Besluit van 27 september 2010, houdende regels ter uitvoering van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie (Rijksbesluit rechtspositie Gemeenschappelijk Hof van Justitie)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 13 juli 2010, nr. 5656881/10/6;
Gelet op de artikelen 24, eerste en tweede lid, 31, tweede lid, 39, 41, vierde lid, 46, derde lid, 50, zevende lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 augustus 2010, nr. W03.10.0358/II/K);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 september 2010, nr. 5666927/10/6;
De bepalingen van het Statuut van het Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In deze algemene maatregel van rijksbestuur en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
volledige arbeidsduur: het aantal uren dat bij volledige vervulling van de functie per week gewerkt wordt;
rijkswet: Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie ;
salaris: het bedrag waarop de leden van het Hof of rechterlijke ambtenaren in opleiding in verband met het vervullen van een ambt, met inachtneming van het bij of krachtens de artikelen 12 en 47 van deze algemene maatregel van rijksbestuur bepaalde, aanspraak hebben;
selectiecommissie: selectiecommissie rechterlijke ambtenaren in opleiding, bedoeld in artikel 37.
2.
In deze algemene maatregel van rijksbestuur en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
echtgenoot: de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap alsmede de partner in een buiten Nederland geregistreerd partnerschap dat op grond van de artikelen 2 en 3 van de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap wordt erkend.
Artikel 2
Indien op grond van deze algemene maatregel van rijksbestuur regels worden gesteld bij ministeriële rijksregeling, dan komen deze regels in overeenstemming met de regeringen van de landen tot stand.
1.
Het bestuur van het Hof draagt zorg voor de totstandkoming van:
a. een werkreglement;
b. een gedragscode voor goed rechterlijk handelen.
2.
De gedragscode bevat in ieder geval regels over:
a. financiële belangen;
b. het aannemen van giften en geschenken;
c. het doen van beloftes en toezeggingen;
d. de omgang met vertrouwelijke informatie;
e. functiegerelateerde uitgaven en declaraties;
f. gebruik van publieke voorzieningen.
1.
De bestuursleden van het Hof, die tevens lid van het Hof zijn, ontvangen naast het salaris als bedoeld in artikel 12, een toelage in verband met het uitoefenen van de bestuursfunctie.
2.
In de bij deze algemene maatregel van rijksbestuur behorende bijlage is de hoogte van de toelage vermeld.
3.
Onze Ministers passen de toelage jaarlijks aan op basis van het gemiddelde van de ontwikkeling van de salarissen van de ambtenaren van de landen in het voorafgaande kalenderjaar.
1.
De artikelen 8, 9, 12 tot en met 17, 18, tweede tot en met vijfde lid, 19 tot en met 26, 28, 29 zijn van overeenkomstige toepassing op de rechtspositie van de directeur bedrijfsvoering.
2.
De directeur bedrijfsvoering geeft het bestuur van het Hof kennis van de betrekkingen die hij buiten de functie van directeur bedrijfsvoering vervult.
3.
De betrekkingen die de directeur bedrijfsvoering buiten zijn functie vervult, worden opgenomen in het register, bedoeld in artikel 26, vierde lid, van de rijkswet.
4.
De directeur bedrijfsvoering legt voor de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals vastgesteld in de bijlage bij deze algemene maatregel van rijksbestuur.
5.
De eed of belofte wordt door de directeur bedrijfsvoering ten overstaan van de president of één van de vice-presidenten afgelegd.
6.
De directeur bedrijfsvoering heeft per kalenderjaar aanspraak op 224 uren vakantie met behoud van salaris en toelagen.
Artikel 6
Bij ministeriële rijksregeling kunnen regels worden gesteld over de rechtspositie van de leden van het bestuur van het Hof.
1.
Om benoemd te kunnen worden als lid of plaatsvervangend lid van het Hof, dient het afsluitend examen van een opleiding op het gebied van het recht, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de rijkswet, met goed gevolg te worden afgelegd aan een universiteit dan wel Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dan wel de Landsverordening Universiteit van Aruba of de Landsverordening Universiteit Nederlandse Antillen dan wel de Landsverordening die de Landsverordening Universiteit Nederlandse Antillen vervangt en waarbij geen wijzigingen zijn aangebracht in de bepalingen die zien op de opleiding op het gebied van het recht.
2.
Voor de toepassing van artikel 24, eerste lid, onder a, van de rijkswet, wordt met de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht gelijkgesteld de graad Bachelor, verleend op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van de opleiding HBO-rechten aan een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek , indien blijkens hierop betrekking hebbende bewijsstukken tevens met goed gevolg zijn afgelegd de tentamens van de tot een schakelprogramma behorende onderwijseenheden.
3.
Het schakelprogramma, bedoeld in het tweede lid, omvat onderwijseenheden op het gebied van het recht, die worden aangeboden door een universiteit of Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek , met een totale studielast van ten minste 60 studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
1.
Het benoemingsbesluit voor een rechter vermeldt in elk geval:
a. zijn naam, voorletter(s), geboortedatum;
b. de functie waarin hij wordt benoemd;
c. de dag van ingang van de benoeming.
2.
Het dienstverband van de rechter met het Hof wordt nader geregeld in een aanstellingsbesluit, waarin in elk geval de standplaats van de rechter vermeld wordt.
3.
Naast de in het eerste lid, onder a tot en met c, genoemde onderwerpen vermeldt het aanstellingsbesluit voor een lid van het Hof in elk geval:
a. de arbeidsduur;
b. de hoogte van het salaris;
c. de datum van indiensttreding.
4.
Op verzoek van een rechter kan het bestuur van het Hof besluiten tot wijziging van de standplaats.
5.
Op verzoek van een lid van het Hof kan het bestuur van het Hof besluiten tot wijziging van de arbeidsduur, als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.
6.
Het besluit als bedoeld in het vierde en vijfde lid wordt op schrift gesteld en met redenen omkleed.
Artikel 9
De volledige arbeidsduur voor de leden van het Hof bedraagt gemiddeld 40 uur per week.
1.
Een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg wordt niet aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie.
2.
Een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg kan voor het verrichten van werkzaamheden worden opgeroepen door het bestuur van het Hof.
3.
In de bij deze algemene maatregel van rijksbestuur behorende bijlage is de hoogte van de vergoeding vermeld die een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg ontvangt.
4.
Onze Ministers passen de vergoeding van een plaatsvervangend lid van het Hof en van een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg jaarlijks aan op basis van het gemiddelde van de ontwikkeling van de salarissen van de ambtenaren van de landen in het voorafgaande kalenderjaar.
1.
Op eigen verzoek kan een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg tijdelijk worden aangewezen voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke functie.
2.
De aanwijzing geschiedt voor een bepaalde tijd en kan worden verlengd. De tijdsduur van de aanwijzing en van de verlenging bedragen elk drie jaar.
3.
De aanwijzing van een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg wordt schriftelijk gegeven door het bestuur van het Hof en vermeldt tenminste:
a. zijn naam, voorletter(s), geboortedatum;
b. zijn functie;
c. de dag van ingang van de aanwijzing;
d. zijn standplaats;
e. de hoogte van het salaris;
f. de arbeidsduur.
4.
Op verzoek van een plaatsvervangend lid van het Hof of een rechter-plaatsvervanger in eerste aanleg kan het bestuur van het Hof besluiten tot wijziging van:
a. de standplaats;
b. de arbeidsduur.
5.
De beslissing tot verlenging dan wel tussentijdse wijziging van de aanwijzing geschiedt schriftelijk door het bestuur van het Hof.
6.
Gedurende de periode van aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 12 tot en met 14, 16 tot en met 19, 20 eerste, tweede en vierde lid, 21 22, 24 en 26, van overeenkomstige toepassing.
1.
Het genot van het salaris van de leden van het Hof vangt aan op de dag van indiensttreding. Het salaris wordt per maand genoten.
2.
In de bij deze algemene maatregel van rijksbestuur behorende bijlage is het salaris vermeld dat de leden van het Hof, die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige functie, maandelijks genieten.
3.
De leden van het Hof die zijn aangesteld voor het vervullen van een gedeeltelijke functie, ontvangen een salaris naar evenredigheid van het salaris dat zij zouden hebben ontvangen indien zij in hetzelfde ambt zouden zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige functie.
4.
Onze Ministers passen het salaris van de leden van het Hof jaarlijks aan op basis van het gemiddelde van de ontwikkeling van de salarissen van de ambtenaren van de landen in het voorafgaande kalenderjaar.
1.
Een toelage wordt genoten indien en zolang aan de voorwaarden die aan de toelage zijn gesteld, wordt voldaan.
2.
Het genot van een toelage vangt aan op de dag dat aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de toelage voldaan is.
3.
Een toelage wordt per maand genoten. De leden van het Hof die zijn benoemd voor het vervullen van een gedeeltelijke functie, ontvangen een toelage die een evenredig deel bedraagt van de toelage die zij zouden hebben ontvangen indien zij in hetzelfde ambt zouden zijn benoemd voor het vervullen van een volledige functie.
4.
Een toelage wordt tegelijkertijd met het salaris uitbetaald.
1.
Afhankelijk van de standplaats kunnen de leden van het Hof in aanmerking komen voor een toelage die het verschil in koopkracht tussen de landen compenseert.
2.
Onze Ministers stellen, op voorstel van het bestuur van het Hof na goedkeuring van de Beheerraad, jaarlijks de hoogte vast van een toelage die het verschil in koopkracht tussen de landen compenseert.
1.
De rechter heeft in geval van dienstreizen recht op vergoeding van reis- en verblijfskosten.
2.
Onze Ministers stellen, op voorstel van het bestuur van het Hof na goedkeuring van de Beheerraad, een regeling vast over reis- en verblijfkosten.
1.
Aan een lid van het Hof dat naar een andere standplaats wordt overgeplaatst of in zijn standplaats ten behoeve van de dienst verplicht wordt van woning te wisselen, wordt een verhuiskostenvergoeding toegekend.
2.
Onze Ministers stellen, op voorstel van het bestuur van het Hof na goedkeuring van de Beheerraad, een regeling vast betreffende een verhuiskostenvergoeding als bedoeld in het eerste lid.
1.
Boven en behalve het vastgestelde salaris geniet een lid van het Hof voor de ongehuwde kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, of zijn ongehuwde stiefkinderen beneden de leeftijd van achttien jaar, laatstgenoemden voor zover zij geheel ten laste van het lid van het Hof komen, een kindertoelage.
2.
Het eerste lid is van toepassing op kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar, die deel uitmaken van het gezin van een lid van het Hof, die hij geheel als eigen kinderen onderhoudt en opvoedt en die niet door de eigen ouders kunnen worden onderhouden en opgevoed.
3.
Het eerste lid is van toepassing op ongehuwde niet-erkende kinderen van een lid van het Hof, indien hij voor die kinderen onderhoudsplichtig is gesteld of hij de onderhoudsplicht blijkens een authentieke akte heeft erkend.
4.
Indien reeds uit andere hoofde een kindertoelage genoten wordt, wordt de kindertoelage niet door het bestuur van het Hof uitgekeerd.
5.
Voor de toepassing van dit artikel worden kinderen van achttien tot vijfentwintig jaar, wier tijd behoudens in geval van ziekte of vakantie geheel of grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs, gelijkgesteld met kinderen beneden de leeftijd van achttien jaren.
6.
Voor de toepassing van dit artikel kunnen kinderen van achttien tot vijfentwintig jaar, die ten gevolge van ziekte of gebreken blijvend buiten staat zijn om met arbeid, die voor hun krachten is berekend, een derde te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde kinderen van gelijke leeftijd in staat zijn met arbeid te verdienen, gelijk gesteld worden met kinderen beneden de leeftijd van achttien jaren.
7.
Onze Ministers stellen, op voorstel van het bestuur van het Hof na goedkeuring van de Beheerraad, de kindertoelage vast.
1.
Een lid van het Hof heeft per kalenderjaar aanspraak op 240 uren vakantie met behoud van salaris en toelagen.
2.
Een lid van het Hof dat is aangesteld voor het vervullen van een gedeeltelijke functie heeft per kalenderjaar naar evenredigheid aanspraak op 240 uren vakantie met behoud van salaris en toelagen.
3.
Indien een rechter vakantie wil opnemen, doet hij dit na overleg met één van de leden van het bestuur van het Hof of met een door het bestuur van het Hof daartoe aangewezen functionaris.
4.
Het bestuur van het Hof kan wegens dringende reden van dienstbelang een vakantie geheel of gedeeltelijk weigeren.
5.
Een lid van het Hof heeft aanspraak op een vakantie-uitkering van 7 procent voor elke kalendermaand, waarin hij op grond van artikel 12, eerste lid, salaris heeft genoten.
1.
Een lid van het Hof heeft verlof op de dagen dat de overheidsdienst in het land van standplaats gesloten is wegens een zaterdag, zondag of erkende feestdag.
2.
Aan een lid van het Hof kan door het bestuur van het Hof, al dan niet met behoud van salaris en toelagen, verlof verleend worden op grond van ziekte, zwangerschap en bevalling of wegens andere bijzondere omstandigheden.
3.
Zwangerschapsverlof wordt, met behoud van salaris, verleend vanaf de dag waarop de bevalling blijkens een schriftelijke verklaring van een geneeskundige of verloskundige waarin de vermoedelijke datum van de bevalling wordt aangegeven, binnen zes weken te verwachten is. Het verlof begint in ieder geval twee weken vóór deze datum.
4.
Vanaf de dag volgend op die van de bevalling wordt gedurende een periode van zes weken bevallingsverlof met behoud van salaris verleend. Dit verlof wordt verlengd tot ten hoogste twaalf weken, voor zover het zwangerschapsverlof minder dan zes weken heeft bedragen.
5.
Een lid van het Hof kan vanaf het bereiken van de leeftijd van achtenzestig jaar aanspraak maken op wekelijks een halve vrijdag verlof en vanaf het bereiken van de leeftijd van negenenzestig jaar op een hele vrijdag verlof met behoud van salaris. Dit verlof kan niet worden opgespaard en vervalt bij ziekte en onbezoldigd verlof.
6.
Indien een rechter op grond van het tweede lid verhinderd is zijn dienst te verrichten, doet hij daarvan onder opgave van redenen, zo tijdig mogelijk mededeling aan het bestuur van het Hof of een door het bestuur van het Hof daartoe aangewezen functionaris.
1.
Een lid van het Hof is, in geval van ziekte en wanneer het bestuur van het Hof of een door het bestuur van het Hof daartoe aangewezen functionaris dat in verband met de gezondheidstoestand nodig acht, verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek van een of meer door het bestuur van het Hof aangewezen geneeskundigen.
2.
Aan een lid van het Hof kan door het bestuur van het Hof een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering worden verleend.
3.
Indien een rechter een geneeskundige behandeling moet ondergaan ten gevolge van ziekte of gebreken, die zijn ontstaan in en door de uitoefening van zijn functie en niet aan de schuld of grove nalatigheid van de rechter zijn te wijten en waarvan de kosten niet worden vergoed door de ziektekostenverzekering van de rechter, worden de kosten van de geneeskundige behandeling door het bestuur van het Hof vergoed.
4.
Verlof op grond van ziekte, verlenging daarvan inbegrepen, wordt ten hoogste voor vier jaren verleend. In geval verlof wordt verleend op grond van ziekte behoudt een lid van het Hof:
a. gedurende de eerste vierentwintig maanden zijn salaris;
b. negentig procent van zijn salaris gedurende de twaalf daarop volgende maanden;
c. tachtig procent van zijn salaris gedurende de resterende maanden.
Artikel 21
Onze Ministers stellen, op voorstel van het bestuur van het Hof na goedkeuring door de Beheerraad, vast welke pensioenregeling van toepassing is op de leden van het Hof.
1.
Het salaris en de toelagen worden niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van overlijden.
2.
De door het lid van het Hof tot zijn overlijden opgebouwde nog niet genoten aanspraken in tijd en geld worden na zijn overlijden uitbetaald.
3.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een lid van het Hof wordt door het bestuur van het Hof aan de langstlevende echtgenoot dan wel de partner waarmee het lid van het Hof tot aan zijn overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, een som uitgekeerd, gelijk aan drie maal het bedrag aan het maandelijkse salaris en toelagen op het tijdstip van overlijden.
4.
Indien een lid van het Hof op het tijdstip van overlijden niet in actieve dienst is, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan drie maal hetgeen hij als inkomsten per maand zou hebben genoten, indien hij op de eerste van de maand van het overlijden in actieve dienst was geweest.
5.
Indien het overleden lid van het Hof geen betrekking als bedoeld in het derde lid nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de kinderen tot wie het lid van het Hof in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters of overige kinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.
6.
Laat het overleden lid ook geen betrekkingen als in het vijfde lid bedoeld na, dan kan het in het eerste lid bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van kosten van de laatste ziekte en van de begrafenis, indien de nalatenschap van het overleden lid van het Hof voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
1.
Indien een rechter is overleden ten gevolge van ziekte of gebreken, die zijn ontstaan in en door de uitoefening van zijn functie en niet aan de schuld of grove nalatigheid van de overleden rechter is te wijten, komen de werkelijke kosten van de begrafenis, doch ten hoogste van een bedrag van ANG 3.750 ten laste van het Hof en wordt een bedrag van ANG 100.000 uitgekeerd aan de langstlevende echtgenoot dan wel de partner waarmee de rechter tot aan zijn overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde.
2.
Indien de overleden rechter geen betrekking als bedoeld in het eerste lid nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de kinderen tot wie de rechter in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters of overige kinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.
1.
Op het door het bestuur van het Hof verschuldigde salaris kan, gehoord de Beheerraad, hetgeen een lid van het Hof aan het Hof verschuldigd is, worden ingehouden.
2.
Het bestuur van het Hof kan op het verschuldigde salaris ten behoeve van een lid van het Hof kortingen toepassen voor vorderingen, mits deze door het betreffende lid van het Hof, naar aanleiding van een verzoek om korting toe te passen, schriftelijk worden erkend.
3.
Overdracht of in pandgeving, waardoor een lid van het Hof enig recht op salaris aan een derde toekent, is slechts geldig, indien zij geschiedt met goedkeuring van het bestuur van het Hof, dat het salaris heeft toegekend.
4.
Salaris is voor inhouden, beslag of korting dan wel overdracht of in pandgeving vatbaar voor één derde gedeelte.
5.
Onze Ministers stellen, op voorstel van het bestuur van het Hof na goedkeuring door de Beheerraad, een regeling vast over het inhouden, het beslag en de korting op het salaris, dan wel overdracht of in pandgeving van het salaris.
1.
Aan een rechter kan, na goedkeuring door de Beheerraad, door het bestuur van het Hof naar billijkheid een schadeloosstelling, een vergoeding van kosten of overigens een geldelijke tegemoetkoming worden verleend.
2.
Bij ministeriële rijksregeling kunnen regels worden gesteld over schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan rechters.
Artikel 26
Onze Ministers stellen, op voorstel van het bestuur van het Hof na goedkeuring van de Beheerraad, een regeling vast over ambtsjubilea van de leden van het Hof.
1.
Bij ministeriële rijksregeling kunnen regels worden gesteld over de rechtspositie van rechters.
2.
In geval de in het eerste lid bedoelde ministeriële rijksregeling over de rechtspositie van rechters nog niet tot stand is gekomen en er op korte termijn een regeling getroffen moet worden inzake een rechtspositionele aangelegenheid, voorziet het bestuur van het Hof na goedkeuring door de Beheerraad, in een tijdelijke regeling.
1.
Ten minste éénmaal per kalenderjaar wordt een functioneringsgesprek gevoerd met een rechter.
2.
Met een rechter, niet tevens zijnde lid van het bestuur van het Hof, wordt het functioneringsgesprek gevoerd door één van de daartoe aangewezen vice-presidenten.
3.
De president voert het functioneringsgesprek met de vice-presidenten.
4.
Een functioneringsgesprek kan op verzoek van een rechter plaatsvinden.
5.
Van het functioneringsgesprek wordt verslag gelegd en de rechter wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze omtrent dit verslag kenbaar te maken. Nadat de zienswijze van de rechter aan het verslag is toegevoegd wordt het verslag in zijn personeelsdossier gevoegd en ontvangt de rechter een afschrift van het verslag.
6.
Indien de rechter zich niet kan verenigen met de inhoud van het verslag van het functioneringsgesprek, kan hij een beoordelingsgesprek aanvragen.
1.
Een schriftelijke beoordeling wordt opgemaakt indien:
a. een rechter hierom verzoekt;
b. het functioneren van een rechter hiertoe aanleiding geeft.
2.
Een beoordelingsgesprek dat wordt gevoerd op grond van artikel 28, zesde lid, wordt gevoerd door de president.
3.
Een beoordelingsgesprek dat op grond van het eerste lid, onderdeel b, wordt gevoerd, vindt niet eerder plaats dan drie maanden nadat een functioneringsgesprek met de betrokken rechter heeft plaatsgevonden.
4.
Ten aanzien van het opmaken van de beoordeling en het voeren van een beoordelingsgesprek zijn de leden 2, 3 en 5, van artikel 28, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30
In de functioneringsgesprekken en beoordelingsgesprekken met rechters wordt niet gesproken over de:
a. procesrechtelijke behandeling van zaken;
b. inhoudelijke beoordeling in concrete zaken;
c. beslissing in een concrete zaak of categorieën van zaken.
1.
Rechters zijn ter terechtzitting of bij vervulling van een ambtsverrichting, waarbij het dragen van een ambtskostuum gepast is, gekleed in een ambtskostuum.
2.
Het ambtskostuum bestaat uit een toga en een bef.
1.
De toga is een lange wijde mantel met een staande kraag ter hoogte van ongeveer 4 cm, welke kraag aan de voorzijde in het midden een opening heeft van 8 cm. De toga is geheel gemaakt van zwarte stof, neerhangende tot ongeveer 10 cm boven de grond, in het midden van de achterzijde onder de kraag, evenals zijwaarts aan de bovenkant van de wijde mouwen, geplooid ingenomen, met aan de onderkant der mouwen omslagen ter breedte van ongeveer 20 cm en aan de voorzijde in het midden van boven tot onder om de 5 cm voorzien van een niet glimmende kleine zwarte knoop.
2.
De toga wordt gesloten gedragen.
3.
Voor zover de toga is voorzien van banen, zijn deze ter breedte van ongeveer 18 cm evenwijdig aan elkaar met een tussenruimte van ongeveer 8 cm verticaal aan de voorzijde aangebracht en wel van de bovenkant van elke schouder af tot aan de onderkant der toga.
4.
De toga is van dof grein of van een hierop gelijkende stof met banen en mouwomslagen van zwarte zijde.
1.
De bef bestaat uit twee aan de bovenzijde aan elkaar bevestigde stukken geplooid wit batist of een hierop gelijkende stof, beide stukken tezamen in geplooide toestand aan de bovenzijde 8 cm breed.
2.
De bef heeft een lengte van 30 cm en mag aan de onderzijde niet breder zijn dan 15 cm.
1.
Een rechterlijk ambtenaar in opleiding kan niet tevens zijn:
a. Gouverneur;
b. minister of staatssecretaris;
c. commissaris der Koningin of gedeputeerde;
d. lid van de vertegenwoordigende lichamen van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, van de Staten-Generaal of van een eilandsraad;
e. rijksvertegenwoordiger, gezaghebber of eilandgedeputeerde;
f. burgemeester of wethouder;
g. lid van de Beheerraad;
h. lid van de Raad voor rechtshandhaving;
i. lid van de Raad van Advies van Aruba, Curaçao of Sint Maarten;
j. lid van de Algemene of Nationale Rekenkamer van een land;
k. nationale of eilandelijke ombudsman of substituut-ombudsman.
2.
Een rechterlijk ambtenaar in opleiding geeft het bestuur van het Hof kennis van de betrekkingen die hij buiten zijn ambt vervult. Zo mogelijk geschiedt de kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het aangaan van de betrekking.
3.
De betrekkingen die een rechterlijk ambtenaar in opleiding buiten zijn functie vervult, worden opgenomen in het register, bedoeld in artikel 26, vierde lid, van de rijkswet.
Artikel 35
Er is een opleiding die ten doel heeft toekomstige rechters en officieren van justitie de kennis, de vaardigheden en de ervaring te verschaffen, die nodig zijn om een rechtsprekende functie, dan wel de functie van officier van justitie uit te oefenen.
1.
Ten minste éénmaal per jaar maakt het bestuur van het Hof in ten minste twee van de in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba en Nederland verschijnende dagbladen bekend dat zich bij hen personen kunnen melden die bij voorkeur aan de vereisten van artikel 24, eerste en tweede lid, van de rijkswet voldoen, teneinde in aanmerking te komen voor een aanstelling in een opleidingsfunctie tot rechter of officier van justitie.
2.
Het bestuur van het Hof draagt er zorg voor dat personen die zich hebben aangemeld een assessment en een integriteitsonderzoek ondergaan.
3.
Het bestuur van het Hof stelt vervolgens de ontvangen aanmeldingen in handen van de selectiecommissie.
1.
Er wordt een selectiecommissie ingesteld, die bestaat uit vijf leden, te weten:
a. de president van het Hof;
b. de procureur-generaal van een van de landen;
c. de decaan van de faculteit der rechtsgeleerdheid van de universiteit in Curaçaoof Aruba;
d. twee door de president van het Hof en de procureurs-generaal van de landen voor de duur van vijf jaar te benoemen leden, die niet tot de rechterlijke macht behoren.
2.
Bij belet of ontstentenis:
a. wordt de president van het Hof vervangen door een daartoe aangewezen vice-president;
b. wordt de procureur-generaal van één van de landen vervangen door een daartoe aangewezen plaatsvervanger;
c. wordt de decaan van de faculteit der rechtsgeleerdheid van de universiteit in Curaçao of Aruba vervangen door zijn plaatsvervanger;
d. worden beide door de president van het Hof en de procureurs-generaal van de landen benoemde leden elk vervangen door een voor gelijke duur en onder gelijke beperking tot hun vervanging benoemd lid.
1.
De selectiecommissie onderzoekt wie in aanmerking komen voor een aanstelling en zendt daartoe een aanbeveling aan het bestuur van het Hof.
2.
De selectiecommissie kan ook personen die zich anders dan ingevolge de in artikel 36, eerste lid, bedoelde bekendmaking bij het bestuur van het Hof hebben aangemeld voor aanstelling aanbevelen.
1.
De daartoe ingevolge artikel 38 door de selectiecommissie aanbevolene kan worden toegelaten tot de opleiding voor rechterlijk ambtenaar in opleiding door aanstelling bij het Hof in de functie van rechterlijk ambtenaar in opleiding.
2.
Het aanstellingsbesluit van een rechterlijk ambtenaar in opleiding vermeldt in elk geval:
a. zijn naam, voorletter(s), geboortedatum;
b. zijn functie;
c. de dag van ingang van de aanstelling;
d. zijn salaris;
e. zijn arbeidsduur;
f. zijn standplaats.
1.
Het bestuur van het Hof en de procureurs-generaal van de landen stellen, gehoord de hofvergadering, gezamenlijk een opleidingsreglement voor de rechterlijke ambtenaren in opleiding vast.
2.
Het opleidingsreglement voor de rechterlijke ambtenaren in opleiding bevat in elk geval nadere regels over de:
a. inhoud van de opleiding;
b. duur van de opleiding;
c. mogelijkheden tot verlenging of verkorting van de opleiding;
d. normen voor het functioneren;
e. periodieke beoordeling.
1.
De rechterlijk ambtenaar in opleiding legt bij aanvang van de opleiding de eed of belofte af overeenkomstig het als bijlage bij deze algemene maatregel van rijksbestuur gehechte formulier.
2.
Indien de rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende de eerste periode van de opleiding tewerk wordt gesteld ter griffie van het Hof, legt hij de eed of belofte af ten overstaan van een lid van het Hof. Indien de rechterlijk ambtenaar in opleiding gedurende de eerste periode van de opleiding tewerk wordt gesteld ten parkette van het openbaar ministerie, dan legt hij de eed of belofte af ten overstaan van de hoofdofficier van justitie.
3.
Het formulier wordt na het afleggen van de eed of belofte ondertekend door de rechterlijk ambtenaar in opleiding, het lid van het Hof respectievelijk de hoofdofficier van justitie.
4.
Het origineel van het formulier wordt bewaard in het personeelsdossier van de betreffende rechterlijk ambtenaar in opleiding.
5.
Een gewaarmerkt afschrift van het origineel van het formulier wordt aan de rechterlijk ambtenaar in opleiding uitgereikt.
Artikel 42
Nadat een rechterlijk ambtenaar in opleiding, de opleiding met gunstig resultaat heeft voltooid, kan hij op grond van de artikelen 23 en 25 van de rijkswet of op grond van artikel 17, derde lid, van de Rijkswet openbare ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voorgedragen worden voor benoeming tot rechter of substituut-officier van justitie.
1.
Het bestuur van het Hof, gehoord de procureurs-generaal van de landen, schorst een rechterlijk ambtenaar in opleiding indien hij:
a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surséance van betaling heeft gekregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld.
2.
Het bestuur van het Hof, gehoord de procureurs-generaal van de landen, kan een rechterlijk ambtenaar in opleiding schorsen indien:
a. tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld;
b. er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op grond van artikel 44, onderdeel a, of artikel 45, onderdeel c, zouden kunnen leiden.
3.
De schorsing, bedoeld in de voorgaande leden, eindigt na drie maanden. Het bestuur van het Hof kan, gehoord de procureurs-generaal van de landen, de schorsing telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.
4.
Het bestuur van het Hof beëindigt de schorsing zodra de grond voor deze maatregel is vervallen.
5.
Het bestuur van het Hof kan bij de beslissing, waarbij de rechterlijk ambtenaar wordt geschorst, bepalen dat tijdens de duur van de schorsing geen salaris of slechts een daarbij te bepalen gedeelte van het salaris zal worden genoten.
6.
Indien de schorsing anders dan door ontslag eindigt, kan het bestuur van het Hof beslissen dat het niet genoten salaris geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte alsnog zal worden uitbetaald.
Artikel 44
Het bestuur van het Hof, gehoord de procureurs-generaal van de landen, ontslaat een rechterlijk ambtenaar in opleiding:
a. op eigen verzoek;
b. indien hij een ambt of betrekking aanvaardt dat onderscheidenlijk die volgens artikel 34, eerste lid, onverenigbaar is met het door hem beklede ambt;
c. binnen zes maanden nadat de opleiding beëindigd is vanwege een ongunstige beoordeling;
d. bij gebleken ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan wegens ziekte.
Artikel 45
Het bestuur van het Hof, gehoord de procureurs-generaal van de landen, kan een rechterlijk ambtenaar in opleiding ontslaan:
a. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
b. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
c. indien hij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is om zijn functie te vervullen;
d. wegens handelen of nalaten, dat ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak dan wel openbaar ministerie of aan het in haar dan wel hem te stellen vertrouwen;
e. na eerder wegens gelijke overtreding te zijn gewaarschuwd, de bepalingen overtreedt waarbij hem:
1°. verboden wordt zich in enig onderhoud of gesprek in te laten met partijen of haar advocaten of gemachtigden, of enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk van hen aan te nemen;
2°. de verplichting wordt opgelegd een geheim te bewaren.
Artikel 46
Alvorens een besluit op grond van de artikelen 43, tweede lid, 44, onderdeel d, en 45 wordt genomen wordt de rechterlijk ambtenaar in opleiding door het bestuur van het Hof in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze mondeling of schriftelijk naar voren te brengen.
1.
De artikelen 7, 9, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, tweede tot en met vijfde lid, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, en de artikelen 31 tot en met 33, zijn van overeenkomstige toepassing op de rechterlijke ambtenaren in opleiding.
2.
De rechterlijk ambtenaar in opleiding heeft in het eerste opleidingsjaar aanspraak op 176 uren vakantie en met ingang van het tweede opleidingsjaar aanspraak op 200 uren vakantie, met behoud van salaris en toelagen.
1.
Bij ministeriële rijksregeling kunnen regels worden gesteld over de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren in opleiding.
2.
In geval de in het eerste lid bedoelde ministeriële rijksregeling over de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren in opleiding nog niet tot stand is gekomen en er op korte termijn een regeling getroffen moet worden inzake een rechtspositionele aangelegenheid, voorziet het bestuur van het Hof na goedkeuring door de Beheerraad, in een tijdelijke regeling.
1.
Alvorens zitting te nemen leggen de leden van de Beheerraad de eed of belofte af volgens het formulier zoals vastgesteld in de bijlage bij deze algemene maatregel rijksbestuur.
2.
De leden van de Beheerraad leggen de eed of belofte af ten overstaan van de president van het Hof.
3.
Bij herbenoeming is het afleggen van een nieuwe eed of het uitspreken van een nieuwe belofte niet vereist.
1.
Voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van de Beheerraad ontvangen de leden van de Beheerraad een vergoeding.
2.
In de bij deze algemene maatregel van rijksbestuur behorende bijlage is de vergoeding van de leden van de Beheerraad vastgesteld.
3.
De reis- en verblijfskostenregeling voor rechters is van overeenkomstige toepassing op de leden van de Beheerraad.
1.
Een lid van de Beheerraad wordt door Onze Ministers geschorst, indien hij:
a. zich in voorlopige hechtenis bevindt;
b. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld dan wel hem bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
c. bij een nog niet onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, hij surséance van betaling heeft gekregen, dan wel wegens schulden is gegijzeld.
2.
Onze Ministers kunnen een lid van de Beheerraad schorsen, indien:
a. tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld;
b. er een ander ernstig vermoeden is voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag, anders dan op grond van artikel 52, eerste lid of artikel 52, derde lid, onderdeel c, zou kunnen leiden.
3.
De schorsing, bedoeld in de voorgaande leden, eindigt na drie maanden. Onze Ministers kunnen de maatregel telkens voor ten hoogste drie maanden verlengen.
4.
De schorsing wordt beëindigd zodra de grond voor deze maatregel is vervallen.
1.
Een lid van de Beheerraad wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit ontslagen.
2.
Op voorstel van Onze Ministers wordt een lid van de Beheerraad bij koninklijk besluit ontslagen, indien hij:
a. een ambt of betrekking aanvaardt die onderscheidenlijk dat volgens artikel 50, vierde lid, van de rijkswet onverenigbaar is met de door hem beklede functie;
b. bij gebleken ongeschiktheid voor de functie, anders dan wegens ziekte.
3.
Op voorstel van Onze Ministers kan een lid van de Beheerraad bij koninklijk besluit worden ontslagen:
a. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens een misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
b. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
c. indien hij uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is om zijn functie te vervullen;
d. wegens handelen of nalaten, dat ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen.
1.
Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop een rechter van het Hof zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, bij het bestuur van het Hof een klacht in te dienen. Niet geklaagd kan worden over de inhoud en de motivering van een beslissing van een rechter noch over de totstandkoming van een rechterlijke beslissing met inbegrip van de in dat kader genomen beslissingen van procedurele aard.
2.
Een gedraging van een rechter wordt aangemerkt als een gedraging van het Hof, voor zover deze gedraging aan het Hof kan worden toegerekend.
3.
Het bestuur van het Hof draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten.
4.
Tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van het Hof kan geen beroep worden ingesteld.
1.
Een klaagschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:
a. de naam en het adres van de klager;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is gericht en zo mogelijk het tijdstip van de gedraging.
2.
Klaagschriften, die niet gedagtekend zijn, worden geacht gedagtekend te zijn op de dag van ontvangst.
3.
Indien het klaagschrift in een andere taal dan het Nederlands, Papiaments of Engels is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van de klacht noodzakelijk is, dient de klager zorg te dragen voor een vertaling.
4.
Indien de klager minderjarig is of onder curatele gesteld, moet de klacht worden ondertekend door de met het gezag beklede ouder of voogd of de curator.
5.
Het bestuur van het Hof kan besluiten het klaagschrift dat niet aan de vereisten genoemd in het eerste, derde, en of vierde lid voldoet, niet te behandelen, mits de klager in de gelegenheid is gesteld het klaagschrift binnen een door het bestuur van het Hof te stellen termijn aan te vullen.
1.
Het bestuur van het Hof is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:
a. waarover door de klager reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van dit hoofdstuk is afgedaan;
b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;
c. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een rechterlijke instantie kon of had kunnen worden onderworpen;
d. zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van een lid van het openbaar ministerie van één van de landen of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van een lid van het openbaar ministerie van een van de landen of een vervolging gaande is.
2.
Het bestuur van het Hof is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.
3.
Van het niet in behandeling nemen van de klacht stelt het bestuur van het Hof de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis.
1.
Het bestuur van het Hof bevestigt de ontvangst van het klaagschrift schriftelijk onder de mededeling van de datum van ontvangst van het klaagschrift.
2.
Het bestuur van het Hof zendt de beklaagde een afschrift van het klaagschrift en de daarbij meegezonden stukken.
3.
Het bestuur van het Hof zendt een klaagschrift tot behandeling waarvan kennelijk een andere instantie bevoegd is, onverwijld naar die instantie door onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de klager.
4.
Het bestuur van het Hof zendt een klaagschrift dat niet voor het bestuur van het Hof bestemd is en dat ook niet wordt doorgezonden, zo spoedig mogelijk terug naar de klager.
5.
Het bestuur van het Hof registreert en administreert binnengekomen klaagschriften en zorgt voor een goede voortgangscontrole.
6.
Het aantal geregistreerde klachten wordt jaarlijks gepubliceerd met vermelding van de aard van de klacht.
1.
Het bestuur van het Hof stelt de klager en de beklaagde in de gelegenheid te worden gehoord.
2.
Van het horen van de klager kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is dan wel indien de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.
3.
Van het horen van beklaagde kan worden afgezien indien de klacht niet in behandeling wordt genomen, indien de klacht kennelijk ongegrond is of indien betrokkene heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.
4.
Van het horen wordt een verslag gemaakt.
1.
De klager en de beklaagde kunnen zich door een gemachtigde laten bijstaan of laten vertegenwoordigen.
2.
Het bestuur van het Hof kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op advocaten.
1.
In elke fase van de klachtbehandeling kan het bestuur van het Hof nagaan of de klager door middel van een informele afhandeling van zijn klacht tevreden gesteld kan worden.
2.
Zodra het bestuur van het Hof naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, kan de klachtprocedure worden afgesloten. De klager ontvangt in dat geval een schriftelijke kennisgeving van de afsluiting van deze procedure. Aan de beklaagde wordt een kopie van deze kennisgeving verstrekt.
1.
Het bestuur van het Hof handelt de klacht binnen zes weken of, – indien aan het bepaalde in artikel 62, eerste lid, toepassing wordt gegeven – binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift af.
2.
Het bestuur van het Hof kan de behandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager en beklaagde.
3.
Wanneer de klacht een lid van het bestuur van het Hof betreft, neemt dit lid niet aan de behandeling van de klacht deel. Dit lid wordt vervangen door een ander lid van het Hof.
Artikel 61
Het bestuur van het Hof stelt de klager en de beklaagde schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht en van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
1.
Het bestuur van het Hof kan een klachtadviescommissie met de advisering over een klacht belasten. Een klachtadviescommissie bestaat uit drie leden.
2.
Het bestuur van het Hof benoemt de leden van een klachtadviescommissie, waaronder een voorzitter en een secretaris, alsmede hun plaatsvervangers.
3.
Ten minste één lid van de klachtadviescommissie is geen rechter.
4.
Degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, maakt geen deel uit van de klachtadviescommissie.
5.
Het bestuur van het Hof kan de klachtadviescommissie alleen algemene aanwijzingen geven.
1.
Zodra het bestuur van het Hof besluit de klachtadviescommissie in te schakelen, deelt het bestuur de klager en de beklaagde mee dat een klachtadviescommissie met de advisering over de klacht is belast.
2.
Het horen geschiedt door de klachtadviescommissie.
3.
De klachtadviescommissie kan het horen aan de voorzitter of een lid opdragen.
4.
De klachtadviescommissie beslist over de toepassing van artikel 57, tweede lid.
5.
De klachtadviescommissie zendt een rapport van bevindingen, vergezeld van het advies en eventuele aanbevelingen, aan het bestuur.
6.
Het rapport bevat het verslag van het horen.
Artikel 64
Indien de conclusies van het bestuur van het Hof afwijken van het advies van de klachtadviescommissie, wordt in die conclusies de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies meegezonden met de kennisgeving, bedoeld in artikel 61.
1.
Degene die op grond van artikel 60, eerste lid, van de rijkswet benoemd wordt tot president van het Hof, behoudt zijn rechtspositie zoals die gold voor de functie van president van het Gemeenschappelijk Hof van de Nederlandse Antillen en Aruba op de dag vóór inwerkingtreding van de rijkswet , tenzij anders overeengekomen.
2.
Voor degene die op grond van artikel 60, eerste lid, van de rijkswet benoemd wordt tot president van het Hof, blijft de rechtspositie als bedoeld in het eerste lid eveneens behouden in geval van herbenoeming op grond van artikel 40, vijfde lid, van de rijkswet, tenzij anders overeengekomen.
3.
Voor wat betreft de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden van degene die op grond van artikel 60, eerste lid, van de rijkswet wordt benoemd, wordt aangesloten bij de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden van de ambtenaren van het land Curaçao.
1.
Indien een rechter of een rechterlijk ambtenaar in opleiding voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze algemene maatregel van rijksbestuur is benoemd, dan behoudt deze rechter of rechterlijk ambtenaar in opleiding de rechtspositie zoals die gold op de dag vóór inwerkingtreding van dit rijksbesluit, tenzij anders overeengekomen.
2.
Voor wat betreft de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden van de rechter of de rechterlijk ambtenaar in opleiding, bedoeld in het eerste lid, wordt aangesloten bij de ontwikkelingen in de arbeidsvoorwaarden van de ambtenaren van het land Curaçao.
Artikel 67
Deze algemene maatregel van rijksbestuur treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van de rijkswet .
Artikel 68
Deze algemene maatregel van rijksbestuur wordt aangehaald als: Rijksbesluit rechtspositie Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 27 september 2010
De Minister van Justitie,
Uitgegeven de eerste oktober 2010
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Het bestuur van het Hof
+ Hoofdstuk 3. De rechtspositie van rechters
+ Hoofdstuk 4. Rechterlijk ambtenaar in opleiding
+ Hoofdstuk 5. Leden beheerraad
+ Hoofdstuk 6. Klachten
+ Hoofdstuk 7. Overgangs-en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht