Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2009.

Typegoedkeuring navigatielantaarns Rijnvaart 1990

Uitgebreide informatie
Besluit van 6 december 1990, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van de Voorschriften omtrent de kleur en de sterkte der lichten, alsmede omtrent de goedkeuring der navigatielantaarns voor de Rijnvaart
Artikel 1. Navigatielantaarns
Een lantaarn is een apparaat dat is bestemd om het licht van een kunstmatige lichtbron te verspreiden met inbegrip van de onderdelen die noodzakelijk zijn voor het filteren, de breking en de reflectie van het licht, alsmede voor de bevestiging en het doen branden van de lichtbron.
Lantaarns voor het tonen van optische tekens aan boord van een schip worden navigatielantaarns genoemd.
1.
Lichten zijn optische tekens die door navigatielantaarns worden getoond.
2.
Een toplicht is een wit licht dat gelijkmatig en ononderbroken schijnt over een boog van de horizon van 225° en wel 112°30' aan elke zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars.
3.
Boordlichten zijn een groen licht aan stuurboordszijde en een rood licht aan bakboordszijde die elk gelijkmatig en ononderbroken schijnen over een boog van de horizon van 112°30' en wel elk aan zijn zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars.
4.
Een heklicht is een wit licht dat gelijkmatig en ononderbroken schijnt over een boog van de horizon van 135° en wel aan elke zijde van het schip over 67°30' van recht achteruit.
5.
Een geel licht aan het hek is een geel licht dat gelijkmatig en ononderbroken schijnt over een boog van de horizon van 135° en wel aan elke zijde van het schip over 67°30' van recht achteruit.
6.
Een rondom schijnend licht is een licht dat gelijkmatig en ononderbroken schijnt over een boog van de horizon van 360°.
7.
a. Een flikkerlicht is een licht dat schijnt met een frequentie van 40 tot 60 flikkeringen per minuut.
b. Een snel flikkerlicht is een licht dat schijnt met een frequentie van 100 tot 120 flikkeringen per minuut. De perioden van licht en donker moeten bij flikkerlichten ongeveer even lang zijn.
8.
De lichten worden naar sterkte ingedeeld in: – gewone, – heldere en krachtige lichten.
Artikel 3. Lichtbronnen
Lichtbronnen zijn elektrische en niet-elektrische voorzieningen die zijn bestemd om licht te produceren in navigatielantaarns.
1.
De optiek is een samenstel van lichtbrekende, reflecterende of lichtbrekende en reflecterende elementen, met inbegrip van hun bevestigingen. Door de werking van deze elementen wordt het uitgestraalde licht gestuurd in vooraf bepaalde richtingen.
2.
Een gekleurde optiek is een optiek die de kleur en de sterkte van het doorgelaten licht wijzigt.
3.
Een neutrale optiek is een optiek die de sterkte van het doorgelaten licht wijzigt.
1.
Een gekleurd filter is een selektief filter dat de kleur en de sterkte van het doorgelaten licht wijzigt.
2.
Een neutraal filter is een aselektief filter dat de sterkte van het doorgelaten licht wijzigt.
Artikel 6. Verhouding tussen IO, IB en t
IO is de fotometrische lichtsterkte in candela (cd), bij elektrisch licht bij nominale spanning gemeten.
IB is de bedrijfslichtsterkte in candela (cd).
t is de zichtbaarheid in kilometers (km).
Rekening houdend met, bij voorbeeld, veroudering van de lichtbron, vervuiling van de optiek en de spanningsschommelingen in het boordnet, wordt de bedrijfslichtsterkte IB 25% kleiner dan IO(de fotometrische lichtsterkte) aangenomen. Derhalve geldt de formule:
IB = 0,75 . IO
De verhouding tussen IB en t van de lichten wordt als volgt geformuleerd:
IB = 0,2 . t2 . q-t.
De atmosferische transmissiefactor q wordt gesteld op 0,76, hetgeen overeenkomt met een meteorologisch zicht van 14,3 km.
1.
Voor de lichten wordt een vijfkleuren systeem toegepast met als kleuren: wit, rood, groen, geel en blauw. Dit systeem komt overeen met de aanbevelingen van de «Commission Internationale de L'Éclairage», publicatie CIE nr. 2.2 (TC-1.6) 1975 «Couleurs des signaux lumineux». Deze kleuren gelden voor het door de lantaarn uitgestraalde licht.
2.
De grenzen van het gebied voor elke kleur in het hierna afgebeelde kleurdiagram (overeenkomstig publicatie CIE nr. 2.2 (TC-1.6) 1975), worden bepaald door het aangeven van de coördinaten van de hoekpunten, die als volgt zijn vastgesteld:
Kleur van het licht Coördinaten van de hoekpunten
wit x 0,310 0,443 0,500 0,500 0,453 0,310
  y 0,283 0,382 0,382 0,440 0,440 0,348
rood x 0,690 0,710 0,680 0,660    
  y 0,290 0,290 0,320 0,320    
groen x 0,009 0,284 0,207 0,013    
  y 0,720 0,520 0,397 0,494    
geel x 0,612 0,618 0,575 0,575    
  y 0,382 0,382 0,425 0,406    
blauw x 0,136 0,218 0,185 0,102    
  y 0,040 0,142 0,175 0,105    


Kleurdiagram volgens de CIE
2360 K komt overeen met het licht van een luchtledige gloeilamp,
2856 K komt overeen met het licht van een met gas gevulde gloeilamp.
Artikel 8. Sterkte en zichtbaarheid van de lichten
In onderstaande tabel worden de toegelaten grenswaarden van I O , I B en t voor de verschillende soorten lichten vermeld, met dien verstande dat de waarden gelden voor het door de lantaarn uitgestraalde licht. I O en I B zijn uitgedrukt in cd en t in km.Grenswaarden
    Kleur van het licht
Soort licht wit groen/rood geel blauw
  min. max. min. max. min. max. min. max.
  I O 2,7 10,0 1,2 4,7 1,1 3,2 0,9 2,7
Gewoon I B 2,0 7,5 0,9 3,5 0,8 2,4 0,7 2,0
  t 2,3 3,7 1,7 2,8 1,6 2,5 1,5 2,3
  I O 12,0 33,0 6,7 27,0 4,8 20,0 6,7 27,0
Helder I B 9,0 25,0 5,0 20,0 3,6 15,0 5,0 20,0
  t 3,9 5,3 3,2 5,0 2,9 4,6 3,2 5,0
  I O 47,0 133,0 47,0 133,0
Krachtig I B 35,0 100,0 35,0 100,0
  t 5,9 8,0 5,9 8,0
1
1.
De in artikel 8 bedoelde lichtsterkten gelden voor alle richtingen in het horizontale vlak door het brandpunt van de optiek, respectievelijk door het lichtzwaartepunt van de op de juiste wijze ingestelde lamp van een verticaal opgestelde lantaarn.
1.
De voorgeschreven lichtsterkte van het toplicht, het heklicht en de boordlichten moet in het horizontale vlak binnen de voorgeschreven sectoren gehandhaafd blijven ten minste tot 5° vanaf de sectorgrenzen.
Vanaf 5° binnen de voorgeschreven sectorgrenzen mag de lichtsterkte tot aan de voorgeschreven sectorgrenzen afnemen met 50%; de lichtsterkte dient daarna geleidelijk af te nemen en wel zodanig dat binnen de hoek, begrensd door het einde van de gebruikssector en 5° buitenwaarts vrijwel geen licht meer waarneembaar is.
1.
De boordlichten moeten naar recht vooruit ten minste de voorgeschreven lichtsterkte hebben. De lichtsterkte moet tussen 1° en 3° buiten de voorgeschreven gebruikssector zodanig afnemen, dat daarbuiten vrijwel geen licht meer waarneembaar is.
1.
De spreiding van de lichtsterkte van twee- en driekleurenlantaarns moet zodanig zijn dat over een bereik van 3° naar beide zijden ten opzichte van het nulpunt, de maximaal toelaatbare lichtsterkte niet overschreden wordt, noch onder de vereiste minimale waarde daalt.
1.
De horizontale spreiding van het licht van de lantaarns moet over de gehele sectorgrens zodanig zijn, dat het verschil tussen de minimale en de maximale waarde van de lichtsterkte niet meer bedraagt dan een van factor 1,5.
2
Bij een helling van de lantaarn van ± 5° ten opzichte van het horizontale vlak moet de lichtsterkte nog ten minste 80% en bij een helling van ± 7,5° nog ten minste 60% bedragen van de lichtsterkte verkregen bij een helling van de lantaarn van 0°, zonder dat daarbij het 1,2-voudige van de lichtsterkte wordt overschreden.
Artikel 10. Technische eisen
De constructie en het materiaal van navigatielantaarns en lichtbronnen moeten veilig en duurzaam zijn.
De sterkte, de kleuren en de spreiding van het licht mogen door onderdelen van de constructie, zoals spijlen, niet nadelig worden beïnvloed.
De lantaarn moet op eenvoudige wijze in de juiste positie aan boord kunnen worden bevestigd.
De lichtbron moet gemakkelijk kunnen worden vervangen.
Artikel 11. Typekeuring
Door middel van een typekeuring die wordt uitgevoerd overeenkomstig de "Goedkeurings- en toelatingseisen der navigatielantaarns voor de Rijnvaart 1990" ( Bijlage 2) wordt vastgesteld of navigatielantaarns en de bijbehorende lichtbronnen voldoen aan de eisen gesteld in dit voorschrift.
Artikel 12. Keuringsprocedure
De aanvraag voor een typekeuring door de aanvrager moet worden gericht aan de bevoegde autoriteit onder overlegging tenminste in tweevoud van tekeningen, proefmodellen en de nodige lichtbronnen van de lantaarn. Na een geslaagde typekeuring wordt één van de bij de aanvraag gevoegde tekeningen voorzien van een aantekening omtrent de goedkeuring en één van de proefmodellen aan de aanvrager teruggezonden. Het tweede proefmodel blijft bij de bevoegde autoriteit.
De fabrikant moet aan de bevoegde autoriteit verklaren dat de serieproductie in alle onderdelen overeenstemt met het gekeurde proefmodel.
1.
Indien uit de typekeuring blijkt dat aan de eisen van dit voorschrift is voldaan, wordt de lantaarn typegoedgekeurd en wordt aan de aanvrager een certificaat van goedkeuring volgens het model van bijlage 1 met het keurmerk bedoeld in artikel 15 verstrekt.
2.
De houder van het certificaat van goedkeuring
- is bevoegd op de onderdelen het keurmerk bedoeld in artikel 15 aan te brengen,
- mag het fabriceren van lantaarns slechts doen geschieden volgens de door de bevoegde autoriteit goedgekeurde tekeningen en overeenkomstig de wijze van uitvoering van de gekeurde proefmodellen van de lantaarn,
- mag afwijkingen daarvan slechts doen uitvoeren met toestemming van de bevoegde autoriteit. Deze beslist eveneens of het verstrekte certificaat van goedkeuring slechts behoeft te worden aangevuld, dan wel een nieuwe keuring moet worden aangevraagd.
Artikel 14. Controle
De bevoegde autoriteit is bevoegd willekeurige navigatielantaarns uit de serieproductie aan steekproeven te onderwerpen. Indien hierbij sprake is van ernstige gebreken, dan kan de goedkeuring worden ingetrokken.
1.
Goedgekeurde lantaarns, optieken en lichtbronnen moeten zijn voorzien van het volgende keurmerk:
. X . JJ . nnn.
Daarin is "
" het goedkeuringsmerk,
is "X" het land waarin de goedkeuring werd verleend:
B België
CH Zwitserland
D Duitsland
F Frankrijk
N Nederland
L = Luxemburg
geven "JJ" de twee laatste cijfers van het jaar van goedkeuring aan,
en is "nnn" het nummer afgegeven door het land waarin de keuring plaatsvond.
2.
De keurmerken moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn aangebracht.
3.
Het keurmerk op het lantaarnhuis moet zodanig zijn aangebracht, dat voor het controleren daarvan aan boord de lantaarn niet behoeft te worden gedemonteerd. Indien de optiek en het lantaarnhuis onscheidbaar met elkaar verbonden zijn, is een keurmerk op het lantaarnhuis voldoende.
4.
Uitsluitend op goedgekeurde navigatielantaarns, optieken en lichtbronnen mag het keurmerk bedoeld in het eerste lid worden aangebracht.
5.
De bevoegde autoriteit deelt het verleende goedkeuringsnummer onmiddellijk aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede.
Artikel 16. Wijziging door voorschriften van tijdelijke aard
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard vaststellen, wanneer het voor een aanpassing aan de technische ontwikkeling van de binnenscheepvaart noodzakelijk wordt geacht om in dringende gevallen afwijkingen van deze voorschriften toe te laten dan wel proefnemingen mogelijk te maken, waardoor de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden benadeeld. Deze voorschriften van tijdelijke aard worden door de bevoegde autoriteit gepubliceerd en hebben een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren.
Zij worden in alle Oeverstaten en in België op hetzelfde tijdstip in werking gesteld en worden onder dezelfde voorwaarden buiten werking gesteld.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
+ Hoofdstuk 2. Eisen aan de lichten
+ Hoofdstuk 3. Eisen aan de navigatielantaarns
+ Hoofdstuk 4. Keuring, goedkeuring en keurmerk
+ Hoofdstuk 5. Slotbepaling
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht