Let op. Deze wet is vervallen op 1 februari 2008. U leest nu de tekst die gold op 31 januari 2008.

Rijksreglement ontgrondingen

Uitgebreide informatie
Besluit van 17 augustus 1971, houdende uitvoering van de Ontgrondingenwet
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 februari 1971, no. RWW 7189, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Waterstaatsrecht, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van Economische Zaken, van Landbouw en Visserij, van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk;
De Raad van de Waterstaat gehoord;
Gelet op artikel 5, eerste lid, en artikel 8, eerste lid onder b, van de Ontgrondingenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 10 maart 1971, nr. 20 a );
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 6 augustus 1971, no. RWW 51264, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Waterstaatsrecht, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van Economische Zaken, van Landbouw en Visserij, van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Dit besluit is van toepassing op ontgrondingen in:
a. de Noordzee, met inbegrip van het deel waarvan de grenzen samenvallen met die van het continentaal plat, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Mijnbouwwet, alsmede de Waddenzee;
b. de navolgende bij het rijk in beheer zijnde wateren:
1°. het IJsselmeer met de daarmee in open verbinding staande of daarvan ten gevolge van de inpolderingswerken afgescheiden wateren onder beheer van het Rijk;
2°. De bij het Rijk in beheer zijnde rivieren, voorzover het betreft het zomerbed, zijnde de oppervlakte die de rivier inneemt bij gewoon hoog zomerwater of gewone vloed;
3°. het Veerse Meer;
4°. de Grevelingen;
5°. het Brielse Meer;
6°. de bij het rijk in beheer zijnde kanalen;
7°. de met de onder 1°–6° vermelde wateren in open verbinding staande havens en overige wateren onder beheer van het Rijk.
Artikel 2
De Ontgrondingenwet is ten aanzien van de in artikel 1 bedoelde wateren en gebieden niet van toepassing op:
a. het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van Rijkswaterstaatswerken;
b. het aanleggen, onderhouden, verbreden of verdiepen van watergangen, voor zover deze een bovenbreedte krijgen van niet meer dan 15 m, een bodembreedte van niet meer dan 5 m en een diepte van niet meer dan 2,50 m beneden het polder- of boezempeil, of bij gebreke daarvan 3 m beneden de gemiddelde hoogteligging van het aangrenzende terrein;
c. het aanleggen of onderhouden van waterkeringen;
d. het wijzigen van de hoogteligging van het terrein ten behoeve en ter plaatse van het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van wegen, parkeerterreinen, spoorwegen, vliegvelden, industrieterreinen, sportterreinen, parken, plantsoenen, tuinen en werken van tijdelijke aard, een en ander mits
1e. de werken plaats vinden ter uitvoering van een rechtsgeldig bestemmingsplan en bovendien de grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden het oorspronkelijk niveau ongemoeid blijven, dan wel,
2e. het terrein niet meer dan 0,50 m beneden het oorspronkelijke niveau komt te liggen;
e. de normale uitoefening van het land-, tuin- of bosbouwbedrijf, alsmede het planten of rooien van bomen, struiken of andere gewassen;
f. het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van bouwwerken, kelders en graven, het doen van grondboringen en sonderingen, het leggen, plaatsen, onderhouden, wijzigen of opruimen van buizen, kabels, palen en dergelijke voorwerpen;
g. het maken, onderhouden, wijzigen of opruimen van waterputten, reservoirs, bassins en soortgelijke werken, mits de bodemoppervlakte niet meer dan 50 m² en de inhoud niet meer dan 50 m 3 bedraagt en de grondlagen op grotere diepte dan 3 m beneden de oorspronkelijke terreinhoogte ongemoeid blijven;
h. het graven van slikgruppen ter bevordering van de aanwas alsmede het baggeren met hand- of hijsbeugel in de in artikel 1 onder a en b bedoelde wateren.
1.
Onze Minister is bevoegd tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning tot ontgronding in de in artikel 1 bedoelde wateren en gebieden.
2.
een aanvrage tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning wordt in tweevoud bij Onze Minister ingediend.
3.
Een aanvrage tot verlening van een vergunning moet inhouden:
a. de naam, het adres en het beroep of bedrijf van de aanvrager;
b. de naam, het adres en het beroep of bedrijf van de eigenaar of eigenaren van de onroerende goederen, waarop de aanvrage betrekking heeft;
c. een beschrijving van het terrein of het water, waarop de aanvrage betrekking heeft, onder vermelding van het huidige gebruik daarvan en van de gemeente en het waterschap waarin het is gelegen;
d. een opgave van de oppervlakte, de wijze van uitvoering en de diepte van de ontgronding dan wel een opgave van de wijze van uitvoering, de maximale diepte en van de hoeveelheid vaste stoffen die met de ontgronding gewonnen kan worden;
e. een opgave van de redenen van de ontgronding en van de aan het afkomende bodemmateriaal te geven bestemming;
f. een beschrijving van de toestand, waarin het terrein of de bodem van het water na de ontgronding wordt gebracht, onder vermelding van de daaraan te geven bestemming.
4.
Bij de aanvrage moet eveneens in tweevoud worden overgelegd een tekening met kadastrale aanduiding op een schaal van tenminste 1 : 2500, waarop de te ontgronden onroerende zaken of gedeelten van onroerende zaken en de aangrenzende percelen zijn aangegeven, alsmede een uittreksel uit de basisregistratie kadaster van elk perceel, waarop de aanvrage betrekking heeft. Voor ontgrondingen in de in artikel 1, onder a en onder b, 1e-5e, bedoelde wateren kan met overlegging van een kaart op kleinere schaal, doch niet kleiner dan 1 : 50 000, aanduidende de plaats van de ontgronding, worden volstaan.
5.
Op een aanvrage tot wijziging van een vergunning is het bepaalde in het derde en vierde lid, voor zover de daarin bedoelde gegevens en bescheiden niet reeds bij de aanvrage tot verlening van de vergunning zijn verstrekt, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
Onze Minister kan, voor zover andere belangen daarbij niet of nauwelijks zijn betrokken, ten aanzien van ontgrondingen in de in artikel 1, onder a en b, bedoelde wateren afwijken van artikel 10, eerste lid, van de Ontgrondingenwet.
1.
Ter zake van de behandeling van een aanvrage om een vergunning of wijziging van een vergunning wordt een recht geheven.
2.
Het recht bedraagt € 680,67, vermeerderd met een opslag, die wordt berekend met toepassing van de bij dit besluit behorende bijlage.
3.
Bij het niet behandelen van de aanvrage wordt het recht met 100% verminderd.
4.
In geval van weigering van een vergunning of volledige afwijzing van een aanvrage om wijziging van een vergunning wordt het recht met 50% van de opslag verminderd.
5.
Bij intrekking van de aanvrage na het in behandeling nemen van de aanvrage doch vóór de toezending van het ontwerp van de beschikking aan de aanvrager wordt het recht met 50% van de opslag verminderd.
6.
Bij intrekking van de aanvrage na de toezending van het ontwerp van de beschikking doch vóór de toezending van de beschikking op de aanvrage aan de aanvrager wordt het recht met 10% van de opslag verminderd.
7.
Indien de hoeveelheid vaste stoffen waarop de aanvrage betrekking heeft of, bij een aanvrage om wijziging van een vergunning, de extra hoeveelheid vaste stoffen waarop de aanvrage betrekking heeft, meer bedraagt dan de hoeveelheid waarop de vergunning, onderscheidenlijk de beschikking tot wijziging van een vergunning betrekking heeft, wordt het recht verminderd met het bedrag, berekend met toepassing van de volgende formule: A – B
In deze formule:
stelt A voor: de ter zake van de aanvrage met toepassing van de bij dit besluit behorende bijlage berekende opslag;
stelt B voor: de ter zake van de aanvrage met toepassing van de bij dit besluit behorende bijlage berekende opslag, indien de aanvraag betrekking zou hebben op de hoeveelheid waarop de vergunning onderscheidenlijk de beschikking tot wijziging van de vergunning betrekking heeft.
8.
Indien ter zake van de behandeling van de aanvrage afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet is toegepast en het recht meer bedraagt dan € 2 268,90, wordt het recht verminderd tot € 2 268,90.
Artikel 7a
In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt ter zake van de behandeling van een door of vanwege Onze Minister ingediende aanvrage om een vergunning of wijziging van een vergunning geen recht geheven.
Artikel 7b
Het recht, bedoeld in artikel 7, wordt binnen twee weken na de dag van indiening van de aanvrage om een vergunning of wijziging van een vergunning, betaald aan Onze Minister.
Artikel 8
Dit besluit kan worden aangehaald als "Rijksreglement ontgrondingen".
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Ontgrondingenwet in werking treedt.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 17 augustus 1971
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de vierentwintigste augustus 1971.
De Minister van Justitie a.i.,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 7a
Artikel 7b
Artikel 8
Artikel 9
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken