Koninklijk besluit van 21 september 1926 tot vaststelling van het Curacaosch Uitleveringsbesluit
De Minister van Justitie
Gelet op:
Artikel 3, eerste lid, onder h, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
Artikel 48, derde lid, Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba
Besluit:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Gouverneur: Gouverneur van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen. Voor de toepassing van artikel 21 van het besluit wordt daaronder verstaan de Gouverneur van het land waar de vreemdeling zich bevindt;
b. het Hof van Justitie: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
c. de procureur-generaal: de procureur-generaal van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen. Voor de toepassing van artikel 13 van het besluit wordt daaronder verstaan de procureur-generaal met de behandeling van de zaak belast;
d. openbaar ministerie: het openbaar ministerie van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen.
Artikel 1a
Ten aanzien van de uitlevering van personen worden geen nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan met inachtneming van de bepalingen van dit besluit.
1.
Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:
a. een door de autoriteiten van de verzoekende Staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek terzake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende Staat als naar dat van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd;
b. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de verzoekende Staat te ondergaan wegens een feit als onder a bedoeld.
2.
Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt onder een naar het geldend recht in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten strafbaar feit mede verstaan een feit waardoor inbreuk is gemaakt op de rechtsorde van de verzoekende staat, terwijl krachtens de wetgeving van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten eenzelfde inbreuk op de rechtsorde van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten strafbaar is.
3.
Indien de aanvraag tot uitlevering betrekking heeft op verscheidene, afzonderlijke feiten, die alle krachtens de wetgeving van de verzoekende Staat en van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, kan de uitlevering eveneens voor deze laatste feiten worden toegestaan.
Artikel 2a
Voor de toepassing van artikel 2 worden gelijkgesteld:
a. met vrijheidsstraffen: door de rechter naast of in plaats van een straf op te leggen maatregelen strekkende tot vrijheidsbeneming;
b. met vrijheidsstraffen van langere duur dan een jaar: vrijheidsstraffen — met inbegrip van maatregelen als bedoeld onder a — voor de duur van het leven of voor onbepaalde tijd.
1.
Uitlevering wordt niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op uitlevering wegens een van de feiten, omschreven in artikel 1 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1977, 63), aan een Staat die gehouden is in een overeenkomstig geval uitlevering aan Aruba, Curaçao of Sint Maarten niet te weigeren wegens de politieke aard van het feit.
3.
De aanslag tegen het leven of de vrijheid van een Staatshoofd of een lid van het regerende Huis wordt niet beschouwd als een strafbaar feit van politieke aard in de zin van het eerste lid.
4.
Militaire delicten die niet tevens misdrijven naar het algemene strafrecht van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten zijn, en fiscale delicten kunnen geen aanleiding geven tot uitlevering, tenzij bij verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald.
Artikel 3
De uitlevering mag geschieden niet alleen wegens het begaan van het misdrijf, maar ook wegens poging daartoe of medeplichtigheid daaraan, voor zover die poging of die medeplichtigheid ook in de Nederlandse Antillen strafbaar is.
1.
Nederlanders worden niet uitgeleverd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitlevering van een Nederlander is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van de Gouverneur is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering kan worden toegestaan in de verzoekende staat tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in eigen land zal mogen ondergaan.
Artikel 5
Geen uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven, waarvan de vervolging of de opgelegde straf vóór de aanhouding in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of ingeval er nog geen aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door het Hof van Justitie te worden gehoord, naar de aldaar geldende wetgeving is verjaard.
1.
Indien de persoon wegens een ander strafbaar feit dan waarvoor zijn uitlevering wordt aangevraagd, in Aruba, Curaçao of Sint Maarten vervolgd wordt of straf ondergaat, mag de uitlevering niet worden toegestaan dan na afloop van de in Aruba, Curaçao of Sint Maarten ingestelde vervolging en nadat hij de hem opgelegde straf zal hebben ondergaan of hem daarvan gratie zal zijn verleend.
2.
Deze bepaling belet niet, dat de persoon tijdelijk wordt uitgeleverd, ten einde in de verzoekende Staat terecht te staan, onder voorwaarde dat hij na afloop van het onderzoek wordt teruggevoerd.
Artikel 7
Geen uitlevering wordt toegestaan dan onder voorwaarde dat de uitgeleverde niet zal mogen worden vervolgd of gestraft voor enig strafbaar feit vóór zijn uitlevering gepleegd, dan dat hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, tenzij hij na zijn uitlevering dertig dagen de tijd heeft gehad om het land weer te verlaten, dan wel de instemming van de Gouverneur met zodanige vervolging of bestraffing zal zijn verkregen.
1.
De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieke weg.
2.
De uitlevering wordt niet toegestaan dan na advies van het Hof van Justitie. Indien dit advies strekt tot afwijzing van het verzoek tot uitlevering, weigert de Gouverneur de uitlevering.
3.
Het Hof beslist bij zijn advies welke der in beslag genomen goederen in geval van uitlevering aan de opgeëiste persoon zullen worden teruggegeven, welke als stukken van overtuiging zullen worden afgegeven.
1.
In afwachting van de aanvrage tot uitlevering kan de persoon wiens uitlevering kan worden aangevraagd op last van de procureur-generaal voorlopig worden aangehouden op aanvrage van de macht in de verzoekende staat tot voorlopige aanhouding bevoegd en als zodanig in het verdrag aangewezen. De op en bij de aangehoudene zijnde goederen mogen in beslag genomen worden.
2.
Indien de aanhouding plaats vindt op Aruba of Sint Maarten kan de aangehoudende naar Willemstad worden overgebracht indien zulks zijn verhoor door het Hof van Justitie zou bespoedigen.
1.
De procureur-generaal is bevoegd om, na de aangehoudene te hebben gehoord, een bevel tot voorlopige aanhouding tegen hem uit te vaardigen, dat hem zo spoedig mogelijk wordt betekend.
2.
De procureur-generaal beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de aangehoudene, tenzij hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde bewaring te blijven, en de teruggave van de in beslag genomen goederen, tenzij er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, een en ander indien hem geen aanvrage tot uitlevering met de daarbij nodige bescheiden is medegedeeld binnen een termijn bij het verdrag te bepalen en van niet langer dan: twee maanden na de dagtekening van het bevel van aanhouding. Geschiedt de aanvrage tot uitlevering binnen de gestelde termijn, dan wordt verder gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 13 tot en met 18.
Artikel 11
Bij de aanvrage tot uitlevering moet in het oorspronkelijke of in gewaarmerkt afschrift worden overgelegd hetzij het vonnis van veroordeling hetzij het vonnis van in staat van beschuldiging stelling of van rechtsingang met bevel van gevangenneming, hetzij een daarmede gelijk te stellen akte, in de verzoekende Staat gebruikelijk en als zodanig in het verdrag aangewezen.
1.
Personen, wier uitlevering wordt aangevraagd, mogen voor zover dit niet reeds geschied is, worden aangehouden.
2.
Het bevel van aanhouding moet hun zo spoedig mogelijk worden betekend.
3.
De op en bij hen zijnde goederen mogen worden in beslag genomen.
4.
Zo spoedig mogelijk na de aanhouding wordt daarvan kennis gegeven aan de procureur-generaal.
5.
Van elke krachtens dit besluit gedane aanhouding geeft de procureur-generaal onverwijld kennis aan de Gouverneur, die op zijn beurt onverwijld aan deze mededeling doet van iedere tot hem gerichte aanvrage tot uitlevering.
Artikel 13
De procureur-generaal requireert, zodra de aanhouding te zijner kennis is gekomen, en ingeval deze geen plaats heeft gehad of reeds vóór de aanvrage is geschied, zo spoedig mogelijk na daartoe te zijn aangeschreven, dat de opgeëiste persoon door het Hof van Justitie wordt gehoord, en dat dit zijn advies uitbrengt over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering.
1.
Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëiste persoon de behandeling der zaak met gesloten deuren verlangt, of het Hof, om gewichtige redenen, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, beveelt, dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.
2.
Het verhoor heeft plaats in de tegenwoordigheid van het openbaar ministerie.
3.
De opgeëiste persoon is bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan.
4.
Als raadsman mag gekozen worden ieder die bevoegd is voor de strafrechter tot verdediging van beklaagden op te treden.
Artikel 15
Binnen veertien dagen na het verhoor zendt het Hof zijn advies en zijn beslissing, in artikel 8 bedoeld, met de tot de zaak behorende stukken aan de Gouverneur.
1.
Na kennis te hebben genomen van het advies, bedoeld in artikel 15, gelast of weigert de Gouverneur de uitlevering.
2.
Aan de gelasting tot uitlevering van een Nederlander verbindt de Gouverneur de voorwaarde, dat zo de opgeëiste persoon terzake van feiten waarvoor hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende staat tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in eigen land mag ondergaan.
3.
In geval van weigering wordt de opgeëiste, indien hij aangehouden is, onmiddellijk ontslagen, tenzij hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven, en worden hem de in beslag genomen goederen teruggegeven, tenzij er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan.
Artikel 19
Is de opgeëiste persoon niet aangehouden en, na behoorlijk te zijn opgeroepen om door het Hof van Justitie te worden gehoord, niet verschenen, dan gaat de termijn, in artikel 15 genoemd, in met de dag, waarop het verhoor door het Hof is bepaald.
Artikel 20
De Gouverneur kan toestaan dat een persoon wiens uitlevering door een vreemde Staat aan een andere Staat is toegestaan, over het grondgebied van Aruba, Curaçao of Sint Maarten onder medegeleide van ambtenaren van Aruba, Curaçao of Sint Maarten wordt vervoerd, mits met de Staat, waaraan de uitlevering geschiedt, een uitleveringsverdrag is gesloten en het misdrijf waarvoor uitlevering is toegestaan onder de werking van dat verdrag valt.
1.
Personen die in Aruba, Curaçao of Sint Maarten in voorlopige hechtenis zijn of straf ondergaan mogen ter confrontatie of tot het afleggen van verklaringen in strafgedingen, die in een vreemde Staat aanhangig zijn, op last van de Governeur tijdelijk worden overgezonden.
2.
Indien die personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten straf ondergaan, zal hun straftijd geacht worden niet te zijn afgebroken door die tijdelijke overzending.
1.
Alle akten en stukken ten gevolge van dit besluit op te maken, zijn vrij van zegel en worden kosteloos afgegeven.
2.
Alle ingevolge dit besluit te verrichten betekeningen mogen geschieden door een dienaar der openbare macht.
Artikel 24
Dit besluit is niet van toepassing op het aanhouden, het aan boord terugbrengen of het ter beschikking van de consulaire ambtenaren stellen van gedeserteerde matrozen.
Artikel 25
Voor de toepassing van dit besluit wordt onder Staat mede begrepen: elk tot het westelijk halfrond behorend gebied of gebiedsdeel van Frankrijk, van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland of van de Verenigde Staten van Amerika, of voor welks buitenlandse betrekkingen een van genoemde mogendheden de zorg draagt.
Artikel 26
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
21 september 1926
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 1a
Artikel 2
Artikel 2a
Artikel 2b
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken