Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2009. U leest nu de tekst die gold op -.

Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven

Uitgebreide informatie
Besluit van 29 maart 2004, houdende tijdelijke regels inzake het verstrekken van een aanspraak op een financiële tegemoetkoming aan burgers met buitengewone uitgaven die in de fiscaliteit voor die uitgaven geen of weinig belastingreductie hebben genoten vanwege een laag inkomen (Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2003, kenmerk DWJZ-2440998, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën;
Gelet op artikel 89 van de Grondwet en artikel 24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens;
De Raad van State gehoord (advies van 2 februari 2004, Nr. W13.03.0544/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën, van 23 maart 2004, kenmerk DWJZ-U-2464342;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. belastingplichtige: een belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001;
c. buitengewone uitgaven: buitengewone uitgaven als bedoeld in afdeling 6.5 van de Wet IB 2001;
d. verzamelinkomen: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet IB 2001;
e. gecombineerde inkomensheffing: het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing, bedoeld in artikel 8.1, onderdeel b, van de Wet IB 2001;
f. gecombineerde heffingskorting: het bedrag van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.1, onderdeel d, van de Wet IB 2001, dat in aanmerking zou zijn genomen indien artikel 8.8 van die wet buiten toepassing zou zijn gebleven en verhoging op de voet van artikel 8.9 van die wet geen toepassing zou hebben gevonden.
1.
De belastingplichtige bij wie bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting over het voorgaande kalenderjaar buitengewone uitgaven in aanmerking zijn genomen, heeft aanspraak op een financiële tegemoetkoming, indien de gecombineerde inkomensheffing over dat kalenderjaar lager is dan de gecombineerde heffingskorting. Het bedrag van de tegemoetkoming wordt berekend met toepassing van het derde lid.
2.
Voor de berekening van de tegemoetkoming wordt verstaan onder:
a. A: de gecombineerde inkomensheffing over het voorgaande kalenderjaar;
b. B: de gecombineerde heffingskorting over het voorgaande kalenderjaar;
c. C: de gecombineerde inkomensheffing over het voorgaande kalenderjaar, indien bij de berekening daarvan de buitengewone uitgaven niet in aanmerking zouden zijn genomen.
3.
Indien C kleiner is dan B, is de tegemoetkoming gelijk aan het verschil tussen C en A. In andere gevallen is de tegemoetkoming gelijk aan het verschil tussen B en A.
4.
Indien de belastingplichtige gedurende het gehele voorgaande kalenderjaar een partner heeft als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, geldt voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid in plaats van de gecombineerde inkomensheffing en de gecombineerde heffingskorting het gezamenlijke bedrag van de gecombineerde inkomensheffing en de gecombineerde heffingskorting van de belastingplichtige en zijn partner.
5.
De tegemoetkoming wordt vastgesteld bij beschikking van de inspecteur. Indien binnen vijf jaren na het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, blijkt dat de beschikking ten onrechte of tot een onjuist bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking herzien.
6.
De ontvanger is belast met het uitbetalen van de tegemoetkoming en met het invorderen van de geldschuld aan het Rijk die voortvloeit uit een herziening als bedoeld in het vierde lid.
7.
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen nadere regels inzake de uitbetaling en invordering worden gesteld.
8.
Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden de functionarissen van de rijksbelastingdienst aangewezen die voor de uitvoering van dit besluit als inspecteur en ontvanger fungeren.
1.
De rijksbelastingdienst is belast met de uitvoering van dit besluit.
2.
De tegemoetkomingen op grond van dit besluit komen ten laste van de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 4
[Wijzigt het Besluit gebruik sofi-nummer Wbp.]
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 6
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 29 maart 2004
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ,
De Staatssecretaris van Financiën ,
Uitgegeven de vijftiende april 2004
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken