%
     
Uitgangspunt indien onbekend: geen recidive.    
Bijlage 1 Overzicht wet- en regelgeving Flora- en faunawet
(per 13 maart 2002)WET
Flora- en faunawet (Stb. 1998, 402)
– Voorstel van wet, houdende wijziging van een aantal bepalingen van de Flora- en faunawet in verband met een verbod op de drijfjacht (Kamerstukken II, 2001/2002, 28 020, nrs. 2-3)Amvb’s
Jachtbesluit (Stb. 200, 520, laatstelijk gewijzigd bij besluit 11 maart 2002, Stb. 2002, 136)
Besluit beheer en schadebestrijding dieren (Stb. 2000, 521; gewijzigd bij besluit 23 oktober 2001, Stb. 2001, 499)
Besluit Faunabeheer (Stb. 2000, 522)
Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet (Stb. 2000, 523)
Besluit prepareren van dieren (Stb. 2000, 524)
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (Stb. 2000, 525; gewijzigd bij besluit 23 oktober 2001, Stb. 2001,499)
Besluit Faunafonds (PM)
– Besluit 23 oktober 2001, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de Flora- en faunawet in verband met een verbod op de drijfjacht en enkele andere wijzigingen (Stb 2001, 499). (Dit besluit bevat een aantal wijzigingen van het Jachtbesluit, Besluit beheer en schadebestrijding dieren en het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten).
– Besluit van 11 maart 2002, houdende wijziging van het Jachtbesluit in verband met aanpassing aan de euro (Stb. 2002, 136)Regelingen
Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet (Stcrt. 2002, 51)
Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet (Stcrt. 2002, 51)
Regeling administratie bezit van en handel in beschermde dier- en plantensoorten (Stcrt. 2002, 51)
Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens (Stcrt. 2002, 51)
Regeling prepareren van dieren (Stcrt. 2001, 241)
– Regeling aanwijzing douanekantoren beschermde dier- en plantensoorten (Stcrt. 2001, 220)
Regeling tarieven Flora- en faunawet (Stcrt. 2001, 220)
Jachtregeling (Stcrt. 2001, 244)
Regeling beheer en schadebestrijding dieren (Stcrt. 2001, 241)
– Regeling aanwijzing toezichthouders Flora- en faunawet (Stcrt. 2001, 220)
Regeling vaststelling model bewijs van verzekering (Stcrt. 2001, 220)
– Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten (Stcrt. 2001, 220)
– Regeling vaststelling rode lijst-soorten (PM)
Regeling zoeken en rapen van kievitseieren Flora- en faunawet (Stcrt 2002, 62)
Regeling vaststelling modellen en aanvraagformulier jacht-, valkeniers- en kooikersakten (Stcrt. 2002, 47)Inwerkingtreding
– Besluit van 12 december 2001, tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van een aantal artikelen van de Flora- en faunawet en een aantal daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, alsmede vaststelling van de datum van het vervallen van een aantal artikelen van de Jachtwet en de Natuurbeschermingswet en het intrekken van de Nuttige Dierenwet 1914, de Vogelwet 1936 en de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten (Stb. 2001, 656)Bijlage 2 Overzicht verbodsbepalingen Flora- en faunawet Kernbepalingen Flora- en faunawet
– Het verbod om planten behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei wijze van hun groeiplaats te verwijderen ( art. 8).
– Het verbod om dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen ( art. 9).
– Het verbod, dieren die behoren tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten ( art. 10)*.
– Het verbod om nesten, holen, of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren ( art. 11).
– Het verbod om eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen ( art. 12).
– Het verbod planten, producten van planten of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot beschermde inheems of uitheemse dier- of plantensoorten te koop vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorradig of voorhanden te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden , uit te wisselen of ten toon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben ( art 13 eerste lid).
– Het verbod op het uitzetten van dieren ( art. 14, eerste lid)
– Het verbod op het in de vrije natuur uitzaaien of planten van planten die zijn aangewezen krachtens art 14, tweede lid.
– Het verbod op het onder zich hebben, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, te koop vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorradig of voorhanden te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, van dieren of planten die behoren tot soorten die zijn aangewezen krachtens artikel 14, derde lid.
– Het verbod op het bezit en vervoer van en de handel in niet toegelaten middelen geschikt en bestemd voor het vangen en doden van dieren ( art. 15, eerste lid).
– Het verbod op het zich buiten gebouwen bevinden met aangewezen middelen geschikt, en vermoedelijk bestemd voor het vangen en doden van dieren ( art 15, tweede lid).
– Het verbod op het dragen van een geweer in het veld door personen die niet voorzien zijn van een jachtakte en niet anderszins tot het dragen van een geweer ter plaatse gerechtigd zijn ( art 16, eerste lid).
– Het verbod op het zich zonder gegronde reden met een fret, een buidel of een kastval in het veld bevinden op gronden waarop men niet bevoegd is van die middelen gebruik te maken voor de uitoefening van jacht of voor beheer of schadebestrijding ( art 16, tweede lid).
– Het niet in acht nemen van de verplichting om te verhinderen dat dieren die onder toezicht staan in het veld dieren opsporen, doden, verwonden, vangen of bemachtigen ( art. 16, derde lid).
– Het verbod op het jagen met geweer zonder te zijn voorzien van een jachtakte ( art. 38, eerste lid, onder a).
– Het verbod op het jagen met jachtvogels zonder voorzien te zijn van een valkeniersakte ( art. 38, eerste lid, onder b).
– Het verbod op het jagen met een geregistreerde eendenkooi zonder te zijn voorzien van een kooikersakte ( art. 38, eerste lid, onder c).
– Voorkomen van onnodig lijden van dieren als gevolg van de uitoefening van de jacht of in het kader van beheer en schadebestrijding ( art. 47 en 73)
– Het verbod op het zich ter uitoefening van de jacht in het veld bevinden met andere dan tot jagen geoorloofde middelen ( art. 50, derde lid).
– Het verbod op het dragen van een geweer door de houder van een jachtakte, op gronden waarop deze niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd is ( art. 51).
– Het verbod op het jagen in strijd met beperkingen waaronder krachtens artikel 46 de jacht is geopend ( art. 53, eerste lid, onder a)*.
– Het verbod op het jagen met andere dan geoorloofde middelen ( art. 53, eerste lid, onder b)**.
– Het verbod om dieren te vangen of te doden in een jachtveld dat niet voldoet aan voorgeschreven afmetingen en oppervlakte ( art. 53, eerste lid, onder c en art, 74, eerste lid, onder a).
– Het verbod om dieren te vangen of te doden op zondagen, de nieuwjaarsdag en bepaalde feestdagen ( art. 53, eerste lid, onder d en art. 74, eerste lid, onder b).
– Het verbod om dieren te vangen of te doden op begraafplaatsen ( art. 53 eerste lid, onder e en artikel 74, eerste lid, onder c).
– Het verbod om te jagen tussen zonsondergang en zonsopkomst ( art. 53, eerste lid, onder f)**.
– Het verbod om te jagen indien de grond met sneeuw is bedekt ( art. 53, eerste lid, onder g)**.
– Het verbod om te jagen op wild dat zich tengevolge van hoge waterstand ophoudt op hoog gelegen gedeelten van een terrein ( art. 53, eerste lid, onder h)**.
– Het verbod op het jagen op wild dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken of bijten in het ijs ( art. 53, eerste lid, onder i).
– Het verbod op het jagen op wild dat als gevolg van onvoldoende bevedering niet in staat is te vliegen ( art. 53, eerste lid, onder j).
– Het verbod om te jagen op wild dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert ( art. 53, eerste lid, onder k).
– Het verbod op het jagen binnen een straal van 200 meter rond plaatsen waar voer of aas is of wordt verstrekt met als oogmerk wild te lokken ( art. 53, eerste lid, onder 1)**.
– Het verbod om met het geweer te jagen in de bebouwde kommen der gemeenten en in de onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen ( art. 53, eerste lid, onder m)**.
– Het verbod om te jagen vanaf of vanuit een motorrijtuig dan wel een ander voertuig ( art. 53, eerste lid, onder n).
– Het verbod om te jagen vanaf of vanuit een vaartuig ( art. 53, eerste lid, onder o)**.
– Het verbod om te jagen vanuit een luchtvaartuig ( art. 53, eerste lid, onder p).
– Het verbod om te jagen met een geweer binnen de afpalingskring van een geregistreerde eendenkooi ( art. 53, eerste lid, onder q).
– Het niet naleven van de plicht om wilde eenden die in een eendenkooi zijn gevangen onmiddellijk te doden of in vrijheid te stellen ( art. 53, derde lid).
– Verbod op drijfjacht hoefdieren (reeën, damherten, edelherten en wilde zwijnen) ( artikel 74)
– Het verbod op het vangen of doden van dieren met andere dan toegelaten middelen ( art. 72, vijfde lid). Toevoegen artikel 6 Besluit beheer en schadebestrijding
– Het verbod om te handelen in strijd met de bij een vrijstelling, ontheffing of vergunning gestelde voorschriften en beperkingen ( art. 79, tweede lid).Overige verbodsbepalingen
– Het verbod op het verrichten of doen verrichten van bepaalde handelingen op een plaats die is aangewezen als beschermde leefomgeving ( art. 26, derde lid).
– Het doden van dieren met hagel die metallisch lood bevat ( art. 7 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren). Ongeoorloofd middel en bestuursrechtelijk te handhaven (intrekken jachtakte).
– Het niet in acht nemen van de bepaling dat de houder van een jachtakte, resp. een valkeniersakte, zijn geweren of jachtvogels slechts mag gebruiken voor het uitoefenen van de jacht, beheer en schadebestrijding of het schieten van kleiduiven ( art 52).
– Het verbod om een geregistreerde eendenkooi vangklaar te houden in de periode dat de jacht is gesloten ( art. 58).
– Het verbod voor een ieder, anders dan de kooiker van een geregistreerde kooi, of degene die handelt met diens toestemming, binnen de afpalingskring van die kooi handelingen te verrichten waardoor eenden binnen de afpalingskring kunnen worden verontrust ( art. 59, tweede lid).
– Het verbod zich bij het zoeken naar kievitseieren te laten vergezellen door een of meer honden ( art 60, vijfde lid ).
– Het verbod op het vervoeren of afleveren van kievitseieren, anders dan overeenkomstig bet bepaalde in artikel 61, tweede lid).
– Het verbod om dode dieren te prepareren die behoren tot soorten waarop de wet van toepassing is, zonder vergunning van de Minister van LNV ( art. 62. eerste lid).
– Het verbod om dieren te prepareren die behoren tot soorten aangewezen krachtens artikel 64, eerste lid ( art. 64, tweede lid).
– Het zich buiten gebouwen te bevinden met hagelpatronen die metallisch lood bevatten ( art. 11 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren).
* Behoudens de uitzondering genoemd in art. 21 van het Jachtbesluit.
** Behoudens de uitzonderingen genoemd in art. 15 van het Jachtbesluit.

Hoofdstuk VI. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

par. VI.1 Varkensbesluit
par. VI.2 Regeling varkensleveringen
par. VI.3 Identificatie en registratie van dieren 2002
par. VI.4 Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000
par. VI.5 Besluit dierenvervoer 1994
par. VI.6 Regeling dierenvervoer
par. VI.7 Richtlijn 91/628/EG
par. VI.8 art. 73 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
par. VI.9 Crisisregelgeving
Achtergrond
Onderzoek in 1999 door de AID gedaan naar de naleving van het Varkensbesluit (Besluit van 7 juli 1994, houdende regelen ter zake van het houden en huisvesten van varkens (Varkensbesluit) gebaseerd op richtlijn 91/630/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 19 november 1991 en op de artikelen 35, 38, 39, 45 en 111 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren) heeft uitgewezen dat de regeling op onderdelen niet nageleefd wordt.
Daarop is besloten het handhavingsbeleid aan te scherpen.
Bij het bepalen van de in deze aanwijzing gegeven regels voor het bepalen van een transactie c.q. richteis, de te ondernemen acties en op te leggen maatregelen is het economisch voordeel en het welzijnsprobleem meegewogen.
In geval van overtreding van het Varkensbesluit geldt het onderstaand transactie-, verbaliserings- en eventueel bijzonder vervolgingsbeleid.
Achtergrond
Per 1 april 2000 is in werking getreden de Regeling varkensleveringen .
De regeling vervangt de Regeling vervoersbeperkingen varkens, deze laatste werd vastgesteld in september 1997 naar aanleiding van de varkenspestepidemie in 1997.
De Regeling varkensleveringen stelt het aantal toegestane contacten afhankelijk van de veterinaire waarborgen die het desbetreffende bedrijf biedt. Gekozen kan worden uit 4 regimes. Bij elk type bedrijf hoort een specifiek eisenpakket, dat bepalend is voor het toegestaan aantal contacten met andere varkenshouderijbedrijven.
Ondernemers kunnen kiezen voor het regime dat het beste bij hun bedrijfsvoering past.
Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
Verbaliseringsbeleid:
– Op een eerste overtreding zal gereageerd worden met een waarschuwing
– Bij overtreding binnen 2 jaar na een waarschuwing zal, naast de bestuursrechtelijk aanzegging van een last onder dwangsom, proces-verbaal worden opgemaakt.
– Bij overtreding binnen 2 jaar na veroordeling gaat de recidive-regeling in.
In die gevallen waarin sprake is van een verboden handeling als bedoeld in Hoofdstuk 3 van de regeling varkensleveringen gelden de volgende transactiebedragen:
– de exploitant van een varkenshouderijbedrijf:   50 pnt.
– in geval van recidive + 50%  
– meermalen recidive + 100%  
– tijdens epidemie van besmettelijke varkensziekte + 100%  
Dagvaarden:
– In geval van samenloop met commune en/of economische delicten.
In die gevallen waarin sprake is van een handeling in strijd met de bepaling als opgenomen in Hoofdstuk 4 van de Regeling varkensleveringen gelden de volgende tarieven:
Achtergrond
Recente ontwikkelingen op het gebied van BSE en mond- en klauwzeer onderstrepen de noodzaak van een adequaat functionerend systeem van identificatie en registratie.
De Volksgezondheid en de bestrijding van dierziekten is de verantwoordelijkheid van de centrale overheid.
Om deze reden wordt het medebewind inzake de identificatie en registratie voor de diersoorten rund, varken, schaap en geit beëindigd
De Regeling identificatie en registratie dieren 2002 strekt tot vervanging van een groot aantal verordeningen en uitvoeringsbesluiten.
De regeling geeft naast algemene regels in een drietal paragrafen regels per diersoort
Verboden ter zake het houden, verhandelen en verplaatsen van dieren zijn opgenomen in de artikelen 39 en 40.
Artikel 39 verbiedt het houden, verhandelen, vervoeren, aan of afvoeren van dieren die niet overeenkomstig de regeling I&R dieren 2002 zijn geïdentificeerde of zijn geregistreerd.
Artikel 39 regardeert de dieren t.a.v. welke de overtreding is gepleegd.
Artikel 40 verbiedt het aan- en afvoeren of verhandelen van runderen van bedrijven in situaties bedoeld in verordening 494/98 e.a.
Artikel 40 regardeert de bedrijven in een nader bepaalde situatie.
Deze aanwijzing geeft regels voor de hoogte van transactie bedragen, voor het aanbrengen ter zitting en de eis ter zitting in geval van overtreding.
Samenvatting
In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:
Op het niet voldoen aan voorschriften wordt gereageerd met een transactie zoals omschreven;
Ingeval van recidive wordt verdachte gedagvaard;
Bij eenmalige recidive volgt een verhoging van het tarief met 50%;
Bij meervoudige recidive volgt een verhoging met 100%;
Ingeval van overtreding van meer bepalingen van deze Regeling I&R wordt verdachte gedagvaard;
Indien de verdachte in de sfeer van de veehandel werkzaam is dienen de tarieven met 25% te worden verhoogd omdat van hen een extra voorbeeldfunctie, extra zorgvuldigheid mag worden verwacht en zij veel met deze regels werken;
Op het afvoeren van niet identificeerbare of niet geregistreerde runderen wordt naast het ontnemen van het genoten voordeel gereageerd met een geldboete;
Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
§ 5. Identificatie en registratie van runderen Artt. 2 t/m 7 Artt. 8 t/m 12 17 18 Art. 13 lid 1 Art 13 lid 2 Art.13 lid 3 Art. 14 Art. 25 Art. 26 Artt. 15 18 22 23 Art. 21 43
– Niet registreren door houders van runderen., overeenkomstig regeling.  
11 pnt./houder/UBN
– Niet (tijdig) voldoen aan (her)merkplicht runderen,  
, en 7 pnt./rund
– Niet zorgen dat merk bevestigd blijft. 11 pnt./rund
– Losse merken onterecht verstrekken of voorhanden hebben. 4 pnt./merk
– Houder merkt dieren met verkeerde merken of hij merkt andere dieren dan die hij houdt. 11 pnt./dier
– Voorhanden hebben merken van geslachte runderen anders dan in voorgeschreven containers 0,5 pnt./merk
– Verwijderen merken door slachthuis voor weging. 11 pnt./rund
– Niet melden van onjuistheden door slachthuis aan RVV 22 pnt./gebeurtenis
– Niet (tijdig) melden van gegevens in het I&R systeem rund , , , . 7 pnt./melding
– Niet (juist) voeren en of bewaren van het voorgeschreven bedrijfsregister jo. 11 pnt./UBN
§ 6. Identificatie en registratie van varkens Artt. 2 t/m 7 Artt. 8 t/m 13 29 Art 13 lid 2 Artt.15 32 Art. 31 43 Art. 30 art. 33
– Niet registreren door houders van varkens. 11 pnt./houder/UBN
– Niet (tijdig) voldoen aan (her)merkplicht varkens. , . 1 pnt./varken
– Losse merken onterecht verstrekken of voorhanden hebben. 4 pnt./merk
– Niet (tijdig) melden van gegevens aan het I&R systeem varken. en 5 pnt./melding
– Niet (juist) voeren of bewaren van het voorgeschreven bedrijfsregister. jo. 9 pnt./UBN
– Aan-/Afvoer en vervoer zonder vervoersdocumenten. 11 pnt./transport
– Niet melden onjuistheden door slachthuis aan RVV 22 pnt./gebeurtenis
§ 7. Identificatie en registratie van schapen en geiten Artt. 2 t/m 7 37 Artt. 8 t/m 13 34 Art. 13 Art. 14 Art. 36 43 Art. 35 art. 38
– Niet registreren door houders van schapen en geiten of jaarlijks opgave doen. , . 11 pnt./houder/UBN
– Niet (tijdig) voldoen aan (her)merkplicht schapen en geiten. , . 2 pnt./dier
– Losse merken onterecht verstrekken of voorhanden hebben. 2 pnt./merk
– Voorhanden hebben merken van geslachte schapen en geiten anders dan in voorgeschreven containers 0,5 pnt./merk
– Niet (juist) voeren of bewaren van het voorgeschreven bedrijfsregister. jo. 9 pnt./UBN
– Aan-/afvoer en vervoer zonder vervoersdocumenten. . 11 pnt./transport
– Niet melden onjuistheden door slachthuis aan RVV . 22 pnt./gebeurtenis
§ 8. Identificatie en registratie van dieren, algemeen Algemeen art. 39 art. 39 art. 40 van de regeling Art 43
– Houden van niet overeenkomstig regeling geïdentificeerd of geregistreerd dier, . 11 pnt./rund 3 pnt./varken 3 pnt./schaap of geit
– Verhandelen, vervoeren aan- of afvoeren niet overeenkomstig regeling geïdentificeerd of geregistreerd dier, .  
Onjuist geïdentificeerd of geregistreerd rund 17 pnt./rund
Niet geïdentificeerd of geregistreerd rund 50 pnt./rund
Niet of onjuist geïdentificeerd of geregistreerd varken 3 pnt./varken
Niet of onjuist geïdentificeerd of geregistreerd schapen of geiten 3 pnt./schaap of geit
– Het aanvoeren op, afvoeren van een bedrijf, dan wel het vervoeren of verhandelen van runderen van bedrijven in de situatie als bedoeld in (maximaal 300 pnt./gebeurtenis) 70 pnt./rund
– Niet naar waarheid melden, bijhouden, vermelden gegevens. jo. andere artikelen. 11 pnt./gebeurtenis
Achtergrond
Deze richtlijn voor strafvordering geeft regels voor het bepalen van de transactie c.q. de eis ter zitting in het geval van het niet naleven van de regelgeving met betrekking tot:
Het reinigen en/of ontsmetten van vervoermiddelen van varkens, vleesvarkens en/of andere diersoorten.
Het vervoer van runderen en/of varkens.
Voorzieningen voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor varkens.
Het ontvangen van varkens bij een temperatuur van 0° C of lager.
Het ontvangen-, het houden-, dan wel het ten vervoer afstaan van varkens
De klassieke varkenspest in 1997 was mede te wijten aan het verslepen van smetstof(fen) door niet of slecht gereinigde veevervoermiddelen.
Het doel van de Regeling inzake hygiëne-voorschriften besmettelijke dierziekten is gericht op het voorkomen van versleping van die smetstof(fen) door veevervoermiddelen en daardoor bijdragen aan het ontstaan of de uitbreiding van dierziektecrises.
Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
Vervoer:
Voor vervoerders van varkens en vleeskalveren:  
Leeg vervoermiddel vuil c.q. ongereinigd: 30 pnt.
Vervoermiddel onvoldoende gereinigd en ontsmet: 20 pnt.
   
Voor vervoerders van alle diersoorten:  
Het niet reinigen en ontsmetten op een geregistreerde wasplaats na viermaal afleveren van varkens op een varkenshouderij of slachtplaats met geringe capaciteit 10 pnt.
Overige bepalingen terzake van veewagens die gebruikt zijn voor het vervoer van vee (voornamelijk artikel 2 artikel 3 of artikel 3a) 10 pnt.
   
Varkenshouderij  
Varkenshouderij zonder was-/spoelplaats op de varkenshouderij: 20 pnt.
+ het opleggen van een voorlopige maatregel.  
Het niet voldoen aan administratieve verplichtingen 10 pnt.
   
Slachthuis/verzamelplaats  
Voor de eigenaar van slachthuis/verzamelplaats  
Het ontvangen van varkens op slachthuis/verzamelplaats zonder geregistreerde wasplaats/spoelplaats 100 pnt.
+ het opleggen van een voorlopige maatregel.  
   
Slachthuis met geringe (slacht-)capaciteit  
Voor de eigenaar van een slachthuis met geringe (slacht-) capaciteit  
Het niet hebben van een wasplaats/spoelplaats 100 pnt.
+ het opleggen van een voorlopige maatregel.  
   
Aanvoeren bij lagere temperaturen dan 0° C. 20 pnt.

Voor alle hiervoor vermelde gevallen geldt:
Ten tijde van uitbraak van/heersende besmettelijke dierziekte worden de tarieven met 50% verhoogd.
Bij recidive ten tijde van uitbraak van/heersende besmettelijke dierziekte zal in alle gevallen tot dagvaarding worden overgegaan.
Achtergrond
Door middel van het Besluit Dierenvervoer 1994 worden in de eerste plaats regels gesteld omtrent alle aspecten van het vervoer van gezonde levende dieren. De voorschriften hebben betrekking op de toestand van het dier, de vervoermiddelen, de behandeling van het dier tijdens het vervoer en bij het in- en uitladen, de verplichtingen van de vervoerders en de controle van bet dierenvervoer. Ook zijn in het besluit bijzondere regels opgenomen ter zake het vervoer van meer dan licht ziek of licht gewond (zogenaamd wrak) vee.
De inhoud van de voorschriften is grotendeels bepaald door richtlijn 91/628/EEG.
Vervolgings- en verbaliseringsbeleid
De in deze paragraaf opgenomen sanctiepunten gelden in geval van binnenlands vervoer.
Het besluit dierenvervoer 1994 ziet op het welzijn van de te vervoeren dieren. Een factor die van invloed op het welzijn van de dieren is is de duur van het vervoer. Wordt er al niet aan de eisen gesteld in het besluit voldaan dan zal de impact daarvan groter zijn naarmate het vervoer langer duurt. Vervoer naar andere landen zal in het algemeen over grotere afstand en daarmee gedurende langere tijd plaatsvinden. Ook gaat grensoverschrijdend vervoer gepaard met grotere omzetten. Een weging van het aantal punten ligt derhalve in de rede. Om deze verzwarende factoren mee te wegen wordt in voorkomende gevallen het aantal sanctiepunten met een factor 10 verhoogd.
Bij overtreding wordt direct proces-verbaal opgemaakt, tenzij anders staat vermeld.
Achtergrond
De Regeling Dierenvervoer geeft uitvoering aan een aantal artikelen van het Besluit Dierenvervoer 1994 .
Vervolgings- en verbaliseringsbeleid.
De in deze paragraaf opgenomen sanctiepunten gelden in geval van binnenlands vervoer.
De regeling dierenvervoer ziet op het welzijn van de te vervoeren dieren. Een factor die van invloed op het welzijn van de dieren is is de duur van het vervoer. Wordt er al niet aan de eisen gesteld in de regeling voldaan dan zal de impact daarvan groter zijn naarmate het vervoer langer duurt. Vervoer naar andere landen zal in het algemeen over grotere afstand en daarmee gedurende langere tijd plaatsvinden. Ook gaat grensoverschrijdend vervoer gepaard met grotere omzetten. Een weging van het aantal punten ligt derhalve in de rede. Om deze verzwarende factoren mee te wegen wordt in voorkomende gevallen het aantal sanctiepunten met een factor 10 verhoogd.
Bij overtreding wordt direct proces-verbaal opgemaakt, tenzij anders staat vermeld.
Richtlijn 91/628/EG. van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
VI.7. Richtlijn 91/628/EG.
Achtergrond
De voorschriften als gesteld in de Bijlage bij de richtlijn 91/628/EEG (gewijzigd bij richtlijn 95/29/EG, PbEG L148) worden onverkort overgenomen in de nationale regelgeving krachtens artikel 7 van het Besluit dierenvervoer:
Art. 7 Besluit dierenvervoer lid 1. Het vervoer van de onderscheiden soorten en categorieën van dieren, de belading, de reis- en rusttijden en de tussenpozen voor het voederen en drenken voldoen ten minste aan het terzake voor de desbetreffende soort of categorie (zie artikel 1 richtlijn) bepaalde in de bijlage bij richtlijn 91/628/EEG, onverminderd verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PbEG L370).
Vervolgings- en verbaliseringsbeleid
De in deze paragraaf opgenomen sanctiepunten gelden in geval van binnenlands vervoer.
Een factor die van invloed is op het welzijn van de dieren is de duur van het vervoer. Wordt er al niet aan de gestelde eisen voldaan, dan zal de impact groter zijn naarmate het vervoer langer duurt. Vervoer naar andere landen zal in het algemeen over grotere afstand en daarmede gedurende langere tijd plaatsvinden. Ook gaat grensoverschrijdend vervoer gepaard met grotere omzetten. Een weging van het aantal punten ligt derhalve in de rede. Om deze verzwarende factoren mee te wegen wordt in voorkomende gevallen, tenzij anders vermeld*, het aantal sanctiepunten met een factor 10 verhoogd.
Bij overtreding wordt direct proces-verbaal opgemaakt, tenzij anders vermeld.Bijlage
Hoofdstuk I
Als huisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkensA. Algemene bepalingen
1. Niet geschikt geacht voor vervoer: drachtige dieren die tijdens het vervoer waarschijnlijk zullen werpen of dieren die minder dan 48 uur tevoren hebben geworpen, en pasgeboren dieren waarbij de navel nog niet helemaal is genezen. 9 pnt.
   
2 a) De dieren moeten over voldoende ruimte beschikken om in hun natuurlijke houding rechtop te blijven staan en zo nodig moeten zij door hekken tegen de bewegingen van het vervoermiddel worden beschermd. Zij moeten plaats hebben om te gaan liggen, tenzij dit om speciale redenen in verband met de bescherming van de dieren ongewenst is. 34 pnt.
b) De vervoermiddelen en de containers moeten zo zijn geconstrueerd en worden gebruikt dat de dieren worden beschermd tegen slechte weersomstandigheden en grote verschillen in klimaat. De luchtverversing en de hoeveelheid lucht moeten aangepast zijn aan de omstandigheden waarin het vervoer plaatsvindt en geschikt zijn voor de vervoerde diersoort. In de dierenafdeling en in elk van de niveaus daarvan dient een vrije ruimte te worden gelaten die toereikend is voor een adequate luchtverversing boven de dieren wanneer deze op natuurlijke wijze rechtop staan, en die hun natuurlijke bewegingen op generlei wijze belemmert. 22 pnt.
c) De vervoermiddelen en de containers moeten gemakkelijk te reinigen zijn, zo zijn ingericht dat de dieren niet kunnen ontsnappen, zo zijn geconstrueerd dat verwondingen of onnodig lijden van de dieren worden voorkomen en zo zijn uitgerust dat hun veiligheid gegarandeerd is. Containers waarin dieren worden vervoerd, moeten voorzien zijn van een symbool waaruit de aanwezigheid van levende dieren blijkt en van een teken dat aangeeft in welke positie de dieren zich bevinden. Voorts moeten de dieren kunnen worden onderzocht en verzorgd en moeten de containers zo zijn gestuwd dat de luchtcirculatie niet wordt gehinderd. Tijdens het vervoer en de hantering moeten de containers steeds rechtop blijven en mogen zij niet worden blootgesteld aan schokken of heftige stoten. 22 pnt.
d) Tijdens het vervoer moeten de dieren met de daarvoor in hoofdstuk VII – van deze bijlage – vastgestelde tussenpozen worden gedrenkt en met geschikt voer worden gevoederd. (* aangezien dit vervoer nagenoeg altijd grensoverschrijdend plaatsvindt geen verhoging) 90 pnt.
e) Eenhoevigen moeten gedurende het vervoer een halster dragen. Deze verplichting geldt niet voor niet afgerichte veulens en voor in individuele hokken vervoerde dieren. 22 pnt.
f) Wanneer de dieren vastgebonden worden, moet het daarvoor gebruikte materiaal zo sterk zijn dat het onder normale vervoersomstandigheden niet kan breken en lang genoeg zijn om de dieren, indien nodig, de gelegenheid te geven te gaan liggen, te eten en te drinken. Voorts moet dit materiaal zo ontworpen zijn dat ieder risico van wurging of verwonding wordt voorkomen. De dieren mogen niet aan de hoorns of aan neusringen worden vastgebonden. 22 pnt.
g) Eenhoevigen moeten in individuele hokken worden vervoerd die zo ontworpen zijn dat zij tegen schokken worden beschermd. Deze dieren mogen evenwel vervoerd worden in groepen in die omstandigheden dient erop te worden toegezien dat elkaar vijandig gezinde dieren niet samen worden vervoerd. Wanneer zij in groep worden vervoerd, moeten zij onbeslagen achterhoeven hebben. 22 pnt.
h) Eenhoevigen mogen niet vervoerd worden in voertuigen met verscheidene niveaus. 22 pnt.
   
3. a) Wanneer dieren van verschillende soort in hetzelfde vervoermiddel worden vervoerd, moeten zij naar soort worden gescheiden, tenzij het gaat om gezellen die door de scheiding van streek zouden raken. Bovendien moeten bijzondere maatregelen worden genomen ter vermijding van nadelige gevolgen die kunnen voortvloeien uit het gezamenlijke vervoer van soorten die elkaar van nature vijandig gezind zijn. Wanneer dieren van verschillende leeftijd worden vervoerd met hetzelfde vervoermiddel, moeten de volwassen dieren gescheiden worden gehouden van de jonge dieren deze beperking geldt evenwel niet voor vrouwelijke dieren die worden vervoerd met hun jongen die zij zogen. Niet gecastreerde volwassen mannelijke dieren moeten gescheiden worden gehouden van vrouwelijke dieren. Fokberen moeten van elkaar worden gescheiden. 11 pnt.
Dat geldt eveneens voor hengsten. 22 pnt.
b) In de afdelingen waarin zich dieren bevinden, mogen geen goederen zijn opgeslagen die nadelig kunnen zijn voor hun welzijn. 22 pnt.
   
4. Bij het in- en uitladen van de dieren moet gebruik worden gemaakt van daarvoor geschikte middelen, zoals bruggen, vlonders of loopplanken. Dit middel moet zijn voorzien van een vloer die zodanig is geconstrueerd dat uitglijden wordt tegengegaan en, indien noodzakelijk, van een beschermende zijkant. Tijdens het vervoer mogen de dieren niet met mechanische middelen in een hangende positie worden gehouden en evenmin bij kop, horens, poten, staart of vacht worden opgetild of over de grond gesleept. Bovendien moet het gebruik van apparaten met elektrische ontlading zoveel mogelijk worden vermeden. 22 pnt.
   
5. De vloer van de vervoermiddelen of de containers moet sterk genoeg zijn om het gewicht van de vervoerde dieren te dragen 22 pnt.
hij moet zo geconstrueerd zijn dat uitglijden wordt voorkomen. Indien er spleten of gaten in zijn, moet hij zo zijn ontworpen dat er geen scherpe uitsteeksels zijn waaraan de dieren zich zouden kunnen verwonden. Hij moet bedekt zijn met een voldoende laag strooisel voor het absorberen van uitwerpselen, tenzij hierin op een andere wijze kan worden voorzien die ten minste dezelfde voordelen biedt of tenzij de uitwerpselen regelmatig worden verwijderd. 11 pnt.
   
6. Ten einde tijdens het vervoer de nodige verzorging van de dieren te waarborgen, dienen zij te worden vergezeld door een begeleider, 22 pnt.
tenzij:  
a) de dieren worden vervoerd in degelijke containers die behoorlijk worden geventileerd en die, zo nodig, in tegen morsen beveiligde verdeelautomaten, voldoende voedsel en water bevatten voor een reis die dubbel zo lang duurt als de verwachte reisduur b) de vervoerder als begeleider optreedt c) de verzender een gemachtigde heeft belast met verzorging van de dieren op daarvoor geschikte halteplaatsen.  
   
7) De begeleider of de gemachtigde van de verzender dient de dieren te verzorgen, te drenken, te voederen en zo nodig te melken. 22 pnt.
a) Melkgevende koeien moeten met tussenpozen van ongeveer twaalf uur, maar niet langer dan vijftien uur, worden gemolken. b) Om de begeleider tot deze verzorging in staat te stellen moet hij zo nodig kunnen beschikken over een geschikte verlichtingsapparatuur. 11 pnt.
   
8. De dieren mogen uitsluitend in vervoermiddelen worden geladen die zorgvuldig zijn gereinigd en zo nodig ontsmet. Dode dieren, vervuild strooisel en uitwerpselen moeten zo spoedig mogelijk worden verwijderd. 16 pnt
B. Bijzondere bepalingen voor vervoer per spoor
9. Elke spoorwagon die voor het vervoer van dieren wordt gebruikt, moet worden gemerkt met een symbool waaruit de aanwezigheid van levende dieren blijkt, tenzij de dieren worden vervoerd in containers. Als geen speciaal voor het vervoer van dieren ingerichte wagons beschikbaar zijn, moeten de dieren worden vervoerd in overdekte wagons die met hoge snelheid kunnen rijden en die voorzien zijn van voldoende grote ventilatieopeningen of beschikken over een ook bij lage snelheid adequaat ventilatiesysteem. De binnenwanden van deze wagons moeten van hout zijn of van een ander volledig glad materiaal en moeten op een passende hoogte voorzien zijn van ringen of staven voor het geval dat de dieren moeten worden vastgemaakt. 22 pnt
   
10. Eenhoevige dieren moeten, wanneer zij niet in individuele hokken worden vervoerd, hetzij langs dezelfde wand hetzij met de hoofden naar elkaar toe worden vastgemaakt. Veulens en niet afgerichte dieren mogen echter niet worden vastgebonden. 16 pnt
   
11. Grote dieren moeten zo in de wagons worden geladen dat de begeleider tussen hen door kan lopen. 11 pnt
   
12. Wanneer overeenkomstig het bepaalde in punt 3. onder a., dieren van elkaar gescheiden moeten worden gehouden, kan dat gebeuren door hen in aparte delen van de wagon vast te binden, indien daartoe voldoende ruimte is, of door middel van daarvoor geschikte tussenschotten. 11 pnt
   
13. Bij het samenstellen van treinen en bij elke andere verplaatsing van de wagons moeten de nodige voorzorgen worden genomen om heftige schokken tegen wagons waarin zich dieren bevinden, te voorkomen. 11 pnt
C. Bijzondere bepalingen voor het vervoer over de weg
14. De voertuigen moeten zo zijn geconstrueerd dat de dieren niet kunnen ontsnappen en dat hun veiligheid wordt gegarandeerd zij moeten ook voorzien zijn van een dak dat afdoende bescherming biedt tegen slechte weersomstandigheden. 22 pnt.
   
15. In voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van grote dieren die normaliter moeten worden vastgebonden, dienen de daartoe vereiste voorzieningen aanwezig te zijn. Wanneer de voertuigen in afzonderlijke ruimten moeten worden verdeeld, moeten stevige tussenschotten worden gebruikt. 22 pnt.
   
16. De voertuigen moeten zijn voorzien van een passende uitrusting die voldoet aan de in punt 4 vastgestelde eisen. 22 pnt.
D. Bijzondere bepalingen voor het vervoer over water
Voor alle onder de punten 17 tot en met 26 genoemde bepalingen betreffende het vervoer over water. 22 pnt.
E. Bijzondere bepalingen voor het vervoer door de lucht
* Aangezien het vervoer door de lucht nagenoeg altijd grensoverschrijdend plaatsvindt geen verhoging.
27. De dieren moeten worden vervoerd in voor de soort geschikte containers of hokken die ten minste voldoen aan de meest recente voorschriften voor het vervoer van levende dieren van de IATA. 200 pnt.
   
28. De nodige voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen om te hoge of te lage temperaturen aan boord te vermijden, waarbij rekening moet worden gehouden met de diersoort. Bovendien moeten grote luchtdrukverschillen worden vermeden. 200 pnt
   
29. Aan boord van vrachtvliegtuigen moet een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd instrument aanwezig zijn om de dieren zo nodig te doden. 22 pnt.
Hoofdstuk II
Pluimvee en als huisdier gehouden vogels en konijnen
30. De hierna vermelde punten van hoofdstuk I zijn mutatis mutandis van toepassing op het vervoer van pluimvee en als huisdier gehouden vogels en konijnen. Het aantal sanctiepunten toegekend aan punt 2 onder a, b en c en de punten 3, 5, 6, 8, 9, 13, 17 tot en met 22, 24 en 26 tot en met 29 van hst. 1 is hier dus eveneens van toepassing.  
31. Geschikt voer en water moeten in voldoende hoeveelheden beschikbaar zijn, tenzij: – de reis minder dan twaalf uur duurt, in- en uitladen niet meegerekend  
– de reis minder dan 24 uur duurt, wanneer het gaat om jonge vogels ongeacht de soort, mits de reis eindigt binnen 72 uur nadat zij uit het ei zijn gekomen. 22 pnt
Hoofdstuk III
Als huisdier gehouden honden en katten
32. Onverminderd het bepaalde in artikel 1, lid 2, onder a (van de richtlijn), zijn de hierna vermelde punten van hoofdstuk I mutatis mutandis van toepassing op het vervoer van als huisdier gehouden honden en katten. Het aantal sanctiepunten toegekend aan punt 1, punt 2, onder a, b en c; de punten 3, 5 en 6, punt 7, onder a en c, en de punten 8, 9, 12, 13, 15 en 17 tot en met 29 van hst. 1 is hier dus eveneens van toepassing.  
   
33. Tijdens het vervoer moeten de dieren ten minste om de 24 uur worden gevoederd en om de twaalf uur worden gedrenkt. 90 pnt.
Er dienen duidelijke schriftelijke instructies aanwezig te zijn betreffende het voederen en drenken. 9 pnt.
Loopse wijfjes moeten van de mannetjes gescheiden worden gehouden. 22 pnt.
Hoofdstuk IV
Andere zoogdieren en vogels
34. a) Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op het vervoer van zoogdieren en vogels die niet onder de voorgaande hoofdstukken vallen. b) De hierna volgende punten van hoofdstuk I zijn mutatis mutandis van toepassing op het vervoer van de in dit hoofdstuk bedoelde soorten. Het aantal sanctiepunten toegekend aan punt 1, punt 2, onder a, b en c, punt 3, onder b; de punten 4, 5 en 6, punt 7, onder a en c, en de punten 8, 9 en 13 tot en met 29 van hst. I is hier dus eveneens van toepassing.  
   
35. Onverminderd het bepaalde in artikel 3, lid 1, onder b, mogen alleen voor vervoer geschikte en gezonde dieren worden vervoerd. 22 pnt.
Dieren die duidelijk geruime tijd drachtig zijn of die recentelijk hebben geworpen en jongen die zich nog niet zelfstandig kunnen voeden en niet vergezeld zijn van hun moeder, mogen niet als voor vervoer geschikt worden beschouwd. 9 pnt.
In uitzonderlijke gevallen mag van deze bepaling worden afgeweken indien het dier in zijn belang moet worden vervoerd naar een plaats waar het adequaat kan worden behandeld.  
   
36. Sedativa mogen alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden toegediend en dan nog uitsluitend onder rechtstreeks toezicht van een dierenarts. Een document met gegevens over het toedienen van sedativa moet het betrokken dier vergezellen tot op zijn bestemming. 9 pnt.
   
37. De dieren mogen uitsluitend worden vervoerd in daarvoor geschikte vervoermiddelen waarop zo nodig is aangegeven dat zich daarin wilde, schuwe of gevaarlijke dieren bevinden. 22 pnt.
Bovendien dienen duidelijke, schriftelijke instructies aanwezig te zijn betreffende het voederen en drenken en de bijzondere verzorging die de dieren behoeven. 11 pnt.
Dieren die onder de werkingssfeer van Cites vallen, moeten worden vervoerd overeenkomstig de meest recente richtlijnen van Cites inzake het vervoer en het voor vervoer gereedmaken van levende specimens van de wilde flora en fauna. Bij vervoer door de lucht moeten zij ten minste worden vervoerd overeenkomstig de meest recente voorschriften van de IATA voor het vervoer van levende dieren.  
Zij moeten zo spoedig mogelijk naar hun bestemming worden vervoerd. 22 pnt.
   
38. De onder dit hoofdstuk vallende dieren moeten worden verzorgd overeenkomstig de in punt 37 bedoelde instructies en richtlijnen. 22 pnt
   
39. De dieren moeten vóór het vervoer gedurende een adequate periode in gevangenschap worden gehouden en worden voorbereid op het vervoer, en dienen in die periode zo nodig geleidelijk in hun container te worden geplaatst. 9 pnt.
   
40. Dieren van verschillende soorten mogen niet in een zelfde container worden geplaatst. Bovendien mogen ook dieren van dezelfde soort alleen dan samen in een zelfde container worden geplaatst als bekend is dat zij elkaars aanwezigheid verdragen. 9 pnt.
   
41. Geweidragende dieren mogen niet worden vervoerd in de periode waarin nieuwe geweien worden gevormd. 9 pnt.
   
42. Vogels moeten in het halfduister worden gehouden. 9 pnt.
   
43. Onverminderd de overeenkomstig artikel 3, lid 3, te nemen bijzondere maatregelen moet op zeezoogdieren voortdurend toezicht worden gehouden door een bevoegd persoon. De vervoermiddelen mogen niet worden gestapeld. 22 pnt.
   
44.a) Met het oog op een voortdurende adequate luchtverversing moeten in de wanden van de container gaten met passende afmetingen worden gemaakt om te zorgen voor een permanente, passende luchtstroom. De gaten moeten zodanige afmetingen hebben dat de dieren niet in aanraking kunnen komen met personen die de container hanteren of dat de dieren zich niet kunnen verwonden. 22 pnt.
b) Alle zijwanden, bodems en bovenwanden van de containers moeten voorzien zijn van afstandhouders, zodat lucht vrij tussen de kisten kan circuleren en de dieren kan bereiken ingeval zij worden gestapeld of dicht tegen elkaar opgeslagen. 22 pnt.
   
45. De dieren mogen niet worden geplaatst in de nabijheid van voeder of in vertrekken die toegankelijk zijn voor onbevoegden. 11 pnt.
Hoofdstuk V
Andere gewervelde dieren en koudbloedige dieren
46. Andere gewervelde dieren en koudbloedige dieren moeten worden vervoerd in passende verpakkingen en in zodanige omstandigheden, in het bijzonder ten aanzien van ruimte, luchtverversing, temperatuur en veiligheid, en met zodanige watervoorziening en zuurstoftoevoer als voor die soort nodig wordt geacht. Binnen de werkingssfeer van Cites vallende soorten moeten worden vervoerd overeenkomstig de richtlijnen van Cites inzake het vervoer en het voor vervoer gereedmaken van levende specimens van de wilde flora en fauna. Bij vervoer door de lucht moeten zij ten minste worden vervoerd overeenkomstig de meest recente voorschriften van de IATA voor het vervoer van levende dieren. 22 pnt.
Zij moeten zo spoedig mogelijk naar hun bestemming worden vervoerd. 9 pnt.
Hoofdstuk VI
47. Beladingsdichtheid
Met betrekking tot vervoer per spoor, over de weg (wegvervoer), per lucht (luchtvervoer) en over de zeeweg (zeevervoer). De beladingvoorschriften gelden voor eenhoevige huisdieren, runderen, schapen/geiten, varkens en pluimvee.  
Bij overbelading wordt uitgegaan van 34 sanctiepungen 34 pnt.
Bedraagt de overbelading meer dan 30%, wordt het aantal sanctiepunten verdubbeld 68 pnt.
Hoofdstuk VII (zie Hoofdstuk 1.A.2d)
par. VI.8 art. 73 tweede lid Gezondheids- en welzijnswet voor dierenAchtergrond
De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Stb. 1992, 585) is op 1 februari 1993, bij Besluit van 18 januari 1993, Stb. 54, gedeeltelijk in werking getreden. Gelijktijdig met deze inwerkingtreding trad ook op die datum het Besluit van 11 januari 1993/No. J.93314, houdende de Regeling agressieve dieren, van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in werking. In artikel 73, tweede lid, van deze wet is het verbod opgenomen om dieren voorhanden te hebben, die behoren tot een, ingevolge artikel 73, eerste lid, door de Minister van Landbouw. Natuurbeheer en Visserij aangewezen soort of categorie. Als diersoorten en categorieën van dieren, als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet zijn in de Regeling agressieve dieren aangewezen, de honden van het Pitbull-Terriër-type.
Op grond van artikel 107 van de wet is tevens in deze regeling vrijstelling/ontheffing verleend voor onder andere het in artikel 73, eerste lid, van de wet opgenomen verbod, mits aan de in de regeling opgenomen voorschriften en voorwaarden wordt voldaan.
Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens artikel 73, tweede lid, is ingevolge artikel 121 van deze wet een misdrijf. Deze richtlijn heeft tot doel om landelijk tot een eenvormig transactie- en strafvorderingsbeleid te komen, met betrekking tot de overtreding van artikel 73, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.Voorschriften en voorwaarden opgenomen in de regeling agressieve dieren
In de regeling agressieve dieren zijn in artikel 3 de voorschriften en voorwaarden opgenomen, die zijn verbonden aan de vrijstelling/ontheffing voor artikel 73, tweede lid, van de wet. Deze voorschriften en voorwaarden zijn hierna per onderdeel weergegeven.
Artikel 73, tweede lid, van de wet is niet van toepassing indien wordt voldaan aan het gestelde in:
artikel 3, tweede lid, onder a, van de Regeling agressieve dieren
de houder beschikt over een dierenpaspoort dan wel een geldig ontvangstbewijs als bedoeld in artikel 7, derde lid, dat is voorzien van een identificatiemerk, waaruit blijkt dat sprake is van een dier dat behoort tot de aangewezen soort of categorie.
artikel 3, tweede lid, onder b, van de Regeling agressieve dieren
het dier is voorzien van een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, dat gelijk is aan het in het dierenpaspoort aangebrachte identificatiemerk.
artikel 3, tweede lid, onder c, van de Regeling agressieve dieren
het dier ingeval het zich op een voor het publiek toegankelijk terrein of op het terrein van een ander bevindt, kort is aangelijnd en is voorzien van een muilkorf en de houder het dierenpaspoort/ontvangstbewijs bij zich draagt en dit op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage geeft.Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
In alle gevallen dient tegen de houder van het dier proces-verbaal te worden opgemaakt. Indien inbeslagname heeft plaatsgevonden, wordt het proces-verbaal met de kennisgeving van inbeslagneming en een eventuele afstandsverklaring die door de rechthebbende is ondertekend binnen 2 x 24 uur aan het openbaar ministerie gezonden.artikel 3, tweede lid, onder a en b van de Regeling agressieve dieren artikel 3, tweede lid, onder c van de Regeling agressieve dieren artikel 3, eerste lid, onder c van de Regeling agressieve dieren
I. Paspoort, tatoeage en identificatiemerk  
   
Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften en voorwaarden, zoals deze zijn opgenomen in , luidt de richtlijn als volgt:  
inbeslagname van de hond; dagvaarden van de houder, eis ter zitting: 5 pnt + onttrekking aan het verkeer van de inbeslag genomen hond.
   
II. Niet kort aangelijnd en/of niet voorzien van een muilkorf  
   
Wanneer niet is voldaan aan de voorschriften en voorwaarden het dier kort aan te lijnen en het dier te voorzien van een muilkorf, zoals deze zijn opgenomen in , luidt de richtlijn als volgt:  
– niet (op de juiste wijze) kort aangelijnd en niet (op de juiste wijze) voorzien van een muilkorf 14 pnt.
– niet (op de juiste wijze) voorzien van een muilkorf 10 pnt.
– niet (op de juiste wijze) kort aangelijnd 6 pnt.
   
III. Recidive/schade, letsel of gevaarzetting  
   
inbeslagname van de hond: dagvaarden van de houder, eis ter zitting: minimaal 5 pnt.
en onttrekking aan het verkeer van de inbeslag genomen hond (2). Het bedrag van de boete kan worden verhoogd gelet op de schade en/of het letsel.  
   
IV. Niet tonen paspoort/ontvangstbewijs  
   
Indien uitsluitend niet is voldaan aan de voorschriften en voorwaarden, het dierenpaspoort of ontvangstbewijs bij zich te dragen en dit op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage af te geven, zoals deze zijn opgenomen in . 3 pnt.
De richtlijnen voor het beleid van het openbaar ministerie en de politie inzake inbeslagneming van 11 oktober 1978 (Stcrt. 1980, 103, d.d. 2 juni 1980) zijn van toepassing.  

Eindnoten
1. Bij het vaststellen van de hoogte van de boete is rekening gehouden met de waarde van de hond.
2. Bij het vaststellen van de hoogte van de boete is rekening gehouden met de waarde van de hond.
Achtergrond
Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het oordeel van Onze Minister onverwijlde voorzieningen noodzakelijk zijn, kan hij bepalen dat door hem in het kader van bestrijding ernstige besmettelijke dierziekten genomen maatregelen onmiddellijk na bekendmaking in werking treden.
Als een crisissituatie zich voordoet is van cruciaal belang dat teneinde verdere verspreiding te voorkomen er terstond maatregelen genomen worden. Wil een dergelijk crisisinterventie succes hebben dan is naleving van de genomen maatregelen een vereiste.
Het is daarom van belang dat in het handhavingsbeleid het gewicht van een stipte naleving tot uitdrukking komt.
De te nemen maatregelen zullen in verhouding staan tot het te beschermen belang. Als een bepaalde maatregel genomen is, is deze uit het oogpunt van crisisbestrijding noodzakelijk. Bij het vaststellen van de tarieven die gehanteerd worden bij overtreding van bedoelde ‘crisisregelgeving’ is verdere precisering naar geschonden belang dan ook niet noodzakelijk.
Een verwijzing naar concrete regelgeving en artikelen is niet mogelijk, aangezien het hier regelgeving betreft die in geval van een uitbraak alsdan opgesteld en afgekondigd wordt.
Een reeds vooraf opgesteld handhavingsdocument bevordert de snelheid van handelen en de duidelijkheid tijdens
een crisis,
Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
Destructiewet Regeling eisen eigenaar of houder van destructiemateriaal Regeling inzake hygiëne voorschriften besmettelijke dierziekten 2000
Het vervoeren van dieren waarvoor een vervoersverbod geldt.  
Overtreden van de vervoersbepalingen:  
– Reguliere veehouder 225 pnt.
– Particulier/hobby veehouder 110 pnt.
– Beroepstransporteur 225 pnt.
– Chauffeur 45 pnt.
   
Verboden uitrijden/onjuist toedienen van mest:  
– Regulier veebouder 90 pnt.
– Particulier/hobby veehouder 45 pnt.
– Beroepstransporteur 90 pnt.
– Chauffeur 20 pnt.
   
Verboden vervoer veevoer/grondstoffen veevoer  
– Beroepstransporteur 90 pnt.
– Chauffeur 20 pnt.
   
Negeren verbod om aangeduide compartimentsgrenzen te overschrijden  
– Beroepstransporteur 90 pnt.
– Chauffeur 20 pnt.
   
Niet voldoen aan stickerverplichting tijdens compartimentering  
– Beroepstransporteur 45 pnt.
– Chauffeur 10 pnt.
Bij fraudeleus handelen met stickers verhoging met 100%.  
   
Verboden vervoer van destructiemateriaal of verbod dierlijke producten zoals melk of sperma, eicellen embrio’s.  
– Beroepstransporteur 90 pnt.
– Chauffeur 20 pnt.
   
Vervoer van vuile lege veewagens.  
– Beroepstransporteur 110 pnt.
– Chauffeur 20 pnt.
   
Vervoer van schone lege veewagens.  
– Beroepstransporteur 45 pnt.
– Chauffeur 10 pnt
   
Niet of onvoldoende reinigen en ontsmetten buitenkant vervoermiddel bij verlaten van het bedrijf  
– Beroepstransporteur 90 pnt.
– Chauffeur 20 pnt.
   
Niet voldoen aan administratieve verplichtingen tijdens het vervoer van mest/dieren  
– Beroepstransporteur 45 pnt.
– Chauffeur 10 pnt
   
Niet in acht nemen bezoekersregeling of niet in acht nemen hygiëne-voorschriften:  
– Bedrijfsmatige bezoeker van percelen of gebouwen met vatbare dieren 20 pnt.
– Particuliere bezoeker van percelen of gebouwen met vatbare dieren 20 pnt.
– Reguliere veehouder die bezoek toelaat 40 pnt.
– Particuliere dierhouder/hobbyist die bezoek toelaat 10 pnt.
– Betreden overige percelen bijv. jacht of rapen kievitseieren 10 pnt.
   
Overige items:  
Onbevoegd betreden bedrijven met kenteken ingevolge Regeling toegang personen of groepen van personen tot van besmetting verdachte of besmette gebouwen en terreinen. 225 pnt.
Overtreding besluit vervoer van en naar besmette of van besmetting verdachte gebouwen of terreinen. 225 pnt.
Overtreding van en normale transactie met 100% verhogen tijdens voorkomen besmettelijke dierziekte voor vatbare diersoorten (bijv. niet goed afdekken kadavers) Overtreding normale transactie met 100% verhogen tijdens voorkomen besmettelijke dierziekte.  

Hoofdstuk IX. De Landbouwwet

par. IX.1 Regeling gehalte dioxine in vetten en diervoeders
par. IX.2 Regeling landbouwtelling
par. IX.3 Beschikking superheffing
Achtergrond
Deze richtlijn voor strafvordering geeft regels voor het bepalen van de transactie c.q. de eis ter zitting in het geval van het niet naleven van de regelgeving met betrekking tot de overschrijding van het maximumgehalte aan dioxine in voedermiddelen.
Bij het opstellen van deze richtlijn voor strafvordering is rekening gehouden met de risico’s voor de volksgezondheid die ontstaan wanneer de ‘dioxinenorm’ wordt overschreden.
Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
Het hierna vermelde tarief is gerelateerd aan de risico’s voor de volksgezondheid die ontstaan wanneer de ‘dioxinenorm’ wordt overschreden.
bij eerste overtreding van de norm: per picogram dioxine hoger dan de norm 100 pnt.
Bij ernstige overschrijding (meer dan 10x de norm): het opleggen van een voorlopige maatregel die zich richt op het voorkomen van verdere verspreiding van de gecontamineerde producten.
Par. IX.2. Regeling landbouwtelling
Artikel 4; Bij onjuiste opgave 15 pnt.
  Bij weigering opgave 10 pnt.
  Bij nalatige recidive 15 pnt.
Par. IX.3. Beschikking superheffing
Doelgroep zuivelfabrieken/per illegale afname van melkveehouder 200 pnt.
Doelgroep boerderij-zuivelbereiders/bij onjuiste administratieopgave 40 pnt.
Doelgroep melkveehouders/basistarief, per proces-verbaal 100 pnt.
Doelgroep niet-geregistreerde kopers dagvaarden
Minimum eis 300 pnt.  

Hoofdstuk X. de Meststoffenwet /Wet verplaatsing meststoffen

par. X.1 Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet
par. X.2 Ho: V, titel 3 Meststoffenwet, stelsel mestafzetcontracten
par. X.3 Ho: V Meststoffenwet, stelsel pluimveerechten
par. X.4 Besluit erkenning TME
Achtergrond
Op 1 januari 1998 werden, onder meer omwille van een nauwkeuriger sturing op het mestgebruik, de gebruiksnormen voor dierlijke en overige organische meststoffen vervangen door het bij wet van 2 mei 1997 (Stb. 360) in hoofdstuk IV van de Meststoffenwet (hierna: wet) opgenomen stelsel van regulerende mineralenheffingen. De invoering van dat stelsel heeft geleid tot wijziging van de administratieve verplichtingen van producenten van meststoffen en van het stelsel van mestafleveringsbewijzen. Artikel 7 van de wet voorziet in de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen te stellen omtrent het bijhouden van een administratie en het verstrekken van gegevens inzake onder meer de productie, het gebruik en het verhandelen van meststoffen. Het Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet (hierna: besluit) voorziet in die regelen.
In de brief aan de Tweede Kamer van 10 september 1999 werden twee belangrijke ontwikkelingen genoemd die noopten tot bijstelling van het mestbeleid, te weten:
dat de door Kabinet en Kamer vastgestelde doelstelling van het mestbeleid, te weten het bereiken van een mestevenwicht op de mestmarkt in 2002, ernstig in gevaar is gekomen ten gevolge van de verschillende rechterlijke uitspraken over de Wet herstructurering varkenshouderij ;
de dreigende ingebrekestelling van Nederland met betrekking tot de Nederlandse inspanningen ter implementatie van de Nitraatrichtlijn tot vernieuwing van het mestbeleid.
Het Kabinet koos voor een integrale aanpak van de mestproblematiek en achtte een nadrukkelijke koppeling tussen de productie- en afzetmogelijkheden van dierlijke mest gewenst. De maatregelen daartoe zijn neergelegd in de Wet van 28 juni 2001 houdende wijziging van de Meststoffenwet in verband met een aanscherping van de normen van het stelsel van regulerende mineralenheffingen en de invoering van een stelsel van mestafzetovereenkomsten (Stb. 312), welke wet op 1 januari 2002 in werking is getreden. Met de inwerkingtreding van het systeem van de mestafzetovereenkomsten is de omvang van de mestproductie die op een bedrijf mag plaatsvinden direct afhankelijk gesteld van de voorafgaand aan de productie door de veehouder verzekerde gebruiks- en afzetmogelijkheden voor die mest binnen de voor het mestgebruik geldende normen.
Voor een goede uitvoering en handhaving van het stelsel van mestafzetovereenkomsten is een centrale registratie van alle grond, onderscheiden naar de aard van het grondgebruik, van mestproducenten en van bedrijven die op basis van mestafzetovereenkomsten aan derden een mestafzetrecht verschaffen van groot belang. Daartoe is een basisregistratie van percelen opgezet. De overheid beschikt daarmee op een centraal punt over een actuele registratie van de gebruikstitels van alle percelen landbouwgrond die een bedrijf in gebruik heeft en van de oppervlakte van de daarop plaatsvindende teelten, onderscheiden naar gewas, alsmede van de tot het bedrijf behorende percelen natuurterrein. De registratie zal overigens mede als aangrijpingspunt dienen voor de controle op de juistheid van de aangifte van de regulerende mineralenheffing, neergelegd in hoofdstuk IV van de wet, en voor de controle op het uitbreidingsverbod, bedoeld in artikel 55 van de wet.
De basis voor de verplichting om gegevens over het grondgebruik op bedrijfsniveau en perceelsniveau te verschaffen is neergelegd in artikel 7a van de wet en is uitgewerkt in een ministeriële regeling, namelijk de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 6 juli 2001 houdende wijziging van de Regeling administratieve verplichtingen Meststoffenwet (Stcrt. 129). Op grond van die gewijzigde regeling (hierna: regeling) moet een bedrijf jaarlijks opgave doen aan het daartoe door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen orgaan van de in gebruik zijnde grond. Aan de hand van die opgave worden de mestaanvoer- en mestplaatsingsruimte in het kader van het stelsel van mestafzetovereenkomsten bepaald; ingevolge artikel 58am van de wet immers wordt bij de bepaling van de mestaanvoer- en mestplaatsingsruimte enkel die grond in aanmerking genomen waarvan opgave is gedaan. Het is van belang dat ook eventuele wijzigingen in de opgave van het grondgebruik worden doorgegeven. Een wijziging in de oppervlakte of gewascategorie van een perceel kan er immers toe leiden dat een bedrijf niet langer over voldoende mestaanvoer- of mestplaatsingsruimte beschikt om zijn contractuele verplichtingen jegens de leverancier van de mest na te komen. In het op artikel 7 van de wet gebaseerde besluit is de basis neergelegd voor het doorgeven van wijzigingen. Vanwege het technische en administratieve karakter van die regels zijn in de regeling nadere regels gesteld ten aanzien van de aard en frequentie waarmee agrariërs gegevens betreffende wijzigingen moeten doorgeven.
Op bovengenoemde wijze wordt verzekerd dat de perceelsregistratie gedurende het gehele jaar een betrouwbare bron vormt bij de beoordeling of de mestplaatsingsruimte op een bedrijf toereikend is voor de mestproductie op dat bedrijf of op andere bedrijven waarmee mestafzetovereenkomsten zijn gesloten.Hoofdlijnen stelsel van administratieve verplichtingen 1. Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet
In paragraaf 2 van het besluit is geregeld aan welke administratieve verplichtingen de producent van dierlijke meststoffen moet voldoen, te weten het bijhouden van een administratie met betrekking tot de door hem geproduceerde mest, de tot het bedrijf behorende oppervlakte grond en de aantallen gehouden dieren van de onderscheiden diersoorten, onderverdeeld in categorieën per soort, die zijn opgenomen in bijlage A bij de wet .
Ingevolge de Regeling gegevensverstrekking Wet verplaatsing mestproductie dient de administratie aangaande de aantallen gehouden dieren en de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond ook tot het toezicht op de naleving van de Wet verplaatsing mestproductie en in het bijzonder tot het toezicht op de naleving van het verbod dat is opgenomen in artikel 3 van de laatstgenoemde wet.
In verband de in hoofdstuk 1 vermelde basisregistratie van percelen zijn in dezelfde paragraaf 2 regels opgenomen omtrent het bijhouden van een administratie van percelen landbouwgrond en het verstrekken van gegevens door de producent van dierlijke meststoffen en de gebruiker van meststoffen.
Naast veehouderijen vallen sinds 1 januari 2001 ook akker- en tuinbouwbedrijven onder het stelsel van regulerende mineralenheffingen. Indien zij slechts gebruiker zijn van dierlijke meststoffen hoeven zij alleen een grondadministratie en een administratie van aangevoerde andere meststoffen die fosfaat bevatten bij te houden.
Hetzelfde geldt voor bedrijven waarvan de veebezetting op elk moment in een kalenderjaar niet groter is dan 3 GVE (Grootvee-eenheden) en voor bedrijven waarvan de veebezetting op elk moment in een kalenderjaar niet groter is dan 2 GVE per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond
In paragraaf 3 van het Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet is de verplichting opgenomen om bij de aflevering van dierlijke meststoffen een afleveringsbewijs op te maken. In paragraaf 4 is deze verplichting ten aanzien van de aflevering van overige organische meststoffen opgenomen. Het gaat in beide gevallen om door leverancier en afnemer ondertekende bewijsstukken inzake de feitelijke aflevering van dierlijke meststoffen of overige organische meststoffen. Het afleveringsbewijs is van belang om te kunnen controleren of de meststoffen ook daadwerkelijk zijn afgezet. Voorts kunnen via de afleveringsbewijzen alle schakels van de mestketen worden gevolgd. Een ieder die betrokken is bij de route die de mest feitelijk aflegt van producent tot eindgebruiker, zoals de transporteur, opslaghouder of distributeur, valt onder de werking van de bepalingen in de paragrafen 3 of 4 van het onderhavig besluit.
In paragraaf 5 is het verbod opgenomen om dierlijke meststoffen of overige organische meststoffen te vervoeren, tenzij een op de vracht betrekking hebbende afschrift van het afleveringsbewijs kan worden overgelegd. Bij transport over de weg van dierlijke meststoffen die in het buitenland worden afgezet dient ingevolge het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, de vervoersovereenkomst te worden vastgelegd in de vrachtbrief, het zogenaamde CMR-vervoerdocument. Op het document moeten onder andere worden vermeld de afzender, de transporteur en de ontvanger van de goederen. Het document moet door alle drie de partijen worden ondertekend, waarbij de ontvanger tekent voor de ontvangst van de goederen.2. Regeling administratieve verplichtingen Meststoffenwet
In paragraaf 2 van de regeling worden de administratieve verplichtingen van grond en dieren nader uitgewerkt.
Het betreft met name de manier van bijhouden en invullen van de diertelkaart, veesaldokaart en de grondkaart.
In het op artikel 7a van de wet gebaseerde artikel 5a van de regeling zijn nadere regels gesteld omtrent de verplichting om gegevens over grondgebruik op bedrijfsniveau en perceelsniveau te verschaffen ten behoeve van een accurate perceelsregistratie.Vervolgings-/verbaliseringsbeleid. 1. Strafbaarstelling
De in het Besluit administratieve verplichtingen en de Regeling administratieve verplichtingen vastgelegde verplichtingen zijn gebaseerd op de artikelen 7 en artikel 7a van de Meststoffenwet . Deze artikelen worden als economische delicten aangemerkt in artikel 1a aanhef en onder 3 e WED en in artikel 2 lid 4 WED als overtredingen gekwalificeerd. De strafbedreiging is geregeld in artikel 6 WED.
hoofdstuk V, titel 3 Meststoffenwet van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
par. X.2. stelsel mestafzetcontracten op grond van hoofdstuk V, titel 3 Meststoffenwet
Achtergrond
De Meststoffenwet 1947 en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving beoogde vooral de deugdelijkheid van de als zodanig in de handel gebrachte meststoffen te verzekeren; deugdelijkheid wat betreft het doel waarvoor deze meststoffen waren bestemd te weten de groeibevordering van gewassen of de verbetering van de bodemstructuur.
De onderkenning van de milieuproblemen als gevolg van de ontwikkelingen in de intensieve veehouderij levert op nationaal niveau medio jaren tachtig reden om, naast bestaande regelgeving die uitsluitend zag op de landbouwkundige kwaliteit van meststoffen, regels te stellen gericht op het gebruik van meststoffen en regels ter beheersing van het volume aan geproduceerde meststoffen. Volumebeheersing geschiedde op basis van de Wet bodembescherming en de Meststoffenwet .
In het licht van de steeds verdergaande groei en intensivering van de Nederlandse veehouderij bleek de inzet van instrumenten van volumebeheersing en gebruiksregels onontkoombaar.
Volumebeheersing wordt op nationaal niveau vervolgens aangepakt op grond van de Wet Bodembescherming en de Meststoffenwet . Internationaal noopt de Nitraatrichtlijn tot het stellen van regels ter beperking van het gebruik van meststoffen.
In de loop van de jaren negentig komt behoud van evenwicht op de mestmarkt steeds meer als doelstelling van het volumebeleid centraal te staan.
Bij brief aan de Tweede Kamer van 10 september 1999 laat het Kabinet bij monde van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer weten dat de door Kabinet en Kamer vastgestelde doelstelling van het mestbeleid, te weten het bereiken van een mestevenwicht op de mestmarkt in 2002 ernstig in gevaar is gekomen, ten gevolge van de verschillende rechterlijke uitspraken over de Wet herstructurering varkenshouderij .
Aanvankelijk is het volumebeleid aanleiding tot vernieuwing; vervolgens noodzaakt de ingebrekestelling van Nederland met betrekking tot de Nederlandse inspanningen ter implementatie van de Nitraatrichtlijn tot vernieuwing van het mestbeleid. Het Kabinet kiest voor een integrale aanpak van de mestproblematiek en acht een nadrukkelijke koppeling tussen de productie- en afzetmogelijkheden van dierlijke mest gewenst. Daartoe zal naast regulering van het gebruik van mest door:
Besluit gebruik dierlijke meststoffen ( Wet bodembescherming )
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen (mede op grond van de wet Bodembescherming )
Ho. IV Meststoffenwet (MINAS),
middels een systeem van mestafzetcontracten op een reductie van het volume gestuurd worden.
Met de inwerkingtreding van het systeem van de mestafzetovereenkomsten wordt de omvang van de mestproductie die op een bedrijf mag plaatsvinden direct afhankelijk gesteld van de voorafgaand aan de productie door de veehouder verzekerde gebruiks- en afzetmogelijkheden voor die mest binnen de voor het mestgebruik geldende normen; dit zonder onderscheid tussen veehouderijsectoren.Hoofdlijnen stelsel mestafzetovereenkomsten 1. Inleiding
De regels inzake de mestproductie in verhouding tot de mestplaatsingsruimte zijn opgenomen in een aan de in hoofdstuk V opgenomen, regelen ter voorkoming van een onverantwoorde uitbreiding van de productie van dierlijke meststoffen, toegevoegde titel 3.2. Overzicht relevante bepalingen stelsel mestafzetovereenkomsten. § 1. Algemeen
Artikel 58 z geeft aan hoe het begrip dierlijke meststof in deze titel verstaan moet worden.§ 2. Maximum stikstofproductie per jaar.
Paragraaf 2 ziet op de maximum stikstofproductie per jaar. Deze dient maximaal gelijk te zijn aan mestplaatsingsruimte voor dat jaar. Deze mestplaatsingsruimte is het totaal aan plaatsingruimte op het eigen bedrijf plus plaatsingsruimte o.g.v. mestafzetovereenkomsten op andere bedrijven minus verplichtingen tot mestaanvoer o.g.v. mestafzetovereenkomsten. Slechts die overeenkomsten worden in aanmerking genomen die voor 1 oktober van het desbetreffende jaar zijn afgesloten en bij Bureau Heffingen voor 1 oktober van het desbetreffende jaar zijn ontvangen. Het verbod ziet niet op de hoeveelheid dierlijke meststoffen die o.g.v. een mestafzetovereenkomst daadwerkelijk is afgevoerd naar een erkende mestverwerker of mestexporteur, dan wel door de producent die daartoe is erkend op zijn bedrijf op de in de wet genoemde manieren is be- of verwerkt.
Artikel 58 aa verbiedt op een bedrijf in een kalenderjaar een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen te produceren dan de mestplaatsingsruimte van dat bedrijf in dat jaar.
Artikel 58 ab bepaalt hoe de hoeveelheid geproduceerde mest wordt vastgesteld.
Artikel 58 ae bepaalt voor welke hoeveelheid mest en onder welke voorwaarden het in artikel 58 aa gestelde verbod niet geldt.
De artikelen 58 ac en 58 ad bepalen hoe de mestplaatsingsruimte, ter handhaving van het jaarplafond, in respectievelijk de jaren 2002 en 2003 vastgesteld wordt.Handhaving:
Overtredingen van het jaarplafond kunnen eerst na afloop van het kalenderjaar worden vastgesteld. Aangezien het jaarplafond een gemiddelde over een heel jaar is ( artikel 58 aa ), is het niet meer mogelijk de overtreding ongedaan te maken. Dientengevolge kan terzake van de overtreding nog slechts repressief worden opgetreden.
Tegen deze achtergrond en gegeven het zeer laakbare karakter van overschrijding van het jaarplafond is gekozen voor strafrechtelijke handhaving van het jaarplafond via de Wet op de economische delicten (WED). Dat spoort met het handhavingsregiem voor de mestproductierechten. Ook voor de zwaarte van de strafrechtelijke sancties is daarmee één lijn getrokken. Concreet houdt dit in dat overtredingen van het jaarplafond zijn ingedeeld in de zwaarste categorie van de WED , wat kan leiden tot maximaal 6 jaar gevangenisstraf of een boete van de vijfde categorie.§ 3. Maximum stikstofproductie op enig moment.
Paragraaf 3 ziet op de maximum stikstofproductie op enig moment. De productie van dierlijke meststoffen op enig moment mag in omvang op jaarbasis niet groter zijn dan de mestplaatsingsruimte op dat moment. De omvang van de mestproductie op jaarbasis wordt vastgesteld op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden, uitgeschaarde of tijdelijk elders ter weiding ondergebrachte dieren. Daartoe vindt aan de hand van de op het desbetreffende moment aanwezige dieren een omrekening plaats naar kilogrammen stikstof die op jaarbasis kunnen worden geproduceerd. Bij de bepaling van de omvang van de mestplaatsingsruimte wordt de plaatsingsruimte op eigen bodem, de plaatsingsruimte d.m.v. mestafzetovereenkomsten en de plaatsingsruimte waarvoor be-/verwerking op eigen bedrijf is erkend opgeteld. Slechts de mogelijkheid tot plaatsing is bepalend, een daadwerkelijke afvoer hoeft niet te hebben plaatsgevonden.
In verband met gebruikelijke fluctuaties in het aantal op het bedrijf gehouden dieren gedurende het jaar wordt in beginsel een marge aangehouden.
Artikel 58 af verbiedt om op enig moment een hoeveelheid dierlijke meststoffen te produceren die op jaarbasis groter zou zijn dan de mestplaatsingsruimte op dat moment vermeerderd met 15 %.
Artikel 58 ag bepaalt hoe de omvang van de productie op jaarbasis wordt vastgesteld aan de hand van de op enig moment geproduceerde dierlijke meststoffen.
De artikelen 58 ah en 58 ai bepalen hoe de mestplaatsingsruimte, ter handhaving van het dagplafond, op enig moment in respectievelijk de jaren 2002 en 2003 bepaald wordt.Handhaving:
Een overschrijding van het in artikel 58 af voorgestelde dagplafond kan gedurende het gehele jaar worden geconstateerd. Alsdan past een adequate en snelle reactie van de zijde van de overheid, waarmee de overtreding ongedaan wordt gemaakt en waarbij wordt verzekerd dat er geen herhaling van de overtreding plaatsvindt.
Anders gezegd: er bestaat behoefte aan een reparatoire sanctie en niet zozeer aan een punitieve sanctie. Daarmee leent dit instrument zich – meer dan het jaarplafond – voor een vorm van bestuursrechtelijke handhaving.
Hierbij valt te denken aan het opleggen van een last onder dwangsom ingeval bij controle een overtreding is geconstateerd.§ 4. Regels met betrekking tot het aangaan van een verplichting tot afname van dierlijke meststoffen.
Essentieel voor de werking van het stelsel van mestafzetovereenkomsten is dat bedrijven bij mestafzetovereenkomst niet meer van hun mestplaatsingsruimte aan andere bedrijven in gebruik geven dan gezien de eigen mestproductie en de mestaanwendingmogelijkheden op het bedrijf verantwoord is, en dat zij na het sluiten van een mestafzetovereenkomst hun mestplaatsingsruimte niet zodanig verkleinen dat zij hun contractuele verplichtingen niet meer na kunnen komen.
De artikelen 58 aj, eerste lid en 58 ak, eerste lid creëren een plafond aan de dagaanvoer waardoor het mogelijk is om in de loop van het jaar bij akkerbouwers of andere mestafnemers vast te stellen of deze niet te veel heeft gecontracteerd .
Artikel 58 aj verbiedt het aangaan van verplichtingen bij mestafzetovereenkomsten tot aanvoer op een bedrijf van een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen dan de mestaanvoerruimte van dat bedrijf.
Artikel 58 ak verbiedt verkleining van een tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond of natuurterrein indien een, op grond van een mestafzetovereenkomst, plicht tot aanvoer van dierlijke meststoffen op dat bedrijf rust.
Artikel 58 aka verbiedt een erkende tussenpersoon zich bij mestafzetovereenkomst tot een grotere aanvoer van dierlijke meststoffen te verplichten dan de bij erkenning vastgestelde hoeveelheid.
Artikel 58 ai verbiedt de erkende exporteur of - mestverwerker zich, bij mestafzetovereenkomst, tot een grotere aanvoer te verplichten dan krachtens AmvB toegestane maximum hoeveelheid.
Voor de handhaving van de artikelen 58 aj en 58 ak ligt als primaire reactie een bestuursrechtelijke sanctie in de rede. Ook hier bestaat behoefte aan een reparatoire sanctie en daarmee kan bestuursrechtelijk handhaven in de vorm van een last onder dwangsom bijdragen aan het tot stand komen van het beoogde resultaat.
Strafrechtelijk handhaven blijft mogelijk, strafrechtelijk handhaven is geïndiceerd als mocht blijken dat bedrijven welbewust en vanuit winstoogmerk bedoelde bepalingen overtreden en als bedoelde overtreding eerst na afloop van het jaar mocht blijken en reparatie niet meer mogelijk is.§ 5. Overige regels.
Voor een sluitende controle op de naleving van de verboden van het stelsel van mestafzetovereenkomsten is een centrale registratie van alle mestafzetovereenkomsten en van alle grond, onderscheiden naar de aard van het grondgebruik, van mestproducenten en van bedrijven die op basis van mestafzetovereenkomsten aan derden een mestafzetrecht verschaffen van groot belang. Daartoe wordt in paragraaf 5 bepaald dat grond en contracten uitsluitend in aanmerking worden genomen als deel van de mestplaatsingsruimte van de mestproducent of mestaanvoerruimte van de mestafnemer, indien deze grond van tevoren is aangemeld bij de Dienst Basis Registratie (DBR), respectievelijk de mestafzetovereenkomst naar het Bureau Heffingen is verzonden.
Artikel 58 am bepaalt dat slecht tot het bedrijf behorende grond als zodanig in aanmerking wordt genomen voor zover deze landbouwgrond of natuurterrein overeenkomstig bij ministeriële regeling gestelde regels bij het in die regeling genoemde orgaan is aangemeld en deze melding daadwerkelijk door dat orgaan is ontvangen.
Artikel 58 an en artikel 58 ao stelt voorwaarden aan de hoeveelheid dierlijke mest die op grond van een mestafzetovereenkomst kan worden afgevoerd naar een ander bedrijf, een erkende tussenpersoon, een erkende mestverwerker of een erkende exporteur
Ook is een voorziening getroffen voor de situatie waarin mestafzetovereenkomsten pas bij Bureau Heffingen worden ingediend na de datum waarop ingevolge de overeenkomst aanvoer van dierlijke meststoffen kan plaatsvinden. Ingevolge artikel 58 ap geldt in laatstgenoemde situatie de datum van ontvangst bij Bureau Heffingen als datum met ingang waarvan aanvoer van meststoffen kan plaatsvinden.
Het niet doen van de meldingen betreffende de bij het bedrijf behorende oppervlakte grond, het niet inzenden van een afschrift van de mestafzetovereenkomsten en het ontvangen door Bureau Heffingen van een afschrift van de mestafzetovereenkomst na het in de overeenkomst overeengekomen tijdstip van aanvang van de overeenkomst is als zodanig niet strafbaar gesteld in titel 3 van hoofdstuk V van de Meststoffenwet.
De artikelen 7 en 7a van de Meststoffenwet geven de mogelijkheid bij Algemene Maatregel van bestuur dan wel ministeriële regeling regels te stellen omtrent het bijhouden van een administratie en voorschriften te stellen aan die administratie. In deze regels en/of voorschriften wordt voorzien in het Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet en de Regeling administratieve verplichting Meststoffenwet .
Het niet voldoen aan bedoelde verplichtingen heeft naast consequenties die voortvloeien uit bedoeld Besluit en Regeling ook dan, bestuursrechtelijk dan wel strafrechtelijke, consequenties als dit leidt tot overtreden van het dagplafond of jaarplafond dan wel tot het aangaan van een verplichting tot een grotere mestaanvoer dan toegestaan.Strafbare gedragingen
Artikel 58 aa
‘Het is verboden op een bedrijf in een kalenderjaar een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen te produceren dan de mestplaatsingsruimte van dat bedrijf in dat jaar.’
Artikel 58 af, eerste lid
‘Het is verboden op een bedrijf op enig moment dierlijke meststoffen te produceren in een omvang die op jaarbasis groter is dan de mestplaatsingsruimte van dat bedrijf op het desbetreffende moment, vermeerderd met 15%’.
Artikel 58 aj. eerste lid
‘Het is verboden zich bij mestafzetovereenkomst te verplichten om in een kalenderjaar, of gedeelte daarvan, een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen op een bedrijf aan te voeren dan de mestaanvoerruimte van dat bedrijf’.
Artikel 58 ak
‘Het is verboden in een kalenderjaar, na het tijdstip met ingang waarvan op grond van een mestafzetovereenkomst een verplichting tot het aanvoeren van dierlijke meststoffen op een bedrijf geldt, de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond of natuurterrein te verkleinen, of de teelt van de landbouwgrond te wijzigen’.
Artikel 58 aka
‘Het is de erkende tussenpersoon verboden zich bij mestafzetovereenkomst te verplichten in een kalenderjaar een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen aan te voeren dan de bij de verlening van de erkenning vastgestelde hoeveelheid’.
Artikel 58 al
‘Het is de erkende exporteur of de erkende mestverwerker verboden zich bij mestafzetovereenkomst te verplichten in een kalenderjaar een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen aan te voeren dan de in artikel 58ae vijfde lid, bedoelde hoeveelheid’.
De artikelen 58aa , 58 af, eerste lid , 58 aj, eerste lid , 58 ak en 58 al worden opgenomen in artikel 1a onder 1° van de Wet op de economische delicten (misdrijven, voor zover opzettelijk begaan) en artikel 58 ae, tweede en vierde lid wordt opgenomen in artikel 1a onder 3° van de Wet op de economische delicten (overtreding).
Naast de strafrechtelijke handhaving is ten aanzien van de artikelen 58af , 58aj en 58 ak tevens voorzien in de handhaving middels het uitoefenen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom. De bevoegdheid tot het uitoefenen van bestuursdwang is neergelegd in het ingevolge het voorstel van wet, houdende wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van pluimveerechten (kamerstukken II, 1998/99, 26 473 nrs. 1 en 2) ingevoegde artikel 71a van de Meststoffenwet .Vervolgings-/verbaliseringsbeleid A. Misdrijven:
Overtredingen dienen onderscheiden te worden in de volgende hoofdgroepen:
1. Overschrijding van het jaarplafond [producent]
2. Overschrijding van het dagplafond [producent] ? extremiteiten naar OM
3. Overschrijding van de aanvoerruimte door te groot afgesloten afnameplicht
4. Verkleining van de aanvoerruimte na afgesloten afnameplicht
5. Te groot afgesloten afnameplicht t.o.v. de erkende hoeveelheid [tussenpersoon]
6. Te groot afgesloten afnameplicht t.o.v. de erkende hoeveelheid [exporteur/verwerker]B. Overtredingen:
Overtredingen dienen onderscheiden te worden in de volgende hoofdgroepen:
1. Overtreding van de aan erkenning verbonden voorwaarden en beperkingen ten aanzien van de erkende producent, verwerker en/of exporteur, nader geregeld in het Besluit- en de Regeling erkenning TME
2. Overtreding van de aan erkenning verbonden voorwaarden en beperkingen ten aanzien van de tussenpersoon, nader geregeld in het Besluit- en de Regeling erkenning TMEAlgemene uitgangspunten.
Teneinde een samenhangend strafvorderingbeleid te bewerkstelligen sluiten na te noemen tarieven aan bij de tarieven die gelden bij overschrijding in de richtlijn WHV.
Bij het overtreden van één of meer in deze richtlijn genoemde strafbare bepalingen in combinatie met het opzettelijk plegen van valsheid in geschrift of andere daarmee samenhangende misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht , zal in beginsel nauwelijks worden gedagvaard.
In alle onder A. genoemde categorieën misdrijven zal in het proces-verbaal een paragraaf worden opgenomen met een berekening van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.A.1: Overschrijding van het jaarplafond door producent ( art. 58 aa Meststoffenwet ) A.1.1: Verbaliseringbeleid:
Proces-verbaal wordt opgemaakt als de stikstofproductie van het gemiddeld over het jaar gehouden aantal dieren, de mestplaatsingsruimte over dat jaar met een hoeveelheid van 200 kg stikstof overschrijdt, afgerond op de hoeveelheid stikstof voor een hele diereenheid van de desbetreffende diercategorie. Tot deze hoeveelheid wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven en vindt hercontrole in het daaropvolgende jaar plaats. Bij een productie-overschrijding van meer dan 10% ten opzichte van de mestplaatsingsruimte en bij recidive wordt altijd proces-verbaal opgemaakt.A.1.2: Transactie en strafvorderingbeleid:
Overschrijding van het jaarplafond: 1 punt per 5 kg stikstof
Bij recidive zal in beginsel rauwelijks worden gedagvaard en is het OM niet gebonden aan vorenstaande bedragen.A.2: Overschrijding van het dagplafond door producent ( art. 58 af, eerste lid Meststoffenwet ).
Hoewel bestuursrechtelijke handhaving het uitgangspunt vormt, kan het dagplafond ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. Strafrechtelijke handhaving is volgens de Memorie van Toelichting aangewezen ingeval van herhaalde, ernstige overtredingen of ingeval eerst aan het einde, dan wel na afloop van het kalenderjaar één of meerdere overtredingen worden geconstateerd. In dergelijke gevallen zal in beginsel rauwelijks worden gedagvaard.A.3: Overschrijding van de aanvoerruimte door te groot afgesloten afnameplicht ( art. 58 58 ai, eerste lid Meststoffenwet ).
De overschrijding van de aanvoerruimte door contracteren van een te grote hoeveelheid stikstof heeft gevolgen voor de producent op het moment dat dit feit door Bureau Heffingen of de AID geconstateerd wordt. Van belang is namelijk de periode waarover op basis van deze afnameverplichting reeds is geproduceerd. Primair zullen deze Mestafzetovereenkomsten bestuursrechtelijk niet worden meegenomen, waardoor de producent, als hij toch deze hoeveelheid wil produceren, andere mestplaatsingsruimte zal moeten zoeken. Civielrechtelijk kan de producent nakoming van de afnameplicht of schadevergoeding van de wederpartij vorderen. Door het tijdsverloop ontstaat het risico van milieuschade in de vorm van niet plaatsbare mestproductie. Dit risico wordt groter naarmate partijen het oneens zijn over ontbinding van de Mestafzetovereenkomst of wanneer de producent of afnemer minder mogelijkheden beeft om nieuwe Mestafzetovereenkomsten af te sluiten.A.3.1: Verbaliseringbeleid:
Proces-verbaal wordt opgemaakt als niet of onvoldoende is gerepareerd. Door het afsluiten van Mestafzetovereenkomsten boven de plaatsingsruimte en de daarbij horende afnameplicht, ontstaat daardoor een direct risico ten aanzien van overbemesting.A.3.2: Transactie en strafvorderingbeleid:
Overschrijding van de aanvoerruimte: 1 punt per 5 kg stikstof
Bij recidive zal in beginsel rauwelijks worden gedagvaard en is het OM niet gebonden aan vorenstaande bedragen.A.4: Verkleining van de aanvoerruimte na afgesloten afnameplicht ( art. 58 ak Meststoffenwet ):
De overschrijding van de aanvoerruimte door verkleining van de oppervlakte of wijziging van de teelt na het moment van afsluiten van de Mestafzetovereenkomsten heeft gevolgen voor de producent op het moment dat dit feit door Bureau Heffingen of de AID geconstateerd wordt. Van belang is namelijk de periode waarop op basis van deze afnameverplichting reeds is geproduceerd. Primair zullen deze Mestafzetovereenkomsten bestuursrechtelijk alsnog niet worden meegenomen, waardoor de producent andere mestplaatsingsruimte zal moeten zoeken. Civielrechtelijk kan de producent nakoming van de afnameplicht of schadevergoeding van de wederpartij vorderen. Door het tijdsverloop ontstaat het risico van milieuschade in de vorm van niet plaatsbaar geproduceerde mest. Dit risico wordt groter naarmate partijen het oneens zijn over ontbinding van de Mestafzetovereenkomst of wanneer de producent of afnemer minder mogelijkheden heeft om nieuwe Mestafzetovereenkomsten af te sluiten.A.4.1: Verbaliseringbeleid:
Proces-verbaal wordt opgemaakt als niet of onvoldoende is gerepareerd. Door het afsluiten van Mestafzetovereenkomsten boven de plaatsingsruimte en de daarbij horende afnameplicht, ontstaat daardoor een direct risico ten aanzien van overbemesting.A.4.2: Transactie en strafvorderingbeleid:
Verkleining van de aanvoerruimte na afgesloten afnameplicht: 1 punt per 5 kg stikstof
Bij recidive zal in beginsel rauwelijks worden gedagvaard en is het OM niet gebonden aan vorenstaande bedragen.A.5: Te groot afgesloten afnameplicht t.o.v. de erkende hoeveelheid [TP] ( art. 58 aka Meststoffenwet ):
Overschrijding van de erkende hoeveelheid stikstof van een tussenpersoon, door het afsluiten van teveel Mestafzetovereenkomsten na erkenningverlening brengt een milieurisico met zich mee. De terugmelding van Bureau Heffingen wegens het niet meenemen van deze Mestafzetovereenkomsten komt later dan het moment van ondertekening en heeft gevolgen voor de producent op het moment dat dit feit door Bureau Heffingen of de AID geconstateerd wordt. Van belang is namelijk de periode waarop op basis van deze afnameverplichting reeds is geproduceerd. De producent zal andere mestplaatsingsruimte moeten zoeken. Civielrechtelijk kan de producent nakoming van de afnameplicht of schadevergoeding van de wederpartij vorderen. Door het tijdsverloop ontstaat het risico van milieuschade in de vorm van niet plaatsbaar geproduceerde mest. Dit risico wordt groter naarmate partijen het oneens zijn over ontbinding van de Mestafzetovereenkomst, uitbreiding van de erkenning stagneert of wanneer de producent minder mogelijkheden heeft om nieuwe Mestafzetovereenkomsten af te sluiten.A.5.1: Verbaliseringbeleid:
Proces-verbaal wordt opgemaakt als niet of onvoldoende is gerepareerd.A.5.2: Transactie en strafvorderingbeleid:
Te groot afgesloten afnameplicht ten opzichte van de erkende hoeveelheid door de tussenpersoon: 1 punt per 5 kg stikstof
Bij recidive zal in beginsel rauwelijks worden gedagvaard en is het OM niet gebonden aan vorenstaande bedragen.A.6.: Te groot afgesloten afnameplicht t.o.v. de erkende hoeveelheid [EXP/MV] ( art. 58 al Meststoffenwet )
Overschrijding van de erkende hoeveelheid stikstof van een exporteur of mestverwerker, door het afsluiten van teveel Mestafzetovereenkomsten na erkenningverlening brengt een milieurisico met zich mee. De terugmelding van Bureau Heffingen wegens het afkeuren van deze Mestafzetovereenkomsten komt later dan het moment van ondertekening en heeft gevolgen voor de producent op het moment dat dit feit door Bureau Heffingen of de AID geconstateerd wordt. Van belang is namelijk de periode waarop op basis van deze afnameverplichting reeds is geprodueeerd. De producent zal andere mestplaatsingsruimte moeten zoeken. Civielrechtelijk kan de producent nakoming van de afnameplicht of schadevergoeding van de wederpartij vorderen. Door het tijdsverloop ontstaat het risico van milieuschade in de vorm van niet plaatsbare geproduceerde mest. Dit risico wordt groter naarmate partijen het oneens zijn over ontbinding van de Mestafzetovereenkomst, uitbreiding van de erkenning stagneert of wanneer de producent minder mogelijkheden heeft om nieuwe Mestafzetovereenkomsten af te sluiten.A.6.1: Verbaliseringbeleid:
Proces-verbaal wordt opgemaakt als niet of onvoldoende is gerepareerd.A.6.2: Transactie en strafvorderingbeleid:
Te groot afgesloten afnameplicht ten opzichte van de erkende hoeveelheid door de expediteur of de mestverwerker: 1 punt per 5 kg stikstof
Bij recidive zal in beginsel rauwelijks worden gedagvaard en is het OM niet gebonden aan vorenstaande bedragen.
Ho: V Meststoffenwet, stelsel pluimveerechten van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
Par. X.3. Ho: V Meststoffenwet, stelsel pluimveerechten
Achtergrond
In de jaren negentig van de vorige eeuw is een steeds verdergaande groei van de pluimveestapel ingetreden, hetgeen overheidsmaatregelen noodzakelijk maakte. De pluimveesector levert na de varkenssector de grootste bijdrage aan het totaal aan mestoverschotten op de veehouderijbedrijven. In de Integrale Notitie mest en amoniakbeleid (kamerstukken II 1996/97, 25448. nr. 1) werd voorzien dat bij toepassing van de daarin aangegeven maatregelen en bij een aanname van export van 18 miljoen kilogram fosfaat in de vorm van pluimveemest een landelijk niet plaatsbaar mestoverschot zou kunnen worden voorkomen. In de loop van 1998 werd evenwel duidelijk dat er zich ontwikkelingen hadden voorgedaan die per saldo tot een veel groter niet-plaatsbaar mestoverschot leidden dan destijds werd verondersteld. Deze ontwikkelingen worden cijfermatig onderbouwd in de Memorie van toelichting bij de Wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van pluimveerechten, kamerstukken II, 1998-99, 26 473, nr. 3
Naast een ernstige terugval van de mestexport deed in die jaren een gestadige groei van de pluimveestapel voor.
Derhalve werd door het kabinet op 6 november 1998 een stop aangekondigd in de groei van de omvang van de mestproductie afkomstig van pluimvee, mede op aandringen van de pluimveesector zelf.
Om te komen tot de noodzakelijke bevriezing van de omvang van de pluimveestapel op landelijk niveau is in de nieuwe titel 2 van hoofdstuk V van de Meststoffenwet een stelsel van pluimveerechten geïntroduceerd. Deze wet is op 1 januari 2001 in werking getreden. Het pluimveerecht komt voor kippen en kalkoenen volledig in de plaats van het mestproductierecht, dat geldt op grond van de artikelen 55 en 55a van de Meststoffenwet en op grond van de Wet verplaatsing mestproductie . Het pluimveerecht stelt een jaarplafond aan het gemiddeld te houden aantal kippen en kalkoenen en geeft ook de mogelijkheid tot het instellen van een dagplafond. Daarnaast kent de regeling een aantal administratieve verplichtingen en een verplaatsingsverbod. Deze verplichtingen en verboden worden strafrechtelijk – via de Wet op de economische delicten – gehandhaafd. Het Bureau Heffingen te Assen is belast met de uitvoering van het stelsel van pluimveerechten, de Algemene Inspectiedienst met het toezicht en met de opsporing van strafbare feiten.
Deze richtlijn richt zich op de strafrechtelijk gehandhaafde bepalingen voortkomende uit het stelsel van de pluimveerechten.
Samenvatting
Deze richtlijn voor strafvordering heeft betrekking op overtredingen en misdrijven genoemd in artikel 7 en titel 2 van hoofdstuk V van de Meststoffenwet.
Overzicht wettelijk systeem
Het stelsel van pluimveerechten is neergelegd in Hoofdstuk V van de Meststoffenwet.1. Algemene bepalingen (§ 1)
Begripsbepalingen ( art. 58a ) en andere algemene bepalingen ( art. 58b ), die uitsluitend relevant zijn voor de regeling van de pluimveerechten in titel 2 en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving. Het pluimveerecht wordt uitgedrukt in een hoeveelheid fosfaat die op jaarbasis mag worden geproduceerd. De desbetreffende fosfaatproductie wordt op forfaitaire wijze berekend ( bijlage A bij de wet ).2. Uitbreidingsverbod (§ 2)
Artikel 58c : het is verboden om op een bedrijf in een kalenderjaar een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen te produceren dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht.
Het is voorts verboden de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van kippen of kalkoenen te verplaatsen naar een andere locatie van het bedrijf, behoudens de situatie dat de locatie waarheen de productie wordt verplaatst sinds 31 december 1986 onafgebroken tot het bedrijf heeft behoort, dan wel indien voldaan is aan de in §4 neergelegde regel voor overgang van het pluimveerecht. Daarnaast voorziet §2 in een mogelijkheid van het opleggen ‘dagplafond’ ( artikel 58e ) en stelt het een plafond voor niet-bedrijfsmatige pluimveehouders ( art. 58d, tweede lid ).3. Bepaling omvang van het pluimveerecht op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet (§ 3)
De berekening van de hoogte van het pluimveerecht op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet op basis van de in het referentiejaar 1997 – of naar keuze van de veehouder 1996 of 1995 of – onder voorwaarden 1994 – geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat. Rekening wordt gehouden met in of na het referentiejaar verworven mestproductierechten tot 6 november 1998, de datum waarop de maatregelen bekend werden gemaakt. Bijzondere regels gelden voorts voor de situaties waarbij in of na het referentiejaar en vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wet mestproductierechten zijn vervreemd of een bedrijfsoverdracht of een samenvoeging van bedrijven heeft plaatsgevonden. Ook voor een aantal bijzondere categorieën van gevallen, vergelijkbaar met de zogenoemde hardheidsgevallen in varkenshouderij als geregeld in het Besluit hardheidsgevallen wet herstructurering varkenshouderij , is in de wet een afwijkende bepaling van de hoogte van het pluimveerecht voorzien, onder meer voor pluimveehouders die onomkeerbare investeringsverplichtingen ten behoeve van uitbreiding of omschakeling van hun bedrijf hebben gedaan. Voor een afwijkend referentiejaar of een gunstiger berekening van de hoogte van het pluimveerecht dat voortvloeit uit de hoofdregels van de wet is een melding aan het Bureau Heffingen vereist.4. Relatie met artikel 55 Meststoffenwet
Het pluimveerecht komt voor kippen en kalkoenen volledig in de plaats van het mestproductierecht, dat geldt op grond van de artikelen 55 en 55a van de Meststoffenwet en op grond van de Wet verplaatsing mestproductie . Het mestproductierecht, voor zover dat los staat van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, is na inwerkingtreding van artikel 58c voor elk bedrijf verlaagd met het aan het bedrijf toekomende pluimveerecht ( art. 55. tiende lid, en art. 56).5. Overgang van het pluimveerecht (§ 4)
Voor de overgang van het pluimveerecht naar een ander bedrijf en voor een verplaatsing van pluimveerechten naar een andere locatie binnen hetzelfde bedrijf is registratie van de kennisgeving van overgang door het Bureau Heffingen vereist. Eerst na registratie kan het pluimveerecht op het andere bedrijf of de andere locatie worden benut. Bij overgang naar een ander bedrijf en bij benutting op een andere locatie van hetzelfde bedrijf vindt een reductie van pluimveerechten plaats van 25%.6. Ambtshalve vaststelling pluimveerecht (§ 5)
De hoogte van het pluimveerecht vloeit, uitgaande van de door het bedrijf zelf gedane opgave op de aangifte overschotheffing, onderscheidenlijk het afsluitformulier of de vrijstellingsverklaring, rechtstreeks uit de wet voort. Registratie door het Bureau Heffingen leidt niet tot een nadere beoordeling door het Bureau Heffingen.
Ter zake worden geen individuele, voor bezwaar en beroep vatbare beslissingen genomen. Het Bureau Heffingen heeft wel de bedrijven geïnformeerd omtrent het bij het Bureau Heffingen geregistreerde pluimveerecht. Daaraan is evenwel geen enkel rechtsgevolg verbonden.7. Administratieve verplichtingen
De basis voor het stellen van regels over de wijze van bepaling van de aantallen dieren, de mestproductie, de oppervlakte landbouwgrond en de basis voor het opleggen van administratieve verplichtingen zijn neergelegd in art. 7. Op grond hiervan is onder meer het Besluit Administratieve verplichtingen Meststoffenwet en de daarop gebaseerde Regeling administratieve verplichtingen Meststoffenwet vastgesteld. De desbetreffende uitvoeringsregelingen vormen mede het aangrijpingspunt voor de handhaving van het pluimveerecht.8. Strafrechtelijk gehandhaafde bepalingen
Artikel 7 ( WED: art. 1a onder 3°) administratieve verplichtingen
Artikel 58c ( WED: art. 1a onder 1°) uitbreidingsverbod
Artikel 58d. tweede lid ( WED: art. 1a onder 1°) plafond niet-bedrijfsmatige pluimveehouder
Artikel 58e, derde lid ( WED: art. 1a onder 1°) maximumgrens door minister
Artikel 58f, eerste lid ( WED: art. 1a onder 1°) verplaatsingsverbod9. Belangrijkste uitvoeringsregelgeving
Uitvoeringsbesluit pluimveerechten Meststoffenwet
Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet
Regeling administratieve verplichtingen Meststoffenwet
Regeling leges en blokkade pluimveerechten Meststoffenwet 1. Uitbreidingsverbod ( art. 58c Meststoffenwet ) 1.1 verbaliseringsbeleid
Proces-verbaal wordt opgemaakt als het op het bedrijf rustende productierecht (als zijnde de maximaal op het bedrijf te produceren hoeveelheid dierlijke meststoffen) achteraf met meer dan 185 kilogram fosfaat blijkt te zijn overschreden. Tot 185 kilogram overschrijding wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven en vindt hercontrole plaats.
Bij een afwijking van meer dan 10 % ten opzichte van het pluimveerecht en bij recidive wordt evenwel altijd proces-verbaal opgemaakt, ongeacht de hoogte van de overschrijding.1.2 strafvorderingsbeleid
Overtreding van het uitbreidingsverbod 1 punt per 7,4 kg fosfaat
Bij recidive zal rauwelijks worden gedagvaard en is het Openbaar Ministerie niet gebonden aan vorenstaande bedragen.
Teneinde een samenhangend strafvorderingsbeleid te bewerkstelligen komen voornoemde tarieven overeen met de tarieven die gelden bij overtreding van art. 15 Wet herstructurering varkenshouderij (overschrijding toegestane varkensrechten), opgenomen in de ‘Richtlijn voor strafvordering wet herstructurering varkenshouderij’.2. Handelen in strijd met de administratie-/bewaarverplichting ( art. 7 Meststoffenwet) 2.1 Verbaliseringsbeleid
Bij overtreding van de op grond van het stelsel van pluimveerechten geldende administratieve en bewaarverplichtingen (registratie van het aantal kippen en/of kalkoenen) zal proces-verbaal worden opgemaakt als de administratie langer dan 2 maanden niet wordt bijgehouden of voor meer dan 2 maanden niet aan de bewaarverplichting wordt voldaan. Bij recidive wordt altijd proces-verbaal opgemaakt.
Bij een periode korter dan 2 maanden wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven en wordt hercontrole ingesteld. Indien tijdens de hercontrole blijkt dat de geldende administratieve verplichtingen nog steeds niet zijn nagekomen, zal in beginsel proces-verbaal worden opgemaakt.2.2 Strafvorderingsbeleid
Overtreding van de administratieverplichtingen op grond van de Meststoffenwet : 10 punten
Bij recidive en bij vervalsing van de administratie zal rauwelijks worden gedagvaard en is het Openbaar Ministerie niet gebonden aan vorenstaande bedragen.3. Bijzonderheden
Voor het verstrekken van onjuiste gegevens in ‘hardheidsgevallen’, waarvoor geen afzonderlijke strafbepaling in de meststoffenwet is opgenomen, maar ter zake waarvan op grond van artikel 225 Wetboek van Strafrecht kan worden opgetreden, geldt dat voor het daardoor teveel verkregen pluimveerecht dezelfde uitgangspunten gelden als hierna voor het uitbreidingsverbod is vermeld.
Bij opzettelijke misleiding van de overheid door middel van valse opgaven met het oog op het bewerkstelligen van een onrechtmatige uitbreiding van het pluimveerecht, eventueel gecombineerd met een of meer overtredingen van een of meer bepalingen uit het stelsel van pluimveerechten, alsmede bij recidive, zal rauwelijks worden gedagvaard en is het Openbaar Ministerie niet en is het Openbaar Ministerie niet gebonden aan voornoemde uitgangspunten.4. Ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In geval van overtreding van het uitbreidingsverbod zal in het proces-verbaal een paragraaf worden opgenomen met een berekening van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uitgangspunt voor de berekening is de economische waarde van het aantal stuks pluimvee waarmee het pluimveerecht ten tijde van het plegen van het delict wordt overschreden, verminderd met daarvoor in aanmerking komende kosten.
Achtergrond
1. Algemeen
Met ingang van 1 januari 2002 is een stelsel van mestafzetovereenkomsten ingevoerd (wet van 28 juni 2001 houdende wijziging van de Meststoffenwet, Stb. 312). Dit stelsel is opgenomen in de aan hoofdstuk V van de Meststoffenwet toegevoegde titel 3. Het stelsel van mestafzetovereenkomsten beoogt te garanderen dat landelijk niet meer dierlijke meststoffen worden geproduceerd dan door producenten op het eigen bedrijf en bij derden kunnen worden afgezet.
In het stelsel van mestafzetovereenkomsten is daartoe de omvang van de mestproductie die op een veehouderijbedrijf mag plaatsvinden afhankelijk gesteld van de aanwendings- en afzetmogelijkheden voor de dierlijke mest, gegeven de normen van richtlijn nr. 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG L 375, hierna: Nitraatrichtlijn). Voor zover de veehouder over onvoldoende eigen grond beschikt om zijn mest af te zetten, moet hij zich voorafgaand aan de productie van de dierlijke meststoffen door het sluiten van mestafzetovereenkomsten verzekeren van voldoende afzetmogelijkheden voor de te produceren mest op landbouwgrond van derden, dat wil zeggen op bedrijven die gegeven de normen van de Nitraatrichtlijn nog ruimte hebben om dierlijke meststoffen aan te voeren.
Een uitzondering op het uitgangspunt dat er voor de te produceren dierlijke mest voldoende aanwendingsmogelijkheden op eigen grond of – op grond van een mestafzetovereenkomst – afzetmogelijkheden op andere Nederlandse landbouwbedrijven aanwezig moeten zijn, is in het kader van artikel 58ae van de Meststoffenwet toegelaten in een aantal situaties waarbij is verzekerd dat de dierlijke meststoffen niet drukken op de schaarse plaatsingsruimte voor de reguliere dierlijke meststoffen op landbouwgrond in Nederland. Het gaat om de volgende situaties:
a. De producent produceert pluimveemest en voert deze op grond van een mestafzetovereenkomst af naar een erkende exporteur. De erkende exporteur zet de meststoffen vervolgens buiten Nederland af. Pluimveemest kan, evenals de in het kader van de Meststoffenwet niet relevante paardenmest, zonder enige vorm van be- of verwerking worden geëxporteerd ingevolge richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving gelden als bedoeld in Bijlage A, hoofdstuk 1, van Richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van Richtlijn 90/425/EEG.
b. De producent voert de dierlijke meststoffen af naar een erkende mestverwerker. Vervolgens doen zich twee mogelijkheden voor:
1°. de mestverwerker be- of verwerkt de dierlijke meststoffen zodanig dat deze ingevolge voornoemde richtlijn 92/118/EEG kunnen worden geëxporteerd en zet deze rechtstreeks of door tussenkomst van een erkende exporteur buiten Nederland af;
2°. de mestverwerker verwerkt de dierlijke meststoffen onomkeerbaar tot een product dat niet als dierlijke of overige organische mest is aan te merken of tot een hoogwaardige – qua kwaliteit en marktwaarde met kunstmest te vergelijken – samengestelde NPK-, NP-, PK- of NK-meststof, die voldoet aan de eisen van richtlijn nr. 76/116/EEG van de Raad van de Europese Unie van 18 december 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van wetgevingen van de Lid-Staten inzake meststoffen (PbEG 1976, L 24). Deze producten en meststoffen kan de erkende mestverwerker vervolgens binnen of buiten Nederland afzetten.
c. De daartoe erkende mestproducent:
Voorts geldt er ingevolge artikel 58aka van de wet een uitzondering op het uitgangspunt dat de mestproducent zèlf een mestafzetovereenkomst met een ander landbouwbedrijf of – voor de toepassing van artikel 58ae van de Meststoffenwet – met een erkende mestverwerker of erkende exporteur moet sluiten. De producent kan voor de door hem te produceren hoeveelheid dierlijke meststoffen die hij niet op zijn eigen grond kan aanwenden ook een mestafzetovereenkomst met een erkende tussenpersoon sluiten. Het is dan deze tussenpersoon die steeds voldoende afzetmogelijkheden voor de gecontracteerde hoeveelheid mest moet hebben verzekerd in de vorm van mestafzetovereenkomsten met andere landbouwbedrijven, erkende mestverwerkers of erkende exporteurs. De erkenning van de mestverwerkers, exporteurs, mestproducenten en tussenpersonen geschiedt door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
Het Besluit erkenning tussenpersonen, mestverwerkers en exporteurs Meststoffenwet bepaalt de voorwaarden voor de toepassing van artikel 58ae van de Meststoffenwet en geeft invulling aan de erkenningsregeling voor mestverwerkers, exporteurs, mestproducenten en tussenpersonen.2. Erkenningsregeling 2.1 Tussenpersonen
In artikel 5 van het onderhavige besluit zijn de erkenningsvoorwaarden voor een tussenpersoon opgenomen. De belangrijkste voorwaarde voor erkenning is dat de tussenpersoon voorafgaand aan de erkenningsaanvraag afzetmogelijkheden voor dierlijke meststoffen moet hebben verzekerd door het afsluiten van mestafzetovereenkomsten met landbouwbedrijven, erkende mestverwerkers of erkende exporteurs. Bij de verlening van zijn erkenning wordt een hoeveelheid dierlijke meststoffen vastgesteld. Deze hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt ingevolge artikel 58aka, tweede lid, van de Meststoffenwet ten hoogste vastgesteld op de hoeveelheid dierlijke meststoffen waarvoor de tussenpersoon afzetmogelijkheden heeft verzekerd. Een tussenpersoon mag vervolgens na verlening van de erkenning ingevolge artikel 58aka, eerste lid, van de Meststoffenwet voor ten hoogste die bij de erkenning vastgestelde hoeveelheid mestafzetovereenkomsten afsluiten met een producent van dierlijke meststoffen.
De producent van dierlijke meststoffen moet er op kunnen vertrouwen dat hij, indien bij een mestafzetovereenkomst afsluit met een erkende tussenpersoon, te maken krijgt met een betrouwbare wederpartij.
De tussenpersoon moet derhalve aan de hand van financiële gegevens aantonen dat zijn onderneming financieel gezond is en er sprake is van een zekere continuïteit in de bedrijfsvoering. Kan de erkende tussenpersoon desondanks en ondanks de vooraf geregelde mestafzetmogelijkheden niet aan zijn verplichtingen jegens de producent voldoen, dan moet er een alternatief voor handen zijn. Derhalve moet de tussenpersoon zijn aangesloten bij een waarborgfonds of hebben voorzien in een gelijkwaardige vorm van zekerheid.2.2 Mestverwerkers, exporteurs en producenten 2.2.1. Algemeen
Voor het realisering van de doelstellingen van het stelsel van mestafzetovereenkomsten is het van wezenlijk belang dat de hoeveelheid dierlijke meststoffen waarvoor een producent op grond van artikel 58ae, eerste lid, onderdeel a of b, van de Meststoffenwet mestafzetovereenkomsten heeft gesloten met een erkende mestverwerker of een erkende exporteur, en de hoeveelheid dierlijke meststoffen waarvoor een erkende producent op grond van artikel 58ae, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet geen mestafzetovereenkomsten heeft afgesloten, inderdaad geen beslag leggen op de schaarse plaatsingsruimte voor de reguliere dierlijke meststoffen op Nederlandse landbouwbedrijven. Gebeurt dit wel, dan kan alsnog een mestoverschot op landelijk niveau ontstaan, terwijl het stelsel van mestafzetovereenkomsten juist als doel heeft dit te voorkomen. Er moet derhalve worden verzekerd dat de bedoelde hoeveelheid dierlijke meststoffen daadwerkelijk wordt afgezet buiten Nederland of daadwerkelijk onomkeerbaar wordt verwerkt. De in dit besluit opgenomen erkenningsvoorwaarden voor mestverwerkers, exporteurs en mestverwerkende producenten en de verplichtingen die na verlening van de erkenning gelden, zijn tegen die achtergrond gesteld.2.2.2. De bij de erkenning vastgestelde hoeveelheid dierlijke meststoffen
Gelet op het voorgaande wordt bij de erkenningverlening aan een mestverwerker of een exporteur een hoeveelheid dierlijke meststoffen vastgesteld (artikel 3). Deze hoeveelheid is de in artikel 58al van de Meststoffenwet bedoelde maximale hoeveelheid dierlijke meststoffen waarvoor een mestverwerker of een exporteur van dierlijke meststoffen in de vorm van onbewerkte, ingedikte of gedroogde pluimveemest na erkenningverlening in een kalenderjaar mestafzetovereenkomsten mag afsluiten met een producent van dierlijke meststoffen. Bij de erkenningverlening aan de producent wordt eveneens een maximum gesteld aan de hoeveelheid dierlijke meststoffen. Dit is de hoeveelheid waarop artikel 58ae, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet in een kalenderjaar ten hoogste van toepassing is en derhalve de hoeveelheid meststoffen ten aanzien waarvan hij geen mestafzetovereenkomst hoeft af te sluiten. De erkenning van een exporteur van bewerkte en verwerkte dierlijke meststoffen – die bewerkte en verwerkte dierlijke meststoffen waarop artikel 58ae van de Meststoffenwet van toepassing is aanvoert van een erkende mestverwerker of een erkende producent – wordt niet beperkt tot een bepaalde hoeveelheid dierlijke meststoffen. Een dergelijke exporteur sluit immer niet rechtstreeks mestafzetovereenkomsten af met een producent van dierlijke meststoffen.
In artikel 15 van het onderhavige besluit zijn de criteria opgenomen die bepalend zijn voor de omvang van de hoeveelheid dierlijke meststoffen die bij de erkenning wordt vastgesteld. Voor de omvang van de hoeveelheid dierlijke meststoffen waartoe een erkenning van een mestverwerker, een exporteur en een producent wordt beperkt, is allereerst bepalend of aannemelijk is gemaakt dat die hoeveelheid dierlijke meststoffen – zowel de hoeveelheden stikstof als fosfaat in die meststoffen – kan worden afgezet buiten Nederland of onomkeerbaar wordt verwerkt. Echter, ook andere factoren spelen een rol. Zo moet bijvoorbeeld de verwerkingscapaciteit van een mestverwerkingsinstallatie toereikend zijn om de hoeveelheid dierlijke meststoffen waartoe de erkenning van een mestverwerker wordt beperkt te kunnen verwerken en moet de exporteur aangeven hoe hij voornemens is de dierlijke meststoffen buiten Nederland af te zetten.2.2.3 Voorwaarden voor erkenning mestverwerkers, exporteurs en procenten
De in de artikelen 6 tot en met 8 van het onderhavige besluit gestelde voorwaarden dienen ertoe om voorafgaand aan de erkenningverlening voldoende zekerheid te krijgen dat de dierlijke meststoffen waarvoor een erkenning wordt gevraagd – al dan niet na bewerking of verwerking – buiten Nederland kunnen worden afgezet of onomkeerbaar kunnen worden verwerkt. In geval van onomkeerbare verwerking moet voorafgaand aan de erkenningverlening aannemelijk zijn gemaakt – onder meer door overlegging van een beschrijving van het desbetreffende verwerkingsproces – dat er daadwerkelijk sprake is van onomkeerbare verwerking en dat er afzetmogelijkheden voor de aldus verwerkte producten bestaan binnen of buiten Nederland. In het geval de dierlijke meststoffen niet onomkeerbaar worden verwerkt en derhalve buiten Nederland moeten worden afgezet, moet voorafgaand aan de erkenningverlening aannemelijk zijn gemaakt dat er sprake is van een exportwaardig product waarvoor reële afzetmogelijkheden buiten Nederland bestaan. Dit houdt onder meer in dat er geen veterinaire of milieutechnische belemmeringen mogen bestaan voor de bewerking of verwerking of de export van de dierlijke meststoffen.
Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven ten aanzien van de erkende tussenpersoon, is het van belang dat de producent van dierlijke meststoffen, en ook de tussenpersoon op zijn beurt als het gaat om een mestafzetovereenkomst met een mestverwerker of een exporteur, bij het afsluiten van een mestafzetovereenkomst te maken krijgt met een betrouwbare wederpartij: een financieel gezonde onderneming die voor zover relevant over voldoende en, in technisch opzicht, toereikende bedrijfsmiddelen beschikt en ten aanzien waarvan sprake is van een zekere continuïteit in de bedrijfsvoering. Treden er desondanks calamiteiten op en kan een mestverwerker of een exporteur niet aan zijn verplichtingen voldoen, dan moet er een alternatief voor handen zijn – een voorafgestelde zekerheid die kan worden aangesproken – opdat de producent niet lopende het kalenderjaar wordt geconfronteerd met mestafzetproblemen. In artikel 9 wordt, voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de erkenning betrekking heeft, van een mestverwerker en een exporteur verlangd dat zij zijn aangesloten bij een waarborgfonds of in een zekerheid in een andere vorm voorzien.2.2.4 Verplichtingen erkende mestverwerker, erkende exporteur of erkende producent
De verplichtingen – opgenomen in de artikelen 16 en 18 tot en met 22 van het onderhavige besluit – die na de verlening van de erkenning rusten op de erkende mestverwerker, de erkende exporteur en de erkende producent dienen om te garanderen dat de dierlijke meststoffen al dan niet na bewerking of verwerking, daadwerkelijk buiten Nederland worden afgezet of daadwerkelijk onomkeerbaar worden verwerkt. Het voorgaande moet bovendien controleerbaar zijn; er moeten voldoende aangrijpingspunten aanwezig zijn voor de administratieve en fysieke controle. Er worden derhalve onder meer eisen gesteld aan het fysieke transport van dierlijke meststoffen naar het buitenland en de transportmiddelen die daarvoor moeten worden ingezet, de wijze waarop de daadwerkelijke afzet van de dierlijke meststoffen of de verwerkingsproducten in het binnen- en buitenland moet worden verantwoord en de op de onderneming of het bedrijf gevoerde administratie.
Om mogelijk te maken dat de Algemene Inspectiedienst lopende het kalenderjaar controle kan uitvoeren op het fysieke transport van de dierlijke meststoffen naar het buitenland, moet ten minste twee werkdagen voorafgaand aan elk transport naar het buitenland daarvan melding worden gedaan. Om fysieke controle van de afzet buiten Nederland nadat het transport is uitgevoerd mogelijk te maken, moeten transportmiddelen die worden gebruikt voor de afzet buiten Nederland van dierlijke meststoffen – waarop artikel 58ae van de Meststoffenwet van toepassing is – zijn uitgerust met satellietvolgapparatuur met behulp waarvan periodiek gegevens moeten worden vastgelegd met betrekking tot de laad- en losplaats en de route van het transport. Deze gegevens moeten vijf jaar op het bedrijf worden bewaard zodat de Algemene Inspectiedienst deze tijdens een bedrijfscontrole kan inzien of door deze dienst kunnen worden opgevraagd (Noot: het satelietvolgsysteem was bij de inwerkingtreding van deze richtlijn nog niet operationeel).
De hiervoor beschreven uit een oogpunt van handhaving gestelde eisen ten aanzien van het fysieke transport van dierlijke meststoffen naar het buitenland gelden niet indien de te transporteren meststoffen dierlijke meststoffen met een droge-stofgehalte van ten minste 86% zijn. Dergelijke hoogwaardige producten – zoals mestkorrels – hebben een kostbaar bewerkingsproces ondergaan. De investeringen die noodzakelijk zijn voor een dergelijk bewerkingsproces vormen op zichzelf al voldoende waarborg dat de desbetreffende producten daadwerkelijk in het buitenland worden afgezet.3. Handhavings- en uitvoeringsaspecten 3.1 Handhaving
Voor de handhaving van de in het onderhavige besluit opgenomen bepalingen kunnen bestuursrechtelijke en – afhankelijk van de desbetreffende bepaling – strafrechtelijke middelen worden ingezet. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de erkenningsvoorwaarden (hoofdstukken 2 en 3), de verplichtingen die op een erkende tussenpersoon, een erkende mestverwerker, een erkende exporteur en een erkende producent rusten na de verlening van de erkenning (hoofdstuk 5) en de overige bepalingen (hoofdstuk 7).
Indien bij de beoordeling van de aanvraag voor een erkenning blijkt dat een aanvrager niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden – gesteld uit hoofde van artikel 58ae, derde lid, van de Meststoffenwet indien het een mestverwerker, een exporteur of een producent betreft of uit hoofde van artikel 58aka, derde lid, van de Meststoffenwet indien het een tussenpersoon betreft – heeft dit slechts bestuursrechtelijke consequenties in de zin dat de erkenning niet wordt verleend.
Indien een erkende mestverwerker, een erkende exporteur of een erkende producent zich niet houdt aan de op artikel 58ae, vierde lid, van de Meststoffenwet gebaseerde verplichtingen of een tussenpersoon die zich niet houdt aan de op artikel 58aka, derde lid, van de Meststoffenwet gebaseerde verplichtingen, kan dit zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke consequenties hebben. De overtreding van de artikelen 58ae, vierde lid , en 58aka, derde lid, van de Meststoffenwet is strafbaar gesteld via artikel 1a, onder 3°, van de Wet op de economische delicten. Met name in die gevallen waarin geen passende bestuursrechtelijke sanctie voor handen is, zal tot strafrechtelijke handhaving worden overgegaan, Hierbij merk ik op dat afzonderlijke strafrechtelijke handhaving van artikel 16, eerste lid, van het besluit – waarin is bepaald dat bij voortduring moet zijn voldaan aan de erkenningsvoorwaarden – niet in de rede ligt. Indien niet langer aan de erkenningsvoorwaarden wordt voldaan, zal dit gevolgen moeten hebben voor de afgegeven erkenning. Deze bepaling zal derhalve primair bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. Wel kan strafrechtelijke handhaving van deze bepaling plaatsvinden in het kader van de strafrechtelijke handhaving van andere verplichtingen en voorwaarden.
In de memorie van toelichting op het eerder genoemde wetsvoorstel houdende wijziging van de Meststoffenwet (Kamerstukken II 1999/2000, 27 276, nr. 3, blz. 82) is bepaald dat met het Openbaar Ministerie afspraken dienen te worden gemaakt over een afgewogen beleid ten aanzien van de inzet van de bestuurlijke en strafrechtelijke middelen.
Een handelen of niet handelen van een erkende tussenpersoon, een erkende mestverwerker, een erkende exporteur of een erkende producent kan een overtreding van meerdere strafbepalingen opleveren. Ingevolge artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt in dat geval de bepaling toegepast waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Deze samenloop van strafbare feiten kan zich in verschillende gevallen voordoen.
Indien de erkende producent zich niet aan de voorwaarden houdt zoals genoemd in artikel 58ae, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet , betreffende de wijze van bewerking of de verwerking en de afzet van de dierlijke meststoffen, of de verplichtingen die uit hoofde van het tweede lid van artikel 58ae zijn gesteld niet nakomt met betrekking tot de termijn waarbinnen hij de dierlijke meststoffen moet afvoeren, kan dit een overtreding van het in artikel 58aa van de Meststoffenwet neergelegde verbod om meer dierlijke meststoffen op een bedrijf te produceren dan de plaatsingsruimte van dat bedrijf tot gevolg hebben.
Voldoet hij niet aan de verplichtingen opgenomen in hoofdstuk 5 van het onderhavige besluit dan overtreedt hij daarmee artikel 58ae, vierde lid, van de Meststoffenwet . Voor zover een handelen of niet-handelen van de erkende producent een overtreding van beide bepalingen oplevert, is ingevolge artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht artikel 58aa van de Meststoffenwet van toepassing. Voor de toepassing van artikel 58aa van de Meststoffenwet is wel noodzakelijk dat dit handelen of niet handelen is te herleiden tot een bepaalde hoeveelheid dierlijke meststoffen. Vooralsnog lijkt een dergelijke samenloop slechts denkbaar bij overtreding van artikel 18, derde lid, of van de artikelen 18, tweede lid, en 26 van het besluit.
Ten aanzien van de erkende mestverwerker, de erkende exporteur en de erkende tussenpersoon kan zich een vergelijkbare samenloop van strafbare feiten voordoen indien de erkende mestverwerker, de erkende exporteur of de erkende tussenpersoon voor een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen mestafzetovereenkomsten afsluit dan de hoeveelheid die bij zijn erkenning is vastgesteld, hetgeen een handelen in strijd met artikel 58al of artikel 58aka, eerste lid, van de Meststoffenwet oplevert. In dat geval wordt tevens niet voldaan aan de in artikel 16, derde lid, opgenomen verplichting, hetgeen een handelen in strijd met artikel 58ae, vierde lid , of 58aka, derde lid, van de Meststoffenwet oplevert. Ingevolge artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn in dit geval de artikelen 58al en 58aka, eerste lid, van de Meststoffenwet van toepassing.
Samenloop van twee strafbare feiten treedt eveneens op indien de erkende mestverwerker zijn onderneming voert zonder dat hij daarvoor een milieuvergunning heeft. Daarmee handelt hij in strijd met strijd met artikel 8, eerste lid, van de Wet milieubeheer, hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten, en in strijd met artikel 16, eerste lid, in samenhang met artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van het besluit. Ingevolge artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is in dat geval artikel 8, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten van toepassing.
De verplichting voor de erkende mestverwerker, de erkende exporteur en de erkende tussenpersoon om voor niet meer dierlijke meststoffen een mestafzetovereenkomsten af te sluiten dan de hoeveelheid die is vastgesteld bij de erkenning, en de verplichting die rust op erkende producent ingevolge artikel 26 van het onderhavige besluit kunnen er voorts toe leiden dat naast een strafrechtelijke reactie ook een bestuursrechtelijke reactie volgt. De verplichtingen zijn zo essentieel dat handelen in strijd daarmee tevens gevolgen dient te hebben voor de verleende erkenning.
Artikel 25 van het onderhavige besluit is niet zelfstandig strafbaar gesteld. Handelen door de producent van dierlijke meststoffen in strijd met artikel 25 van het onderhavige besluit heeft tot gevolg dat artikel 58ae, eerste lid, van de Meststoffenwet niet van toepassing is. De producent zal als gevolg daarvan over te weinig plaatsingsruimte beschikken en overtreedt daarmee artikel 58aa van de Meststoffenwet . Strafbaarstelling van deze overtredingen vinden plaats via artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.3.2 Uitvoering
De uitvoering van het stelsel van erkenningen voor tussenpersonen, mestverwerkers, exporteurs en producenten zal geschieden door het Bureau Heffingen. Het Bureau Heffingen wordt belast met de taken die samenhangen met de erkenningverlening. De aanvragen voor een erkenning moeten worden ingediend bij Bureau Heffingen.
Het Bureau Heffingen controleert de aanvragen op volledigheid en coördineert de aanvraagprocedure. De directeur van het Bureau Heffingen zal in mandaat namens de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de beslissing op de aanvragen om erkenning nemen. Deze beslissingen zullen worden voorbereid door een gemengde commissie, overwegend bestaande uit ambtenaren van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Deze commissie zal worden aangevuld met externe deskundigen. Het Bureau Heffingen handelt lopende het kalenderjaar de verzoeken om uitbreiding van de erkenning af en zal eveneens de jaarlijks ingediende afzetplannen beoordelen. De deskundigencommissie wordt daarbij alleen indien noodzakelijk ingeschakeld.
Voorts wordt Bureau Heffingen belast met de administratieve controle of een erkende tussenpersoon, een erkende mestverwerker, een erkende exporteur of een erkende producent voldoet aan de op hem rustende verplichtingen en zal de directeur van het Bureau Heffingen in voorkomend geval – eveneens in mandaat namens minister – de bestuurlijke maatregelen treffen.
Hierna volgen twee overzichten. In het eerste overzicht zijn de richtlijnen voor strafvordering weergegeven. In het tweede overzicht is weergegeven hoe het Besluit TME artikelsgewijs is gerelateerd aan de artikelen van de Meststoffenwet . In dit overzicht is door middel van arcering aangegeven of bestuursrechtelijk-, dan wel strafrechtelijk of in combinatie kan worden opgetreden en of deze artikelen zijn opgenomen in de Richtlijn.
In de hoogte van de transactietarieven is er rekening mee gehouden dat enerzijds de overtredingen als zodanig niet direct tot gevolg hebben dat teveel mest wordt geplaatst en anderzijds dat de overtredingen gevolgen kunnen hebben voor de erkenning. In de uitzonderingsgevallen waarin als gevolg van de overtreding toch teveel mest ten laste van de nationale plaatsingsruimte is geplaatst geldt, in overeenstemming met de Richtlijn voor strafvordering stelsel van mestafzetovereenkomsten op grond van Hoofdstuk V, titel 3 van de Meststoffenwet, een tarief van 1 punt per 6 kilogram te veel geplaatste Stikstof [N].
Artikel Besluit TME Basis 58ae lid 4 [P,V,E] Basis 58aka lid 3 [TP] Omschrijving overtreding Tarief
16 Lid 2: geen kwartaalmelding van mutaties in de bedrijfssituatie van erkenden aan Bureau Heffingen. 9 pt
      Verwijtbaarheid betreft een onjuiste en niet-actuele registratie van gegevens met betrekking tot de geldige verleende erkenning  
         
17 Lid 1: erkende tussenpersoon voldoet niet aan de afnameplicht. 1 pt per 11 kg/N
      Verwijtbaarheid betreft dat in het kader van de erkenning afgesloten afnameplicht kennelijk onvoldoende garandeert dat de dierlijke meststoffen hij aanbieding ook daadwerkelijk door de tussenpersoon worden afgenomen. waardoor de producent voor de gecontracteerde meststoffen een andere afnemer moet zoeken.  
         
      Lid 2: erkende tussenpersoon voldoet niet aan de 80% daadwerkelijke leverplicht in een kalenderjaar aan mestverwerker / exporteur. 1 pt per 22 kg/N
      Verwijtbaarheid betreft het ontstaan van een hoeveelheid dierlijke meststoffen, waarvoor geen plaatsingsruimte in Nederland beschikbaar is en die alsnog geëxporteerd of verwerkt moet worden. Bij constatering achteraf kunnen deze meststoffen reeds als extra last van de Nationale plaatsingsruimte zijn gekomen.  
         
18   Lid 1 : erkende mestverwerker/exporteur voldoet niet aan de afnameplicht. 1 pt per 11 kg/N
      Verwijtbaarheid betreft dat de in het kader van de erkenning afgesloten afnameplicht kennelijk onvoldoende garandeert dat de dierlijke meststoffen hij aanbieding ook daadwerkelijk door de erkende mestverwerker of exporteur worden afgenomen, waardoor de producent op grond van artikel 58ae lid l onder a en b van de MW niet kan voldoen aan zijn leveringsplicht en daardoor het ontstaan van een hoeveelheid dierlijke meststoffen, waarvoor geen plaatsingsruimte in Nederland beschikbaar is en die alsnog geëxporteerd of verwerkt moet worden, niet kan voorkomen.  
         
      Lid 2: erkende mestverwerker/exporteur/producent voldoet niet aan de 75% daadwerkelijke afvoerplicht in kalenderjaar volgens geldende voorwaarden. 1 pt per 22 kg/N
      Verwijtbaarheid betreft het ontstaan van een hoeveelheid dierlijke meststoffen, waarvoor geen plaatsingsruimte in Nederland beschikbaar is en die alsnog geëxporteerd of verwerkt moet worden. Bij constatering achteraf kunnen deze meststoffen reeds als extra last van de Nationale plaatsingsruimte zijn gekomen.  
         
      Lid 3: erkende mestverwerker/producent be- of verwerkt de mest niet volgens procédé en zet deze niet af in de voorgeschreven vorm. Verwijtbaarheid betreft het buiten het erkende procédé brengen van een hoeveelheid dierlijke meststoffen, ten laste van de Nationale plaatsingsruimte. 1 pt per 22 kg/N
         
19   Lid 1: erkende mestverwerker zet be- verwerkte dierlijke per meststoffen niet rechtstreeks af in buitenland of aan erkende exporteur. [begrip export ? artikel 1 lid 1 onder b.] Verwijtbaarheid betreft het ontstaan van een hoeveelheid dierlijke meststoffen, waarvoor geen plaatsingsruimte in Nederland beschikbaar is en die alsnog geëxporteerd of onomkeerbaar verwerkt moet worden. Bij constatering achteraf kunnen deze meststoffen reeds als extra last van de Nationale plaatsingsruimte zijn gekomen of nog in opslag liggen. 1 pt per 6 kg/N
         
      Lid 2: erkende exporteur zet aangevoerde mest niet rechtstreeks af in buitenland. [begrip export ? artikel 1 lid 1 onder b.] Verwijtbaarheid betreft het ontstaan van een hoeveelheid dierlijke meststoffen, waarvoor geen plaatsingsruimte in Nederland beschikbaar is en die alsnog geëxporteerd of onomkeerbaar verwerkt moet worden. Bij constatering achteraf kunnen deze meststoffen reeds als extra last van de Nationale plaatsingsruimte zijn gekomen of nog in opslag liggen. 1 pt per 6 kg/N
         
      Lid 3: erkende exporteur mestbe-/verwerker/producent doet geen tijdige en volledige exportmelding, voorafgaande aan het transport en nader geregeld in § 4 van de Regeling erkenning TME Meststoffenwet. • Tot 10x gepleegd 150 • elk veelvoud van 10 x plegen ? 150 Verwijtbaarheid betreft het bemoeilijken dan wel het onmogelijk maken van gerichte controles op het fysieke transport van gecontracteerde dierlijke mest naar het buitenland. 7 pt
         
21 Lid 2: erkende tussenpersoon, in de rol van mestmakelaar die de dierlijke meststoffen niet feitelijk op zijn onderneming aanvoert of van zijn onderneming afvoert, houdt geen administratie bij van door hem ingeschakelde derden ten aanzien van aan- en afgevoerde dierlijke mest of bewaart deze administratie niet vijf jaar. Verwijtbaarheid betreft het bij controle niet transparant kunnen maken of aan de verplichtingen van de tussenpersoon is voldaan of waarbij de betrokken producenten, transporteurs, afnemers, mestverwerkers of exporteurs gerelateerd aan de meststromen niet inzichtelijk kunnen worden. 9 pt
         
      Lid 3: erkende mestverwerker/producent houdt geen administratie bij ten aanzien van afgevoerde producten, niet zijnde dierlijke- / overige organische meststoffen. Bij het afleveren van onomkeerbare- en samengestelde meststoffen hoeft geen afleveringsbewijs te worden opgemaakt, terwijl de afvoer in het kader van de erkenning wel moet worden aangetoond. Verwijtbaarheid betreft het onmogelijk worden van adequate controle op het verwerkingsproces, dergelijke administratie is daarbij noodzakelijk. 45 pt
         
22 Erkende tussenpersoon, mestverwerker en exporteur stellen hoeveelheid stikstof in dierlijke- en overige organische meststoffen op andere wijze vast dan op basis van de Regeling Hoeveelheidsbepaling, zoals is vastgesteld in §5 van de Regeling erkenning TME Meststoffenwet, van de intermediaire onderneming binnen Minas wordt namelijk alleen fosfaatheffing geheven. Verwijtbaarheid betreft het niet kunnen vaststellen of een erkende tussenpersoon, mestverwerker of exporteur aan zijn verplichtingen heeft voldaan, hiervoor is het namelijk noodzakelijk dat de hoeveelheid stikstof in de aan- en afgevoerde dierlijke- en overige organische meststoffen door analyse op stikstof wordt bepaald. 45 pt

Verklaring arcering:
1°. be- of verwerkt de dierlijke meststoffen zèlf zodanig dat deze ingevolge voornoemde richtlijn 92/118/EEG kunnen worden geëxporteerd en zet deze rechtstreeks of door tussenkomst van een erkende exporteur buiten Nederland af.
2°. verwerkt de dierlijke meststoffen zèlf onomkeerbaar op de hiervoor onder b-2° aangegeven wijze en zet deze vervolgens binnen of buiten Nederland af.

Hoofdstuk XI. de Plantenziektenwet

par. XI.1 Besluit bestrijding wratziekte 197
par. XI.2 Regeling bruin- en ringrot
par. XI.3 Besluit bestrijding bacterievuur 1983
par. XI.4 Besluit bestrijding schadelijke organismen
par. XI.5 Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991
Par. XI.1 Besluit bestrijding wratziekte 1973
Art. 2 3.
en aangewezen gebieden 5 pnt./10 are
Regeling bruin- en ringrot 2000 van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
Par. XI.2. Regeling bruin- en ringrot 2000
Art. 4 Art. 5
* . verschaffen inlichtingen m.b.t. productie  
* , verplaatsen/vervoeren aardappelen in aangewezen gebied 200 pnt.
*Art. pootaardappelen uit gebied in verkeer brengen 200 pnt.
Besluit bestrijding bacterievuur 1983 van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
par. XI.3. Besluit bestrijding bacterievuur 1983
art. 2 Art. 3
; verboden bedrijfsmatige teelt of bedrijfsmatige teelt niet conform voorwaarden 40 pnt.
: opplant-, bewaar- en vervoerverbod 30 pnt.
Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991 van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
par. XI.5. Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991
art. 5 art. 6
: telen zonder besmetvrij verklaring 3 pnt./10 are
; contaminatie met grond als gevolg van telen van planten 4 pnt.

Hoofdstuk XII. De Veewet

Par. XII.1 Regeling verbod voedsel- en slachtafvallen (varkens)
Par. XII.2 Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993
par. XII.1. Regeling verbod voedsel- en slachtafvallen (varkens)
art. 1, het voorhanden hebben en vervoederen 15 pnt.
Art. 2, het vervoeren 10 pnt

Hoofdstuk XIII. de Visserijwet

par. XIII.1 Regeling technische maatregelen 2000
par. XIII.2 Regeling Visserijlicentie
par. XIII.3 Regeling minimummaten en gesloten tijden 1985
par. XIII.4 Registratieregeling vissersvaartuigen 1998
par. XIII.5 Regeling vangstbeperking
par. XIII.6 Zeedagenregeling
par. XIII.7 Regeling logboek en opgave zeevis 1987
par. XIII.8 Regeling administraties van transacties inzake zeevis
par. XIII.9 Regeling loodsladders
par. XIII.10 Regeling stelselmatige controle bij aanlanding 1988
par. XIII.11 WED-overtredingen
Achtergrond
Deze richtlijn voor strafvordering geeft regels voor het bepalen van de transactie c.q. de eis ter zitting in het geval van het niet naleven van de regelgeving met betrekking tot op bepaalde visserijschepen verplicht aanwezige satelietvolgapparatuur.
Met ingang van 1 januari 2000 geldt de satelietverplichting voor alle vissersvaartuigen met een lengte van meer dan 24 meter.
De hier vermelde transactiebedragen zijn afgeleid van de bedragen die worden gehanteerd bij onrechtmatige vangst; immers het is verboden te vissen wanneer niet wordt voldaan aan de bepalingen van artikel 10 Regeling technische maatregelen 2000.
Achtergrond
Deze richtlijn voor strafvordering geeft regels voor het bepalen van de transactie c.q. de eis ter zitting in het geval van het niet naleven van de regelgeving met betrekking tot de uitoefening van de visserij met een vissersvaartuig zonder geldige licentie. Het vissen zonder geldige licentie is vergelijkbaar met zwartvisserij, de navolgende tarieven zijn overeenkomstig.art. 2 Regeling Visserijlicentie
• Bij eerste overtreding ;  
Trawlers: 900 pnt.
Kotters: 450 pnt.

Bij eerste overtreding: proces-verbaal. inbeslagneming vis of beslaglegging op besomming en uitreiken voorlopige maatregel ex art. 28 WED (inhoudende zich te onthouden van handelingen in strijd met de regeling).
Recidive: proces-verbaal. inbeslagneming vis of beslaglegging op besomming en uitreiken voorlopige maatregel ex art. 29 WED
par. XIII.4. Registratieregeling vissersvaartuigen 1998
art. 4; niet zichtbaar voeren van lettertekens en nummers 10 pnt.
Regeling vangstbeperking van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
par. XIII.5 . Regeling vangstbeperking
art. 2 5 art. 12
, ; verboden visserij  
gesloten gebieden. quotumoverschrijding 100 pnt.= VV beslag
: verboden visserij, 10 pnt. = afroming
quotumoverschrijding bijvangst m.n. heek en koolvis
waarde vis  
Regeling logboek en opgave zeevis 1987 van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
par. XIII.7. Regeling logboek en opgave zeevis 1987
art. 2, lid 2 en 5 art. 2, lid 1 art. 225 Sr
, Opgave (geen,onjuist,niet op tijd) 20 pnt. +
  voor tong € 3/kg
  voor schol € 1/kg
  overige € 0,5/kg
: bijhouden logboek 50 pnt.
Opzettelijk wegwerken ( ) ?
Regeling administraties van transacties inzake zeevis van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
par. XIII.8. Regeling administraties van transacties inzake zeevis
art. 4a art. 4b
20% van de waarde van de vis 100 pnt. Min.
Geen verkoopdocumenten visafslag dagvaarden
1 e koper, 100 pnt. = VV beslag
geen vervoersdocumenten. 100 pnt. = VV beslag
Regeling stelselmatige controle bij aanlanding 1988 van Richtlijn voor strafvordering regelgeving Landbouw, Natuurbeheer en Visserij">
par. XIII.10. Regeling stelselmatige controle bij aanlanding 1988
art. 3 art. 2 art. 26 WED art. 26 WED
Zonder toestemming lossen. 50 pnt.
Aanlanden/lossen buiten aangegeven haven, tijden en/of plaatsen, niet in eenmaal uitlossen van de lading en aanlanding ongesorteerde vis. 200 pnt. = VV beslag
Niet volgen aanwijzingen AID-ambtenaar c.q. functionaris, 30 pnt.***
Niet toelaten AID-ambtenaar c.q. functionaris, 30 pnt.***
   
*** Tenzij de overtreding wordt begaan om een andere overtreding te ‘bemantelen. In dat geval dient het tarief te worden toegepast dat geldt voor de onderliggende overtreding.  
par. XIII.11. WED-overtredingen
art. 29 WED
Handelen in strijd met een Voorlopige Maatregel ex  
Natuurlijke- en rechtspersoon dagvaarden
Natuurlijke persoon 3 weken GEV.
Rechtspersoon stilleggen
onderneming + VV schip  
Achtergrond
Mede in de varkenspestcrisis van 1997 – die de kwetsbaarheid van de varkenssector heeft blootgelegd – heeft de regering aanleiding gezien nieuwe beleidsvoornemens over de herstructurering van de varkenssector te ontwikkelen. Bij brief van 10 juli 1997 (kamerstukken II 1996.97, 25 448, nr. 1) is een pakket van maatregelen aangekondigd met het oog op de verbetering van het milieu en de ruimtelijke kwaliteit, maar ook in het belang van een betere beheersing van de problematiek van dierenwelzijn en diergezondheid. Een belangrijk onderdeel van dit pakket maatregelen is de totstandkoming van de Wet herstructurering varkenshouderij (Stb. 1998, 236).
De Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) is op 1 september 1998 in werking getreden, waarbij voor varkens het productieplafond van de mestproductierechten werd vervangen door dat van de varkensrechten.
Het varkensrecht stelt een plafond aan het aantal varkens dat gemiddeld in het jaar op een bedrijf mag worden gehouden. Binnen het varkensrecht is een afzonderlijk plafond gesteld aan het aantal fokzeugen.
De plafonds worden strafrechtelijk – via de Wet op de economische delicten – gehandhaaafd. Het Bureau Heffingen te Assen is belast met de uitvoering van de Whv , de Algemene Inspectiedienst met het toezicht en met de opsporing van strafbare feiten.
Deze richtlijn richt zich op de strafrechtelijk gehandhaafde bepalingen voortkomende uit de Whv .
Beschrijving
Deze richtlijn voor strafvordering heeft betrekking op overtredingen en misdrijven genoemd in de Wet herstructurering varkenshouderij Hoofdlijnen WHV 1. Overzicht relevante bepalingen Whv A. Algemene bepalingen
Hoofdstuk I: begripsbepalingen ( artikel l), algemene uitgangspunten ( artikel 2), fraus legis ( artikel 3).
Het varkensrecht en het fokzeugenrecht worden uitgedrukt in varkenseenheden. Ook de verschillende categorieën varkens worden naar die eenheid omgerekend ( bijlage A bij de wet ).B. Bepaling omvang van het varkensrecht en het fokzeugenrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet
Hoofdstuk II: de berekening van de hoogte van het varkensrecht en het fokzeugenrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet op basis van het aantal varkens/fokzeugen in – naar keuze van de varkenshouder – 1995 of 1996, verminderd met 10%. Rekening wordt gehouden met in of na het referentiejaar verworven mestproductierechten tot 10 juli 1997, de datum waarop de maatregelen bekend werden gemaakt. Bijzondere regels gelden voor de situaties waarbij voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet een bedrijfsoverdracht of een samenvoeging van bedrijven heeft plaatsgevonden of mestproductierechten zijn vervreemd, en voor bedrijven die geen opgave van het aantal varkens in 1995/1996 hebben gedaan (onder meer de zogenoemde ‘mestboycotters’). De 10%-vermindering geldt niet voor zover de varkens in het referentiejaar op basis van het grondgebonden mestproductierecht werden gehouden.Hoofdstuk IV, artikel 24:
Bij de berekening van de hoogte van het varkensrecht en van het fokzeugenrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet vindt geen 10%-vermindering plaats of vindt een kleinere vermindering plaats bij bedrijven die op 10 juli 1997 reeds vooropliepen op het vlak van milieu of dierenwelzijn.Hoofdstuk IV, artikel 25:
Bij algemene maatregel van bestuur (amvb) kan worden voorzien in een afwijkende bepaling van de hoogte van het varkensrecht en het fokzeugenrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet voor groepen van gevallen waarvoor de in wet geregelde berekeningswijze leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.C. Uitbreidingsverbod
Hoofdstuk III, artikel 15: verbod om gemiddeld in het jaar een groter aantal varkens/fokzeugen te houden dan het voor dat jaar geldende varkens/fokzeugenrecht. Het grondgebonden deel van het recht (d.w.z. het deel overeenkomend met het aantal varkens/fokzeugen dat in het referentiejaar op basis van het grondgebonden mestproductierecht werd gehouden), mag alleen worden benut als daar nog steeds voldoende grond tegenover staat waarop geen andere dieren worden gehouden.D. Overgang van het varkensrecht/fokzeugenrecht
Hoofdstuk III, artikelen 16 t/m 23:
Regeling inzake de verwerving en vervreemding van varkens/fokzeugenrechten en bedrijfsoverdrachten. De rechten worden bij overgang gekort (40% 1998, 40% 1999, 60% 2000 e.v.). Voor de overgang van rechten gelden gebiedsbepaalde beperkingen; de relevante gebieden zijn aangegeven in bijlage B bij de wet .E. Tweede generieke korting
Hoofdstuk V. artikelen 31, 32:
Tweede generieke korting van maximaal 15% over het op 1-1-2000 op het bedrijf rustende varkens-/fokzeugenrecht, voor 5 procentpunten te compenseren bij veevoermaatregelen. Het 10%-deel van de korting valt lager uit al naar gelang het aantal varkenseenheden dat uit de markt is gehaald door opkoop en afroming.F. Overige bepalingen
Hoofdstuk IV. artikelen 26 t/m 29:
Mogelijkheid van ambtshalve vaststelling van de hoogte van het varkens-/fokzeugenrecht ( art.26), mogelijkheid tot oplegging van een ‘dagquotum’ ( art. 27), mogelijkheid tot toepassing van bestuursdwang/dwangsom ( art. 28), administratieve verplichtingen ( art. 29) en een regeling inzake ‘doorhaling’ van het varkens-/fokzeugenrecht ( art. 30).
Hoofdstuk V, artikel 35: toezicht.
Hoofdstuk VI, artikel 41:
Bijzondere voorziening voor het jaar van invoering van de wet (tijdsevenredigheid i.v.m. ‘gebroken boekjaar’).G. Wijziging Meststoffenwet
Hoofdstuk V, artikel 38:
Wijziging van de Meststoffenwet : de varkens worden van het uitbreidingsverbod van artikel 55 uitgezonderd en het niet-grondgebonden mestproductierecht wordt verlaagd met de productieruimte overeenkomend met a) het varkensrecht. b) de 10% korting en c) de latente ruimte (= niet voor varkens benutte deel van het niet-grond gebonden mestproductierecht) ( art. 55a ).2. Strafrechtelijk gehandhaafde bepalingen
Uitbreidingsverbod: artikel 15 ( WED: art. 1. onder 1°),
Dagquotum: artikel 27, derde lid ( WED: art. 1, onder 1°), primair evenwel via dwangsom te handhaven.
Opgave: artikel 24, vierde lid ( WED: art. 1, onder 4°).
Administratieve verplichtingen: artikel 29 ( WED: art. 1, onder 4°).3. Belangrijkste uitvoeringsregelgeving
Besluit hardheidsgevallen hertructurering varkenshouderij
Uitvoeringsbesluit Wet herstructurering varkenshouderij
Regeling administratieve verplichtingen Wet herstructurering varkenshouderij
Regeling voorloperbedrijven varkenshouderij .1. Verstrekken van onjuiste gegevens met het oog op het verkrijgen van een verhoogd varkensrecht als bedoeld in artikel 24 lid 4 Whv (voorloperbedrijven) en artikel 25 Whv (hardheidsgevallen)
Voor bedrijven die als voorloper op het gebied van milieu en dierenwelzijn kunnen worden beschouwd (zogenaamde voorloperbedrijven) wordt in artikel 24 Whv de mogelijkheid geopend tot een verhoging van het basis-varkensrecht zoals dat in beginsel voor alle bedrijven wordt bepaald.artikel 24 lid 3 Whv artikel 24 lid 4 Whv Wet herstructurering varkenshouderij 225 Wetboek van Strafrecht
Bedrijven die bij de daartoe strekkende melding als bedoeld in onjuiste gegevens hebben verstrekt (overtreding ): 1 punt per varkenseenheid
Verstrekken van onjuiste gegevens in ‘hardheidsgevallen’, waarvoor geen afzonderlijke strafbepaling in de is opgenomen ( ) 1 punt per varkenseenheid
2. Uitbreidingsverbod ( art. 15 Whv) 2.1 verbaliseringsbeleid
Proces-verbaal wordt opgemaakt als de afwijking groter is dan 25 varkenseenheden. Tot 25 varkenseenheden wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven en vindt hercontrole plaats.
Bij een afwijking van meer dan 10% ten opzichte van het aantal varkensrechten en bij recidive wordt evenwel altijd proces-verbaal opgemaakt.2.2 strafvorderingsbeleid artikel 15 Whv
Overtreding van het uitbreidingsverbod ( ) 1 punt per varkenseenheid

Bij recidive zal rauwelijks worden gedagvaard en is het Openbaar Ministerie niet gebonden aan vorenstaande bedragen.
Teneinde een samenhangend strafvorderingsbeleid te bewerkstelligen komen voornoemde tarieven overeen met de tarieven die gelden bij overtreding van art. 58c Meststoffenwet (overschrijding toegestane pluimveerechten), opgenomen in de ‘Richtlijn voor strafvordering stelsel van pluimveerechten op grond van hoofdstuk V van de Meststoffenwet’.3. Handelen in strijd met de administratie-/bewaarverplichting ( art. 29 Wet herstructurering varkenshouderij) 3.1 Verbaliseringsbeleid
Aangezien de administratieverplichtingen op grond van de Meststoffenwet overeenkomen met de administratieverplichtingen op grond van deze wet, zalin voorkomende gevallen op grond van beide wetten proces-verbaal worden opgemaakt als de administratie langer dan 2 maanden niet wordt bijgehouden of voor meer dan 2 maanden niet aan de bewaarverplichting wordt voldaan. Bij recidive wordt altijd proces-verbaal opgemaakt.
Bij een periode korter dan 2 maanden wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven en vindt hercontrole plaats3.2 Strafvorderingsbeleid
Gelet op de samenloop met de administratieverplichtingen op grond van de Meststoffenwet zal voor beide overtredingen een schikking worden aangeboden.
Niet bijhouden, niet bewaren, niet tijdig inzenden etc. v/d administratie: 10 punten

Bij recidive en bij vervalsing van de administratie zal rauwelijks worden gedagvaard en is het Openbaar Ministerie niet gebonden aan vorenstaande bedragen.4. Algemeen
Bij opzettelijke misleiding van de overheid door middel van valse opgaven met het oog op het bewerkstelligen van een onrechtmatige uitbreiding van het varkensrecht, eventueel gecombineerd met een of meer overtredingen van een of meer bepalingen uit de Whv , alsmede bij recidive, zal rauwelijks worden gedagvaard en is het Openbaar Ministerie niet en is het Openbaar Ministerie niet gebonden aan voornoemde uitgangspunten.5. Ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In geval van overtreding van het uitbreidingsverbod zal in het proces-verbaal een paragraaf worden opgenomen met een berekening van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uitgangspunt voor de berekening is de economische waarde van een varkenseenheid ten tijde van het plegen van het delict, verminderd met de daarvoor in aanmerking komende kosten.

Hoofdstuk XVII. de Wet op de bedrijfsorganisatie

par. XVII.1. Bosschap
par. XVII.2. Produktschap Tuinbouw
par. XVII.3. Hoofdproduktschap Akkerbouw
par. XVII.4 Produktschappen Vee, Vlees en Eieren
par. XVII. 5. Produktschap Vis

Hoofdstuk XVIII. de Zaaizaad en plantgoedwet

par. XVIII.1 Besluit Categorieën Teeltmateriaal
Inhoudsopgave
Achtergrond
Polaris
Samenvatting
Overgangsrecht
Hoofdstuk I. De Bestrijdingsmiddelenwet
Hoofdstuk II. De Boswet
Hoofdstuk III. Destructiewet
III. 1 Tarieflijst destructiewet
Achtergrond
De tarieflijst
Opzet van de tarieflijst
Tarieflijst
Hoofdstuk IV. Diergeneesmiddelenwet
Hoofdstuk V. de Flora- en faunawet
V Flora- en faunawet
Achtergrond
Eis ter zitting/transactiebedragen
Transactie of dagvaarden
Meer strafbare feiten in een zaak
Bijkomende straffen
Overgangsrecht
1. Doden, vangen, bemachtigen van beschermde inheemse dieren/Plukken, afsnijden, uitsteken, vernielen etc beschermde inheemse planten ( artikel 8 en 9)
2. Opzettelijk verontrusten van beschermde inheemse diersoorten/Verstoren, beschadigen, wegnemen, uithalen nesten, holen, of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaats van beschermde inheemse diersoort ( artikel 10 en 11)
3. Exemplaren of producten van beschermde inheemse plant en of diersoorten onder zich hebben, vervoeren of verhandelen ( artikel 13)
4. Jacht en beheer en schadebestrijding (diverse artikelen)
5. Exemplaren of producten van beschermde uitheemse plant en of diersoorten uit bijlage A onder zich hebben, vervoeren of verhandelen ( art 13)
6. Exemplaren of producten van beschermde uitheemse planten of diersoorten uit bijlage B onder zich hebben, vervoeren of verhandelen ( art 13)
7. Exemplaren of producten van beschermde uitheemse plant en of diersoorten uit bijlage C onder zich hebben, vervoeren of verhandelen ( art 13)
8. Persoonlijke goederen (waaronder ook souvenirs en huisraad) ( art 13)
Hoofdstuk VI. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
VI.1. Varkensbesluit
Achtergrond
VI.2. Regeling varkensleveringen (RVL).
Achtergrond
Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
VI.3. Identificatie en registratie van dieren 2002
Achtergrond
Samenvatting
Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
VI.4. Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten
Achtergrond
Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
VI.5. Besluit Dierenvervoer 1994 .
Achtergrond
Vervolgings- en verbaliseringsbeleid
VI.6. Regeling dierenvervoer .
Achtergrond
Vervolgings- en verbaliseringsbeleid.
VI.7. Richtlijn 91/628/EG.
Achtergrond
Vervolgings- en verbaliseringsbeleid
Par. VI.9. Crisisregelgeving
Achtergrond
Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
Hoofdstuk VII. Kaderwet diervoeders
Hoofdstuk VIII. De Landbouwkwaliteitswet
Hoofdstuk IX. De Landbouwwet
IX.1. Regeling gehalte dioxine in vetten en diervoeders
Achtergrond
Vervolgings-/verbaliseringsbeleid
Par. IX.2. Regeling landbouwtelling
Par. IX.3. Beschikking superheffing
Hoofdstuk X. de Meststoffenwet /Wet verplaatsing meststoffen
Par. X.1. Besluit administratieve verplichtingen op grond van de Meststoffenwet
Achtergrond
par. X.2. stelsel mestafzetcontracten op grond van hoofdstuk V, titel 3 Meststoffenwet
Achtergrond
Par. X.3. Ho: V Meststoffenwet, stelsel pluimveerechten
Achtergrond
Samenvatting
Overzicht wettelijk systeem
Par. X.4. Besluit erkenning TME
Achtergrond
Hoofdstuk XI. de Plantenziektenwet
Par. XI.1 Besluit bestrijding wratziekte 1973
Par. XI.2. Regeling bruin- en ringrot 2000
par. XI.3. Besluit bestrijding bacterievuur 1983
par. XI.4. Besluit bestrijding schadelijke organismen
par. XI.5. Besluit bestrijding aardappelmoeheid 1991
Hoofdstuk XII. De Veewet
par. XII.1. Regeling verbod voedsel- en slachtafvallen (varkens)
par. XII.2. Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993
Hoofdstuk XIII. de Visserijwet
XIII.1. Regeling technische maatregelen
Achtergrond
XIII.2. Regeling Visserijlicentie
Achtergrond
par. XIII.3. Regeling minimummaten en gesloten tijden 1985
par. XIII.4. Registratieregeling vissersvaartuigen 1998
par. XIII.5 . Regeling vangstbeperking
par. XIII.6. Zeedagenregeling
par. XIII.7. Regeling logboek en opgave zeevis 1987
par. XIII.8. Regeling administraties van transacties inzake zeevis
par. XIII.9. Regeling loodsladders
par. XIII.10. Regeling stelselmatige controle bij aanlanding 1988
par. XIII.11. WED-overtredingen
Hoofdstuk XIV. de Vleeskeuringswet
Hoofdstuk XV. de Wet Bodembescherming
Hoofdstuk XVI. Wet herstructurering varkenshouderij
Ho: XVI. Wet herstructurering varkenshouderij
Achtergrond
Beschrijving
Hoofdstuk XVII. de Wet op de bedrijfsorganisatie
Hoofdstuk XVIII. de Zaaizaad en plantgoedwet
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht