Let op. Deze wet is vervallen op 22 december 2009. U leest nu de tekst die gold op 21 december 2009.

Uitvoeringsbesluit ex artikel 11 en 12 Grondwaterwet

Uitgebreide informatie
Besluit van 27 augustus 1985, houdende voorschriften ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 11, tweede lid, en 12, eerste lid, van de Grondwaterwet (Stb. 1981, 392)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 oktober 1984, nr. RRW 45949, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 11, tweede lid, en 12, eerste lid, van de Grondwaterwet ( Stb. 1981, 392);
Gehoord de Commissie Grondwaterbeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 14 juni 1985, nr. W09.84.0613/12.5.23);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 augustus 1985, nr. RRW 30211, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
Bij de opgave bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder a, van de Grondwaterwet ( Stb. 1981, 392) dienen de volgende gegevens te worden verstrekt:
a. een aanduiding van de inrichting op een kaart, getekend op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats en de omvang van de inrichting;
b. een beschrijving van de inrichting;
c. een raming van de hoeveelheden grondwater, die maximaal per maand en gemiddeld per jaar worden onttrokken;
d. het doel waarvoor het onttrokken grondwater wordt gebruikt.
2.
De in het eerste lid bedoelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt voorzover zij in overeenstemming zijn met gegevens die reeds bij een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 14 van de Grondwaterwet zijn verstrekt.
1.
De onttrokken hoeveelheid grondwater dient op zodanige wijze te worden gemeten dat het meetresultaat in enig kwartaal niet meer dan vijf procent afwijkt van de werkelijk onttrokken hoeveelheid.
2.
Voor inrichtingen die zijn opgericht voor een beperkte tijd, kunnen gedeputeerde staten - in door hen aan te wijzen gevallen - het in het eerste lid vermelde percentage op tien stellen.
3.
Voor inrichtingen waarmee per jaar niet meer dan 50 000 kubieke meter grondwater wordt onttrokken alsmede voor inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden, kunnen gedeputeerde staten - op een daartoe strekkend verzoek - goedkeuren dat de onttrokken hoeveelheid wordt bepaald door vermeningvuldiging van de gemiddelde volumestroom met de gemeten tijd dat de inrichting in werking is. De gemiddelde volumestroom wordt door of vanwege gedeputeerde staten vastgesteld en geeft de hoeveelheid water in kubieke meters aan, die onder bedrijfsomstandigheden per uur door de inrichting stroomt.
4.
Bij inrichtingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet kunnen gedeputeerde staten voorschrijven dat de verschillende onttrekkingen afzonderlijk worden gemeten.
5.
De plaats van meting en het type meetinstrument behoeven de goedkeuring van of vanwege gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten kunnen een periodieke ijking van een meetinstrument voorschrijven en een instrument doen verzegelen.
1.
Degene, die grondwater onttrekt, dient na afloop van ieder kwartaal de onttrokken hoeveelheid grondwater vast te stellen en op een meetstaat aan te tekenen. Gedeputeerde staten kunnen - afhankelijk van de wijze van meten - een hogere frequentie voorschrijven.
2.
Op de in het eerste lid bedoelde meetstaat wordt - onder opgave van de datum - eveneens melding gemaakt van voorvallen, die van invloed kunnen zijn op de meting.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens dienen minstens vijf jaren voor het bevoegd gezag beschikbaar te worden gehouden.
1.
Bij de opgave bedoeld in artikel 11, tweede lid, eerste volzin , juncto artikel 11, eerste lid, onder a, van de Grondwaterwet dienen de volgende gegevens te worden verstrekt:
a. een aanduiding van de infiltratie-werken op een kaart, getekend op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats en de omvang van die werken;
b. een beschrijving van de wijze waarop water wordt geïnfiltreerd;
c. een raming van de hoeveelheden water, die maximaal per maand en gemiddeld per jaar worden geïnfiltreerd;
d. de herkomst van het te infiltreren water;
e. of en zo ja op welke wijze het te infiltreren water wordt voorgezuiverd.
2.
Artikel 1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Bij het infiltreren van water dient de aangevoerde hoeveelheid water op zodanige wijze te worden gemeten dat het meetresultaat in enig kwartaal niet meer dan vijf procent afwijkt van de werkelijk aangevoerde hoeveelheid.
2.
Voor gevallen waarin het infiltreren van water voor een beperkte tijd plaats vindt, kunnen gedeputeerde staten het in het eerste lid vermelde percentage op tien stellen.
3.
Artikel 2, vierde lid, is van toepassing; artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.
1.
a. Het meten van de kwaliteit van het te infiltreren water dient te geschieden door het nemen van representatieve monsters en het analyseren daarvan.
b. De parameters die moeten worden bepaald en de frequentie van bemonstering en analyse zijn vermeld in de bij dit besluit behorende bijlage.
c. De analyse van de monsters vindt plaats volgens de bepalingen van artikel 7 van het Waterleidingbesluit ( Stb. 1960, 345).
2.
Afhankelijk van de mate van de te verwachten beïnvloeding van de kwaliteit van het grondwater en de bodem door het te infiltreren water kunnen gedeputeerde staten het aantal parameters alsmede de frequentie van bemonstering en analyse verhogen of verlagen.
3.
Gedeputeerde staten bepalen op welke wijze de meetresultaten moeten worden opgetekend en op welk tijdstip de verkregen resultaten, eventueel in samengevatte vorm, aan hen moeten worden ingezonden.
4.
De in het derde lid bedoelde meetresultaten dienen minstens vijf jaren voor het bevoegde gezag beschikbaar te worden gehouden.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden verzonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 27 augustus 1985
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de vijftiende oktober 1985
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Afdeling I. Het onttrekken van grondwater
+ Afdeling II. Het infiltreren van water
+ Afdeling III. Slotbepaling
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht