Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2013. U leest nu de tekst die gold op -.

Uitvoeringsbesluit verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken

Uitgebreide informatie
2.
In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten .
1.
Het brengen, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een inrichting naar een andere inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, dient te kunnen worden aangetoond met een vervoersopdracht.
2.
De vervoersopdracht wordt opgemaakt door de vergunninghouder van de inrichting van waaruit alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak worden overgebracht.
3.
De vervoersopdracht moet binnen één maand na de datum van verzending van de in het eerste lid bedoelde goederen zijn terugontvangen door de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht, voorzien van een verklaring van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn overgebracht dat de goederen hun bestemming hebben bereikt en in de administratie van zijn inrichting zijn opgenomen.
4.
De vergunninghouder van de inrichting waarnaar de in het eerste lid bedoelde goederen zijn overgebracht, draagt zorg voor de terugzending van de in het derde lid bedoelde vervoersopdracht.
5.
Indien de in het derde lid bedoelde vervoersopdracht niet wordt terugontvangen voorzien van de in het derde lid bedoelde verklaring, stelt de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht, de inspecteur daarvan in kennis uiterlijk binnen twee maanden na de datum van verzending van de goederen.
6.
De vervoersopdracht, bedoeld in het eerste lid, kan op verzoek achterwege blijven indien:
a. zowel de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen worden overgebracht, als de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht, beschikt over een administratie waarin deze overbrengingen afzonderlijk worden bijgehouden en waaruit naar het oordeel van de inspecteur de overbrengingen op overzichtelijke wijze zijn af te lezen;
b. gebruik wordt gemaakt van een maandverklaring, waarin de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen worden overgebracht opgave doet van de door hem in een kalendermaand zonder vervoersopdracht naar een andere inrichting overgebrachte goederen; en
c. de maandverklaring na afloop van een kalendermaand wordt verstrekt aan elke vergunninghouder van een inrichting waarnaar in die kalendermaand goederen zijn overgebracht.
7.
De toestemming voor toepassing van het zesde lid wordt opgenomen in de vergunning voor beide in het zesde lid bedoelde inrichtingen. Op de toestemming zijn de artikelen 43 tot en met 50 van de Wet op de accijns van overeenkomstige toepassing.
8.
De administratie van de in het zesde lid bedoelde vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen worden overgebracht, bevat in ieder geval:
a. de naam, het adres en het vergunningnummer van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn overgebracht;
b. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van de belasting van belang zijnde samenstelling van de goederen;
c. de datum van verzending van de goederen; en
d. per overbrenging het nummer van de maandverklaring waarin die overbrenging is begrepen.
9.
De administratie van de in het zesde lid bedoelde vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht, bevat in ieder geval:
a. de naam, het adres en het vergunningnummer van de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht;
b. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van de belasting van belang zijnde samenstelling van de goederen;
c. de datum van verzending van de goederen;
d. de datum waarop de goederen zijn ontvangen; en
e. per overbrenging het nummer van de maandverklaring waarin die overbrenging is begrepen.
10.
De vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn overgebracht, draagt zorg voor de terugzending van de in het zesde lid bedoelde maandverklaring.
11.
De in het zesde lid bedoelde maandverklaring moet binnen één maand na de maand waarop de maandverklaring betrekking heeft, zijn terugontvangen door de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht, voorzien van een verklaring van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zijn overgebracht, dat de goederen hun bestemming hebben bereikt en in de administratie van zijn inrichting zijn opgenomen.
12.
Indien de maandverklaring niet wordt terugontvangen voorzien van de in het elfde lid bedoelde verklaring, stelt de vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen zijn overgebracht, de inspecteur daarvan onverwijld in kennis, maar uiterlijk binnen één week na afloop van de maand waarin de maandverklaring door hem moet zijn terugontvangen.
13.
Bij toepassing van het zesde lid is artikel 27 van overeenkomstige toepassing.
1.
Het brengen, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, van de wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een inrichting naar een ondernemer dan wel een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer, in een andere lid-staat dient te blijken uit boeken en bescheiden.
2.
De vergunninghouder van de inrichting van waaruit de goederen, bedoeld in het eerste lid, worden overgebracht dient te beschikken over een administratie waarin deze overbrengingen afzonderlijk worden bijgehouden en waaruit naar het oordeel van de inspecteur de overbrengingen op overzichtelijke wijze zijn af te lezen.
3.
De in het tweede lid bedoelde administratie bevat in ieder geval de gegevens over de door de vergunninghouder in het tijdvak waarover aangifte wordt gedaan overgebrachte goederen, alsmede per overbrenging:
a. de naam en het adres van de ondernemer dan wel het publiekrechtelijke lichaam, anders dan als ondernemer, waarnaar de goederen zijn overgebracht;
b. de soort, de hoeveelheid en de voor de belastingheffing van belang zijnde samenstelling van de goederen;
c. de datum waarop de overbrenging van de goederen is aangevangen.
Artikel 4
Het brengen, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c, van de wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een inrichting naar een derde land wordt aangetoond met afdrukken van het uitvoergeleidedocument of de aangifte ten uitvoer alsmede van de bevestiging van uitgang, welke documenten zijn vereist op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet.
1.
Het vervoer van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, b, c, d of e, van de wet naar een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, naar een ondernemer of publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer, naar een natuurlijke persoon die de goederen voor andere doeleinden dan voor persoonlijk verbruik betrekt in Nederland, naar een andere lid-staat via Nederland of naar een derde land dient te kunnen worden aangetoond met een bescheid.
2.
In het bescheid, bedoeld in het eerste lid, worden vermeld:
a. de naam en het adres van degene van wie de goederen afkomstig zijn;
b. de naam en het adres van degene naar wie de goederen worden vervoerd;
c. de naam en het adres van degene die de goederen vervoert;
d. de soorten en de hoeveelheden van de goederen;
e. de datum waarop het vervoer van de goederen is aangevangen.
Artikel 6
Voor de toepassing van artikel 4, derde lid, van de wet wordt als het op incidentele basis aanwenden van een beperkte hoeveelheid alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak aangemerkt die hoeveelheid die een bij ministeriële regeling vastgestelde hoeveelheid niet overschrijdt.
Artikel 7
De in artikel 4, eerste lid, van de wet bedoelde personen of lichamen moeten hun administratie zodanig doen zijn dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de heffing van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak van belang zijnde gegevens zijn opgenomen. De administratie dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van de vorenbedoelde goederen.
1.
Het brengen, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdelen a en d, van de wet van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een derde land of vanuit een plaats voor tijdelijke opslag naar een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, alsmede het brengen, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, van de wet van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die zijn geplaatst onder een communautaire douaneregeling naar een inrichting die voor dat soort goed als zodanig is aangewezen, dient bij het op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, aangeven voor het vrije verkeer van dat goed te worden aangetoond met een vervoersopdracht, waarop een verklaring is gesteld van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen zullen worden overgebracht dat de goederen worden overgebracht naar zijn inrichting en in de administratie van zijn inrichting worden opgenomen.
2.
De in het eerste lid bedoelde goederen dienen binnen één maand na het tijdstip waarop de op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, vereiste aangifte is gedaan hun bestemming te hebben bereikt.
3.
De vervoersopdracht wordt opgemaakt door de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht, dan wel in diens opdracht.
Artikel 9
Het brengen, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, van de wet, van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak vanuit een derde land naar een plaats voor tijdelijke opslag, het in Nederland plaatsen onder een communautaire douaneregeling van vanuit een derde land binnengebrachte alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de wet, alsmede het onder ambtelijk toezicht vernietigen van alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak die onder een communautaire douaneregeling zijn geplaatst, bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel e, van de wet, dient te geschieden met inachtneming van de formaliteiten die op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, moeten worden vervuld.
1.
In de vervoersopdracht, bedoeld in de artikelen 2 en 8, worden vermeld:
a. de naam en het adres van degene die de vervoersopdracht opmaakt dan wel van degene in wiens opdracht zij wordt opgemaakt;
b. de naam en het adres van degene die de goederen overbrengt;
c. de naam en het adres van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de goederen worden overgebracht en het adres van die inrichting;
d. de soort, de hoeveelheid en de voor de heffing van belang zijnde samenstelling van de goederen; en
e. de datum waarop de overbrenging van de goederen aanvangt.
2.
De vervoersopdracht dient te zijn gedagtekend en ondertekend.
3.
Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid vergunninghouder is van een inrichting, wordt tevens het nummer van zijn vergunning vermeld.
4.
Afschriften van de vervoersopdrachten worden door de vergunninghouder van de inrichting die de vervoersopdracht heeft opgemaakt of heeft doen opmaken op overzichtelijke wijze bij zijn administratie bewaard.
Inhoudsopgave
- Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Inrichting
+ Hoofdstuk III. Vrijstellingen en teruggaven
+ Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen
+ Hoofdstuk V. Ontheffing verbodsbepalingen
+ Hoofdstuk VI. Strafbepalingen
+ Hoofdstuk VII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht