Toepassing van artikel 15 van de wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van het bankbedrijf
1. De toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de aftrek van voorbelasting ten aanzien van prestaties van bankbedrijven blijkt in de praktijk enige vragen op te roepen. Dienaangaande deel ik u het volgende mede.
2. Als uitgangspunt voor de vaststelling van de aftrekbare voorbelasting met betrekking tot bancaire prestaties geldt het bepaalde in artikel 11, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Dit houdt onder meer in dat voor goederen en diensten die uitsluitend voor vrijgestelde prestaties worden gebruikt in het geheel geen aanspraak op aftrek van voorbelasting kan worden gemaakt, terwijl voor goederen en diensten die uitsluitend voor belaste prestaties worden gebruikt aanspraak op volledige aftrek kan worden gemaakt. Voor goederen en diensten die zowel voor belaste als vrijgestelde prestaties worden gebruikt kan de voor aftrek in aanmerking komende voorbelasting worden bepaald op basis van de verhouding van de omzetten c.q. het werkelijk gebruik, een en ander volgens de in de artikelen 11 tot en met 14 van genoemde beschikking gegeven regels.
In een aantal gevallen bestaat op de voet van artikel 15, lid 2, van de wet met betrekking tot vrijgestelde prestaties aftrek van voorbelasting. Dit is onder meer het geval indien een bank zodanige prestaties verricht jegens cliënten die niet binnen de lid-staten van de Europese Gemeenschappen wonen of gevestigd zijn. In dit verband merk ik op dat naar mijn mening voor bedoelde prestaties jegens andere cliënten nimmer recht op aftrek van voorbelasting bestaat, ook niet in gevallen waarin die prestaties ingevolge artikel 6, lid 2, letter e, van de wet niet hier te lande worden verricht.
Voor de toepassing van de evenbedoelde regels voor de aftrek van voorbelasting dienen goederen en diensten welke (mede) worden gebruikt voor vrijgestelde prestaties, waarvoor aanspraak op aftrek van voorbelasting bestaat, te worden aangemerkt als goederen en diensten welke (mede) worden gebruikt voor belaste prestaties. Zo zal bijvoorbeeld ook voor een goed, dat door de bank uitsluitend voor vrijgestelde prestaties wordt gebruikt in die zin dat die vrijgestelde prestaties deels worden verricht jegens cliënten die binnen de lid-staten van de Europese Gemeenschappen wonen of gevestigd zijn en deels jegens cliënten die elders wonen of gevestigd zijn, de aftrek van voorbelasting moeten worden bepaald op basis van de meergenoemde verhouding van de omzetten c.q. het werkelijk gebruik.
3. In gevallen waarin op grond van het vorenstaande de aftrek op goederen en diensten drukkende omzetbelasting slechts gedeeltelijk kan plaatsvinden, dient de aftrekbare omzetbelasting in beginsel te worden bepaald overeenkomstig de verhouding van het totaal van de vergoedingen voor belaste prestaties tot het totaal van de vergoedingen voor alle prestaties. Ten aanzien van een aantal goederen en diensten zal in voorkomend geval echter de aftrek van voorbelasting moeten worden vastgesteld op basis van het werkelijk gebruik.
Gelet op de zich in het bankbedrijf voordoende omstandigheden kan ik mij er mede verenigen dat in het bankbedrijf voor alle ‘gemengd’ gebruikte goederen – daaronder begrepen de goederen als bedoeld in artikel 13 van meergenoemde beschikking – en diensten de aftrekbare voorbelasting wordt bepaald op basis van evenbedoelde omzetverhouding voor zover die goederen en diensten althans worden gebruikt voor prestaties die eigen zijn aan de uitoefening van het bankbedrijf. De herziening van de aftrek van voorbelasting op grond van evengenoemd artikel 13 in latere jaren kan eveneens plaatsvinden op basis van de in het desbetreffende jaar geldende omzetverhouding.
In dit verband merk ik op dat in gevallen waarin een onroerend goed mede gebruikt wordt ten behoeve van personeelsvoorzieningen, zoals een kantine of een parkeergelegenheid, de aftrek ten aanzien van het gebruik van dat gehele goed (huisvestingskosten, energiekosten, e.d.) eveneens op basis van bovenbedoelde omzetverhouding plaats moet vinden.
Het ontmoet bij mij geen bezwaar dat als de voor de aftrek van voorbelasting relevante omzetverhouding in een bepaald jaar voorshands wordt genomen die verhouding, zoals die geldt in het voorvorige jaar. Uiterlijk bij de aangifte over het tijdvak waarin de negende maand van het boekjaar valt, dient een herziening van de aftrek van voorbelasting met betrekking tot het voorafgaande jaar plaats te vinden. Bij deze aangifte wordt tevens de in het lopende jaar in aftrek gebrachte belasting voorlopig herzien op basis van de omzetverhouding van het voorafgaande jaar. In het resterende deel van het lopende jaar wordt eveneens deze omzetverhouding voorlopig tot uitgangspunt genomen.
4. Met betrekking tot het bepalen van de voor de aftrek van voorbelasting relevante omzetverhouding merk ik het volgende op:
e. In een aantal gevallen ontvangen banken bedragen voor prestaties die niet eigen zijn aan het bankbedrijf dan wel binnen de uitoefening van dat bedrijf in het algemeen van bijkomstige aard. Te denken valt hierbij met name aan:
het verkopen en verhuren van onroerende goederen of delen daarvan;
het leveren van in eigen bedrijf vervaardigde goederen op grond van artikel 3, lid 1, letter h, van de wet;
het verkopen van goederen, die aan de bank tot zekerheid in eigendom zijn overgedragen;
het verkopen van goederen, die als bedrijfsmiddel zijn gebruikt;
de exploitatie van bedrijfskantines (het verstrekken van spijzen en dranken aan personeel).
De op deze handelingen betrekking hebbende vergoedingen behoren buiten aanmerking te blijven bij het vaststellen van de omzetverhouding voor de bepaling van de aftrek van voorbelasting op ‘gemengd’ gebruikte goederen en diensten. De omzetbelasting, die op de voor de hierbedoelde prestaties gebruikte goederen drukt, is aftrekbaar volgens de normale bepalingen inzake de aftrek van voorbelasting met dien verstande dat ten aanzien van de huisvestingskosten en dergelijke ter zake van het verstrekken van spijzen en dranken aan het personeel de onder sub 3 bedoelde algemene omzetverhouding tot uitgangspunt wordt genomen. Zo zal de omzetbelasting die door de debiteur in rekening gebracht wordt ter zake van diens levering ex artikel 3, lid 1, letter e, van de wet, van de door de bank als fiduciair eigenaar verkochte goederen, volledig in aftrek kunnen worden gebracht, als de levering door de bank belast is met omzetbelasting.
In gevallen van levering van als bedrijfsmiddel gebruikte goederen zal in voorkomende gevallen artikel 13a van meergenoemde beschikking toepassing kunnen vinden.
Inhoudsopgave
Toepassing van artikel 15 van de wet op de omzetbelasting 1968 ten aanzien van het bankbedrijf
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht