Besluit van 21 december 2011, houdende tijdelijke regels inzake de opleiding, deskundigheid en tijdelijke zelfstandige bevoegdheid tot het verrichten van voorbehouden handelingen van de physician assistant (Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid physician assistant)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 november 2011, kenmerk DWJZ-3090777;
Gelet op artikel 36a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 14 december 2011, nr. W13.11.0495/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 december 2011, nr. DWJZ-3098020;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ;
b. Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs: het register, genoemd in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
1.
Als bevoegd tot het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 7 wordt de physician assistant aangewezen.
2.
De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt voor een termijn van vijf jaar.
1.
Het recht tot het voeren van de titel physician assistant is voorbehouden aan degene:
a. aan wie een getuigschrift is uitgereikt waaruit blijkt dat betrokkene het afsluitende examen van een opleiding voor physician assistant met goed gevolg heeft afgelegd, welke opleiding is opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs en die voldoet aan de artikelen 4 en 5, of
b. die in het bezit is van een door Onze Minister afgegeven verklaring van vakbekwaamheid:
waaruit blijkt dat betrokkene een examen heeft afgelegd van een opleiding, die is gericht op de uitoefening van het beroep van physician assistant en aan de betrokkene daarvan een getuigschrift is uitgereikt dat niet is afgegeven binnen een staat aangesloten bij de overeenkomst van Oporto van 2 mei 1992 betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132) of Zwitserland, en
waarin Onze Minister verklaart dat de door de betrokkene verworven vakbekwaamheid voor de toepassing van deze wet geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit de artikelen 4 en 5 kan worden afgeleid, of
c. die in het bezit is van een door Onze Minister afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als physician assistant in de zin van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.
2.
De verklaring bedoeld in het eerste lid, onder b, en de erkenning, bedoeld in het eerste lid, onder c, geven aan voor welk deelgebied van de geneeskunst zij van toepassing zijn.
Artikel 4
De opleiding, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, heeft een studielast van 4200 studiebelastingsuren, omvat zowel theoretisch als praktisch onderwijs, en is er op gericht dat de betrokkene competenties verwerft, die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid als bedoeld in artikel 6, ter zake van:
a. medische deskundigheid;
b. communicatie;
c. organisatie;
d. samenwerking;
e. kennis en wetenschap;
f. maatschappelijk handelen;
g. professionaliteit.
1.
De competentie medische deskundigheid omvat de bekwaamheid om:
a. met betrekking tot veelvoorkomende aandoeningen, doeltreffende, ethisch verantwoorde diagnostische, therapeutische, prognostische en op het individu gerichte preventieve vaardigheden toe te passen in de praktijk;
b. relevante informatie aangaande diagnostische, therapeutische, prognostische en op het individu gerichte preventieve opties op te zoeken en te integreren in de klinische praktijk;
c. doeltreffend in woord en geschrift te communiceren met andere zorgverleners over de aan hem toevertrouwde patiëntenzorg;
d. medische deskundigheid te tonen in situaties die niet te maken hebben met directe patiëntenzorg.
2.
De competentie communicatie omvat de bekwaamheid om:
a. met patiënten een therapeutische relatie aan te gaan dan wel te onderhouden op basis van wederzijds begrip, empathie en vertrouwen;
b. informatie te verzamelen over de aandoening van de patiënt, van familie of van relevante derden uit de omgeving van de patiënt en de verzamelde informatie te integreren;
c. relevante informatie te bespreken met de patiënt, de familie of andere zorgverleners om zo optimale zorg aan de patiënt te leveren;
d. de patiënt en de bij de patiënt betrokkenen te begeleiden;
e. met diverse patiëntengroepen zoals kinderen, ouderen, mannen en vrouwen en patiënten met verschillende culturele achtergronden om te gaan.
3.
De competentie organisatie omvat de bekwaamheid om:
a. doeltreffend gebruik te maken van informatietechnologie;
b. een visie en doelstelling te formuleren, een strategie te ontwikkelen en adequate actie te ondernemen en daarbij adequaat taken en verantwoordelijkheden te delegeren;
c. middelen effectief in te zetten voor gezondheidszorg, onderzoek en onderwijs.
d. goed geïnformeerd te zijn over het Nederlandse gezondheidszorgsysteem, de invloed hierop van maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, en deze kennis doeltreffend en efficiënt te benutten voor de eigen functie en organisatie;
e. de uitgangspunten van kwaliteitszorg, zijnde bewaking, bevordering en waarborging, in de praktijk toe te passen.
4.
De competentie samenwerking omvat de bekwaamheid om:
a. in samenspraak met de patiënt op doeltreffende wijze te komen tot samenwerking met andere zorgverleners binnen de gezondheidszorgorganisatie;
b. een doeltreffende bijdrage aan interdisciplinaire teams op het gebied van patiëntenzorg, onderwijs en onderzoek te leveren.
5.
De competentie kennis en wetenschap omvat de bekwaamheid om:
a. toegepast empirisch wetenschappelijk onderzoek op te zetten en uit te voeren;
b. de principes van kritisch denken toe te passen op bronnen van medische informatie en in interactie met anderen;
c. bij concrete beslissingen in de klinische praktijk het beschikbare wetenschappelijke bewijs te betrekken;
d. een persoonlijke leerstrategie te ontwikkelen, implementeren en documenteren.
6.
De competentie maatschappelijk handelen omvat de bekwaamheid om:
a. kennis over de determinanten van gezondheid en ziekte toe te passen in de praktijk en mee te werken aan maatregelen die de gezondheid van individuen en groepen bevorderen;
b. risicovolle determinanten van gezondheid op het niveau van het individu, patiëntengroepen en maatschappij te herkennen;
c. adequaat te reageren op risicovolle determinanten van gezondheid op het niveau van het individu, patiënten-groepen en de maatschappij.
7.
De competentie professionaliteit omvat de bekwaamheid om:
a. op een eerlijke, betrokken wijze hoog-gekwalificeerde zorg te leveren, met aandacht voor de integriteit van de patiënt;
b. adequaat professioneel gedrag te demonstreren in gezondheidszorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs;
c. geneeskunde te beoefenen op een ethisch verantwoorde manier, die de medische, juridische en professionele verplichtingen van het lidmaatschap van een zelfregulerende groep respecteert;
d. op sterke en zwakke kanten in het eigen functioneren te reflecteren en daardoor sturing te geven aan het eigen leerproces en verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen professionele groei, met als doel levenslange ontwikkeling als professional;
e. te reflecteren op het eigen handelen in de medische praktijk, in relatie tot de eigen gevoelens en cognities;
f. te reflecteren op de invloed van eigen attitude, normen en waarden op het eigen medisch handelen.
1.
Tot het gebied van deskundigheid van de physician assistant wordt gerekend het verrichten van handelingen op het deelgebied van de geneeskunst waarbinnen de physician assistant is opgeleid. Deze handelingen omvatten het onderzoeken, behandelen en begeleiden van patiënten met veel voorkomende aandoeningen binnen dat deelgebied van de geneeskunst.
2.
Tot de handelingen, bedoeld in het eerste lid, behoren het:
a. onderzoeken en beoordelen van een patiënt en het op basis van de verkregen gegevens stellen van een diagnose en het opstellen van een behandelplan;
b. uitvoeren van het behandelplan en het daartoe verrichten van gangbare medische handelingen;
c. stellen van indicaties en het herkennen van complicaties van medische handelingen en verrichtingen en het daarop anticiperen;
d. verlenen van spoedeisende hulp, het bewaken van vitale lichaamsfuncties en waar nodig het treffen van maatregelen ter herstel daarvan;
e. verwijzen naar, consulteren van en samenwerken met artsen en met andere gezondheidszorgmedewerkers;
f. geven van advies, voorlichting en het verlenen van preventieve zorg.
1.
De physician assistant is bevoegd tot:
a. het verrichten van heelkundige handelingen;
b. het verrichten van endoscopieën;
c. het verrichten van catheterisaties;
d. het geven van injecties;
e. het verrichten van puncties;
f. het verrichten van electieve cardioversie;
g. het toepassen van defibrillatie;
h. het voorschrijven van UR-geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Geneesmiddelenwet.
2.
De bevoegdheid, genoemd in het eerste lid, geldt uitsluitend voor zover het betreft:
a. handelingen die vallen binnen het deskundigheidsgebied, bedoeld in artikel 6;
b. handelingen van een beperkte complexiteit;
c. routinematige handelingen;
d. handelingen waarvan de risico’s te overzien zijn;
e. handelingen die worden uitgeoefend volgens landelijke geldende richtlijnen, standaarden en daarvan afgeleide protocollen.
1.
Alvorens een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wint Onze Minister advies in van de commissie.
2.
De commissie onderzoekt en laat Onze Minister weten of naar haar oordeel voldaan is aan de vereisten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b.
3.
De artikelen 3a, eerste lid, 5, 6 en 7, van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen voor een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b. De leden-deskundigen die deel uitmaken van de commissie, zijn deskundig ter zake van de opleiding of van het beroep van physician assistant.
Artikel 9
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2012.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid physician assistant.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 21 december 2011
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Uitgegeven de negenentwintigste december 2011
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsbepaling
+ § 2. Aanwijzing en titel
+ § 3. Opleiding
+ § 4. Deskundigheid
+ § 5. Voorbehouden handelingen
+ § 6. Overige bepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht