Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.

Tijdelijke Verstrekkingenwet maatschappelijke dienstverlening

Uitgebreide informatie
Wet van 26 februari 1975, houdende tijdelijke regelen aangaande de als categorieën van inrichtingen of als verstrekkingen aangewezen vormen van maatschappelijke dienstverlening ingevolge de "Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten"
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is tijdelijke regelen te stellen inzake de als categorieën van inrichtingen of als verstrekkingen aangewezen vormen van maatschappelijke dienstverlening ingevolge artikel 6, derde lid van de "Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten";
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
b. inrichting: een dagverblijf of een gezinsvervangend tehuis voor gehandicapten, waarin zorg, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de " Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten " wordt verleend;
c. instelling: een instelling waardoor een als verstrekking aangewezen vorm van maatschappelijke dienstverlening, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de "Algemene Wet Bijzondere Ziektenkosten", wordt uitgevoerd;
d. verstrekking: verstrekking verleend door een inrichting of instelling;
e. ziekenfonds: een instelling, toegelaten overeenkomstig artikel 34 van de Ziekenfondswet;
f. ziektekostenverzekeraar: een instelling toegelaten overeenkomstig artikel 33 van de " Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ";
g. uitvoerend orgaan: een orgaan als bedoeld in artikel 38 van de " Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ";
h. verzekerde: de verzekerde bedoeld in artikel 5 van de " Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ".
Artikel 2 [Vervalt per 01-01-2006]
De controle ter voorkoming van onnodige verstrekkingen en van uitgaven welke hoger dan noodzakelijk zijn, wordt uitgeoefend door de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en uitvoerende organen.
Artikel 4 [Vervalt per 01-01-2006]
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld, welke indicatie aanwezig moet zijn om voor een bepaalde verstrekking in aanmerking te komen.
1.
Onze Minister stelt telkens voor een categorie van inrichtingen of instellingen een plan vast, waarin is aangegeven de wijze waarop in de jaren waarop het plan betrekking heeft in de behoefte aan inrichtingen of instellingen wordt voorzien.
2.
Bij de vaststelling van het plan wordt onder meer rekening gehouden met de mogelijkheden voor de bouw, de personeelsvoorziening en de uit de omvang van het plan voortvloeiende financiële consequenties.
3.
Het plan wordt telkens voor een periode van ten hoogste vijf jaren vastgesteld.
4.
Het plan kan tussentijds worden gewijzigd.
1.
Onverminderd artikel 10, is op de voorbereiding van het plan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat provinciale staten:
a. belast zijn met de opstelling van het ontwerp, voorzover het de behoefte aan inrichtingen en instellingen in de desbetreffende provincie betreft;
b. toepassing geven aan die afdeling.
2.
In deze paragraaf wordt onder «het provinciale plan» verstaan: het ontwerp, bedoeld in het eerste lid.
1.
Bij de voorbereiding van het provinciale plan vragen gedeputeerde staten advies aan de betrokken gemeenteraden.
2.
Bij de voorbereiding van het provinciale plan vragen gedeputeerde staten advies aan het orgaan van overleg en advies voor het maatschappelijk en cultureel welzijn indien dit in de provincie aanwezig is. Onze Minister kan andere adviesinstanties aanwijzen.
3.
Voor zover naar het oordeel van provinciale staten de behoefte aan inrichtingen of instellingen samenhangt met de behoefte in een andere provincie plegen zij omtrent de aan het provinciale plan te geven inhoud overleg met provinciale staten van die provincie.
1.
Onze Minister en Onze Ministers die het mede aangaat geven aan provinciale staten ter zake van hun in artikel 4b, eerste lid, onder a, opgedragen taak beleidsregels omtrent de wijze waarop in het plan samenhang wordt aangebracht tussen tot de betrokken categorie behorende inrichtingen of instellingen en de met deze categorie samenhangende voorzieningen op het terrein van de gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en andere verwante terreinen.
2.
Onze Minister geeft regelen omtrent de voorbereiding, de inhoud, de omvang, de inrichting en de uitwerking van het provinciale plan.
Artikel 8
Provinciale staten leggen binnen acht weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, het plan, vergezeld van de over het plan naar voren gebrachte zienswijzen over aan Onze Minister en maken hun opmerkingen daarbij aan hem kenbaar.
Artikel 10
Behoudens in de gevallen die naar het oordeel van Onze Minister een spoedeisend karakter hebben zijn op een tussentijdse wijziging de bepalingen omtrent de totstandbrenging van het plan van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen eisen, kunnen worden toegelaten tot het instandhouden van een inrichting of instelling, die in het plan is opgenomen.
1.
Indien het betreft een inrichting of instelling welke behoort tot een categorie van inrichtingen of instellingen, die naar het oordeel van Onze Minister een werkgebied hebben dat in het algemeen niet groter is dan het gebied van een gemeente, geschiedt de toelating door de gemeenteraad.
2.
Indien het betreft een inrichting of instelling welke behoort tot een categorie van inrichtingen of instellingen, die naar het oordeel van Onze Minister een werkgebied hebben dat in het algemeen groter is dan het gebied van een gemeente, geschiedt de toelating door provinciale staten.
Artikel 13
Het tijdstip en de wijze waarop verzoeken om toelating worden ingediend alsmede de wijze waarop en de termijn waarbinnen op verzoeken om toelating wordt beslist, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld.
Artikel 14
Tegen een besluit als bedoeld in artikel 12 kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
1.
De gemeenteraad besluit rechtstreeks van gemeentewege een inrichting of instelling bedoeld in artikel 12, eerste lid, tot stand te brengen als dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het plan.
2.
Provinciale staten besluiten rechtstreeks van provinciewege een inrichting of instelling bedoeld in artikel 12, tweede lid, tot stand te brengen als dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het plan.
3.
Onze Minister kan op grond van bijzondere redenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid ontheffing verlenen, zonodig onder door hem te stellen voorschriften.
Artikel 16
Artikel 15 kan slechts toepassing vinden indien aannemelijk is dat door toepassing van artikel 11 niet in de uitvoering van het plan zal worden voorzien.
Artikel 17
Een inrichting of instelling waarin of waardoor een verstrekking kan worden verleend dient als zodanig door Onze Minister te zijn erkend, gehoord het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet.
Artikel 18
Een inrichting of instelling wordt slechts erkend, indien zij in het plan is opgenomen.
1.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de wijze en het tijdstip waarop een verzoek om erkenning wordt ingediend.
2.
Op een verzoek om erkenning wordt een beslissing genomen binnen vier maanden nadat het verzoek bij Onze Minister is binnengekomen. Onze Minister kan deze termijn met ten hoogste twee maanden verlengen, in welk geval hij daarvan aan de verzoeker mededeling doet. Het niet binnen de gestelde termijn beslissen wordt met een voorlopige erkenning voor een termijn van een jaar gelijkgesteld.
Artikel 23
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld ten aanzien van de normering van de kosten van de verstrekking.
Artikel 24
Het toezicht op de inrichtingen en instellingen is opgedragen aan Onze Minister.
1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
2.
De toezichthoudende ambtenaren beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant .
Artikel 27
De in artikel 24 bedoelde ambtenaren hebben mede tot taak:
a. het desgevraagd of uit eigen beweging voorlichten en adviseren van provinciale en gemeentebesturen en organen van particulier initiatief;
b. het geven van inlichtingen aan Onze Minister omtrent de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van de aangewezen categorieën van inrichtingen en vormen van maatschappelijke dienstverlening;
c. het doen van die voorstellen aan Onze Minister welke zij in het belang achten van de ontwikkeling van de aangewezen categorieën van inrichtingen en vormen van maatschappelijke dienstverlening.
Artikel 28
Onze Minister stelt nadere regelen omtrent de taak en werkwijze van de in artikel 24 bedoelde ambtenaren.
1.
Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften geven betreffende het verkrijgen van gegevens over de inrichtingen en instellingen ten behoeve van de statistiek.
2.
Van de gegevens, bedoeld bij het voorgaande lid, wordt geen ander gebruik gemaakt dan ten behoeve van de statistiek. De krachtens dat lid vastgestelde regeling stelt hiertoe de nodige waarborgen.
Artikel 32
Overtreding van het bepaalde krachtens artikel 30 wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
Artikel 33
Hij die op grond van krachtens artikel 30 vastgestelde bepalingen gehouden is gegevens te verstrekken en daarbij opzettelijk een valse opgave doet dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
1.
Het feit, strafbaar gesteld in artikel 32, wordt als een overtreding aangemerkt.
2.
Het feit strafbaar gesteld bij artikel 33, wordt als een misdrijf aangemerkt.
Artikel 36
Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de ambtenaren bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering , belast de door Onze Minister aangewezen personen.
Artikel 37
Bij het opsporen van een bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit hebben de in artikel 36 bedoelde ambtenaren en personen toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
1.
Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, die een inrichting of instelling in stand houden op het tijdstip waarop bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de " Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ", die categorie van inrichtingen of die vorm van maatschappelijke dienstverlening is aangewezen en die op dat tijdstip rijkssubsidie genieten, worden geacht toegelaten te zijn in de zin van artikel 11 en voor een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen termijn voorlopig erkend.
2.
Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, die een inrichting in stand houden, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van de " Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten " is erkend of voorlopig erkend, worden onder dezelfde voorschriften geacht te zijn erkend of voorlopig erkend op grond van deze wet en toegelaten in de zin van artikel 11.
1.
Voor de tijd dat voor een categorie van inrichtingen of instellingen nog geen plan als bedoeld in artikel 9 is vastgesteld, doch niet voor langer dan twee jaren, stelt Onze Minister een programma vast, waarin is aangegeven de wijze waarop in de tijd waarop het programma betrekking heeft in de behoefte aan inrichtingen of instellingen wordt voorzien.
2.
Op het programma zijn het tweede en vierde lid van artikel 9 van overeenkomstige toepassing.
3.
Het programma treedt voor de toepassing van de artikelen 11-16 en 18 in de plaats van het plan.
1.
Het ontwerp van een besluit tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van een algemene maatregel van bestuur wordt bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant. Een voordracht tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van een algemene maatregel van bestuur wordt Ons niet gedaan dan nadat twee maanden na die bekendmaking zijn verstreken.
2.
Alvorens Ons een voordracht te doen tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van een algemene maatregel van bestuur, kan Onze Minister de naar zijn oordeel terzake representatieve organisaties horen.
Artikel 41
Deze wet kan worden aangehaald als Tijdelijke Verstrekkingenwet maatschappelijke dienstverlening.
Artikel 42
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, welk tijdstip voor de onderscheidene artikelen verschillend kan zijn.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 26 februari 1975
De Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,
Uitgegeven de zeventiende april 1975.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk II. De verstrekkingen
+ Hoofdstuk III. Het plan
+ Hoofdstuk IV. De erkenning
+ Hoofdstuk V. De normering van de kosten
+ Hoofdstuk VI. Het toezicht
+ Hoofdstuk VII. Statistiek
+ Hoofdstuk VIII. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht