Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2012. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2012.

Transactiebesluit milieudelicten

Uitgebreide informatie
Besluit van 8 juli 2000, houdende aanwijzing van lichamen en personen, met een publieke taak belast, die bevoegd zijn tot het aanbieden van een strafrechtelijke transactie inzake milieudelicten en vaststelling van de grenzen waarbinnen die bevoegdheid kan worden uitgeoefend (Transactiebesluit milieudelicten)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 9 maart 2000, directie Wetgeving, nr. 5014874/00/6, gedaan na overleg met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, alsmede de Staatssecretarissen van Verkeer en Waterstaat en van Financiën;
Gelet op artikel 37, eerste lid, van de Wet op de economische delicten, artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2, eerste lid, van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau;
De Raad van State gehoord (advies van 22 mei 2000, nr. W03.00.0106/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 4 juli 2000, directie Wetgeving, nr. 5037621/00/6, uitgebracht na overleg met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, alsmede de Staatssecretarissen van Verkeer en Waterstaat en van Financiën;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. transactiebevoegdheid: de bevoegdheid, bedoeld in artikel 37 van de Wet op de economische delicten, tot het stellen van een of meer voorwaarden als bedoeld in artikel 5 aan de verdachte ter voorkoming van strafvervolging;
b. lichaam of persoon: een lichaam of een persoon als bedoeld in artikel 2.
c. Centraal Justitieel Incassobureau: het Centraal Justitieel Incassobureau, bedoeld in artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau.
Artikel 2
Transactiebevoegdheid wordt toegekend aan de volgende lichamen en personen, met een publieke taak belast:
a. het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, voorzover het de feiten betreft, genoemd onder de nummers M 100, M 110 tot en met M 116, M 250 tot en met M 252, M 254, M 260 tot en met M 262 en M 470 van de bij dit besluit behorende bijlage , en de feiten zijn begaan binnen het arrondissement 's-Hertogenbosch;
b. de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beverwijk, Castricum, Heemskerk, Veere, Velzen en Vlissingen, voorzover het de feiten betreft, genoemd onder de nummers M 002 tot en met M 020, M 096, M 097, M 100 tot en met 102, M 161, M 162, M 166 tot en met M 171, M 176, M 210 tot en met M 213, M 220 tot en met M 222, M 230 tot en met M 232, M 250 tot en met M 253, M 271 en M 274 c van de bij dit besluit behorende bijlage , en voor zover niet voor die feiten in de desbetreffende gemeente krachtens een verordening als bedoeld in artikel 154b, eerste lid, van de Gemeentewet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd;
c. het dagelijks bestuur van het waterschap Friesland, voorzover het de feiten betreft, genoemd onder de nummers M 271 tot en met M 274 van de bij dit besluit behorende bijlage ;
d. de bij besluit van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen ambtenaar, voorzover het de feiten betreft, genoemd onder de nummers M 272, M 280 tot en met M 289, M 410 tot en met M 414, M 420, M 425, M 426, en M 430 van de bij dit besluit behorende bijlage , en de feiten zijn begaan binnen het arrondissement Rotterdam;
e. de directeur van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, voorzover het de feiten betreft, genoemd onder de nummers M 290 tot en met M 293, M 295, M 296, M 300 tot en met M 312, M 320 tot en met M 324, M 330 tot en met M 332, M 340 tot en met M 352, M 360 tot en met M 369, M 380, M 381, M 390 tot en met M 393, M 400, M 401 en M 450 tot en met M 463 van de bij dit besluit behorende bijlage , en de feiten zijn begaan binnen de arrondissementen Almelo, Arnhem, Assen, Groningen, Leeuwarden, Zutphen en Zwolle-Lelystad;
f. de directeur-generaal van de Rijkswaterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, voorzover het de feiten betreft, genoemd onder de nummers M 271 tot en met 273, M 274 a en M 274 e van de bij dit besluit behorende bijlage , en de feiten zijn begaan binnen het arrondissement Leeuwarden;
g. de directeur van de directie Douane van de Belastingdienst van het Ministerie van Financiën, voorzover het de feiten betreft, genoemd onder de nummers M 456 en M 457 van de bij dit besluit behorende bijlage , en de feiten zijn begaan binnen het arrondissement Haarlem.
Artikel 3
Een lichaam of een persoon maakt van zijn transactiebevoegdheid geen gebruik indien:
a. over het feit dan wel de strafbaarheid daarvan verschil van inzicht bestaat met de verdachte;
b. het feit wordt geconstateerd tezamen met drie of meer andere feiten waarvoor transactiebevoegdheid is verleend;
c. het feit wordt geconstateerd tezamen met een of meer andere feiten waarvoor geen transactiebevoegdheid is verleend;
d. het feit daadwerkelijk milieuschade tot gevolg heeft gehad en de kosten van herstel van die schade dan wel de kosten van het treffen van voorzieningen om de gevolgen van die schade te compenseren op meer dan € 1200 worden geraamd;
e. voorwerpen in beslag zijn genomen met het oog op verbeurdverklaring daarvan;
f. het een overtreding betreft die is begaan door een persoon die jonger is dan twaalf jaar;
g. het een misdrijf betreft dat is begaan door een persoon die jonger is dan achttien jaar;
h. het een feit betreft dat is begaan door het lichaam of de persoon of een ander bestuursorgaan.
1.
De hoofdofficier van justitie kan met het oog op het belang van een goede rechtsbedeling bepalen dat in bepaalde gebieden binnen zijn arrondissement of in bepaalde zaken een lichaam of een persoon geen gebruik maakt van zijn transactiebevoegdheid.
2.
Alvorens de hoofdofficier van justitie gebruik maakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, voert hij daarover overleg met het betrokken lichaam of de betrokken persoon.
1.
Een lichaam of een persoon stelt als voorwaarde het betalen aan de staat van een geldsom die per strafbaar feit ten hoogste € 1200 bedraagt.
2.
Een lichaam of persoon kan naast de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, tevens de volgende voorwaarden stellen:
a. het verrichten van hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, het tenietdoen van hetgeen wederrechtelijk is verricht en het verrichten van prestaties tot het goedmaken van een en ander, alles op kosten van de verdachte, voorzover deze een bedrag van € 1200 niet te boven gaan;
b. het afstand doen van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer.
1.
Het Centraal Justitieel Incassobureau int de geldsom, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
2.
De directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau maakt de geïnde geldsommen periodiek over op een daartoe bestemde rekening van het Ministerie van Justitie.
3.
Een ieder die betrokken is bij de inning van de geldsom, bedoeld in artikel 5, eerste lid, verstrekt het Centraal Justitieel Incassobureau alle gegevens die het in verband met de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid, nodig heeft.
1.
Indien een lichaam of een persoon besluit gebruik te maken van zijn transactiebevoegdheid, doet dat lichaam of die persoon de verdachte schriftelijk een kennisgeving, houdende een transactievoorstel.
2.
Het lichaam of de persoon baseert zijn transactievoorstel op het proces-verbaal dat is opgemaakt door:
a. een buitengewoon opsporingsambtenaar die belast is met de opsporing van strafbare feiten waarvoor het lichaam of de persoon transactiebevoegdheid is toegekend, dan wel
3.
Het lichaam of de persoon doet slechts in bijzondere gevallen en na overleg met de officier van justitie een beroep op een ambtenaar van politie als bedoeld in het tweede lid, onder b, voor het opmaken van een proces-verbaal.
4.
In het transactievoorstel, bedoeld in het eerste lid, vermeldt het lichaam of de persoon:
a. het feit ter zake waarvan het onderscheidenlijk hij de voorwaarde of de voorwaarden stelt, onder verwijzing naar het wettelijk voorschrift dat de verdachte heeft overtreden;
b. een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de verdachte het feit heeft begaan;
c. welke voorwaarde of voorwaarden als bedoeld in artikel 5 het onderscheidenlijk hij stelt;
d. de hoogte van de betalen geldsom;
e. , voorzover van toepassing, wat de verdachte moet verrichten van hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, tenietdoen van hetgeen wederrechtelijk is verricht en welke prestaties hij moet verrichten tot het goedmaken van een en ander;
f. , voorzover van toepassing, van welke voorwerpen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, de verdachte afstand moet doen.
5.
Het lichaam of de persoon doet de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is, onverwijld schriftelijk mededeling van de datum waarop het lichaam of de persoon het transactievoorstel heeft gedaan en de termijn waarbinnen de verdachte aan de voorwaarde of de voorwaarden dient te voldoen.
1.
De verdachte betaalt de geldsom, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder d, door middel van storting of overschrijving op een daartoe bestemde bankrekening van het Centraal Justitieel Incassobureau.
2.
De betaling geschiedt binnen zes weken na de datum van dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in artikel 7, eerste lid.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid betaalt de verdachte, indien hij geen bekend woonadres in Nederland heeft, de geldsom binnen twee weken na de datum van dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in artikel 7, eerste lid, of zoveel eerder als hij het Nederlands grondgebied verlaat, contant op een in het transactievoorstel aangewezen politiebureau of douanekantoor. De verdachte ontvangt van de betaling van de geldsom een bewijs.
4.
Het politiebureau of het douanekantoor, bedoeld in het derde lid, stort de betaalde geldsom uiterlijk binnen vier weken na de datum van betaling op een daartoe bestemde bankrekening van het Centraal Justitieel Incassobureau of schrijft deze binnen die termijn daarop over.
5.
Indien de verdachte de geldsom niet heeft betaald binnen de termijn, bedoeld in het tweede of derde lid, zendt het lichaam of de persoon het proces-verbaal van het desbetreffende feit aan de officier van justitie in het arrondissement waarbinnen de verdachte het feit heeft begaan.
1.
De verdachte voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder e, binnen de termijn die het lichaam of de persoon in het transactievoorstel, bedoeld in artikel 7, eerste lid, daarvoor heeft gesteld.
2.
Indien de verdachte niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder e, heeft voldaan, zendt het lichaam of de persoon het proces-verbaal van het desbetreffende feit aan de officier van justitie in het arrondissement waarbinnen de verdachte het feit heeft begaan.
Artikel 10
De verdachte doet afstand van de voorwerpen, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder f, door het afleggen van de verklaring, bedoeld in artikel 116, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Het lichaam of de persoon draagt ervoor zorg dat aantekening wordt gemaakt van:
a. ieder feit ten aanzien waarvan het onderscheidenlijk hij gebruik heeft gemaakt van zijn transactie-bevoegdheid;
b. ieder feit ten aanzien waarvan de verdachte aan de voorwaarde of de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, vierde lid, onder c, heeft voldaan, alsmede de datum waarop hij dit heeft gedaan.
2.
Het lichaam of de persoon zendt de officier van justitie in het arrondissement waarbinnen de feiten zijn begaan ten aanzien waarvan het onderscheidenlijk hij gebruik heeft gemaakt van zijn transactiebevoegdheid, iedere vier weken een overzicht van de zaken, bedoeld in het eerste lid, onder a en b.
3.
Het lichaam of de persoon doet de rechtstreeks belanghebbende op zijn verzoek onverwijld schriftelijk mededeling van de datum waarop de verdachte aan de voorwaarde of de voorwaarden heeft voldaan.
1.
In afwijking van artikel 2, vijfde lid, onder c, van het Transactiebesluit 1994 wordt geen transactiebevoegdheid toegekend aan de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Beverwijk, Castricum, Heemskerk, Veere, Velzen of Vlissingen die als lid van de reinigingspolitie werkzaam is, voorzover het de zaken, vermeld onder de nummers H 002 tot en met H 106, betreft.
2.
In afwijking van artikel 2, vijfde lid, onder d, van het Transactiebesluit 1994 wordt geen transactiebevoegdheid toegekend aan de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de gemeente Beverwijk, Castricum, Heemskerk, Veere, Velzen of Vlissingen die als parkwachter of milieuwachter werkzaam is, voorzover het de zaken, vermeld onder de nummers H 002 tot en met H 106, betreft.
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Transactiebesluit milieudelicten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 8 juli 2000
De Minister van Justitie,
Uitgegeven achtste augustus 2000
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht