Let op. Deze wet is vervallen op 22 december 2009. U leest nu de tekst die gold op 21 december 2009.

Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren

Uitgebreide informatie
Besluit van 5 november 1970, ter uitvoering van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren met betrekking tot oppervlaktewateren onder beheer van het Rijk en de volle zee
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 augustus 1970, nr. RWW/A 41765, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Waterstaatsrecht, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;
De Raad van de Waterstaat gehoord;
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 4, eerste en tweede lid, 17, eerste lid, 18, tweede lid, 19, tweede en vierde lid, 20, tweede lid, en 22, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
De Raad van State gehoord (advies van 2 september 1970, nr. 18);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 oktober 1970, nr. HW/RWW 66641;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Dit besluit is van toepassing op:
a. oppervlaktewateren in beheer bij het Rijk, met inbegrip van met deze wateren in open verbinding staande wateren, welke zijn aangewezen bij het Besluit aanwijzing zijwateren van hoofdwateren en van met de eerstbedoelde wateren in open verbinding staande havens welke bij anderen dan het Rijk in beheer zijn;
b. het gedeelte van de volle zee, binnen de door Ons ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bepaalde afstand uit de kust.
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. de Wet: de Wet verontreiniging oppervlaktewateren ;
c. rijkswateren: de in artikel 1 bedoelde oppervlaktewateren;
d. de volle zee: het gedeelte van de volle zee, bedoeld in artikel 1, onder b;
e. hoofdingenieur-directeur: de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat, onder wie de wateren ressorteren;
f. vergunning: een vergunning, als bedoeld in artikel 1, eerste, derde of vierde lid, van de Wet.
Artikel 3
Bij dit besluit behoort de volgende bijlage;
Bijlage I : voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening.
Artikel 5
Na verkregen overeenstemming met dat bestuur kan Onze Minister de bevoegdheid tot het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning ten aanzien van een haven, die in open verbinding staat met een rijkswater, geheel of gedeeltelijk toekennen aan het bestuur van het openbaar lichaam, dat de haven beheert.
Artikel 6
De aanvrage tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning tot het brengen van afvalstoffen, of van verontreinigende of schadelijke stoffen in rijkswateren of in volle zee wordt gericht aan Onze Minister, doch ingediend bij de hoofdingenieur-directeur.
1.
In of bij de aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning tot het brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in rijkswateren of de volle zee worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:
a. een globale omschrijving van de lozing, waarbij in ieder geval wordt vermeld of de lozing continu dan wel discontinu plaatsvindt, met welke regelmaat lozingen of deellozingen plaatsvinden, de wijze waarop de lozing plaatsvindt en de activiteiten waaruit de lozing voortkomt;
b. een aanduiding van de plaats van de lozing met toelichtende tekening;
c. een karakterisering naar aard, samenstelling, eigenschappen, hoeveelheid en herkomst van de afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
d. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de lozing te voorkomen of te beperken, met toelichtende tekening, alsmede de maatregelen die voor dat doel worden getroffen bij definitieve stopzetting van de activiteiten en
e. een opgave van de periode waarvoor een vergunning wordt gevraagd.
2.
Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een lozing afkomstig van een bedrijf, worden naast de in het eerste lid bedoelde gegevens, in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. een omschrijving van de aard van het bedrijf en de aard en omvang van de activiteiten die daar plaatsvinden;
b. een processchema van de opzet en een beschrijving van de capaciteit van elke installatie waardoor of waarin processen plaatsvinden die leiden of kunnen leiden tot het in oppervlaktewater brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, waarbij wordt aangegeven welke afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen waar en in welke mate vrijkomen;
c. een rioleringstekening;
d. een beschrijving van de aard, samenstelling, eigenschappen, de hoeveelheid en de locatie binnen het bedrijf van de grondstoffen, hulpstoffen, tussenprodukten en eindprodukten die naar redelijke verwachting binnen het bedrijf aanwezig kunnen zijn, voorzover deze, al dan niet rechtstreeks, in het oppervlaktewater kunnen geraken;
e. een beschrijving van de aard en omvang van de belasting van het oppervlaktewater ten gevolge van de lozing, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige effecten op het watermilieu;
f. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen betreffende het voorkomen of beperken van lozing van afvalstoffen door het hergebruiken of nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor hergebruik of nuttige toepassing van zodanige stoffen;
g. een opgave van de redelijkerwijs mogelijk te achten hoeveelheid en hoedanigheid van de afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen die tengevolge van een ongewoon voorval in het oppervlaktewater kunnen geraken alsmede een beschrijving van de maatregelen om dit zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken;
h. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd;
i. een opgave van de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de lozing die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn en
j. een niet-technische samenvatting van de in dit lid, alsmede de in het eerste lid bedoelde gegevens.
3.
Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een werk waarop een of meer andere werken zijn aangesloten, worden naast de in het eerste en het tweede lid bedoelde gegevens in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
a. een beschrijving van het verzorgingsgebied dat op het werk is aangesloten en
b. voorzover de aanvraag betrekking heeft op een rioolstelsel: de technische gegevens van dat rioolstelsel.
4.
Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van de hoofdingenieur-directeur bij de aanvraag nadere gegevens.
Artikel 7a
De in artikel 6 bedoelde aanvraag, alsmede de in artikel 7 bedoelde gegevens worden in tienvoud of, indien een beschikking wordt aangevraagd met betrekking tot de totstandkoming waarvan afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is verklaard, in drievoud, verstrekt.
Artikel 8
Van een beschikking tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning wordt door het gezag dat deze beschikking geeft afschrift gezonden aan het hoofd.
Artikel 8a
Indien de exploitatie van een installatie, van waaruit de lozing waarvoor vergunning wordt aangevraagd plaatsvindt, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een andere lidstaat van de Europese Unie kan veroorzaken, dan wel indien een andere lidstaat van de Europese Unie die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van de exploitatie van een installatie kan ondervinden daarom verzoekt, verstrekt de hoofdingenieur-directeur een afschrift van de aanvraag met de daarbij behorende stukken aan de betreffende lidstaat op het tijdstip waarop daarvan in Nederland kennis wordt gegeven dan wel de aanvraag met de daarbij behorende stukken in Nederland ter inzage wordt gelegd.
1.
Indien door natuurlijke afstroming of op kunstmatige wijze uit een oppervlaktewater verontreinigd of schadelijk water wordt geloosd in de rijkswateren, verstrekt het bestuur van het openbaar lichaam dat belast is met de zorg voor de goede hoedanigheid van dat oppervlaktewater aan de hoofdingenieur-directeur op diens verzoek, in viervoud, alle gegevens welke kunnen dienen voor de beoordeling van de hoeveelheid en van de hoedanigheid van het verontreinigde water dat in de rijkswateren wordt gebracht.
2.
De hoofdingenieur-directeur zendt de in het eerste lid bedoelde gegevens om advies aan de hoofdingenieur-directeur van het rijksinstituut voor zuivering van afvalwater.
1.
De vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten of onderdelen van een bedrijfsruimte wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De berekening geschiedt met inachtneming van de in bijlage I, onderdeel C , van dit besluit opgenomen voorschriften. De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat;
a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;
b. het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid afvalstoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in rijkswateren wordt gebracht;
c. de in bijlage I, onderdelen A en B , van dit besluit opgenomen voorschriften in acht genomen worden.
2.
Het hoofd:
a. kan, voorzover noodzakelijk ter voldoening aan het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van één of meer van de in bijlage I, onderdelen A en B van dit besluit opgenomen voorschriften en kan daaromtrent nadere voorschriften geven.
b. beslist op aanvraag van de heffingplichtige, die aannemelijk maakt dat daardoor voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, en de uitkomsten van de analyse daardoor niet worden beïnvloed, dat van één of meer van de in bijlage I, onderdelen A en B , van dit besluit opgenomen voorschriften, kan worden afgeweken en kan daaromtrent nadere voorschriften geven.
3.
a. De beslissing van het hoofd, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in elk geval:
a. de voorschriften van bijlage I, onderdelen A en B , waarvan moet worden afgeweken;
b. de voorgeschreven afwijkingen van de in bijlage I, onderdelen A en B , opgenomen voorschriften;
c. nadere voorschriften van het hoofd;
d. het heffingsjaar of de heffingsjaren ten aanzien waarvan die beschikking van toepassing is.
b. De beslissing van het hoofd op een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat in elk geval:
a. de voorschriften van bijlage I, onderdelen A en B waarvan mag worden afgeweken;
b. de toegestane afwijkingen van de in bijlage I, onderdelen A en B , opgenomen voorschriften;
c. nadere voorschriften van het hoofd;
d. het heffingsjaar of de heffingsjaren ten aanzien waarvan die beschikking van toepassing is.
4.
Het hoofd neemt zijn beslissingen, bedoeld in het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het hoofd is bevoegd twee of meer van de op basis van het tweede lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.
5.
De heffingplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis aan het hoofd.
6.
Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde vervuilingswaarde geschieden meting, bemonstering en analyse door de heffingplichtige ieder etmaal van het heffingsjaar met betrekking tot alle in de heffing betrokken stoffen.
7.
[Vervallen.]
8.
Het hoofd beslist op de aanvraag, bedoeld in artikel 20, vierde lid van de Wet, bij voor bezwaar vatbare beschikking. In zijn beschikking geeft het hoofd in ieder geval voorschriften met betrekking tot:
a. de afvalstromen en de stoffen waarop de beschikking betrekking heeft;
b. het aantal in het heffingsjaar gelegen, daartoe aangewezen tijdvakken waarin meting, bemonstering en analyse dienen te geschieden, hetzij ieder etmaal van dat aantal tijdvakken, hetzij een of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;
c. de wijze waarop de op de voet van de onderdelen a en b verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;
d. het heffingsjaar of de heffingsjaren, ten aanzien waarvan die beschikking van toepassing is.
9.
Het hoofd kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de stoffen, die vanuit een bedrijf of een bedrijfsonderdeel in rijkswateren worden gebracht;
a. de desbetreffende beschikkingen, bedoeld in het vierde lid, wijzigen of intrekken, in verband met het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a tot en met c;
b. de desbetreffende beschikking, bedoeld in het achtste lid, wijzigen indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen, bedoeld in het achtste lid, onderdeel b, dan in die beschikking is opgenomen.
10.
Het hoofd neemt de in het negende lid bedoelde beslissingen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 15a
Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik wordt berekend op basis van artikel 22 van de Wet dient de heffingplichtige een administratie te voeren zodanig dat daaruit de gegevens met betrekking tot de hoeveelheid ingenomen water duidelijk blijken.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. het beoordelingsjaar: het jaar volgend op het jaar waarin de maatregelen ten aanzien van de bestrijding van de verontreiniging met de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink, zijn voltooid;
b. het vergelijkingsjaar: het jaar dat drie jaren voor het beoordelingsjaar is gelegen.
2.
Indien een heffingplichtige in het jaar 1995, 1996, 1997 of 1998 ten aanzien van de bestrijding van de verontreiniging met de stoffen, genoemd in artikel 10 b, maatregelen treft, welke in het beoordelingsjaar leiden tot een afname van de verontreiniging van rijkswateren met die stoffen van ten minste 25% ten opzichte van het vergelijkingsjaar, vindt op diens verzoek een vermindering plaats van de belastingaanslagen met betrekking tot de lozing van bedoelde stoffen over het vergelijkingsjaar en de hierop volgende twee heffingsjaren.
3.
De in het tweede lid bedoelde vermindering is gelijk aan het percentage dat wordt verkregen volgens de formule:
waarbij
A = het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink van de heffingplichtige in het vergelijkingsjaar;
B = het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink van de heffingplichtige in het beoordelingsjaar;
C = het aantal geproduceerde eenheden in het vergelijkingsjaar;
D = het aantal geproduceerde eenheden in het beoordelingsjaar.
4.
Het hoofd verleent de in het tweede lid bedoelde vermindering van de belastingaanslagen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
5.
In afwijking in zoverre van artikel 28, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, wordt geen invorderingsrente in rekening gebracht voor zover de heffingplichtige uitstel van betaling is verleend met betrekking tot het deel van de belastingaanslagen dat overeenkomt met het vermoedelijk beloop van de vermindering, bedoeld in het tweede lid.
6.
Dit artikel blijft buiten toepassing met betrekking tot de verontreiniging van rijkswateren welke is ontstaan door het brengen van die stoffen in rijkswateren vanuit een inrichting, in gebruik bij een openbaar lichaam voor het biologisch zuiveren van huishoudelijk afvalwater.
Artikel 18
Er is een bureau verontreinigingsheffing rijkswateren. Het bureau is geplaatst onder het gezag van de Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat.
Artikel 25
Dit besluit kan worden aangehaald als: Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren.
Artikel 26
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop de Wet verontreiniging oppervlaktewateren ( Stb. 1969, 536) in werking treedt. De verontreinigingsheffing rijkswateren wordt geheven en ingevorderd met ingang van 1 januari 1971.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 5 november 1970
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de vierentwintigste november 1970.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Regeling van bevoegdheid
+ Hoofdstuk 3. De vergunning en de verklaring van ongenoegzaamheid
+ Hoofdstuk 4. Heffingen
+ Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken