Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2005. U leest nu de tekst die gold op -.

Subsidiebesluit voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen

Uitgebreide informatie
Besluit van 23 december 1997, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie aan voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen (Subsidiebesluit voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 10 september 1997, nr. 649959/97/6, Directie Wetgeving;
Gelet op artikel 61 van de Wet op de jeugdhulpverlening;
De Raad van State gehoord (advies van 11 november 1997, no. WO3.97.0591);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 15 december 1997, nr. 666780/97/6, Directie Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de jeugdhulpverlening ;
b. Onze Minister: Onze Minister van Justitie.
1.
Onze Minister berekent voor de uitoefening van de taak, de aangegeven bijzondere kosten daaronder begrepen, per boekjaar normbedragen per jeugdige.
2.
De subsidie voor de uitoefening van de taak, de aangegeven bijzondere kosten daaronder begrepen, wordt bepaald door de door Onze Minister vastgestelde normbedragen per jeugdige te vermenigvuldigen met de toegekende capaciteit van de instelling. Deze capaciteit wordt berekend volgens een door Onze Minister vast te stellen methode.
3.
Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat de gemiddelde jaarbezetting meer bedraagt dan 105% van de toegekende capaciteit, waarvan bij de bepaling van het bedrag van de subsidie, bedoeld in het tweede lid, is uitgegaan, vindt een verhoging van de subsidie plaats. De hoogte van de verhoging is de uitkomst van de vermenigvuldiging van het subsidiebedrag met de uitkomst van de volgende formule:
{(gerealiseerde gemiddelde jaarbezetting : totaal aantal jeugdigen bij de bepaling van de subsidie) x 100%} – 105%.
4.
Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat de gemiddelde jaarbezetting minder bedraagt dan 95% van de toegekende capaciteit, waarvan bij de bepaling van het bedrag van de subsidie, bedoeld in het tweede lid, is uitgegaan, vindt een verlaging van de subsidie plaats. De hoogte van de verlaging is de uitkomst van de vermenigvuldiging van het subsidiebedrag met de uitkomst van de volgende formule:
95% – {(gerealiseerde gemiddelde jaarbezetting : totaal aantal jeugdigen bij de bepaling van de subsidie) x 100%}.
5.
Onder gerealiseerde gemiddelde jaarbezetting wordt verstaan: het aantal jeugdigen per 31 december van het voorafgaand boekjaar, vermeerderd met het aantal jeugdigen per 31 december van het betreffende jaar, gedeeld door twee.
6.
Op de subsidie berekend overeenkomstig de voorgaande leden wordt in mindering gebracht het bedrag waarmee de toevoeging aan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 10, van de instelling meer bedraagt dan 5% van de vastgestelde subsidie voor het desbetreffende boekjaar, inclusief genoten rente, of het totaal van de opgebouwde egalisatiereserve meer bedraagt dan € 454 000.
1.
De subsidie, bedoeld in artikel 2, kan in de loop van het begrotingsjaar worden gewijzigd, indien als gevolg van de ontwikkeling van de prijzen of de ontwikkeling in de loonkosten de geldende begroting van het Ministerie van Justitie wordt aangepast.
2.
Onze Minister kan bij de verlening van de subsidie tevens bepalen welk percentage van de subsidie zal worden aangemerkt als prijsgevoelig en welk percentage van de subsidie zal worden aangemerkt als loongevoelig.
Artikel 4
Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op het verstrekken van een subsidie, als bedoeld in het eerste lid van artikel 61 van de wet, voor zover het betreft de subsidie in de kosten van de uitoefening van de taak en de door Onze Minister aan te geven bijzondere kosten.
1.
Uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het boekjaar stelt Onze Minister de instelling schriftelijk in kennis van het beleid, dat betrekking heeft op de taken genoemd in het eerste lid van artikel 61 van de wet en waaraan in een door Onze Minister aan te geven periode uitvoering wordt gegeven.
2.
Voorts doet hij mededeling van de voorlopig vastgestelde normbedragen en de berekeningsmethode, bedoeld in artikel 2.
1.
Vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het boekjaar dient de instelling bij Onze Minister een aanvraag van de subsidie in.
2.
De aanvraag van de subsidie gaat vergezeld van een activiteitenplan en een begroting als bedoeld in artikel 4:61 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede van een werkplan als bedoeld in artikel 2 van het Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen, tenzij dit werkplan reeds bij een eerder ingediende aanvraag van de subsidie is overgelegd en zich geen veranderingen hebben voorgedaan die leiden tot bijstelling van dit plan.
3.
Het activiteitenplan behelst behalve hetgeen is bepaald in artikel 4:62 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens een overzicht van de personen die binnen het kader van de doelstelling activiteiten verrichten ten behoeve van de instelling. Dit overzicht bevat in ieder geval de namen van de personen, hun functie en het aantal uren dat zij voor de instelling activiteiten verrichten.
1.
Onze Minister beslist voor 1 januari van het boekjaar op de aanvraag tot verlening van de subsidie.
2.
Indien de subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt zij verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 8
De instelling behoeft de voorafgaande toestemming van Onze Minister voor de rechtshandelingen genoemd in de onderdelen a tot en met f en h tot en met j van het eerste lid van artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede voor een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek .
1.
De instelling verstrekt aan Onze Minister uiterlijk 4 weken na het einde van ieder kwartaal:
a. een opgave van het aantal jeugdigen dat betrokken is bij de uitoefening van de taken alsmede een aanduiding van de aard van de betrokkenheid;
b. andere, door Onze Minister te bepalen, gegevens die voor de verstrekking van de subsidie van belang zijn.
2.
Onze Minister kan hiervoor een model vaststellen.
1.
De instelling vormt een egalisatiereserve.
2.
De egalisatiereserve mag uitsluitend worden aangewend voor uitgaven die in overeenstemming zijn met het activiteitenplan en het werkplan, bedoeld in artikel 6.
3.
Per boekjaar mag de toevoeging aan de egalisatiereserve niet meer bedragen dan 5% van de vastgestelde subsidie, inclusief genoten rente, waarbij het totaal van de opgebouwde egalisatiereserve niet meer mag bedragen dan € 454 000.
4.
Een subsidietekort komt ten laste van de egalisatiereserve van de instelling. Is de egalisatiereserve niet toereikend, dan wordt in het navolgend boekjaar aan Onze Minister een plan van aanpak overgelegd om dit tekort op te heffen. Alsdan kan het subsidietekort ten laste komen van het eigen vermogen.
5.
Onze Minister kan nadere regels stellen inzake het beheer van de egalisatiereserve.
1.
De instelling vormt een reserve groot onderhoud en reserves die uitdrukkelijk door Onze Minister worden benoemd.
2.
Per boekjaar wordt voor groot onderhoud niet meer gereserveerd dan 3% van de subsidie van dat boekjaar. De reserve groot onderhoud gaat een maximum van 15% van de subsidie van het desbetreffende boekjaar niet te boven. Uitgaven voor groot onderhoud dienen op de reserve groot onderhoud te worden afgeboekt.
1.
In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger aan Onze Minister een vergoeding voor vermogensvorming schuldig.
2.
De instelling doet van de gevallen, bedoeld in het tweede lid van artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht, onverwijld mededeling aan Onze Minister.
3.
Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor roerende zaken wordt uitgegaan van de aanschafwaarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder b van artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitgegaan van de ontvangen schadevergoeding.
4.
Het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor onroerende zaken vindt plaats door drie deskundigen. Onze Minister onderscheidenlijk de instelling wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
5.
Indien het vermogen is gevormd mede met andere middelen dan de subsidie, komt aan Onze Minister toe het bedrag, waarmee de subsidiëring door Onze Minister in verhouding tot die middelen aan de vorming van het vermogen heeft bijgedragen.
6.
Onze Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet toe, indien de activiteiten van de instelling met toestemming van Onze Minister door een andere instelling worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die instelling in eigendom worden overgedragen.
1.
Indien de instelling zaken ter beschikking stelt aan of diensten verricht voor natuurlijke personen of rechtspersonen, die niet de ondersteuning van de instelling ten doel hebben, brengt zij een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is.
2.
Indien aan de instelling zaken ter beschikking worden gesteld door een rechtspersoon, die de ondersteuning van de instelling ten doel heeft, betaalt zij aan deze rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag dat ter zake op grond van de historische kostprijs en rekening houdende met de voor de instelling geldende afschrijvingspercentages in redelijkheid in rekening kan worden gebracht.
3.
Indien een rechtspersoon, die de ondersteuning van de instelling ten doel heeft, voor deze instelling diensten verricht welke in het algemeen door de instelling in eigen beheer worden verricht, betaalt de instelling aan de rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag dat het verrichten van de diensten in eigen beheer zou hebben gekost.
4.
De instelling verstrekt desgevraagd aan Onze Minister een beschrijving van de tussen de instelling en andere rechtspersonen bestaande organisatorische dan wel financiële banden alsmede, van zodanig nog in het leven te roepen of te wijzigen banden, voor zover deze banden van invloed kunnen zijn op de bepaling van de vergoedingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
1.
Een instelling verzekert haar burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegenover derden in voldoende mate.
2.
Een instelling verzekert haar burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de minderjarigen die betrokken zijn bij de uitoefening van de taken, indien deze aansprakelijkheid niet reeds anderszins is verzekerd.
3.
Een instelling verzekert haar onroerende zaken tegen brandschade naar herbouwwaarde en haar roerende zaken tegen brandschade, waterschade en diefstal.
1.
De instelling dient vóór 1 mei van het jaar volgend op het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
2.
In de exploitatierekening, bedoeld in artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de afschrijving van onroerende zaken gespreid over veertig jaren, van verbouwingen over tien jaren en van de overige duurzame zaken over ten minste vijf jaren.
3.
Onze Minister kan met betrekking tot de vormgeving van de exploitatierekening en het activiteitenverslag, bedoeld in artikel 4:75 van de Algemene wet bestuursrecht, modellen vaststellen.
1.
Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht, onderzoekt de accountant tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
2.
Onze Minister stelt een aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van de controle als bedoeld in artikel 4:79, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vast.
1.
Onze Minister beslist binnen acht maanden na ontvangst van de aanvraag op de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
2.
Indien de instelling niet binnen de door Onze Minister gestelde termijn, bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, de aanvraag heeft aangevuld, wordt de subsidie aan de hand van de beschikbare informatie door Onze Minister ambtshalve vastgesteld.
1.
Onze Minister kan een subsidieplafond vaststellen voor de subsidies voor bijzondere projecten en doeleinden.
2.
Van het besluit, bedoeld in het eerste lid, en van de wijze waarop het beschikbare bedrag wordt verdeeld, wordt mededeling gedaan in het plan, bedoeld in artikel 8 van de wet.
3.
Onze Minister geeft bij de verdeling van het beschikbare bedrag die aanvragen voorrang, waarvan de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen naar verwachting:
a. van meer belang is voor het beleid waarvoor Onze Minister verantwoordelijkheid draagt, en
b. meer zal bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de subsidie.
4.
Indien met toepassing van het derde lid geen voorrang kan worden bepaald, verdeelt Onze Minister het beschikbare subsidiebedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen.
Artikel 19
De aanvraag voor een subsidie voor bijzondere projecten of doeleinden wordt uiterlijk acht weken voor de aanvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, ingediend.
1.
De aanvraag omvat in ieder geval:
a. een omschrijving van de activiteiten en de daarmee beoogde doelstellingen, en
b. een overzicht van de aan de activiteiten verbonden begrote inkomsten en uitgaven van de instelling.
2.
Voor zover de instelling voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
Artikel 21
Onze Minister beslist binnen zes weken op de aanvraag tot verlening van de subsidie voor bijzondere projecten of doeleinden.
1.
De instelling voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.
2.
De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende tien jaren bewaard.
1.
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor bijzondere projecten of doeleinden wordt op hetzelfde moment ingediend als de aanvraag tot vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 15.
2.
De aanvraag omvat in ieder geval een activiteitenverslag als bedoeld in artikel 4:80 van de Algemene wet bestuursrecht en een financiële verantwoording.
1.
De financiële verantwoording sluit aan op de begroting waarvoor subsidie is verleend.
2.
Verschillen tussen begroting en realisatie worden toegelicht, tenzij deze van geringe betekenis zijn.
Artikel 25
Onze Minister beslist binnen dezelfde termijn als bedoeld in het eerste lid van artikel 17.
1.
Onze Minister kan een maandelijks te betalen voorschot verlenen.
2.
Bij een aanvraag tot verlening van de subsidie als bedoeld in het eerste lid van artikel 6 alsmede bij een aanvraag tot verlening van de subsidie als bedoeld in artikel 19, wordt tevens een aanvraag tot verlening van een voorschot gedaan.
3.
Onze Minister beslist op de aanvraag tot verlening van een voorschot op hetzelfde moment als waarop een beslissing wordt genomen op de aanvraag tot verlening van de subsidie.
Artikel 27
Het Besluit subsidiëring voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming blijft voor voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen slechts van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van de Wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht ( Derde tranche Algemene wet bestuursrecht ), Stb. 333, zijn verleend of vastgesteld.
Artikel 28
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1997, treedt het in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 1998.
Artikel 29
Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidiebesluit voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 december 1997
De Staatssecretaris van Justitie,
Uitgegeven tweeëntwintigste januari 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Subsidiëring van de taken
+ Hoofdstuk III. Subsidiëring van bijzondere projecten en doeleinden
+ Hoofdstuk IV. Betaling
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht