Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2009. U leest nu de tekst die gold op -.

Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg

Uitgebreide informatie
Besluit van 16 december 2004, houdende regeling van uitkeringen aan de provincies op grond van de Wet op de jeugdzorg (Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 mei 2004, nr. DJB/JZ-2481047, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie;
Gelet op artikel 39, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg;
De Raad van State gehoord (advies van 10 september 2004, nr. W13.04.0211/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 14 december 2004, nr. DJB/JZ-2527955, uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de jeugdzorg ;
b. uitkering bureau jeugdzorg: de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet;
c. uitkering zorgaanbod: de uitkering, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder b, van de wet.
1.
De uitkering bureau jeugdzorg bestaat uit de som van de volgende bedragen:
a. een bedrag voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de wet, op basis van het aantal minderjarigen voor wie de stichting deze taken heeft uitgevoerd in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor uitkering wordt verstrekt en de daartoe vastgestelde normbedragen, en
b. een bedrag voor de uitvoering van de overige wettelijke taken, dat overeenkomt met het verschil tussen het bedrag dat de provincies in het jaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet ontvingen op grond van artikel 13 van de Wet op de jeugdhulpverlening en het bedrag, bedoeld in artikel 4, waarbij eerstbedoeld bedrag wordt vermeerderd met een door Onze Ministers vast te stellen bedrag, dat is gerelateerd aan de uitvoering door de stichting van de taak, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet, en de uitvoering door de stichting van de taak, bedoeld in artikel 5 van de wet, voor zover deze tot het tijdstip van inwerkingtreding van de wet werd uitgevoerd door de raad voor de kinderbescherming.
2.
De normbedragen, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden per onderscheiden taak vastgesteld bij regeling van Onze Ministers.
3.
Het bedrag voor de uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a, kan worden verminderd indien het derde lid van artikel 2a van toepassing is.
1.
Onze Ministers stellen het bedrag voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, als volgt vast:
a. de voorlopige vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de taken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen, en
b. de definitieve vaststelling door vermenigvuldiging van het aantal minderjarigen voor wie de stichting in het eerste jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, de taken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, heeft uitgevoerd, met de vastgestelde normbedragen.
2.
Het aantal minderjarigen, bedoeld in het eerste lid, is het gemiddelde van het aantal minderjarigen op de eerste dag van elke kalendermaand met uitsluiting van het aantal minderjarigen voor wie een persoon in dienst van een landelijke instelling als bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, de taak uitoefent, met uitzondering van de taken als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet, waarvoor de regeling waarbij het normbedrag of de normbedragen worden vastgesteld anders bepaalt.
3.
Indien blijkt dat bij de definitieve vaststelling, bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal minderjarigen dat bepalend is voor de subsidie aan de stichting door de provincie, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onder c, van de wet, lager is dan de in het eerste lid onder b genoemde aantallen, vindt de definitieve vaststelling plaats op basis van die lagere aantallen.
1.
De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van de artikelen 2 en 2a, voor zover in de begroting de benodigde gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd, indien aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 2, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan de uitvoering van de wettelijke taken van het bureau jeugdzorg en de andere activiteiten, genoemd in artikel 37, eerste lid, onder a, van de wet.
2.
De uitkering bureau jeugdzorg kan, in afwijking van de artikelen 2 en 2a, worden verminderd indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie voor door de stichting te leveren activiteiten, in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar.
3.
Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling factoren aanwijzen die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de behoefte en regels stellen omtrent de mate waarin de factoren, de vaststelling van de behoefte beïnvloeden.
1.
De uitkering zorgaanbod bestaat, onverminderd artikel 104, tweede lid, van de wet, uit het bedrag dat de provincie in het jaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet op grond van artikel 13 van de Wet op de jeugdhulpverlening ontving voor jeugdzorg, waarop thans aanspraak bestaat ingevolge de wet, voor de vertrouwenspersoon voor de cliënten van zorgaanbieders, voor experimenten of de steunfunctie met betrekking tot die jeugdzorg, voor cliëntenorganisaties en voor het verwerken van gegevens, bedoeld in de artikelen 43 en 44, eerste lid, van de wet.
2.
De uitkering zorgaanbod wordt verhoogd met een bedrag uit de in de begroting beschikbaar gestelde gelden voor extra aanbod, volgens bij circulaire van Onze Ministers vast te stellen regels over de verdeling van dit bedrag aan de hand van het aantal jeugdigen in de provincie, het aantal allochtone jeugdigen en het aantal jeugdigen dat behoort tot een eenoudergezin.
3.
De uitkering zorgaanbod kan, in afwijking van het eerste lid, en onverminderd het tweede lid, voor zover in de begroting de benodigde gelden ter beschikking zijn gesteld, worden verhoogd indien aannemelijk is dat de uitkering, vastgesteld overeenkomstig het eerste en tweede lid, onvoldoende is om te voorzien in de behoefte aan jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet.
4.
De uitkering zorgaanbod kan, in afwijking van het eerste lid, worden verminderd indien aannemelijk is dat de behoefte aan subsidie voor door zorgaanbieders te leveren activiteiten, in het jaar waarop de uitkering betrekking heeft, substantieel lager zal zijn dan die in het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar.
5.
Artikel 3, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een uitkering als bedoeld in artikel 2 en artikel 4 wordt verminderd indien de omvang van de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 10, zodanig is dat van de provincie redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij te verlenen subsidies ten laste brengt van die reserve.
2.
De uitkeringen, bedoeld in de artikelen 2 en 4 kunnen worden bijgesteld in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van arbeidsvoorwaarden. Met het oog hierop bepalen Onze Ministers per activiteit welk deel van de uitkeringen, dan wel welk deel van de desbetreffende normbedragen waaruit de uitkering is opgebouwd, in aanmerking zal worden genomen in verband met de ontwikkeling van het prijspeil en welk deel in verband met de ontwikkeling van de kosten van de arbeidsvoorwaarden en welk deel ongevoelig is voor ontwikkeling van beide.
1.
Een aanvraag van de uitkering bureau jeugdzorg en van de uitkering zorgaanbod wordt gedaan door de toezending van het ontwerp van het uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 32, eerste lid, tweede volzin, van de wet.
2.
Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de bij de aanvraag te voegen gegevens en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 7
Gedeputeerde staten verstrekken ter verantwoording de informatie, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onder a, van de wet, op de wijze, bedoeld in artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001.
1.
Onze Ministers stellen de uitkering bureau jeugdzorg, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voorlopig vast uiterlijk dertien weken na ontvangst van de aanvraag. De definitieve vaststelling van de uitkering vindt plaats uiterlijk dertien weken nadat de provincie de gegevens, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, heeft overgelegd. De provincie overlegt de gegevens uiterlijk vóór 1 juni van het uitvoeringsjaar.
2.
Onze Ministers stellen de uitkering zorgaanbod, bedoeld in artikel 4 vast binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
3.
De uitkeringen worden betaald in termijnen, volgens bij regeling van Onze Ministers vast te stellen schema.
Artikel 9
De artikelen 4:49, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De provincie vormt een egalisatiereserve jeugdzorg.
2.
Het verschil tussen de som van vastgestelde uitkeringen en de vastgestelde subsidies in het jaar waarop de uitkeringen betrekking hebben, komt ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve.
3.
De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.
4.
In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, onder c, d, en e, van de Algemene wet bestuursrecht, is de provincie terzake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de uitkering aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen.
5.
De egalisatiereserve wordt uitsluitend besteed voor een van de doeleinden waarvoor de uitkeringen zijn verstrekt.
Artikel 11
De provincie draagt er zorg voor dat de accountant, bedoeld in artikel 7, meewerkt aan door of namens Onze Ministers in te stellen onderzoeken naar de door de accountant verrichte controlewerkzaamheden.
Artikel 12
Onze Ministers kunnen voorschotten verlenen volgens een door hen vastgesteld schema.
1.
In afwijking van artikel 2, eerste lid, onder a, is het bedrag voor de uitvoering van de taken bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de wet, voor de uitkering voor het jaar 2005 gebaseerd op het aantal minderjarigen waarvoor de als voogdij- of gezinsvoogdij-instelling erkende rechtspersoon, waarvan de stichting de rechtsopvolger is, op 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de uitkering wordt verstrekt, een of meer van de taken, bedoeld in die onderdelen, heeft uitgevoerd.
2.
Voor het jaar 2005 wordt de vaststelling van de uitkering bureau jeugdzorg voorafgegaan door een verlening. Bij de verlening wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, bepaald overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder a. De uitkering wordt, in afwijking van artikel 8, vastgesteld uiterlijk dertien weken nadat de provincie de gegevens, omtrent het aantal minderjarigen, bedoeld in het eerste lid aan Onze Ministers heeft overgelegd.
Artikel 14
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vervalt met ingang van 1 januari 2009.
Artikel 15
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 december 2004
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ,
De Minister van Justitie ,
Uitgegeven de achtentwintigste december 2004
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepaling
+ Hoofdstuk 2. De wijze waarop het bedrag van de uitkeringen wordt berekend
+ Hoofdstuk 3. De aanvraag van de uitkering
+ Hoofdstuk 4. De vaststelling en de betaling van de uitkering
+ Hoofdstuk 5. Aan de uitkering verbonden verplichtingen
+ Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht