Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2013. U leest nu de tekst die gold op -.

Uitvoeringsbesluit verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken

Uitgebreide informatie
Besluit van 24 december 1992, tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 10 november 1992, nr. WV 92/534, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;
Gelet op de artikelen 3, derde lid, 4, tweede, derde en vierde lid, 5, derde lid, 14, tweede lid, 28, eerste lid, 29, eerste lid, 30, eerste lid, 31, 32, eerste lid, 33, eerste lid, 36, 37 en 40 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten ( Stb. 1992, 683) en artikel 70 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ( Stb. 1959, 301);
De Raad van State gehoord (advies van 9 december 1992, nr. W06.92.0540);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 1992, nr. WV 92/648, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Directie Wetgeving Verbruiksbelastingen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
2.
In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten .
1.
Het brengen, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een inrichting naar een andere inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, dient te kunnen worden aangetoond met een vervoersopdracht.
2.
De vervoersopdracht wordt opgemaakt door de vergunninghouder van de inrichting van waaruit alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden overgebracht.
3.
De vervoersopdracht moet binnen één maand na de datum van verzending van de in het eerste lid bedoelde goederen zijn terugontvangen door de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht, voorzien van een verklaring van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn overgebracht dat de goederen hun bestemming hebben bereikt en in de administratie van zijn inrichting zijn opgenomen.
4.
De vergunninghouder van de inrichting waarnaar de in het eerste lid bedoelde goederen zijn overgebracht, draagt zorg voor de terugzending van de in het derde lid bedoelde vervoersopdracht.
5.
Indien de in het derde lid bedoelde vervoersopdracht niet wordt terugontvangen voorzien van de in het derde lid bedoelde verklaring, stelt de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht, de inspecteur daarvan in kennis uiterlijk binnen twee maanden na de datum van verzending van de goederen.
6.
De vervoersopdracht, bedoeld in het eerste lid, kan op verzoek achterwege blijven indien:
a. zowel de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen worden overgebracht, als de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht, beschikt over een administratie waarin deze overbrengingen afzonderlijk worden bijgehouden en waaruit naar het oordeel van de inspecteur de overbrengingen op overzichtelijke wijze zijn af te lezen;
b. gebruik wordt gemaakt van een maandverklaring, waarin de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen worden overgebracht opgave doet van de door hem in een kalendermaand zonder vervoersopdracht naar een andere inrichting overgebrachte goederen; en
c. de maandverklaring na afloop van een kalendermaand wordt verstrekt aan elke vergunninghouder van een inrichting waarnaar in die kalendermaand goederen zijn overgebracht.
7.
De toestemming voor toepassing van het zesde lid wordt opgenomen in de vergunning voor beide in het zesde lid bedoelde inrichtingen. Op de toestemming zijn de artikelen 43 tot en met 50 van de Wet op de accijns van overeenkomstige toepassing.
8.
De administratie van de in het zesde lid bedoelde vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen worden overgebracht, bevat in ieder geval:
a. de naam, het adres en het vergunningnummer van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn overgebracht;
b. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van de belasting van belang zijnde samenstelling van de goederen;
c. de datum van verzending van de goederen; en
d. per overbrenging het nummer van de maandverklaring waarin die overbrenging is begrepen.
9.
De administratie van de in het zesde lid bedoelde vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht, bevat in ieder geval:
a. de naam, het adres en het vergunningnummer van de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht;
b. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van de belasting van belang zijnde samenstelling van de goederen;
c. de datum van verzending van de goederen;
d. de datum waarop de goederen zijn ontvangen; en
e. per overbrenging het nummer van de maandverklaring waarin die overbrenging is begrepen.
10.
De vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn overgebracht, draagt zorg voor de terugzending van de in het zesde lid bedoelde maandverklaring.
11.
De in het zesde lid bedoelde maandverklaring moet binnen één maand na de maand waarop de maandverklaring betrekking heeft, zijn terugontvangen door de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht, voorzien van een verklaring van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn overgebracht, dat de goederen hun bestemming hebben bereikt en in de administratie van zijn inrichting zijn opgenomen.
12.
Indien de maandverklaring niet wordt terugontvangen voorzien van de in het elfde lid bedoelde verklaring, stelt de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht, de inspecteur daarvan onverwijld in kennis, maar uiterlijk binnen één week na afloop van de maand waarin de maandverklaring door hem moet zijn terugontvangen.
13.
Bij toepassing van het zesde lid is artikel 27 van overeenkomstige toepassing.
1.
Het brengen, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, van de wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een inrichting naar een ondernemer dan wel een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer, in een andere lid-staat dient te blijken uit boeken en bescheiden.
2.
De vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen, bedoeld in het eerste lid, worden overgebracht dient te beschikken over een administratie waarin deze overbrengingen afzonderlijk worden bijgehouden en waaruit naar het oordeel van de inspecteur de overbrengingen op overzichtelijke wijze zijn af te lezen.
3.
De in het tweede lid bedoelde administratie bevat in ieder geval de gegevens over de door de vergunninghouder in het tijdvak waarover aangifte wordt gedaan overgebrachte goederen, alsmede per overbrenging:
a. de naam en het adres van de ondernemer dan wel het publiekrechtelijke lichaam, anders dan als ondernemer, waarnaar de goederen zijn overgebracht;
b. de soort, de hoeveelheid en de voor de belastingheffing van belang zijnde samenstelling van de goederen;
c. de datum waarop de overbrenging van de goederen is aangevangen.
Artikel 4
Het brengen, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, van de wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een inrichting naar een derde land wordt aangetoond met afdrukken van het uitvoergeleidedocument of de aangifte ten uitvoer alsmede van de bevestiging van uitgang, welke documenten zijn vereist op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet.
1.
Het vervoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, b, c, d of e, van de wet naar een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, naar een ondernemer of publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer, naar een natuurlijke persoon die de goederen voor andere doeleinden dan voor persoonlijk verbruik betrekt in Nederland, naar een andere lid-staat via Nederland of naar een derde land dient te kunnen worden aangetoond met een bescheid.
2.
In het bescheid, bedoeld in het eerste lid, worden vermeld:
a. de naam en het adres van degene van wie de goederen afkomstig zijn;
b. de naam en het adres van degene naar wie de goederen worden vervoerd;
c. de naam en het adres van degene die de goederen vervoert;
d. de soorten en de hoeveelheden van de goederen;
e. de datum waarop het vervoer van de goederen is aangevangen.
Artikel 6
Voor de toepassing van artikel 4, derde lid, van de wet wordt als het op incidentele basis aanwenden van een beperkte hoeveelheid alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak aangemerkt die hoeveelheid die een bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid niet overschrijdt.
Artikel 7
De in artikel 4, eerste lid, van de wet bedoelde personen of lichamen moeten hun administratie zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de heffing van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak van belang zijnde gegevens zijn opgenomen. De administratie dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van de vorenbedoelde goederen.
1.
Het brengen, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdelen a en d, van de wet van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een derde land of vanuit een plaats voor tijdelijke opslag naar een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, alsmede het brengen, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, van de wet van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die zijn geplaatst onder een communautaire douaneregeling naar een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, dient bij het op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, aangeven voor het vrije verkeer van dat goed te worden aangetoond met een vervoersopdracht, waarop een verklaring is gesteld van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zullen worden overgebracht dat de goederen worden overgebracht naar zijn inrichting en in de administratie van zijn inrichting worden opgenomen.
2.
De in het eerste lid bedoelde goederen dienen binnen één maand na het tijdstip waarop de op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, vereiste aangifte is gedaan hun bestemming te hebben bereikt.
3.
De vervoersopdracht wordt opgemaakt door de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht, dan wel in diens opdracht.
Artikel 9
Het brengen, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, van de wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een derde land naar een plaats voor tijdelijke opslag, het in Nederland plaatsen onder een communautaire douaneregeling van vanuit een derde land binnengebrachte alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de wet, alsmede het onder ambtelijk toezicht vernietigen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die onder een communautaire douaneregeling zijn geplaatst, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel e, van de wet, dient te geschieden met inachtneming van de formaliteiten die op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, moeten worden vervuld.
1.
In de vervoersopdracht, bedoeld in de artikelen 2 en 8, worden vermeld:
a. de naam en het adres van degene die de vervoersopdracht opmaakt dan wel van degene in wiens opdracht zij wordt opgemaakt;
b. de naam en het adres van degene die de goederen overbrengt;
c. de naam en het adres van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht en het adres van die inrichting;
d. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van belang zijnde samenstelling van de goederen; en
e. de datum waarop de overbrenging van de goederen aanvangt.
2.
De vervoersopdracht dient te zijn gedagtekend en ondertekend.
3.
Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid vergunninghouder is van een inrichting, wordt tevens het nummer van zijn vergunning vermeld.
4.
Afschriften van de vervoersopdrachten worden door de vergunninghouder van de inrichting die de vervoersopdracht heeft opgemaakt of heeft doen opmaken op overzichtelijke wijze bij zijn administratie bewaard.
1.
De vergunninghouder van een inrichting moet:
a. de administratieve organisatie van de inrichting zodanig doen zijn dat zij een juiste en volledige vastlegging van de bedrijfshandelingen waarborgt; en
b. de administratie van de inrichting zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens omtrent alle voor de heffing van belang zijnde bedrijfshandelingen zijn opgenomen.
2.
De administratie van de vergunninghouder van de inrichting dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van:
a. de uitgeslagen alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak en de daarvoor uitgereikte facturen;
b. de vervoersopdrachten of, indien artikel 2, vijfde lid, toepassing vindt, de overgebrachte alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak met de daarbij behorende gegevens en de daarvoor uitgereikte facturen;
c. de uit Nederland betrokken alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak;
d. de uit een andere lid-staat betrokken alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak; en
e. de uit een derde land betrokken alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak.
3.
Met betrekking tot inrichtingen waar alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden vervaardigd, dient de in het eerste lid, onderdeel b , bedoelde administratie tevens de voor de heffing van belang zijnde gegevens te bevatten omtrent de inkoop van grondstoffen en van halffabrikaten, alsmede omtrent de vervaardiging van halffabrikaten en van eindprodukten.
1.
Indien degene die om een vergunning voor een inrichting verzoekt naar het oordeel van de inspecteur niet volledig kan voldoen aan het bepaalde in artikel 11, eerste lid, stelt de inspecteur voorwaarden met betrekking tot de locatie en de inrichting van de inrichting, alsmede met betrekking tot het stelsel van toezicht.
2.
De in het eerste lid bedoelde inrichting van een inrichting heeft mede betrekking op de daar aanwezige produktie-, transport- en opslaginstallaties.
Artikel 13
Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag en de invoer van vruchte- en groentesappen die kennelijk zijn bestemd om te worden gebruikt als aanvulling op kindervoeding, voor medicinale doeleinden of anders dan om te worden gedronken, wordt verleend indien die bestemming blijkt uit de kleinhandelsverpakking en de presentatie van het produkt.
1.
Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag en de invoer van:
a. vruchte- en groentesappen die worden gebruikt voor het vervaardigen van vruchte- of groentesappen als bedoeld in artikel 28 van de wet; en
b. alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt als grondstof voor het vervaardigen van andere goederen dan alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak,
wordt verleend indien degene die deze goederen betrekt in het bezit is van een vergunning van de inspecteur waaruit blijkt dat hij de desbetreffende goederen met vrijstelling mag betrekken met inachtneming van de in het tweede tot en met vijfde lid opgenomen voorwaarden.
2.
Om de in het eerste lid bedoelde vergunning te kunnen verkrijgen dient de administratie van degene die om de vergunning verzoekt zodanig te zijn ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens omtrent alle voor de vrijstelling van belasting van belang zijnde bedrijfshandelingen zijn opgenomen. Daarin moeten in ieder geval de gegevens zijn opgenomen omtrent de betrokken alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak en omtrent de daarvan vervaardigde alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak dan wel andere goederen.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a , is artikel 13 van overeenkomstige toepassing op de door degene die de goederen met vrijstelling betrekt vervaardigde vruchte- en groentesappen.
4.
Degene die de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak met vrijstelling betrekt dient zekerheid te stellen voor de belasting die hij verschuldigd kan worden. De artikelen 56, vijfde tot en met achtste lid, en 57 tot en met 60 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.
5.
Met betrekking tot het brengen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een inrichting, een derde land, een andere lid-staat, een entrepot of een plaats voor tijdelijke opslag naar degene die de goederen met vrijstelling betrekt, zijn de artikelen 2, 5, 8 en 10 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het nummer van de vergunning van degene die de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak met vrijstelling mag betrekken dient te worden vermeld op de vervoersopdracht of het bescheid, dan wel dient te worden opgenomen in de administratie van de inrichting van waaruit de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden overgebracht met overeenkomstige toepassing van artikel 2, vijfde lid.
Artikel 15
Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag of de invoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat, anders dan over de binnenwateren, wordt verleend indien:
a. de eigenaar of exploitant van het schip of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip verklaart dat de aan hem te leveren alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;
b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de inrichting opgesteld bescheid ingeval van uitslag of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid ingeval van invoer;
c. de eigenaar of exploitant van het schip of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en
d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de inrichting ingeval van uitslag en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, ingeval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke wijze bewaard bij de administratie aan boord van het schip.
Artikel 16
Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag of de invoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt aan boord van luchtvaartuigen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat wordt verleend indien:
a. de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het luchtvaartuig verklaart dat de aan hem te leveren alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden gebruikt voor het in de aanhef bedoelde gebruik;
b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de inrichting opgesteld bescheid ingeval van uitslag of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid ingeval van invoer;
c. de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het luchtvaartuig beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en
d. een exemplaar op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie van de vergunninghouder van de inrichting ingeval van uitslag en bij de administratie van degene die de aangifte tot plaatsing onder de douaneregeling brengen in het vrije verkeer doet, ingeval van invoer. Het andere exemplaar wordt op overzichtelijke wijze bewaard bij de administratie van de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig.
1.
Vrijstelling van belasting ter zake van de uitslag en de invoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die worden gebruikt voor onderzoek, kwaliteitscontroles en smaaktesten buiten een inrichting wordt verleend indien de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden uitgeslagen dan wel degene die de goederen invoert, in het bezit is van een vergunning van de inspecteur waaruit blijkt dat hij de desbetreffende goederen met vrijstelling mag uitslaan dan wel invoeren.
2.
De vergunning wordt op verzoek verleend. In het verzoek om de vergunning worden vermeld:
a. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van belang zijnde samenstelling van de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak;
b. de naam en het adres van de plaats waar de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak zullen worden onderzocht, gecontroleerd of getest;
c. de aard en het doel van het onderzoek, de controle of de test; en
d. de bestemming van de eventueel resterende alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak na afloop van het onderzoek, de controle of de test.
3.
Bij het verzoek om de vergunning moet de schriftelijke opdracht voor de in het eerste lid bedoelde onderzoeken, controles of testen worden overgelegd.
4.
De vergunning kan worden verleend voor een bepaalde periode of voor periodiek wederkerende onderzoeken, controles of testen. De in het tweede lid bedoelde opdrachten dienen alsdan afzonderlijk per onderzoek, controle of test uit de administratie te blijken.
5.
De alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die na afloop van de in het eerste lid bedoelde onderzoeken, controles of testen resteren moeten na de onderzoeken, controles of testen worden overgebracht naar een inrichting, worden uitgevoerd of onder ambtelijk toezicht worden vernietigd.
Artikel 18
Voor de toepassing van de teruggaaf van belasting voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak in gevallen waarin deze goederen op de voet van artikel 29 van de wet zouden kunnen worden betrokken met vrijstelling, is artikel 14 van overeenkomstige toepassing met uitzondering van het bepaalde in het vierde en het vijfde lid van dat artikel.
Artikel 19
Teruggaaf van belasting waarvoor op de voet van artikel 30 van de wet aanspraak op een vrijstelling zou bestaan, wordt verleend indien:
a. degene die om teruggaaf verzoekt in zijn administratie een verklaring opneemt van de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig dat de goederen worden gebruikt voor het in artikel 30 van de wet bedoelde gebruik;
b. de verklaring in tweevoud geschiedt met gebruikmaking van een door degene die de levering heeft verricht opgesteld bescheid;
c. de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig of zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig beide exemplaren van de verklaring ondertekent; en
d. een exemplaar van de verklaring op overzichtelijke wijze wordt bewaard bij de administratie aan boord van het schip of bij de administratie van de eigenaar of exploitant van het luchtvaartuig.
1.
Teruggaaf van belasting voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die zijn verloren gegaan, wordt verleend indien de goederen tot een bedrijfsvoorraad behoren en de belanghebbende onverwijld nadat is geconstateerd dat de goederen zijn verloren gegaan daarvan melding doet bij de inspecteur.
2.
De soort, de hoeveelheid en de voor de berekening van de teruggaaf van belang zijnde samenstelling van de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die zijn verloren gegaan, alsmede het tijdstip waarop en de oorzaak waardoor de goederen verloren zijn gegaan, dienen door de belanghebbende te worden aangetoond.
3.
Teruggaaf wordt uitsluitend verleend indien het verloren gaan van de alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak is te wijten aan overmacht of ongeval.
Artikel 21
Voor de toepassing van teruggaaf van belasting voor onder ambtelijk toezicht vernietigde alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak is artikel 20, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
Teruggaaf van belasting voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die zijn gebracht naar een derde land of zijn geplaatst onder een communautaire douaneregeling met als bestemming een derde land, wordt verleend indien in de administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting elektronische op geprinte exemplaren zijn opgenomen van het uitvoergeleidedocument of de aangifte ten uitvoer alsmede van de bevestiging van uitgang, welke documenten zijn vereist op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet.
1.
Teruggaaf van belasting voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die zijn gebracht binnen een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, wordt verleend aan de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn overgebracht indien uit de administratie blijkt dat de goederen in zijn inrichting zijn opgenomen.
2.
De vergunninghouder van de inrichting brengt het bedrag waarvoor aanspraak op teruggaaf wordt gemaakt in mindering op het bedrag dat hij ingevolge artikel 20 van de wet op aangifte moet voldoen over het tijdvak waarin de desbetreffende alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak binnen zijn inrichting zijn gebracht.
Artikel 24
Voor de toepassing van de teruggaaf van belasting voor alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die door een ondernemer zijn overgebracht naar een ondernemer dan wel een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer, in een andere lid-staat, dient belanghebbende aan de hand van boeken en bescheiden aan te tonen dat de goederen hun bestemming hebben bereikt.
Artikel 25
Bij een verzoek om teruggaaf binnen drie maanden na een tariefwijziging van de belasting wordt teruggaaf ingevolge deze afdeling bij een tariefverhoging naar het daarvóór geldende tarief en bij een tariefverlaging naar het dan geldende tarief verleend, tenzij de belanghebbende aantoont dat de belasting waarvan teruggaaf wordt gevraagd, is voldaan naar het na de tariefverhoging geldende onderscheidenlijk vóór de tariefverlaging gegolden hebbende hogere tarief.
1.
Voor een verzoek om teruggaaf van belasting wordt gebruik gemaakt van een van rijkswege beschikbaar gesteld elektronisch formulier.
2.
Tenzij anders bepaald wordt een verzoek om teruggaaf van belasting ingediend bij de inspecteur uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.
3.
Degene die verzoekt om teruggaaf van belasting neemt in zijn administratie de aankoopfacturen van de desbetreffende alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak op alsmede alle andere bescheiden die in verband met het verzoek om teruggaaf zijn vereist.
4.
De administratie van degene die verzoekt om teruggaaf van belasting is voorts zodanig ingericht, dat daarin op overzichtelijke wijze alle van belang zijnde gegevens zijn opgenomen voor de beoordeling van het bedrag van de teruggaaf.
1.
Van alcoholvrije dranken die worden vervoerd dan wel voorhanden zijn buiten een inrichting of een entrepot, moet aan de hand van bescheiden de herkomst kunnen worden aangetoond.
2.
Het bescheid dat wordt gebruikt om de herkomst aan te tonen van alcoholvrije dranken die worden vervoerd, mag niet ouder zijn dan zes dagen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot alcoholvrije dranken die bij anderen dan ondernemers als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, of publiekrechtelijke lichamen, anders dan als ondernemer, voorhanden zijn of door hen worden vervoerd voor eigen verbruik voor zover die produkten zich bevinden in de gebruikelijke kleinhandelsverpakkingen.
Artikel 28
Met betrekking tot het verlenen, het aanpassen en het intrekken van op grond van dit besluit te verlenen vergunningen zijn de artikelen 45 tot en met 50 van de Wet op de accijns van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
In een douane-entrepot of een vrij entrepot in de zin van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, mogen voorhanden zijn:
a. niet-communautaire alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak als bedoeld in artikel 4, onderdeel 8, van het Communautair douanewetboek;
b. communautaire alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak als bedoeld in artikel 4, onderdeel 7, van het Communautair douanewetboek die voor uitvoer zijn vrijgegeven en die in afwachting van het verlaten van de Gemeenschap worden opgeslagen in een douane-entrepot van het type B of C, met toepassing van artikel 106, eerste lid, onderdeel a, van het Communautair douanewetboek in samenhang met artikel 534 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek.
1.
De voor opslag bestemde inrichtingen van de vergunninghouder van een entrepot van het type E of van het type C, bedoeld in artikel 525, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel c, van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek, kunnen voor de opslag van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak als inrichting worden aangewezen.
2.
Uit de administratie van de vergunninghouder voor de inrichting en voor een entrepot als bedoeld in het eerste lid, blijkt op overzichtelijke wijze welke goederen in de inrichting zijn opgeslagen en welke in het entrepot.
3.
Met betrekking tot plaatsen waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid is verleend, wordt onder het in artikel 5, derde lid, onderdeel c, van de wet bedoelde brengen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die zijn geplaatst onder een communautaire douaneregeling vanuit het entrepot naar een inrichting die voor dat soort goederen als zodanig is aangewezen, mede verstaan het in de administratie overboeken van de goederen van het entrepot naar de inrichting.
4.
Voor de in het derde lid bedoelde overbrengingen is geen vervoersopdracht vereist.
5.
Op verzoek kunnen alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden aangemerkt als voorhanden te zijn in plaatsen waarvoor een in het eerste lid bedoelde vergunning is verleend indien zij in de administratie van de inrichting dan wel van het entrepot zijn opgenomen. In afwijking in zoverre van artikel 2, derde lid, worden de vervoersopdrachten alsdan voorzien van de verklaring dat de goederen in de administratie zijn opgenomen.
Artikel 32
Strafbare feiten zijn:
a. het nalaten te voldoen aan een in de artikelen 2, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, tiende en twaalfde lid, 3, tweede en derde lid, 7, 11, 15, 16 en 27 opgenomen verplichting en een op grond van artikel 12 opgelegde verplichting; en
b. het overigens in strijd met dit besluit vervoeren of voorhanden hebben van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak.
Artikel 33
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.
Artikel 34
Dit besluit kan worden aangehaald als Uitvoeringsbesluit verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Het Oude Loo, 24 december 1992
De Staatssecretaris van Financiën,
Uitgegeven de dertigste december 1992
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Inrichting
+ Hoofdstuk III. Vrijstellingen en teruggaven
+ Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk V. Ontheffing verbodsbepalingen
+ Hoofdstuk VI. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht