Let op. Deze wet is vervallen op 1 augustus 2006. U leest nu de tekst die gold op 31 juli 2006.

Toetsingskader Plan van Scholen 2004 - 2006

Uitgebreide informatie
Toetsingskader Plan van Scholen 2004 - 2006
1.1. Stichten van een school of afdeling
In artikel 65 van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) is geregeld dat voor het stichten van (onderwijs behorend bij) een bepaalde school of afdeling goedkeuring van de minister nodig is. Goedgekeurde aanvragen worden opgenomen op het Plan van Scholen. Aan de inhoudelijke beoordeling van de aanvragen voor het Plan van Scholen ligt een toetsingskader ten grondslag. Dit toetsingskader is gebaseerd op de wettelijke stichtingsnormen voor het aangevraagde onderwijs en op beleidsmatige overwegingen. Deze beleidsregel bevat informatie over beoordelingscriteria en procedures voor het verkrijgen van toestemming voor het stichten van een school of afdeling.
1.2. Regionale samenwerking
Om regionale knelpunten concreet aan te pakken biedt dit toetsingskader de mogelijkheid om door samenwerking in een regio of voedingsgebied (een regionaal arrangement) een afdeling in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) te stichten ook als niet volledig wordt voldaan aan de wettelijke stichtingsnorm. De criteria voor goedkeuring van een desbetreffende aanvraag zijn beschreven in paragraaf 3.3 Regionale arrangementen.
Vaak bevat een regionaal arrangement ook een verzoek tot verplaatsing van onderwijs, toestemming voor een intra-sectoraal programma, en dergelijke. De in paragraaf 3.3 genoemde criteria zullen daarom door een nog te publiceren aanvullende beleidsregel van overeenkomstige toepassing worden verklaard op aanvragen voor verplaatsing, omzetting, splitsing en nevenvestiging op grond van artikel 75 WVO, intrasectorale programma’s en het verzorgen van onderdelen van een onderwijsprogramma vbo door een andere school voor vbo (Zwolse variant).
2.1.1. Vooraf
Een aanvraag voor het stichten van (onderwijs behorend bij) een bepaalde school of afdeling wordt opgenomen op het Plan van Scholen als aan de geldende stichtingsnormen 4[1] wordt voldaan. Deze stichtingsnormen zijn opgenomen in artikel 69 van de WVO.
Voor het aantonen van het leerlingenpotentieel moet gebruik worden gemaakt van de methodiek van indirecte of directe meting. In de paragrafen 2.1.2. en 2.1.3 worden beide methodieken nader toegelicht.
2.1.2. Indirecte meting
Als er bij een aanvraag voor het stichten van een school of afdeling in het voedingsgebied (zie punt 6 in deze paragraaf) sprake is van een dekkend netwerk van basisscholen van de aangevraagde richting moet een voorgeschreven prognosemethodiek voor het berekenen van het leerlingenpotentieel worden gehanteerd: de prognose volgens de methodiek van de indirecte meting. Voor het correct toepassen van deze methodiek heeft Cfi formulieren ontwikkeld (zie ook hoofdstuk 5, aanvraagprocedure). Deze modelprognose bevat een beschrijving van de volgende elementen:
1 aanvrager
Algemene gegevens van de rechtspersoon die een aanvraag voor het Plan van Scholen indient: bestuursnummer, naam, adres, postcode, plaats, telefoonnummer en naam van eventuele gemachtigde (bijvoorbeeld organisatie voor bestuur en management).
2 gevraagde school of afdeling
Gegevens over de aanvraag met betrekking tot de onderwijssoort, gemeente van vestiging, richting, eventuele scholengemeenschap waarvan de beoogde school of afdeling deel uit gaat maken.
3 herhalingsaanvraag
Is de beoogde school of afdeling al in het kader van een eerder Plan van Scholen aangevraagd? Zo ja, is er sprake van veranderde omstandigheden of nieuwe feiten?
4 deelplan
Is de aanvraag opgenomen c.q. wordt de aanvraag ingediend via het deelplan van één van de organisaties voor bestuur en management?
5 de prognoseperiode
De tijdvakken waarop de prognose betrekking heeft (korte, middellange en lange termijn).
6 het voedingsgebied
Een beschrijving van het te verwachten wervingsgebied waaruit de school of afdeling haar leerlingen betrekt. Het voedingsgebied wordt begrensd door het wettelijk begrip redelijke afstand. 5[2]
7 de basisgeneratie
Het gemiddeld aantal 12/13-jarigen woonachtig in het wervingsgebied gerelateerd aan de desbetreffende prognoseperiode.
8 het deelnamepercentage
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:
de feitelijke regionale deelname in leerjaar 3 (historische meting in het voedingsgebied) voor de gevraagde onderwijssoort in procenten van het totaal aantal leerlingen in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs in het voedingsgebied (meest recente Cfi-publicatie Deelnamepercentages voortgezet onderwijs);
de feitelijke landelijke deelname in leerjaar 3 (historische meting landelijk) voor de gevraagde onderwijssoort in procenten van het totaal aantal leerlingen in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs in Nederland (meest recente Cfi-publicatie Deelnamepercentages voortgezet onderwijs);
de feitelijke landelijke deelname in leerjaar 1 (historische meting landelijk) voor de gevraagde onderwijssoort in procenten van de basisgeneratie (meest recente Cfi-publicatie Deelnamepercentages voortgezet onderwijs);
de verwachte deelname in leerjaar 1 voor de gevraagde onderwijssoort (school of afdeling) rekening houdend met het voedingsgebied en de desbetreffende prognoseperiode.
9 de vermenigvuldigingsfactor
Historische meting (landelijk) van de gemiddelde verblijfsduur van een leerling. De vermenigvuldigingsfactor voor de betreffende onderwijssoort wordt bepaald door de verhouding tussen de totale schoolbevolking en de gemiddelde bezetting in leerjaar 1 van de gevraagde onderwijssoort (meest recente Cfi-publicatie Statisch Materiaal voor het Plan van Scholen).
10 deelnamepercentage betrokken richting
Het percentage voor de betreffende richting (deelname groep 3 basisonderwijs; meest recente Cfi-publicatie Verdeling naar richting in het basisonderwijs).
11 bruto potentieel
Het bruto potentieel wordt berekend door vermenigvuldiging van: het verwachte deelnamepercentage (voor de betreffende onderwijssoort in de betreffende prognoseperiode) met de basisgeneratie, het deelnamepercentage betrokken richting en de landelijke vermenigvuldigingsfactor.
12 netto potentieel
Het bruto potentieel voor de betreffende onderwijssoort in de betreffende prognoseperiode minus het aantal leerlingen waarvoor binnen redelijke afstand plaatsruimte zal zijn op een gelijksoortige school van dezelfde richting (conform artikel 69, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs).
Er kan worden afgeweken van het gestelde in element 10 (deelnamepercentage betrokken richting) van de modelprognose als er sprake is van een aanvraag in het kader van het ”nieuw voor oud”-beleid ( paragraaf 3.2) of een regionaal arrangement ( paragraaf 3.3). De in deze gevallen te hanteren berekening is beschreven in de bovengenoemde paragrafen.
2.1.3. Directe meting
Bij een aanvraag voor het Plan van Scholen 2004-2006 kan de aanvrager voor het stichten van een school of afdeling de onderzoeksresultaten van een directe meting overleggen. Deze onderzoeksresultaten zullen bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken als er naar het oordeel van de minister in het desbetreffende voedingsgebied nog geen dekkend netwerk van basisscholen van de betreffende richting aanwezig is. In een dergelijke situatie zal het resultaat van de directe meting in plaats van element 10 van de indirecte meting (deelnamepercentage betrokken richting) bij de prognose worden betrokken. Voor alle overige elementen van de indirecte meting kan het resultaat van de directe meting dus niet plaatsvervangend zijn. Een onderzoek directe meting moet aan de volgende criteria voldoen:
de directe meting dient te zijn uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau op basis van een wetenschappelijk verantwoorde schriftelijke enquête;
de kosten van de directe meting komen voor rekening van de aanvrager;
de directe meting dient te zijn gebaseerd op een representatieve aselecte steekproef uit de onderzoekspopulatie die bestaat uit de ouders of verzorgers van kinderen van 10 t/m 11 jaar, woonachtig in het voedingsgebied van de gewenste school/afdeling;
het uiteindelijke resultaat (het aantal 10/11-jarigen waarvan ouders/verzorgers opteren voor de gewenste school/afdeling) wordt gedeeld door twee (gemiddeld aantal 10/11-jarigen);
het voedingsgebied wordt begrensd door het wettelijk begrip redelijke afstand. Daarbij is het relevant dat de gekozen locatie voor de nieuw te stichten school/afdeling zo exact mogelijk wordt omschreven en bij het onderzoek wordt betrokken. In het onderzoek dient door middel van vraagstelling duidelijk naar voren te komen wat voor ouders/verzorgers de maximaal te accepteren reisafstand is naar de gevraagde school/afdeling;
de anonimiteit van de ondervraagden dient gegarandeerd te zijn;
het onderzoek dient gericht te zijn op de voorkeuren van de ondervraagden voor alle richtingen;
de ouders/verzorgers die hun keuze kenbaar maken voor de aan te vragen school/afdeling verklaren daarmee hun kind ook daadwerkelijk naar de aan te vragen school/afdeling te sturen op het moment dat de stichting heeft plaats gevonden;
de geldigheidsduur van het onderzoek directe meting is drie jaar.
2.2. Landbouwonderwijs
Het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij volgt voor de aanvragen van scholen voor het landbouwonderwijs een zelfde procedure als voor de aanvragen die bij het ministerie van OCenW (Cfi) moeten worden ingediend.
3.1. Vooraf
Voor toewijzing van een school of afdeling geldt het uitgangspunt dat een aangevraagde voorziening in elk geval op het Plan van Scholen wordt geplaatst als komt vast te staan dat de voorziening voldoet aan de wettelijke stichtingsnormen. Toekenning van een school of afdeling wanneer de stichtingsnorm niet wordt gehaald, is in bepaalde gevallen toch mogelijk op basis van beleidsmatige argumenten. In de volgende paragrafen zijn deze mogelijkheden aangegeven.
3.2. ”Nieuw voor oud-beleid”
Om het vmbo-aanbod beter af te stemmen op de vraag van de leerling, ouders en andere belanghebbenden kan een nieuwe afdeling worden aangevraagd als er reeds aan de school of scholengemeenschap verbonden afdelingen worden opgeheven. Toekenning van een afdeling is in dat geval mogelijk als wordt voldaan aan de onderstaande criteria:
1 De aanvraag wordt gedaan door het bevoegd gezag van een school voor vbo of een scholengemeenschap met ten minste vbo;
2 De aanvrager toont aan dat de gevraagde afdeling past binnen het kader van het gewenst en levensvatbaar aanbod in de regio. Het oordeel van de provincie en de organisaties bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de WVO zal worden meegenomen bij de besluitvorming;
3 Twee reeds aan de school of scholengemeenschap verbonden afdelingen die op de teldatum voorafgaand aan de opheffing tenminste 10 leerlingen per afdeling tellen, worden uiterlijk per 1 augustus 2005 op schoolniveau vrijwillig opgeheven. Met vrijwillige opheffing wordt gelijkgesteld beëindiging van een afdeling op een hoofdvestiging, nevenvestiging of - bij een scholengemeenschap ROC-VO met ten minste vbo - een erkende locatie waar alle leerjaren worden aangeboden tot en met het afsluitend onderwijs, terwijl de afdeling elders op de school of scholengemeenschap nog wel gehandhaafd blijft.
Onder vrijwillige opheffing wordt verstaan een bestuursbesluit om uiterlijk per 1 augustus 2005 geen leerlingen meer toe te laten in het derde en vierde leerjaar van de betreffende afdeling, dan wel een bestuursbesluit om uiterlijk per 1 augustus 2004 geen leerlingen meer toe te laten in het derde leerjaar en per 1 augustus 2005 geen leerlingen meer toe te laten in het vierde leerjaar van de betreffende afdeling. Bij beëindiging op een hoofdvestiging, nevenvestiging of erkende locatie (bij een ROC-VO) is deze omschrijving van overeenkomstige toepassing. Verder mag bij de vaststelling van het aantal vrijwillig opgeheven afdelingen - indien van toepassing - één afdeling meetellen die reeds per 1 augustus 2001 of 1 augustus 2002 vrijwillig is opgeheven, mits het aantal leerlingen van die afdeling in het derde en vierde leerjaar tezamen per 1 oktober 2000 of 1 oktober 2001 op schoolniveau respectievelijk (bij beëindiging) op de betreffende vestiging of locatie tenminste 10 bedroeg.
In bijzondere situaties kan het voldoende zijn wanneer één reeds aan de school of scholengemeenschap verbonden afdeling vrijwillig wordt opgeheven. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan de situatie waarin de aanvraag voortvloeit uit een schriftelijk regionaal plan in het kader van de herschikking, waarbij samenwerkende scholen de opheffing van afdelingen over meerdere scholen spreiden. Dit regionale plan dient in voorkomende gevallen bij de aanvraag te worden overlegd. Verder kan gedacht worden aan de positie van een school met een gering aantal afdelingen.
Het oordeel van de provincie en de organisaties bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de WVO zal worden meegenomen bij de besluitvorming.
Opheffing van een afdeling in het kader van artikel 107 WVO wordt niet in aanmerking genomen;
4 Het te verwachten aantal leerlingen voor de gevraagde afdeling bedraagt ten minste 50% van de geldende stichtingsnorm voor een nieuwe afdeling 6[3] ;
5 Het is toegestaan voor het verlangde onderwijs aanbod een (goed onderbouwde) schoolprognose te overleggen. Dit cijfermateriaal zal dan in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de aanvraag op het element 10 van de modelprognose indirecte meting (deelnamepercentage betrokken richting). Voor alle overige elementen van de indirecte meting kan het desbetreffende cijfermateriaal niet plaatsvervangend zijn.
6 De aanvrager toont schriftelijk aan overleg te hebben gevoerd met de andere scholen voor vbo, scholengemeenschappen met ten minste vbo en AOC’s in de regio. De regio wordt door de betrokken provincie in haar regiovisie vbo/mavo omschreven; deze dient te worden aangehouden. Het overleg dient in ieder geval betrekking te hebben gehad op de mate waarin deze omliggende scholen, ook van andere richtingen, nadelige gevolgen zullen ondervinden van toekenning van de gevraagde afdeling. De aanvrager toont schriftelijk aan dat deze gevolgen niet van dien aard zijn dat bij die omliggende scholen een aanmerkelijk verlies van leerlingen op zal treden. Als dit wel dreigt te gebeuren, wordt schriftelijk aangetoond dat met dergelijke scholen afspraken zijn gemaakt ter compensatie van de negatieve gevolgen van toekenning van de gevraagde afdeling. Als schriftelijk bewijs van bovenstaande elementen wordt in ieder geval geaccepteerd een door alle betrokkenen geaccordeerd verslag van een desbetreffend overleg.
Wanneer aan de criteria onder 1 tot en met 6 wordt voldaan, kan de minister beslissen dat de gevraagde afdeling op het Plan van Scholen 2004-2006 wordt geplaatst met jaartal.
3.3. Regionale arrangementen
Om het vmbo-aanbod beter af te stemmen op de vraag van de leerling, ouders en andere belanghebbenden in de regio (mbo, bedrijfsleven) kunnen scholen voor vbo, scholengemeenschappen met tenminste vbo of AOC’s in een regionaal arrangement samenwerken. Toekenning van een afdeling is in dat geval mogelijk als wordt voldaan aan de onderstaande criteria:
1 De aanvraag wordt gedaan door het bevoegd gezag van een school voor vbo, een scholengemeenschap met ten minste vbo of een AOC.
2 Aan de aanvraag ligt een samenwerkingsovereenkomst met een looptijd van tenminste vijf jaar ten grondslag tussen scholen met vmbo in de regio 7[4] of in een voedingsgebied 8[5] . De samenwerkingsovereenkomst is gericht op regionale versterking van het vmbo-aanbod in relatie tot het vervolgonderwijs, economische ontwikkelingen en arbeidsmarktontwikkelingen. De aanvrager moet aantonen dat er overleg is gepleegd met het omliggende mbo en het regionale bedrijfsleven.
3 Als niet alle VO-scholen met tenminste vmbo uit de desbetreffende regio of voedingsgebied deelnemen aan de samenwerkingsovereenkomst dienen de niet-deelnemende scholen in te stemmen met de aanvraag. Een bezwaar van één van de omliggende scholen zal niet noodzakelijkerwijs tot afwijzing hoeven te leiden, tenzij die school aantoont dat er sprake zal zijn van substantieel leerlingenverlies 9[6] bij goedkeuring van een regionaal arrangement.
4 Er moet worden voldaan aan de geldende stichtingsnorm voor een vbo-afdeling (momenteel 160 leerlingen). In afwijking van het gestelde onder element 10 van de modelprognose indirecte meting mogen de belangstellingspercentages van de richting van de samenwerkende scholen worden opgeteld.
5 In afwijking van punt 4 hoeft niet altijd te worden voldaan aan de stichtingsnorm, mits er wel sprake is van levensvatbaar vmbo bij de samenwerkende scholen. De levensvatbaarheid moet worden aangetoond door een prognose van leerlingen van de aangevraagde en bestaande afdelingen.
6 Betrokken gemeenten moeten verklaren in te stemmen met eventuele gevolgen voor de huisvesting van een regionaal arrangement.
7 De aanvraag mag - gelet op het totale effect van de samenwerkingsovereenkomst - niet leiden tot extra uitgaven voor het Rijk.
Wanneer aan de criteria onder 1 tot en met 7 wordt voldaan, kan de minister beslissen dat de gevraagde afdeling (met jaartal) op het Plan van Scholen wordt geplaatst.
De goedkeuring van een regionaal arrangement kan afhankelijk worden gesteld van medewerking van de samenwerkende scholen aan rapportages over het overleg met de regionale partners en het opstellen van regiovisies. Deze zaken zijn van belang bij het voorbereiden van toekomstige wetswijzigingen voor een grotere planningsvrijheid in het vmbo.
De provincies zullen in dit proces het regionaal overleg stimuleren en begeleiden.
Het oordeel van de organisaties bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de WVO en het advies van de provincie zal worden meegenomen bij de besluitvorming over de aanvraag.
4. Het stichten van een school of afdeling voor praktijkonderwijs
Bij de invoering van het vmbo is het praktijkonderwijs opgenomen in de WVO . De WVO voorziet echter niet in een stichtingsnorm voor het praktijkonderwijs. Om in deze lacune te voorzien wordt - vooruitlopend op aanpassing van artikel 69 van de WVO - een voorziening opgenomen in het toetsingskader voor het Plan van Scholen.
Een school voor praktijkonderwijs wordt op het Plan van Scholen 2004-2006 opgenomen als wordt voldaan aan een stichtingsnorm van 120 leerlingen; voor een afdeling voor praktijkonderwijs geldt een norm van 95 leerlingen. Daarnaast geldt de voorwaarde dat de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan de aanvrager deel uit maakt of deel uit zal gaan maken positief adviseren over de aanvraag.
In de door Cfi ontwikkelde formulieren voor een modelprognose is aangegeven op welke wijze het leerlingenpotentieel bij de aanvraag voor een school of afdeling voor praktijkonderwijs dient te worden berekend.
5.1. Algemeen
Een aanvraag voor het Plan van Scholen 2004-2006 kan uitsluitend worden ingediend vóór 1 januari 2003 met gebruikmaking van de formulieren Cfi 52965 1 t/m 3 en Cfi 52967.
Voor het benodigde gegevensmateriaal is per aanvraag (schoolsoort of afdeling) €  567,- verschuldigd.
U kunt de aanvraagformulieren en het benodigde gegevensmateriaal bestellen d.m.v.:
inzending van een briefkaart, vergezeld van een kopie van het betalingsbewijs waaruit blijkt dat per aanvraag €  567,- is overgemaakt op rekeningnummer 19.23.21.749 Rabobank Utrecht onder vermelding van Cfi, BVO, Postbus 606, 2700 ML Zoetermeer (onder vermelding van Plan van Scholen 2004-2006);
inzending van een briefkaart aan uw besturenorganisatie, vergezeld van een kopie van het betalingsbewijs waaruit blijkt dat per aanvraag €  567,- is overgemaakt aan uw besturenorganisatie (zie bijlage 1 voor adressering).
Voor het indienen van aanvragen voor het stichten van (onderwijs behorend bij) scholen en/of afdelingen van landbouwonderwijs kunt u zich richten tot:
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Directie Wetenschap en Kennisoverdracht
Postbus 20401
2500 EK Den Haag
Een afschrift van de aanvraag moet het bevoegd gezag altijd zenden aan de provincie waarin de beoogde school of afdeling zou moeten worden gevestigd (zie bijlage 3 ). Indien een school of afdeling wordt aangevraagd te Amsterdam, Rotterdam, Den Haag of Utrecht moet eveneens een afschrift aan het College van Burgemeester en Wethouders van de desbetreffende gemeente worden verzonden (zie bijlage 4 ).
Na indiening van de aanvraag wordt een ontvangstbevestiging verzonden waarop een Plan van Scholennummer is vermeld. Bij alle volgende correspondentie over de desbetreffende aanvraag moet dit nummer worden vermeld.
5.2. Indiening via de organisaties voor bestuur en management
Het verdient aanbeveling een verzoek om opneming in het Plan van Scholen via het deelplan van één van de landelijke organisaties voor bestuur en management in te dienen. De adressen staan vermeld in bijlage 2 .
5.3. Versnelde afwijzing van een aanvraag
Een verzoek om opneming op het Plan van Scholen zal versneld worden afgewezen indien:
1 dit verzoek in strijd is met het vastgestelde toetsingskader;
2 het een herhalingsaanvraag betreft;
3 niet aan de gestelde verplichtingen en vormvereisten is voldaan.
ad 1
Een verzoek dat in strijd is met het toetsingskader zal, op grond van artikel 68, tweede lid, WVO vóór 1 februari 2003 versneld worden afgewezen.
Een verzoek is bijvoorbeeld in strijd met het toetsingskader wanneer:
het een aanvraag betreft waar de planprocedure WVO niet op van toepassing is (bijvoorbeeld een aanvraag voor een niet-bestaande afdeling dan wel een aanvraag welke uitsluitend bij wet kan worden toegewezen);
vaststaat dat de prognose geringer is dan de betreffende stichtingsnorm en geen beroep kan worden gedaan op toekenning op basis van beleidsmatige argumenten.
ad 2
Indien het verzoek om opname in het Plan van Scholen gelijk of nagenoeg gelijk is aan een verzoek dat het voor-gaande jaar is gedaan en in het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zal dit verzoek op grond van artikel 68, derde lid, WVO vóór 1 februari 2003 worden afgewezen.
ad 3
Aanvragen die onvolledig zijn, niet met gebruikmaking van de vereiste formulieren zijn ingediend of waarbij geengebruik is gemaakt van het voorgeschreven statistische materiaal, worden uitsluitend in behandeling genomen, indien binnen een door Cfi gestelde termijn de aanvraag is aangevuld/gecorrigeerd.
Inhoudsopgave
1. Inleiding
1.1. Stichten van een school of afdeling
1.2. Regionale samenwerking
2. Toekenning op basis van stichtingsnormen
2.1. De stichtingsnorm; indirecte en directe meting
2.1.1. Vooraf
2.1.2. Indirecte meting
2.1.3. Directe meting
2.2. Landbouwonderwijs
3. Toekenning op basis van beleidsmatige overwegingen
3.1. Vooraf
3.2. ”Nieuw voor oud-beleid”
3.3. Regionale arrangementen
4. Het stichten van een school of afdeling voor praktijkonderwijs
5. Aanvraagprocedure Plan van Scholen 2004-2006
5.1. Algemeen
5.2. Indiening via de organisaties voor bestuur en management
5.3. Versnelde afwijzing van een aanvraag
ad 1
ad 2
ad 3
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht