Besluit van 27 oktober 1997, houdende regeling tot toekenning van suppletie bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van gewezen defensiepersoneel (Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 24 juli 1997, nr. P/97004787;
Gelet op de artikelen 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet en 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931;
De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1997, nr. WO7.97.0496);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 20 oktober 1997, nr. P97006643 ;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie;
b. betrokkene:
1°. de ambtenaar die op basis van het Burgerlijke ambtenarenreglement defensie werkzaam is geweest, en aan wie ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 121, eerste lid, onderdeel f, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is,
2°. de beroepsmilitair, die ter zake van ziekten of gebreken is ontslagen, ten tijde van het ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, en uit dien hoofde aanspraak heeft op een pensioen ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;
3°. de zonder aanspraak op een uitkering krachtens de Uitkeringswet gewezen militairen ontslagen beroepsmilitair, die binnen een maand na zijn ontslag of indien dat ontslag is gevolgd door een pensioengevende ontslaguitkering, binnen een maand volgend op die ontslaguitkering, recht heeft op een pensioen ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen, en met ingang van het tijdstip waarop hij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is geworden voor het vervullen van de militaire dienst minder dan 80% arbeidsongeschikt is;
4°. de beroepsmilitair:
a. die anders dan ter zake van ziekten of gebreken is ontslagen;
b. voor wie ten tijde van dat ontslag en niet reeds ten tijde van een eerder ontslag sprake was van invaliditeit met dienstverband;
c. die recht heeft op pensioen ter zake van ziekten of gebreken ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;
d. ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is en;
e. het resterende verdienvermogen in een of meer aangehouden dienstbetrekkingen niet volledig benut.
c. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO;
d. uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid: een periodieke uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enige dienstbetrekking van de betrokkene;
e. berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van de betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen uit het dienstverband waaraan het recht op suppletie wordt ontleend;
f. dagloon: het dagloon in de zin van artikel 14 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 13 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zonder toepassing van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, vermeerderd met het bedrag aan pensioenbijdrageverhaal op grond van de overeenkomst naar burgerlijk recht, bedoeld in artikel 4 van de Wet privatisering ABP, waarin de aanspraken van overheidswerknemers in de zin van die wet, gewezen overheidswerknemers en hun nagelaten betrekkingen ter zake van pensioenen, alsmede hun daarmee samenhangende verplichtingen, zijn neergelegd;
g. suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 6;
h. Suppletieregeling: Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie;
i. werkloosheidsuitkering: een periodieke uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enige dienstbetrekking van de betrokkene;
j. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ;
k. gangbare arbeid: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is;
l. ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet.
1.
De betrokkene heeft recht op suppletie met ingang van het tijdstip waarop aan hem ontslag is verleend.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde ontslag wordt verleend nadat de arbeidsongeschiktheid 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3.
In afwijking van het eerste lid heeft de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 3°, recht op suppletie met ingang van het tijdstip waarop hij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is geworden voor het vervullen van de militaire dienst.
1.
Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Onverminderd het eerste lid omvat passende arbeid in de zin van de Werkloosheidswet voor de toepassing van de Suppletieregeling mede gangbare arbeid.
Artikel 4
Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling zolang:
a. de betrokkene een uitkering op grond van de WAO ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
b. de betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in paragraaf 9 van het pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP of de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen.
Artikel 5
Het recht op suppletie eindigt:
a. na ommekomst van de duur van de suppletie;
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden;
c. met ingang van de dag waarop de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.
1.
De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van de suppletie.
2.
De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salariswijziging.
3.
Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt:
a. gedurende de eerste 33 maanden 80%; en
b. gedurende de daaropvolgende 33 maanden 70%.
1.
In afwijking van artikel 6, derde lid, wordt, indien het in artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop de arbeidsongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 6, derde lid, genoemde periode verminderd met de periode die gelegen is tussen het moment waarop de arbeidsongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd en het ontslag. Deze vermindering wordt ten eerste toegepast op de in onderdeel a van het derde lid van artikel 6 genoemde periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.
2.
Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3.
In afwijking van artikel 6, derde lid, wordt de in onderdeel a en b van dat lid genoemde periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop het recht op suppletie op grond van artikel 2, derde lid, is toegekend. Deze vermindering wordt ten eerste toegepast op de in onderdeel a van het derde lid van artikel 6 genoemde periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.
4.
In afwijking van artikel 6, derde lid, worden de in dat lid genoemde percentages verhoogd tot 90,02% ingeval van toekenning van suppletie aan een betrokkene als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2° , 3° en 4°, bij arbeidsongeschiktheid met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen.
1.
Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie, ter zake van het dienstverband waaruit hij is ontslagen, een werkloosheidsuitkering, een ZW-uitkering, dan wel een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen recht heeft op uitkering op grond van de WAO wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan het dienstverband ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van het feitelijk genoten inkomen uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.
2.
Indien de betrokkene recht heeft op uitkering op grond van de WAO die kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen vóór de datum van ontslag uit het dienstverband ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, ingeval van een verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die uitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van die verhoging in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie.
3.
Onze Minister kan ten gunste van de betrokkene afwijken van de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, voor zover toepassing daarvan gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
1.
Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie inkomen verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 8, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met dat inkomen uit of in verband met arbeid of bedrijf.
2.
Onder inkomen uit of in verband met arbeid of bedrijf als bedoeld in het eerste lid, wordt begrepen inkomen dat de betrokkene verwerft
a. met ingang van of na de dag waarop het ontslag, ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, is verleend;
b. gedurende buitengewoon verlof, vakantieverlof of verlof onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;
c. vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, en artikel 8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag inkomen of meer inkomen wordt genoten door de betrokkene, terwijl dat inkomen of dat meerdere inkomen of een gedeelte daarvan, het gevolg is van een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houdt met het ontslag.
3.
In bijzondere gevallen kan Onze Minister ten gunste van de betrokkene afwijken van het tweede lid, voor zover toepassing daarvan gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 10
Voor de toepassing van de artikelen 8 en 9 worden uitkeringen steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van handelingen van of het nalaten van handelingen door de betrokkene, één of meer werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen ter zake van arbeidsongeschiktheid, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop de betrokkene recht heeft,
a. vermindering ondergaan;
b. blijvend geheel geweigerd worden;
c. tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel
d. in uitkeringsduur beperkt worden.
1.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een suppletie is toegekend, wordt een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van de betrokkene over een tijdvak van drie maanden.
2.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:
a. aan de langstlevende der echtgenoten indien de overleden betrokkene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde;
b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overleden betrokkene;
c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overleden betrokkene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder echtgenoot mede verstaan de geregistreerde partner dan wel de partner die is aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.
4.
Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen ter zake van arbeidsongeschiktheid, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop de betrokkene recht had.
1.
Op aanvraag stelt Onze Minister het recht op suppletie vast.
2.
Een aanvraag wordt ingediend door middel van een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
3.
De suppletie wordt zo spoedig mogelijk uitbetaald, doch uiterlijk binnen een maand nadat het recht op die suppletie is vastgesteld. Onze Minister betaalt achteraf per maand de suppletie.
4.
De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald.
5.
In bijzondere gevallen kan Onze Minister ten gunste van de betrokkene afwijken van de eerste volzin, voor zover toepassing daarvan gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
1.
Ambtshalve kan een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie worden betaald indien uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 3.
2.
Op aanvraag van de betrokkene kan een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie worden betaald.
3.
Het voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als een suppletie.
1.
Onze Minister kan regels stellen op grond waarvan in bij die regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.
2.
Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een voor hem noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door Onze Minister te stellen regels het recht op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is geëindigd.
3.
In de regels, bedoeld in het tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.
1.
De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht is verplicht daarvan mededeling te doen.
2.
De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming nodig.
3.
Onze Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van het in het tweede lid bepaalde.
Artikel 16
Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot:
a. een doelmatige controle op het naleven door de betrokkene van de op hem rustende verplichtingen;
b. het genieten van vakantieverlof tijdens de duur van de suppletie.
Artikel 17
Indien het niveau van de uitkering op grond van de WAO een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij door sociale partners in het sectoroverleg Defensie anders overeengekomen binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad waarin de maatregel tot wijziging van de uitkering op grond van de WAO is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie doorgevoerd. Dat geschiedt niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de betreffende wijzigingsmaatregel wordt gepubliceerd.
Artikel 18
De in artikel 6, derde lid, genoemde periode wordt voor de toepassing van de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen inzake voor pensioen geldige tijd, die is doorgebracht als beroepsmilitair, reservist of dienstplichtige, gelijk gesteld met diensttijd die in werkelijke dienst is doorgebracht.
1.
De betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1°, die op 31 december 1995 recht had op herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet , en die op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing wordt nog recht heeft op suppletie op grond van artikel 17 van de Suppletieregeling burgerlijke ambtenaren defensie, zoals die regeling luidde op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing wordt, en waarvan de duur op de invoeringsdatum van de Suppletieregeling nog niet is verstreken, heeft recht op suppletie.
2.
Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt genoten recht op suppletie als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Suppletieregeling burgerlijke ambtenaren defensie van:
4.
Artikel 6, eerste lid, is van toepassing, met dien verstande dat het dagloon, zoals dat op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt gold met inachtneming van het bepaalde in artikel 17, vijfde lid, van de Suppletieregeling burgerlijke ambtenaren defensie, de berekeningsgrondslag is van de suppletie;
5.
Ambtshalve wordt van iedere betrokkene als bedoeld in het eerste lid het recht op suppletie vastgesteld.
1.
De betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1°, heeft recht op suppletie indien:
a. het ontslag ter zake waarvan hem een recht op suppletie op grond van de Suppletieregeling burgerlijke ambtenaren defensie is toegekend, nà 31 december 1995 is verleend, en
b. hij op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing wordt nog recht heeft op suppletie op grond van artikel 2 van de Suppletieregeling burgerlijke ambtenaren defensie, zoals die regeling luidde op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing wordt, en waarvan de duur op de invoeringsdatum van de Suppletieregeling nog niet is verstreken.
2.
Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie geldt voor een periode die gelijk is aan de resterende duur van het genoten recht op suppletie op grond van de Suppletieregeling burgerlijke ambtenaren defensie, berekend aan de hand van artikel 6, derde lid, met ingang van de dag waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt.
4.
Ambtshalve wordt van iedere betrokkene als bedoeld in het eerste lid het recht op suppletie vastgesteld met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.
5.
Bij de bepaling van de periode waarover een aanvullende uitkering is ontvangen wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.
1.
De betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2°, 3° en 4°, op wie artikel III van het Besluit van de Staatssecretaris van Defensie van 30 januari 1996 (Stb.1996, 87) van toepassing was, en die op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing wordt nog recht heeft op aanvullende uitkering op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b, van het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen, zoals dat besluit luidde op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing wordt, en waarvan de duur op de invoeringsdatum van de Suppletieregeling nog niet is verstreken, heeft recht op suppletie.
2.
Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt genoten recht op aanvullende uitkering van:
4.
Artikel 6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het naar een jaarbedrag herleide en door het getal 261 gedeelde laatstgenoten inkomen, zoals dat op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt gold, de berekeningsgrondslag is voor de suppletie.
5.
Ambtshalve wordt van iedere betrokkene als bedoeld in het eerste lid het recht op suppletie vastgesteld met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.
6.
Bij de bepaling van de periode waarover een aanvullende uitkering is ontvangen wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.
1.
De betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2°, 3° en 4°, die op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op hem van toepassing wordt nog recht heeft op aanvullende uitkering op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b, van het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen, zoals dat besluit luidde op die dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt, en waarvan de duur op de invoeringsdatum van de Suppletieregeling nog niet is verstreken, heeft recht op suppletie.
2.
Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie geldt voor een periode die gelijk is aan de resterende duur van het genoten recht op aanvullende uitkering op grond van het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen, berekend aan de hand van artikel 6, derde lid, met ingang van de dag waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt.
4.
Artikel 6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het naar een jaarbedrag herleide en door het getal 261 gedeelde laatstgenoten inkomen, zoals dat op de dag voorafgaande aan die waarop de Suppletieregeling op betrokkene van toepassing wordt gold, de berekeningsgrondslag is van de suppletie.
5.
Ambtshalve wordt van iedere betrokkene als bedoeld in het eerste lid het recht op suppletie vastgesteld met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.
6.
Bij de bepaling van de periode waarover een aanvullende uitkering is ontvangen wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.
Artikel 23
De betrokkene, bedoeld in de artikelen 19 tot en met 22, heeft na afloop van de suppletie recht op uitkering op grond van het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel indien de duur van de uitkering langer is dan die van de suppletie. Voor de vaststelling van de duur en de hoogte van de uitkering is het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel van toepassing, met dien verstande dat uitgegaan wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.
Artikel 24
Ingetrokken worden:
a. de Suppletieregeling burgerlijke ambtenaren defensie;
b. het Besluit aanvulling arbeidsongeschiktheidsuitkering militairen.
Artikel 25
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 26
Dit besluit wordt aangehaald als: Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 27 oktober 1997
De Staatssecretaris van Defensie,
Uitgegeven de tweede december 1997
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Paragraaf 1. Algemeen
+ Paragraaf 2. Recht op suppletie
+ Paragraaf 3. Suppletie
+ Paragraaf 4. De betaling van de suppletie
+ Paragraaf 5. Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten
+ Paragraaf 6. Uitvoeringsvoorschriften
+ Paragraaf 7. Overige bepalingen
+ Paragraaf 8. Overgangsrecht en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht