Besluit van 6 juli 1993, houdende voorschriften omtrent de afdelingen, de examens, de bekostiging en de formatie van het cursorisch beroepsonderwijs, de adviesgroep programma's van eisen huisvesting, de scholengemeenschappen en de bekostiging en spreiding van landelijke organen
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 2 april 1993, nr. 93021757/3210, directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de artikelen 2.1, vierde lid, 2.8, tweede lid, 2.19, vierde lid, 2.26, tweede lid, 2.37, achtste en negende lid, 2.71, tweede en vierde lid, 2.73, tweede lid, 3.12, 3.19, tweede lid, 3.20, zevende lid, 3.21, tweede lid, 3.33, derde lid, 3.35, vijfde lid, 3.39, 3.40, 3.44, tweede lid, 3.45, eerste en tweede lid, 3.49, vierde en vijfde lid, 3.52, eerste lid, 3.57, tweede lid, 3.58, 3.69, eerste lid, 3.72, eerste en derde lid, 3.77 tot en met 3.79 en artikel II, titel F, artikel F.15, eerste lid, van de Wet van 27 mei 1992 houdende Regeling voor de structuur, de kwaliteit, de financiering, de planning en de onderlinge afstemming van voorzieningen en activiteiten op het gebied van het cursorisch beroepsonderwijs, alsmede overgangsrecht (Wet op het cursorisch beroepsonderwijs);
de artikelen 29, vijfde lid, 29 a , eerste lid, 30, 37 f , 61 en 77 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
artikel 58, tweede lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991,
artikel II, onder Q, vijfde lid, van de Wet van 23 mei 1990 houdende wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs inzake sectorvorming en vernieuwing van het middelbaar beroepsonderwijs, alsmede van enige andere wetten;
Gezien het advies van de Onderwijsraad (advies van 17 februari 1993, nr. OR 92000296/S);
De Raad van State gehoord (advies van 14 mei 1993, nr. W05.93.0211);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 1 juli 1993, nr. 93036710/3210, directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel A.I. Algemene bepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, wat het cursorisch beroepsonderwijs op het terrein van de landbouw betreft, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
wet: de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;
afdeling: een afdeling als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de wet;
opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van de wet;
landelijk orgaan: een landelijk orgaan als bedoeld in artikel 2.38, eerste lid, van de wet;
commissie onderwijs bedrijfsleven: de commissie, bedoeld in artikel 2.38, derde lid, van de wet;
inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 4.1 van de wet;
schooljaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgende jaar;
agrarisch opleidingscentrum: een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel G.3;
deeltijdequivalent: een deeltijdequivalent als bedoeld in artikel E.3 onderscheidenlijk artikel F.3;
personeelscategorie: a. de leraren en het ondersteunend en beheerspersoneel en, wat betreft agrarische opleidingscentra, de leraarconsulenten leerlingwezen;
  b. de consulenten en het ondersteunend en beheerspersoneel van een landelijk orgaan;
ondersteunend en beheerspersoneel: de personeelsleden behorende tot de centrale directie, het middenmanagement, de administratie, de algemene technische ondersteuning en het overig personeel, met uitzondering van de leraren en, wat betreft landelijke organen en agrarische opleidingscentra, met uitzondering van de consulenten onderscheidenlijk leraarconsulenten leerlingwezen;
formatie: het door het bevoegd gezag of het bestuur van een landelijk orgaan vastgestelde samenstel van functies voor het personeel in aantallen en niveaus;
formatieplaats: een betrekking met de omvang van een volledige weektaak, die de basis vormt voor de berekening van de omvang van de vergoeding van de kosten van het personeel van een school en van een landelijk orgaan.
Artikel B.1. Afdelingen in de sector techniek
De afdelingen in de sector techniek van de opleidingen leerlingwezen zijn:
1. techniek,
2. carosserie en wagenbouw,
3. weg- en waterbouwkunde,
4. proces- en laboratoriumtechniek,
5. nautische beroepen,
6. fijnmechanische techniek,
7. grafische techniek,
8. fijne techniek,
9. instrumenttechniek,
10. edelsmeden,
11. houtbewerking en woninginrichting,
12. beschermings- en afwerkingstechniek,
13. vliegtuigtechniek,
14. mode en kleding,
15. wegenbouwmachinisten,
16. brood- en banketbakken,
17. textieltechniek,
18. wegvervoer, en
19. schoentechniek.
Artikel B.2. Afdelingen in de sector landbouw en natuurlijke omgeving
De afdelingen in de sector landbouw en natuurlijke omgeving van de opleidingen leerlingwezen zijn:
1. plantenteelt,
2. veehouderij,
3. levensmiddelentechnologie,
4. bloemschikken,
5. groenvoorzieningen en natuurlijke omgeving,
6. bosbouw, cultuur- en milieutechniek,
7. dierverzorging en veterinaire ondersteuning,
8. biologisch dynamische land- en tuinbouw, en
9. paardenhouderij en paardensport.
Artikel B.3. Afdelingen in de sector economie
De afdelingen in de sector economie van de opleidingen leerlingwezen zijn:
1. administratie,
2. handel,
3. horeca,
4. slagerij en vleessector, en
5. beveiliging.
Artikel B.4. Afdelingen in de sector dienstverlening en gezondheidszorg
De afdelingen in de sector dienstverlening en gezondheidszorg van de opleidingen leerlingwezen zijn:
1. dienstverlening en gezondheidszorg,
2. assisterende beroepen in de gezondheidszorg, en
3. uiterlijke verzorging.
Artikel B.5. Opleidingen
Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke opleidingen tot de afdelingen, genoemd in de artikelen B.1 tot en met B.4, behoren.
Artikel B.6. Afdelingen in de sector techniek
De afdelingen in de sector techniek van de opleidingen deeltijds middelbaar beroepsonderwijs zijn:
1. techniek,
2. weg- en waterbouwkunde,
3. proces- en laboratoriumtechniek,
4. nautische beroepen,
5. algemene operationele techniek,
6. fijnmechanische techniek,
7. grafische technieken,
8. fijne techniek,
9. instrumenttechniek,
10. edelsmeden,
11. houtbewerking en woninginrichting,
12. beschermings- en afwerkingstechnieken,
13. vliegtuigtechnieken,
14. mode en kleding,
15. wegenbouwmachinisten,
16. brood- en banketbakken,
17. bedrijfsmanagement motorvoertuigen, en
18. reclame- en presentatietechnieken.
Artikel B.7. Afdelingen in de sector landbouw en natuurlijke omgeving
De afdelingen in de sector landbouw en natuurlijke omgeving van de opleidingen deeltijds middelbaar beroepsonderwijs zijn:
1. plantenteelt,
2. veehouderij,
3. levensmiddelentechnologie,
4. bloemschikken,
5. groenvoorzieningen en natuurlijke omgeving,
6. bosbouw, cultuur- en milieutechniek,
7. dierverzorging en veterinaire ondersteuning,
8. biologisch dynamische land- en tuinbouw, en
9. paardenhouderij en paardensport.
Artikel B.8. Afdelingen in de sector economie
De afdelingen in de sector economie van de opleidingen deeltijds middelbaar beroepsonderwijs zijn:
1. administratie,
2. handel,
3. toerisme en recreatie,
4. horeca,
5. slagerij en vleessector,
6. levensmiddelenhandel, en
7. textielhandel.
Artikel B.9. Afdelingen in de sector dienstverlening en gezondheidszorg
De afdelingen in de sector dienstverlening en gezondheidszorg van de opleidingen deeltijds middelbaar beroepsonderwijs zijn:
1. dienstverlening en gezondheidszorg,
2. mode en kleding,
3. assisterende beroepen in de gezondheidszorg,
4. uiterlijke verzorging,
5. civiele en consumptieftechnische diensten,
6. sport en bewegen, en
7. verpleging.
Artikel B.10. Opleidingen
Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke opleidingen tot de afdelingen, genoemd in de artikelen B.6 tot en met B.9, behoren.
Artikel C.1. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
kandidaat: degene die aan een of meer examenonderdelen deelneemt;
examencommissie: de commissie, bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, van de wet;
examenonderdeel: een onderdeel als bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, van de wet;
patroon: de patroon, bedoeld in artikel 1.1 van de wet.
1.
Door het bestuur van het landelijk orgaan wordt aan de leerlingen gelegenheid geboden het examen af te leggen.
2.
Het bestuur van het landelijk orgaan kan degene die niet als leerling van een onder het landelijk orgaan ressorterende opleiding is ingeschreven, in de gelegenheid stellen het examen af te leggen met inachtneming van artikel C.10.
3.
Toelating kan ook worden verkregen tot het afleggen van een of meer examenonderdelen.
1.
Het bestuur van het landelijk orgaan dan wel, indien het bestuur is samengesteld overeenkomstig artikel 2.38, tweede lid, onderdeel b , van de wet, de commissie onderwijs-bedrijfsleven, stelt voor elke opleiding een examenprogramma vast, waarin zijn opgenomen:
a. welke examenonderdelen voor het behalen van het diploma verplicht zijn, welke examenonderdelen tot de verplichte keuze examenonderdelen behoren en hoeveel van deze onderdelen het examen omvat, en welke examenonderdelen tot de vrije examenonderdelen behoren en hoeveel van deze onderdelen het examen omvat,
b. welke examenonderdelen betrekking hebben op het beroepsbegeleidend onderwijs en welke op het praktijkgedeelte dan wel op beide,
c. onder welke voorwaarden een kandidaat een praktijkgetuigschrift ontvangt,
d. een omschrijving van de examenstof van de verplichte en van de verplichte keuze examenonderdelen, en
e. de wijze waarop het cijfer voor een examenonderdeel of een deel daarvan tot stand komt.
2.
Het bestuur van het landelijk orgaan dan wel de commissie onderwijsbedrijfsleven zendt het examenprogramma en het examenreglement, bedoeld in artikel C.5 wat betreft examenonderdelen waarvoor de kwaliteitsbepaling op grond van een wettelijk voorschrift mede berust bij een andere dan Onze Minister, ter goedkeuring aan Onze Minister wie het mede aangaat.
3.
De examencommissie stelt de examenprogramma's, bedoeld in het eerste lid, op en legt deze ter advisering dan wel, indien het bestuur van het landelijk orgaan is samengesteld overeenkomstig artikel 2.38, tweede lid, onderdeel b , van de wet, ter vaststelling voor aan de commissie onderwijs-bedrijfsleven.
1.
Het bestuur van het landelijk orgaan stelt de commissie onderwijs-bedrijfsleven in de gelegenheid hem een voordracht te doen voor de benoeming van de leden van de examencommissie.
2.
De examencommissie stelt de examenopgaven vast.
1.
Het bestuur van het landelijk orgaan stelt op voorstel van de commissie onderwijs-bedrijfsleven een examenreglement vast. Het reglement bevat in elk geval bepalingen omtrent:
a. de opleidingen waarop het reglement van toepassing is,
b. de taak en bevoegdheden van de examencommissie, daaronder begrepen de maatregelen die de commissie kan nemen bij onregelmatigheden, bedoeld in artikel C.11, eerste lid,
c. de procedures met betrekking tot het examen, daaronder begrepen de aanmeldingsprocedure,
d. de bekendmaking van examendata en -tijdstippen,
e. de indeling van het examen,
f. de wijze waarop het examen wordt afgenomen, daaronder begrepen afwijkingen die ten behoeve van gehandicapte kandidaten en kandidaten voor wie Nederlands niet de moedertaal is door de examencommissie kunnen worden toegestaan,
g. de hulpmiddelen die bij het afleggen van het examen mogen worden gebruikt,
h. de gang van zaken tijdens het examen,
i. de vaststelling van de examenresultaten en de uitslag,
j. het verlenen van vrijstelling van een of meer examenonderdelen,
k. de vaststelling en waardering van de resultaten van de examenonderdelen en de vaststelling van de uitslag van het examen,
l. de gevallen waarin en de wijze waarop kandidaten gelegenheid tot herkansing krijgen,
m. het bewaren van en inzage geven in het examenwerk.
2.
In het examenreglement kan worden bepaald dat bepaalde examenonderdelen worden afgenomen door in het reglement daartoe aangewezen rechtspersonen, niet zijnde het landelijk orgaan.
Artikel C.6. Bekendmaking
Het reglement en wijzigingen daarvan worden tijdig voor aanvang van de examens waarop het betrekking heeft door het bestuur van het landelijk orgaan toegezonden aan de inspectie, de desbetreffende scholen en patroons. De scholen leggen het reglement ter inzage voor de kandidaten.
Artikel C.7. Gemeenschappelijke examens leerlingwezen en m.b.o.
Het bestuur van het landelijk orgaan en het bevoegd gezag van een scholengemeenschap waarvan ten minste deel uitmaken een school voor middelbaar beroepsonderwijs en een school voor beroepsbegeleidend onderwijs, die opleidingen verzorgen waarvoor de eindtermen op voorstel van dat bestuur dan wel de commissie onderwijs-bedrijfsleven worden vastgesteld, kunnen bepalen dat de examens voor de leerlingen van de desbetreffende opleidingen worden afgenomen door een gemeenschappelijke examencommissie.
1.
De examencommissie stelt de uitslag van het examen vast.
2.
Nadat de uitslag is vastgesteld, maakt de examencommissie deze met de eindcijfers zo spoedig mogelijk bekend aan de kandidaat.
1.
Aan de kandidaat die voor een examenonderdeel een voldoende resultaat heeft behaald, wordt een certificaat uitgereikt. Op het certificaat worden ten minste vermeld het examenonderdeel, het voor dat onderdeel behaalde cijfer, de afdeling en opleiding waarin het examen is afgelegd, alsmede de datum waarop het resultaat van het examenonderdeel is vastgesteld. Het certificaat heeft een onbeperkte geldigheidsduur.
2.
Aan de kandidaat die is geslaagd voor alle examenonderdelen, behorend tot een opleiding, wordt een diploma uitgereikt.
3.
Aan iedere kandidaat die een examen heeft afgelegd, wordt een cijferlijst uitgereikt. Op de cijferlijst worden ten minste vermeld de door de kandidaat afgelegde examenonderdelen en de daarbij behaalde cijfers.
4.
Duplicaten van diploma’s en certificaten worden niet uitgereikt.
1.
Kandidaten die op grond van artikel C.2, tweede lid, worden toegelaten tot het examen, zijn aan het landelijk orgaan een bedrag verschuldigd van f 300 voor een volledig examen. Voor een examen dat niet uit alle voor het behalen van het diploma vereiste examenonderdelen bestaat, gelden de volgende bedragen: voor één examenonderdeel f 155, voor twee examenonderdelen f 230, voor drie of meer examenonderdelen f 300.
2.
In afwijking van het eerste lid is een toelatingsbedrag niet verschuldigd door kandidaten die zijn ingeschreven bij een ander landelijk orgaan dan wel een andere uit de openbare kas bekostigde school, afdeling of onderwijsinstelling en die aldaar geen examen afleggen in een of meer examenonderdelen.
1.
Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig examenonderdeel aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan de examencommissie maatregelen nemen, overeenkomstig het examenreglement.
2.
Bij omstandigheden waarin het examenreglement niet voorziet en waaromtrent een onmiddellijke beslissing noodzakelijk is, beslist de examencommissie. De commissie maakt haar beslissing zo spoedig mogelijk bekend aan de betrokken examinatoren en aan de inspectie.
3.
Indien een of meer examenonderdelen naar het oordeel van de inspectie niet op de voorgeschreven wijze zijn afgelegd dan wel kunnen worden afgelegd, dan wel indien het afnemen van het examen niet op behoorlijke wijze is geschied, beslist de inspectie hoe alsdan moet worden gehandeld.
1.
De kandidaat kan tegen een beslissing van de examencommissie in beroep gaan bij een door het landelijk orgaan in te stellen commissie van beroep. Van de commissie van beroep mogen de leden van de examencommissie geen deel uitmaken.
2.
In overeenstemming met artikel 2.19 van de wet wordt het beroep binnen drie dagen nadat de beslissing aan de kandidaat is bekendgemaakt, schriftelijk ingesteld bij de commissie van beroep. De commissie stelt een onderzoek in en beslist binnen twee weken na ontvangst van het beroepsschrift tenzij zij deze termijn gemotiveerd heeft verlengd met ten hoogste twee weken. De commissie stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of gedeeltelijk af te leggen.
3.
De commissie maakt haar beslissing bekend aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan de centrale directie van de school waar de kandidaat het beroepsbegeleidend onderwijs volgt, aan de patroon en aan de inspectie.
Artikel C.13. Schoolpracticum
Wat betreft de verplichting tot het bieden van stagemogelijkheden, bedoeld in artikel 2.37 van de wet, zijn de artikelen 2 tot en met 8 van het Schoolpracticumbesluit voortgezet onderwijs van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor "lessen in een vak" wordt verstaan: onderwijstijd in een vak.
Artikel C.14. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
kandidaat: degene die aan een of meer examenonderdelen deelneemt;
examenonderdeel: een examenonderdeel als bedoeld in artikel 2.72, tweede lid, van de wet.
Examenbesluit m.b.o. van Uitvoeringsbesluit W.C.B.O.">
Artikel C.15. Van overeenkomstige toepassing Examenbesluit m.b.o.
Op de examens verbonden aan de opleidingen deeltijds middelbaar beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 2.71 van de wet, zijn de artikelen 2, 6, eerste lid, 7, eerste en tweede lid , 8, 10 tot en met 13 , 20, 21, met uitzondering van het derde lid, 22 en 24 tot en met 29 van het Examenbesluit m.b.o. van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de verwijzingen in de artikelen 5, vierde lid, derde volzin , en 7, eerste lid, aanhef, van het Examenbesluit m.b.o. wordt gelezen "In overeenstemming met artikel 2.71 van de wet" respectievelijk "bedoeld in artikel 2.64 van de wet".
Artikel C.16. Toelating
In aanvulling op het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 2, eerste en tweede lid, van het Examenbesluit m.b.o. kan toelating ook worden verkregen tot het afleggen van een of meer examenonderdelen.
1.
Het bevoegd gezag stelt een examenreglement vast. Het bevat in elk geval bepalingen omtrent:
a. de opleidingen waarop het reglement van toepassing is,
b. de maatregelen, bedoeld in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 5, vierde lid, van het Examenbesluit m.b.o. ,
d. de procedures rond het examen, daaronder begrepen de aanmeldingsprocedure,
e. de bekendmaking van de examendata en -tijdstippen,
f. de wijze waarop de examenonderdelen worden afgenomen,
g. de hulpmiddelen die mogen worden gebruikt bij het afleggen van het examen,
h. de gang van zaken tijdens het examen,
i. de vaststelling van de examenresultaten en de uitslag,
j. het verlenen van vrijstelling van een of meer examenonderdelen,
k. de gevallen waarin en de wijze waarop kandidaten gelegenheid tot herkansing krijgen, en
l. de samenstelling en het adres van de commissie van beroep, bedoeld in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 5, vierde lid, van het Examenbesluit m.b.o.
2.
Het reglement en wijzigingen daarvan worden tijdig voor aanvang van de examens waarop het betrekking heeft door de centrale directie toegezonden aan de inspectie en aan de gecommitteerden van de desbetreffende school en ter inzage gelegd voor de kandidaten.
3.
Het bevoegd gezag kan in het examenreglement bepalen dat een of meer examenonderdelen worden afgenomen op voet van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6, tweede lid, 7, derde lid, 14 tot en met 19 en 21, derde lid, van het Examenbesluit m.b.o.
Artikel D.1. Reikwijdte
Deze titel is wat beroepsbegeleidend onderwijs betreft van toepassing op scholen voor beroepsbegeleidend onderwijs. Wat deeltijds middelbaar beroepsonderwijs betreft is deze titel, met uitzondering van de artikelen D.4 en D.5, van toepassing op de scholen, bedoeld in de artikelen 3.77 tot en met 3.80 van de wet.
Artikel D.2. Inhoud van de deelnemersadministratie
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een overzichtelijke administratie beschikbaar is van de deelnemersgegevens.
Artikel D.3. Bewaren van de deelnemersgegevens
De deelnemersgegevens die in de administratie zijn opgenomen, blijven daarvan in ieder geval deel uitmaken gedurende vijf jaren nadat de desbetreffende deelnemer is uitgeschreven.
Artikel D.4. Telling
Het bevoegd gezag stelt voor de toepassing van dit besluit het aantal deeltijdequivalenten vast, gebaseerd op het aantal leerlingen dat in het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft voor een opleiding staat ingeschreven, en op de door het bevoegd gezag vastgestelde studielast van die opleiding met dien verstande dat een leerling ten hoogste voor een deeltijdequivalent kan tellen. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden een leerling, in afwijking van de eerste volzin, voor meer dan een deeltijdequivalent kan tellen.
Artikel D.5. Studielast
Voor de vaststelling van het aantal deeltijdequivalenten drukt het bevoegd gezag de studielast van de opleidingen uit in uren onderwijs per jaar.
1.
Binnen veertien dagen na afloop van het schooljaar, voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, zendt het bevoegd gezag aan Onze Minister een opgave van de met toepassing van artikel D.4 vastgestelde gegevens.
2.
Het bevoegd gezag dan wel in voorkomende gevallen de gemeente verstrekt in aanvulling op het eerste lid de overige gegevens die vereist zijn voor de vaststelling van de onderscheiden bedragen.
Artikel D.7. Modellen
Onze Minister kan voor de gegevensverstrekking, bedoeld in artikel D.6 alsmede voor de overige gegevens die het bevoegd gezag op verzoek van Onze Minister verstrekt modellen vaststellen. De modellen kunnen mede betrekking hebben op de inhoud en inrichting van de deelnemersadministratie. Wanneer het bevoegd gezag afwijkt van de modellen zet het de gronden daartoe bij de gegevensverstrekking uiteen.
Artikel D.8. Opheffing
Het bevoegd gezag deelt een besluit tot opheffing van de school onverwijld mede aan Onze Minister, de inspectie, gedeputeerde staten voor zover het een openbare school betreft, en burgemeester en wethouders voor zover het een bijzondere school betreft.
Artikel D.9. Reikwijdte
Deze titel is van toepassing op scholen voor beroepsbegeleidend onderwijs.
1.
Voordat het bekostigd onderwijs een aanvang neemt, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag een door hem te bepalen deel van de huisvestings- en inventariskosten voor vergoeding in aanmerking brengen.
2.
Onze Minister beslist binnen een jaar na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen een jaar kan worden gegeven, stelt Onze Minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien.
Artikel D.11. Onderverdeling huisvestings- en inventariskosten
Deze titel heeft betrekking op de vergoeding van:
a. huisvestingskosten op aanvraag,
b. jaarlijkse huisvestingskosten,
c. inventariskosten, en
d. kosten in verband met herbestemming van gebouwen voorheen bekostigd op grond van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs , kosten voor het gebruik van gemeentelijke gymnastiekvoorzieningen en kosten in verband met het geschikt maken van een gebouw voor ingebruikgeving op grond van artikel 3.20 van de wet.
Artikel D.12. Huisvestingskosten op aanvraag
Voor de toepassing van deze titel worden onder huisvestingskosten op aanvraag verstaan de kosten van de met toepassing van artikel 3.19 van de wet goedgekeurde voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 3.36, eerste en tweede lid, van de wet, met uitzondering van de kosten van aanpassing van een gebouw dat als blijvende voorziening in de huisvesting geldt, bedoeld in het eerste lid onderdeel c van artikel 3.36, voor zover de kosten van die aanpassing een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaan.
Artikel D.13. Jaarlijkse huisvestingskosten
Voor de toepassing van deze titel worden onder jaarlijkse huisvestingskosten verstaan de kosten van aanpassing van een gebouw dat als blijvende voorziening in de huisvesting geldt, bedoeld in artikel 3.36, eerste lid onderdeel c , van de wet, voor zover deze kosten een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaan.
Artikel D.14. Inventariskosten
Voor de toepassing van deze titel worden onder inventariskosten verstaan de kosten van eerste aanschaf van:
a. schoolmeubelen, en
b. leer- en hulpmiddelen.
1.
Het bevoegd gezag doet Onze Minister onverwijld opgave van een wijziging in de huisvesting van een onder zijn bestuur staande school.
2.
Onder wijziging in de huisvesting wordt verstaan:
a. het ingebruiknemen van een voorziening in de huisvesting,
b. het buitengebruikstellen van een voorziening in de huisvesting,
c. het ingebruikgeven of verhuren van een voorziening in de huisvesting op grond van de artikelen 3.20, 3.21 en 3.22 van de wet, en
d. de beëindiging van de ingebruikgeving en verhuur, genoemd in onderdeel c .
Artikel D.16. Verstrekking bedragen
Het Rijk verstrekt ten behoeve van de huisvestingskosten op aanvraag en de inventariskosten aan het bevoegd gezag het bedrag, bedoeld in artikel 3.44, eerste en derde lid, van de wet volgens de termijnen van een door Onze Minister vastgesteld betalingsschema voor de desbetreffende voorziening.
Artikel D.17. Vaststelling bedrag
Onze Minister stelt het bedrag ten behoeve van de huisvestingskosten en inventariskosten, bedoeld in artikel 3.44, eerste lid, van de wet, met toepassing van het desbetreffende programma van eisen vast en neemt daarbij in aanmerking de aard en de omvang van de door hem goedgekeurde voorziening en, indien van toepassing, de tijdsduur waarvoor de tijdelijke voorziening in de huisvesting, bedoeld in artikel 3.36, tweede lid, van de wet, is goedgekeurd.
Artikel D.18. Vaststelling van de aanvullende vergoeding
Onze Minister stelt voor zover het huisvestingskosten op aanvraag en inventariskosten betreft het bedrag, bedoeld in artikel 3.44, derde lid, van de wet, vast.
Artikel D.19. Verstrekking bedragen
Het Rijk verstrekt ten behoeve van de jaarlijkse huisvestingskosten elke maand van het uitkeringsjaar aan het bevoegd gezag een gedeelte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.44, eerste en derde lid, van de wet.
Artikel D.20. Vaststelling bedrag
Onze Minister stelt het bedrag ten behoeve van de jaarlijkse huisvestingskosten, bedoeld in artikel 3.44, eerste lid, van de wet, vast met toepassing van het desbetreffende programma van eisen en neemt daarbij in aanmerking de kenmerken van het gebouw op 15 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het bedrag betrekking heeft.
Artikel D.21. Vaststelling van de aanvullende vergoeding
Onze Minister stelt voor zover het jaarlijkse huisvestingskosten betreft het bedrag, bedoeld in artikel 3.44, derde lid, van de wet, vast.
1.
Het bedrag, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, onderdeel a , van de wet, wordt jaarlijks uitgekeerd.
2.
Voor vergoeding komen in aanmerking de gebouwen en terreinen die onder goedkeuring van Onze Minister aan het bevoegd gezag van op grond van de wet bekostigde scholen zijn overgedragen dan wel ter beschikking zijn gesteld.
Artikel D.23. Vaststelling van de vergoeding
Onze Minister stelt jaarlijks het bedrag, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, onderdeel a , vast.
Artikel D.24. Wijze van verstrekking van het bedrag
Indien het bevoegd gezag onder goedkeuring van Onze Minister gebruik maakt van een voorziening als bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, onderdeel b , van de wet, die hem door een gemeente ter beschikking is gesteld, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 3.45, eerste lid, van de wet, jaarlijks door het Rijk aan die gemeente uitgekeerd.
Artikel D.25. Vaststelling van het bedrag
Onze Minister stelt jaarlijks het bedrag, bedoeld in artikel D.24, vast.
Artikel D.26. Grondslag van het bedrag
Het Rijk stelt ten behoeve van de voorzieningen die worden getroffen in verband met de toepassing van artikel 3.20 van de wet aan het bevoegd gezag van een school dat het gebouw overeenkomstig dat artikel in gebruik geeft een bedrag ter beschikking, voor zover goedgekeurd door Onze Minister.
Artikel D.27. Vaststelling van het bedrag
Onze Minister stelt het bedrag van de vergoeding, bedoeld in artikel D.26, vast.
1.
Indien gebouwen of inventaris ten gevolge van brand of een andere omstandigheid zodanige schade hebben opgelopen dat deze geheel of gedeeltelijk moeten worden vervangen, is met betrekking tot de uitkering ingevolge een terzake gesloten verzekeringsovereenkomst artikel 3.54, tweede lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
2.
Indien het uitgekeerde bedrag ingevolge de door Onze Minister of het bevoegd gezag gesloten verzekeringsovereenkomst waarvan de premie voor vergoeding door het Rijk in aanmerking is gebracht, minder bedraagt dan het bedrag aan schade, dient de rechtspersoon die de school in stand houdt, de schade voor eigen rekening te herstellen dan wel voor eigen rekening te voorzien in een nieuwe voorziening in de huisvesting of inventaris, voor zover zulks noodzakelijk is met het oog op een zo doelmatig mogelijke voorziening in de huisvesting of inventaris met inachtneming van de omstandigheden waarin de school verkeert.
3.
De voorzieningen, gerealiseerd met toepassing van het eerste of tweede lid, worden aangemerkt als met rijksmiddelen te zijn gerealiseerd.
Artikel D.29. Reikwijdte
Deze titel is van toepassing op scholen voor beroepsbegeleidend onderwijs.
1.
Onze Minister stelt het bedrag, bedoeld in artikel 3.46, eerste lid, van de wet, vast. Bij de toepassing van de desbetreffende normbedragen neemt Onze Minister in aanmerking:
a. het aantal leerlingen uitgedrukt in deeltijdequivalenten dat gedurende het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, als werkelijk schoolgaand staat ingeschreven, en
b. de kenmerken van het gebouw op 15 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het in de eerste volzin bedoelde bedrag betrekking heeft.
2.
Onze Minister kan voorafgaand aan het vaststellen van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, een voorlopig bedrag vaststellen en op de voet van het bepaalde in artikel D.42 tot voorlopige verrekening overgaan.
3.
Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de kosten voor het personeel en voor de voorzieningen ten behoeve van de exploitatie aan het bevoegd gezag een gedeelte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.46, eerste lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
4.
Onze Minister kan op het in het eerste lid bedoelde bedrag in mindering brengen:
a. een bedrag aan verwachte inkomsten uit cursusgelden als bedoeld in artikel 3.47, tweede lid, onderdeel a,
b. een bedrag aan verwachte inkomsten uit verhaal van wettelijke bijdragen en premies als bedoeld in artikel 3.47, tweede lid, onderdeel b, van de wet,
c. een bedrag aan verwachte inkomsten uit werkstukken en verrichte diensten als bedoeld in artikel 3.47, tweede lid, onderdeel d, van de wet,
d. een bedrag als bedoeld in artikel 3.47, tweede lid, onderdeel f, van de wet, en
e. een bedrag aan verwachte uitgaven als bedoeld in artikel 3.49 van de wet.
1.
Onze Minister stelt het bedrag, bedoeld in artikel 3.46 a van de wet, vast.
2.
Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de kosten voor nascholing aan het bevoegd gezag een gedeelte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.46 a van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
Artikel D.31. Aanvullende vergoeding exploitatiekosten
Artikel D.30, derde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de aanvullende vergoeding, bedoeld in artikel 3.46, tweede lid, van de wet. Onze Minister stelt het bedrag, bedoeld in artikel 3.46, tweede lid, van de wet, vast.
Artikel D.32. Reikwijdte
Deze titel heeft betrekking op de vergoeding van de personeels- en exploitatiekosten van opleidingen deeltijds middelbaar beroepsonderwijs, verzorgd door scholen, bedoeld in de artikelen 3.77 tot en met 3.80 van de wet.
1.
Onze Minister stelt het bedrag, bedoeld in artikel 3.76, eerste lid, van de wet, vast met inachtneming van de beschikking, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, dan wel een besluit, op grond van artikel 15, derde lid, onder a, van die wet.
2.
Onze Minister kan voorafgaand aan het vaststellen van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, een voorlopig bedrag vaststellen en op de voet van het bepaalde in artikel D.42 tot voorlopige verrekening overgaan.
3.
Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de kosten voor het personeel en voor de voorzieningen ten behoeve van de exploitatie aan het bevoegd gezag een gedeelte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.76, eerste lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
4.
Onze Minister kan op het in het eerste lid bedoelde bedrag in mindering brengen:
a. een bedrag aan verwachte inkomsten uit cursusgelden als bedoeld in artikel 96m, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het voortgezet onderwijs onderscheidenlijk artikel 3.47, tweede lid, onderdeel a, van de wet,
b. een bedrag aan verwachte inkomsten uit verhaal van wettelijke bijdragen en premies als bedoeld in artikel 3.47, tweede lid, onderdeel b, van de wet dan wel artikel 96m, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
c. een bedrag aan verwachte inkomsten uit werkstukken en verrichte diensten als bedoeld in artikel 3.47, tweede lid, onderdeel d, van de wet onderscheidenlijk artikel 96m, tweede lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
d. een bedrag als bedoeld in artikel 3.47, tweede lid, onderdeel f van de wet, onderscheidenlijk artikel 96m, tweede lid, onderdeel f, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
e. een bedrag aan verwachte uitgaven als bedoeld in artikel 96p, dan wel 96p.1 van de Wet op het voortgezet onderwijs onderscheidenlijk artikel 3.49 van de wet.
Artikel D.34. Aanvullende vergoeding exploitatiekosten
Artikel D.33, derde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de aanvullende vergoeding, bedoeld in artikel 3.46, tweede lid, van de wet onderscheidenlijk 95 g van de Wet op het voortgezet onderwijs. Onze Minister stelt het bedrag vast.
Artikel D.35. Reikwijdte
Deze titel is van toepassing op scholen voor beroepsbegeleidend onderwijs en wat betreft deeltijds middelbaar beroepsonderwijs op scholen, bedoeld in de artikelen 3.78 tot en met 3.80 van de wet.
1.
De boekhouding is zodanig ingericht dat op doelmatige wijze informatie kan worden verkregen omtrent het gevoerde financieel beheer.
2.
Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
1.
Het onderhoudsprogramma, bedoeld in artikel 3.52, eerste lid, van de wet onderscheidenlijk artikel 98, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, bestrijkt een tijdvak van vijf jaren, te beginnen met het boekjaar waarvoor de begroting wordt vastgesteld.
2.
Het onderhoudsprogramma omvat een beschrijving van aard en omvang van de voorgenomen activiteiten voor instandhouding van de voorzieningen in de huisvesting, alsmede een raming van de daarvoor noodzakelijk geachte uitgaven en reserveringen.
1.
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks tijdig voor het komende boekjaar een begroting vast. De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven van de instelling. In de begroting worden voldoende middelen uitgetrokken om een behoorlijke vervulling van de activiteiten waarvoor de bekostiging wordt verstrekt, redelijkerwijze mogelijk te maken.
2.
Uit de begroting blijken in elk geval de voorgenomen toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves.
1.
Het bevoegd gezag zendt Onze Minister jaarlijks voor 1 juli een jaarrekening over het afgelopen boekjaar. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring van een door het bevoegd gezag aangewezen accountant op grond van een onderzoek omtrent de getrouwheid van de jaarrekening.
2.
Ingeval in het verslagjaar een voorziening in de huisvesting als bedoeld in artikel 3.36, eerste en tweede lid, van de wet is gerealiseerd, voegt het bevoegd gezag aan de jaarrekening gegevens toe over de desbetreffende voorziening en een verklaring van een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige op het gebied van de huisvesting, dat naar zijn oordeel de desbetreffende voorziening is gerealiseerd volgens de wettelijke voorschriften.
Artikel D.40. Model
Onze Minister kan voor de jaarrekening een model vaststellen. Wanneer het bevoegd gezag afwijkt van het model zet het de gronden daartoe in de jaarrekening uiteen.
Artikel D.41. Correctie
Indien uit het verslag of de verklaring van de accountant blijkt dat de omvang van de vergoeding uit ’s Rijks kas, waarop het verslag betrekking heeft, onjuist is vastgesteld dan wel de besteding daarvan niet rechtmatig was, kan Onze Minister tot uiterlijk één jaar na ontvangst van het verslag correcties aanbrengen op de vergoeding uit ’s Rijks kas. Onze Minister maakt het bevoegd gezag uiterlijk één jaar na ontvangst van het verslag bekend of en zo ja welke correcties hij aanbrengt.
Artikel D.42. Verrekening of uitbetaling van correcties
Een correctie wordt verrekend met de vergoeding waarop het bevoegd gezag over het eerstvolgende kalenderjaar aanspraak heeft of, indien de correctie strekt tot verhoging van de vergoeding, binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in artikel D.41, uitbetaald.
1.
Indien een school wordt opgeheven of de aanspraak op bekostiging voor een school verloren gaat, stort het bevoegd gezag het exploitatie-overschot terug in ’s Rijks kas.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder exploitatie-overschot verstaan:
a. het bedrag van de vergoedingen, bedoeld in artikel 3.47 van de wet onderscheidenlijk artikel 96 m van de Wet op het voortgezet onderwijs verminderd met de uitgaven over dat jaar, en
b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten.
1.
De adviesgroep, bedoeld in artikel 80 van de Wet op het voortgezet onderwijs, is de adviesgroep, bedoeld in artikel 3.35, vijfde lid, van de wet.
2.
De adviesgroep heeft tot taak Onze Minister desgevraagd of uit eigen beweging schriftelijk te adviseren over:
a. de voorstellen voor de programma’s van eisen voor huisvesting en inventaris, bedoeld in artikel 3.35 van de wet, en de normbedragen, bedoeld in artikel 3.41 van de wet,
b. de periodieke evaluatie van de programma’s van eisen, en
c. andere zaken op het gebied van de investeringen.
Artikel D.45. Overige voorschriften adviesgroep
De artikelen 69 tot en met 75 van het Bekostigingsbesluit W.V.O. strekken mede tot uitvoering van artikel 3.35, vijfde lid, van de wet.
Artikel E.1. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
school: een school voor beroepsbegeleidend onderwijs,
onderwijs: beroepsbegeleidend onderwijs.
1.
De omvang van de vergoeding van de kosten van het personeel van een school omvat de som van de vergoedingen voor de leraren en het ondersteunend en beheerspersoneel. De omvang van de vergoeding voor elk van deze personeelscategorieën wordt berekend door het aantal deeltijdequivalenten te vermenigvuldigen met de uitkomst van de kwalificatiefactor met dien verstande dat de kwalificatiefactor slechts van toepassing is op de vergoeding voor zover het betreft opleidingen voor beginnende beroepsuitoefening, de onderscheiden ratio's, de gemiddelde personeelslast van de desbetreffende personeelscategorie en met de budgetfactor voor zover van toepassing.
2.
De vergoeding vindt plaats per kalenderjaar.
3.
Een ratio is een breuk die de normatieve verhouding weergeeft tussen een volledige formatieplaats van een personeelslid en een aantal deeltijdequivalenten.
1.
In verband met de toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, bedoeld in hoofdstuk I-V van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel , wordt een verhoging van de omvang van de vergoeding, bedoeld in artikel E.2, berekend en vastgesteld met inachtneming van de volgende leden.
2.
Het bevoegd gezag heeft op een daartoe strekkend verzoek aanspraak op een verhoging met ten hoogste 65% van de in het eerste lid bedoelde vergoeding die behoort bij het gedeelte van de betrekkingsomvang dat kan worden herbezet in verband met toepassing van de in het eerste lid genoemde regeling, voor zover het bevoegd gezag voor het aantal uren dat kan worden herbezet na toepassing van die regeling personeel benoemt dat in het genot is van een ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen komende werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld, of voor zover het landbouwonderwijs betreft personeel benoemt dat in het genot is van een ten laste van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij komende werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld, dan wel indien het bevoegd gezag van die school door herbezetting van het desbetreffende aantal uren een ontslag voorkomt in het geval waarin zich een negatieve mutatie van de formatieve ontwikkeling voordoet die groter is dan de omvang van het natuurlijk verloop. Het in de eerste volzin bedoelde verzoek wordt ingediend uiterlijk op 31 juli van het lopende schooljaar.
3.
Onze Minister kan, voor zover de begrotingswetgever daartoe de middelen ter beschikking heeft gesteld, van de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, ontheffing verlenen indien:
a.
1°. het desbetreffende aantal uren dat het bevoegd gezag kan herbezetten 4 of minder bedraagt, en
2°. geen werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld als bedoeld in het tweede lid, wordt genoten door een personeelslid van het bevoegd gezag, of
b. voor het desbetreffende aantal uren dat het bevoegd gezag kan herbezetten geen personeelslid in het eigen of een aangrenzend werkgebied van een Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet , kan worden benoemd dat in het genot is van een werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld als bedoeld in het tweede lid, of
c. de benoeming van het personeelslid niet in overeenstemming is met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de school ten grondslag ligt.
4.
Onze Minister stelt, op voordracht van de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel en organisaties van gemeente- en schoolbesturen, een commissie in, die hem adviseert omtrent een verzoek van het bevoegd gezag van een school om toepassing van het derde lid. De commissie bestaat uit vier leden. Het bevoegd gezag dient het in de eerste volzin bedoelde verzoek in tussen 15 juli van het voorafgaande schooljaar en 15 augustus daaropvolgend.
5.
Onze Minister beslist binnen zes weken na ontvangst van een verzoek van het bevoegd gezag, dan wel binnen twee weken na ontvangst van het advies van de commissie, bedoeld in het vierde lid. Indien de beschikking niet binnen de in de eerste volzin genoemde termijnen kan worden gegeven, stelt Onze Minister het bevoegd gezag van die school daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel E.3. Deeltijdequivalent
Een deeltijdequivalent is een denkbeeldige leerling die 7,5 uur onderwijs per week volgt gedurende veertig weken per schooljaar.
1.
De gemiddelde personeelslast is het genormeerde bedrag van de personele middelen per formatieplaats voor elk van de personeelscategorieën.
2.
Onder personele middelen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan de middelen ten behoeve van de salarissen, overhevelingstoeslagen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen ten behoeve van personeel van de scholen, alsmede de bijdragen tot hun pensioen en tot dat van hun nagelaten betrekkingen.
3.
De gemiddelde personeelslast wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.
1.
De kwalificatiefactor is de op grond van het tweede lid door Onze Minister vastgestelde factor.
2.
De kwalificatiefactor wordt per opleiding en afhankelijk van de opleidingsduur vastgesteld door:
a. het aantal leerlingen, die niet voldoen aan het ingangsniveau, bedoeld in artikel 2.13, derde lid, van de wet dan wel slechts in het bezit zijn van een diploma voorbereidend beroepsonderwijs verkregen op grond van een eindexamen waarbij ten minste een vak volgens het A-programma is geëxamineerd, dat in het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, een opleiding tot beginnende beroepsuitoefening als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel a , van de wet, met een diploma hebben afgesloten, na vermenigvuldiging met een bij ministeriële regeling vast te stellen getal, op te tellen bij
b. het aantal leerlingen, niet behorende tot de in onderdeel a bedoelde leerlingen, die in het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, een opleiding tot beginnende beroepsuitoefening als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel a , van de wet met een diploma hebben afgesloten, en de uitkomst van deze optelling te delen door
c. het totale aantal leerlingen aan een dergelijke opleiding in dat schooljaar, en deze uitkomst te delen door
d. een bij ministeriële regeling vast te stellen getal dat de minimaal na te streven verhouding weergeeft tussen enerzijds de in onderdelen a en b, en anderzijds de in onderdeel c bedoelde aantallen en deze uitkomst te vermenigvuldigen met
e. een bij ministeriële regeling vast te stellen getal lager of gelijk aan 1 dat ertoe strekt de invloed van die uitkomst op de hoogte van de vergoeding te beperken.
1.
De budgetfactor is een getal, afgeleid uit de verhouding van de som van de vergoedingen voor het beroepsbegeleidend onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs, berekend op grond van de geraamde aantallen leerlingen, en de som van die vergoedingen, berekend op grond van de werkelijke aantallen leerlingen voor het jaar waarop de vergoeding betrekking heeft.
2.
De budgetfactor heeft tot doel de omvang van de vergoeding af te stemmen op de middelen die door de begrotingswetgever beschikbaar zijn gesteld.
3.
De budgetfactor kan jaarlijks bij ministeriële regeling worden vastgesteld.
1.
Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden, in verband met bijzondere omstandigheden die de school betreffen, op verzoek van het bevoegd gezag van een school een aanvullende vergoeding in de personeelskosten toekennen.
2.
Onze Minister beslist binnen negen maanden na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen negen maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een nieuwe termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.
Artikel E.7a. Vergoeding voor kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden
Overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels wordt aan het bevoegd gezag een vergoeding verstrekt voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden.
Artikel E.8. Ratio’s
De volgende ratio’s worden onderscheiden:
a. voor de leraren, en
b. voor het ondersteunend en beheerspersoneel.

Voor de agrarische opleidingscentra wordt tevens een ratio voor leraarconsulenten leerlingwezen onderscheiden.
Artikel E.9. Ratio leraar/deeltijdequivalenten
De ratio leraar/deeltijdequivalenten bedraagt voor alle opleidingen, met uitzondering van de opleidingen verzorgd door een agrarisch opleidingscentrum: 1/48.17.
1.
Voor een agrarisch opleidingscentrum wordt de ratio leraar/deeltijdequivalenten bij ministeriële regeling vastgesteld.
2.
Voor een agrarisch opleidingscentrum wordt de ratio leraarconsulent leerlingwezen/deeltijdequivalenten bij ministeriële regeling vastgesteld.
1.
De ratio ondersteunend en beheerspersoneel/deeltijdequivalenten bedraagt voor alle opleidingen, met uitzondering van de opleidingen verzorgd door een agrarisch opleidingscentrum: 1/131.58.
2.
Voor een agrarisch opleidingscentrum wordt de ratio ondersteunend en beheerspersoneel/deeltijdequivalenten bij ministeriële regeling vastgesteld.
3.
Voor de vaststelling van de omvang van de vergoeding voor een agrarisch opleidingscentrum telt een leerling die een opleiding voor beroepsbegeleidend onderwijs volgt mee voor 0,625.
1.
Onverminderd artikel 3.49 van de wet, worden op het bedrag van de vergoeding van de personeelskosten niet in mindering gebracht de ten laste van het Rijk komende kosten van wachtgelden of van andere ontslaguitkeringen ten behoeve van gewezen personeel, veroorzaakt door:
a. een aanvulling op het invaliditeitspensioen van het gewezen personeel op grond van artikel I-H22 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel ,
b. het toekennen van een herplaatsingswachtgeld op grond van artikel K.4 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, of
c. vermindering van inkomsten uit activiteiten waarvan de personeelskosten niet door het Rijk worden vergoed.
2.
Voor de toepassing van artikel 3.49 van de wet wordt in het vierde lid van dat artikel:
a. onder "ingeschreven leerlingen" verstaan: deeltijdequivalenten, en
b. onder "wijziging in de berekening van de grondslag van de omvang van de formatie" verstaan: wijziging in de berekening van de grondslag van de omvang van de formatie voor zover het een ratio of de kwalificatiefactor betreft.
Artikel E.13. Combinatie van afdelingen
Bij ministeriële regeling wordt bepaald tot welke afdeling een opleiding die tot een combinatie van afdelingen als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de wet behoort, voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt gerekend.
Artikel E.14. Voorlopige aanpassing ratio’s
Vooruitlopend op een wijziging van dit besluit kunnen bij ministeriële regeling ratio’s worden vastgesteld die afwijken van de in dit besluit genoemde ratio's, met dien verstande dat die ratio’s ten hoogste voor de duur van een jaar mogen afwijken van de in dit besluit genoemde ratio's.
Artikel E.15. Invoeringsbepaling berekening vergoeding personeelskosten tot 1 januari 1996
De op grond van de titels 2 en 3 berekende normatieve vergoeding van de personele kosten van een school kan tot 1 januari 1996 overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen voorschriften worden verhoogd dan wel verlaagd met het oog op een geleidelijke invoering van dit hoofdstuk.
Artikel F.1. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
school: een school of instelling als bedoeld in de artikelen 3.77 tot en met 3.80 van de wet waaraan deeltijds middelbaar beroepsonderwijs is verbonden,
onderwijs: deeltijds middelbaar beroepsonderwijs.
1.
De omvang van de vergoeding van de kosten van het personeel van een school omvat de som van de vergoedingen voor de leraren en het ondersteunend en beheerspersoneel. De omvang van de vergoeding voor elk van deze personeelscategorieën wordt berekend door het aantal deeltijdequivalenten, bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b , van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, onderscheidenlijk het aantal deeltijdequivalenten door Onze Minister bepaald in een besluit ingevolge artikel 15, derde lid, onder a , van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, te vermenigvuldigen met de onderscheiden ratio’s en de gemiddelde personeelslast van de desbetreffende personeelscategorie.
2.
De vergoeding vindt plaats per kalenderjaar.
3.
Een ratio is een breuk die de normatieve verhouding weergeeft tussen een volledige formatieplaats en een aantal deeltijdequivalenten.
Artikel F.3. Deeltijdequivalenten
Een deeltijdequivalent is een denkbeeldige deelnemer die 7,5 uur onderwijs per week volgt gedurende veertig weken per kalenderjaar.
1.
De gemiddelde personeelslast is het genormeerde bedrag van de personele middelen per formatieplaats voor elk van de personeelscategorieën.
2.
Onder personele middelen als bedoeld in het eerste lid, worden verstaan de middelen ten behoeve van de salarissen, overhevelingstoeslagen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen ten behoeve van personeel van de scholen, alsmede de bijdragen tot hun pensioen en tot dat van hun nagelaten betrekkingen.
3.
De gemiddelde personeelslast wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.
Artikel F.5. Aanvullende vergoeding
In aanvulling op de op grond van de artikelen F.2 tot en met F.4 berekende vergoeding wordt een vergoeding toegekend die verband houdt met bijzondere omstandigheden van de desbetreffende school, indien de beschikking, bedoeld in artikel 21 van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, dan wel een besluit ingevolge artikel 15, derde lid, onder a , van die wet, daarop aanspraak geeft.
1.
In verband met de toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, bedoeld in hoofdstuk I-V van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, wordt een verhoging van de omvang van de vergoeding berekend en vastgesteld met inachtneming van de volgende leden.
2.
Het bevoegd gezag van een school heeft op een daartoe strekkend verzoek aanspraak op een verhoging met ten hoogste 65% van de in het eerste lid bedoelde vergoeding die behoort bij het gedeelte van de betrekkingsomvang dat kan worden herbezet in verband met toepassing van de in het eerste lid genoemde regeling, voor zover het bevoegd gezag voor het aantal uren dat kan worden herbezet na toepassing van die regeling personeel benoemt dat in het genot is van een ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen komende werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld, of voor zover het landbouwonderwijs betreft personeel benoemt dat in het genot is van een ten laste van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij komende werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld, dan wel indien het bevoegd gezag door herbezetting van het desbetreffende aantal uren een ontslag voorkomt in het geval waarin zich een negatieve mutatie van de formatieve ontwikkeling voordoet die groter is dan de omvang van het natuurlijk verloop. Het in de eerste volzin bedoelde verzoek wordt ingediend uiterlijk op 31 juli van het lopende schooljaar.
3.
Onze Minister kan, voor zover de begrotingswetgever daartoe de middelen ter beschikking heeft gesteld, van de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, ontheffing verlenen indien:
a.
1°. het desbetreffende aantal uren dat het bevoegd gezag kan herbezetten 4 of minder bedraagt, en
2°. geen werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld als bedoeld in het tweede lid, wordt genoten door een personeelslid van het bevoegd gezag, of
b. voor het desbetreffende aantal uren dat het bevoegd gezag kan herbezetten geen personeelslid in het eigen of een aangrenzend werkgebied van een Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet , kan worden benoemd dat in het genot is van een werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld als bedoeld in het tweede lid, of
c. de benoeming van het personeelslid niet in overeenstemming is met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de school ten grondslag ligt.
4.
Onze Minister stelt, op voordracht van de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel en organisaties van gemeente- en schoolbesturen, een commissie in, die hem adviseert omtrent een verzoek van het bevoegd gezag tot toepassing van het derde lid. De commissie bestaat uit vier leden. Het bevoegd gezag dient het in de eerste volzin bedoelde verzoek in tussen 15 juli van het voorafgaande schooljaar en 15 augustus daaropvolgend.
5.
Onze Minister beslist binnen zes weken na ontvangst van een verzoek van het bevoegd gezag, dan wel binnen twee weken na ontvangst van het advies van de commissie, bedoeld in het vierde lid. Indien de beschikking niet binnen de in de eerste volzin genoemde termijnen kan worden gegeven, stelt Onze Minister het bevoegd gezag daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel F.5b. Vergoeding voor kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden
Overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels wordt aan het bevoegd gezag van een school een vergoeding verstrekt voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden.
Artikel F.6. Ratio’s
De volgende ratio’s worden onderscheiden:
a. voor de leraren, en
b. voor het ondersteunend en beheerspersoneel.
1.
De ratio leraar/deeltijdequivalenten bedraagt:
a. in de sector techniek met uitzondering van de afdeling proces- en laboratoriumtechniek: 1/48.79
b. in de afdeling proces- en laboratoriumtechniek: 1/40.53
c. in de sector economie: 1/59.61
d. in de sector dienstverlening en gezondheidszorg: 1/33.09.
2.
Voor een agrarisch opleidingscentrum worden de ratio’s leraar/deeltijdequivalenten bij ministeriële regeling vastgesteld.
1.
De ratio ondersteunend en beheerspersoneel/deeltijdequivalenten bedraagt, met uitzondering van de opleidingen verzorgd door een agrarisch opleidingscentrum:
a. in de sector techniek met uitzondering van de afdeling proces- en laboratoriumtechniek: 1/91.3
b. in de afdeling proces- en laboratoriumtechniek: 1/58.94
c. in de sector economie: 1/170.07
d. in de sector dienstverlening en gezondheidszorg: 1/90.64.
2.
Voor een agrarisch opleidingscentrum wordt de ratio ondersteunend en beheerspersoneel/deeltijdequivalenten bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel F.9. Aftrekposten vergoeding
Onverminderd artikel 3.49 van de wet, onderscheidenlijk de artikelen 96 pen 96 p .1 van de Wet op het voortgezet onderwijs worden op het bedrag van de vergoeding van de personeelskosten niet in mindering gebracht de ten laste van het Rijk komende kosten van wachtgelden of van andere ontslaguitkeringen ten behoeve van gewezen personeel, veroorzaakt door:
a. een aanvulling op het invaliditeitspensioen van het gewezen personeel op grond van artikel I-H22 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel,
b. het toekennen van een herplaatsingswachtgeld op grond van artikel K.4 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, of
c. vermindering van inkomsten uit activiteiten waarvan de personeelskosten niet door het Rijk worden vergoed.
Artikel F.10. Combinatie van afdelingen
Bij ministeriële regeling wordt bepaald tot welke afdeling een opleiding die tot een combinatie van afdelingen als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de wet behoort, voor de toepassing van dit hoofdstuk kan worden gerekend.
Artikel F.11. Invoeringsbepaling berekening vergoeding personeelskosten kalenderjaren 1994 en 1995
De op grond van de titels 2 en 3 berekende normatieve vergoeding van de personele kosten van een school kan tot 1 januari 1996 overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen voorschriften worden verhoogd dan wel verlaagd met het oog op een geleidelijke invoering van dit hoofdstuk.
Artikel H.1. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
bestuur: het bestuur van het landelijk orgaan;
leerbedrijf: de organisatie, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onder a , van de wet;
karwei-opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid van de wet, die voldoet aan tenminste één van de volgende kenmerken:
- er is sprake van een regelmatige wisseling van de werkplek gedurende de leerovereenkomst;
- er is sprake van een wisseling van de werkplek per module/programmaonderdeel;
- er is sprake van een leerling met een ambulante werkplek.
1.
In afwijking van artikel 3.14 van de wet is de behoefte aan een landelijk orgaan als in dat artikel bedoeld eerst voldoende gebleken indien de werkzaamheden van dat orgaan zich naar verwachting zullen uitstrekken over een bij ministeriële regeling vast te stellen aantal leerovereenkomsten.
2.
Onverminderd artikel 3.18 van de wet kan Onze Minister de bekostiging van een landelijk orgaan met ingang van 1 januari van enig kalenderjaar beëindigen indien de werkzaamheden van dat orgaan zich gedurende de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren uitstrekken over minder dan het krachtens het eerste lid vastgestelde aantal leerovereenkomsten.
1.
In afwijking van artikel 3.62 van de wet, wordt de omvang van de vergoeding van de kosten van het personeel van een landelijk orgaan vastgesteld op basis van de grondslagen, genoemd in het tweede lid. De vergoeding vindt plaats per kalenderjaar.
2.
De grondslagen voor de vaststelling van de vergoeding van de kosten van de onderscheiden personeelscategorieën zijn:
a. het aantal ten overstaan van het landelijk orgaan afgesloten leerovereenkomsten voor de karwei-opleidingen, onderscheidenlijk voor de overige opleidingen, waarvoor het orgaan gedurende het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, werkzaam is geweest, omgerekend naar een aantal normatieve leerovereenkomsten zoals aangegeven in het derde lid, elk betrekking hebbend op een volledig schooljaar,
b. het gewogen aantal leerbedrijven, berekend op de wijze als is aangegeven in het vierde lid, dat betrokken is bij de in onderdeel a bedoelde leerovereenkomsten,
c. het aantal opleidingen voor beroepsbegeleidend onderwijs, verdeeld per landelijk orgaan zoals opgenomen in de desbetreffende tabel van bijlage 2 bij dit besluit,
d. het aantal opleidingen voor middelbaar beroepsonderwijs, verdeeld per landelijk orgaan zoals opgenomen in de desbetreffende tabel van bijlage 2 bij dit besluit,
e. de onderscheiden ratio's,
f. de budgetfactor,
g. de kwalificatiefactor, en
h. de gemiddelde personeelslast van de desbetreffende personeelscategorie.

Bij ministeriële regeling wordt, op voorstel van het landelijk orgaan, bepaald welke opleidingen tot de karwei-opleidingen behoren en welke opleidingen tot de overige opleidingen behoren.
3.
De omrekening van het aantal afgesloten leerovereenkomsten naar een aantal normatieve leerovereenkomsten, bedoeld in het tweede lid onderdeel a , geschiedt door het aantal leerovereenkomsten op onderscheidenlijk 31 oktober, 31 december en 1 april van het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, te vermenigvuldigen met onderscheidenlijk 0,25, 0,50 en 0,25 en vervolgens de som te bepalen van de uitkomsten van die berekeningen.
4.
De berekening van het aantal gewogen leerbedrijven, bedoeld in het tweede lid onderdeel b , geschiedt door het aantal leerbedrijven op onderscheidenlijk 31 oktober, 31 december en 1 april van het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, te vermenigvuldigen met onderscheidenlijk 0,25, 0,50 en 0,25 en vervolgens de som te bepalen van de uitkomsten van die berekeningen met dien verstande dat bij de bepaling van het aantal leerbedrijven op de onderscheiden data
a. ieder leerbedrijf slechts eenmaal meetelt, en
b. indien een cursist een leerovereenkomst heeft met meer dan een leerbedrijf, slechts een van die leerbedrijven meetelt.
5.
De omvang van de vergoeding van de kosten van het personeel van een landelijk orgaan omvat de som van de vergoedingen voor de onderscheiden personeelscategorieën. De omvang van de vergoeding voor elke personeelscategorieën. De omvang van de vergoeding voor elke personeelscategorie wordt berekend door het aantal formatieplaatsen te vermenigvuldigen
a. met de desbetreffende gemiddelde personeelslast, en,
b. indien van toepassing, met de budgetfactor, met dien verstande dat de budgetfactor slechts van toepassing is op de vergoeding, vastgesteld op basis van het aantal formatieplaatsen, bedoeld in het zesde lid onderdeel a , en
c. met de kwalificatiefactor, met dien verstande dat de kwalificatiefactor slechts van toepassing is op de vergoeding, vastgesteld op basis van het aantal formatieplaatsen, bedoeld in het zesde lid onderdeel a voor zover het betreft opleidingen voor beginnende beroepsuitoefening.
6.
Het aantal formatieplaatsen voor consulenten wordt berekend door:
a. het aantal normatieve leerovereenkomsten, bedoeld in het tweede lid onderdeel a , te vermenigvuldigen met de consulent/leerovereenkomstratio voor karwei-opleidingen, onderscheidenlijk de consulent/leerovereenkomstratio voor de overige opleidingen,
b. het gewogen aantal leerbedrijven, bedoeld in het tweede lid onderdeel b , te vermenigvuldigen met de consulent/leerbedrijfratio,
c. het aantal opleidingen voor beroepsbegeleidend onderwijs, bedoeld in het tweede lid onderdeel c , te vermenigvuldigen met de consulent/b.b.o.-opleidingsratio,
d. het aantal opleidingen voor middelbaar beroepsonderwijs, bedoeld in het tweede lid onderdeel d , te vermenigvuldigen met de consulent/m.b.o.-opleidingsratio, en
e. de som te bepalen van de uitkomsten van deze vermenigvuldigingen.
7.
Het aantal formatieplaatsen voor ondersteunend en beheerspersoneel bedraagt een bij ministeriële regeling vast te stellen gedeelte van het op grond van het zesde lid berekende aantal formatieplaatsen voor consulenten.
1.
In verband met de toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, bedoeld in hoofdstuk I-V van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, wordt een verhoging van de omvang van de vergoeding, bedoeld in artikel H.3, berekend en vastgesteld met inachtneming van de volgende leden.
2.
Het bestuur heeft op een daartoe strekkend verzoek aanspraak op een verhoging met ten hoogste 65% van de in het eerste lid bedoelde vergoeding die behoort bij het gedeelte van de betrekkingsomvang dat kan worden herbezet in verband met toepassing van de in het eerste lid genoemde regeling, voor zover het bestuur voor het aantal uren dat kan worden herbezet na toepassing van die regeling personeel benoemt dat in het genot is van een ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen komende werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld, of voor zover het betreft een landelijk orgaan dat werkzaam is op het gebied van het landbouwonderwijs personeel benoemt dat in het genot is van een ten laste van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij komende werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld, dan wel indien het bestuur door herbezetting van het desbetreffende aantal uren een ontslag voorkomt in het geval waarin zich een negatieve mutatie van de formatieve ontwikkeling voordoet die groter is dan de omvang van het natuurlijk verloop. Het in de eerste volzin bedoelde verzoek wordt ingediend uiterlijk op 31 juli van het lopende schooljaar.
3.
Onze Minister kan, voor zover de begrotingswetgever daartoe de middelen ter beschikking heeft gesteld, van de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, ontheffing verlenen indien:
a.
1°. het desbetreffende aantal uren dat het bestuur kan herbezetten 4 of minder bedraagt, en
2°. geen werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld als bedoeld in het tweede lid, wordt genoten door een personeelslid van het bestuur, of
b. voor het desbetreffende aantal uren dat het bevoegd gezag kan herbezetten geen personeelslid in het eigen of een aangrenzend werkgebied van een Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet , kan worden benoemd dat in het genot is van een werkloosheidsuitkering of herplaatsingswachtgeld als bedoeld in het tweede lid.
4.
Onze Minister stelt, op voordracht van de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel en organisaties van gemeente- en schoolbesturen, een commissie in, die hem adviseert omtrent een verzoek van het bestuur om toepassing van het derde lid. De commissie bestaat uit vier leden. Het bestuur dient het in de eerste volzin bedoelde verzoek in tussen 15 juli van het voorafgaande schooljaar en 15 augustus daaropvolgend.
5.
Onze Minister beslist binnen zes weken na ontvangst van een verzoek van het bestuur, dan wel binnen twee weken na ontvangst van het advies van de commissie, bedoeld in het vierde lid. Indien de beschikking niet binnen de in de eerste volzin genoemde termijnen kan worden gegeven, stelt Onze Minister het bestuur daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel H.3b. Vergoeding voor kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden
Overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels wordt aan het bestuur een vergoeding verstrekt voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden.
1.
De ratio's, bedoeld in artikel H.3, zesde lid, zijn voor de landelijke organen met uitzondering van een landelijk orgaan dat werkzaam is op het gebied van de landbouw, als volgt:
a. consulent/leerovereenkomstratio voor de karwei-opleidingen: 1/144.45
consulent/leerovereenkomstratio voor de overige opleidingen: 1/154.26
b. consulent/leerbedrijfratio: 1/2476.51
c. consulent/b.b.o.-opleidingsratio: 1/1.67
d. consulent/m.b.o.-opleidingsratio: 1/3.7
2.
De ratio's, bedoeld in artikel H.3, zesde lid, zijn voor een landelijk orgaan dat werkzaam is op het gebied van de landbouw als volgt:
a. consulent/leerovereenkomstratio: 1/988
b. consulent/leerbedrijfratio: 1/720.5
c. consulent/b.b.o.-opleidingsratio: 1/3.56
d. consulent/m.b.o.-opleidingsratio: 1/5.22
3.
Vooruitlopend op een wijziging van dit besluit kunnen bij ministeriële regeling ratio’s worden vastgesteld die afwijken van de in het eerste of tweede lid genoemde ratio's, met dien verstande dat die ratio’s ten hoogste voor de duur van een jaar mogen afwijken van de in het eerste of tweede lid genoemde ratio's.
1.
De in artikel H.3, tweede lid, onderdeel f, bedoelde budgetfactor is een getal, afgeleid uit de verhouding tussen:
a. het geraamde totale aantal ten overstaan van de landelijke organen af te sluiten leerovereenkomsten in het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, en
b. het totale aantal normatieve leerovereenkomsten, bedoeld in artikel H.3, derde lid, in het schooljaar voorgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft.
2.
De budgetfactor heeft tot doel de omvang van de vergoeding af te stemmen op de middelen die door de begrotingswetgever beschikbaar zijn gesteld.
3.
De budgetfactor kan jaarlijks bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Zij kan afzonderlijk worden vastgesteld voor een landelijk orgaan dat werkzaam is op het gebied van de landbouw.
1.
De in artikel H.3, tweede lid, onderdeel g, bedoelde kwalificatiefactor is de op grond van het tweede lid door Onze Minister vastgestelde factor.
2.
De kwalificatiefactor wordt per opleiding en afhankelijk van de opleidingsduur vastgesteld door:
a. het aantal leerlingen met een leerovereenkomst ten behoeve waarvan het landelijk orgaan werkzaam is in het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft,
die niet voldoen aan het ingangsniveau, bedoeld in artikel 2.13, derde lid, van de wet dan wel slechts in het bezit zijn van een diploma lager of voorbereidend beroepsonderwijs verkregen op grond van een eindexamen waarbij ten minste een vak volgens het A-programma is geëxamineerd, en
die een opleiding tot beginnende beroepsuitoefening als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel a , van de wet gegeven op de grondslag van deze leerovereenkomst, met een diploma hebben afgesloten, na vermenigvuldiging met een bij ministeriële regeling vast te stellen getal op te tellen bij
b. het aantal leerlingen, niet behorende tot de in onderdeel a bedoelde leerlingen, die in het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, een opleiding tot beginnende beroepsuitoefening als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel a , van de wet, gegeven op de grondslag van een ten overstaan van het landelijk orgaan gesloten leerovereenkomst, met een diploma hebben afgesloten, en de uitkomst van deze optelling te delen door
c. het aantal leerlingen met een leerovereenkomst die betrekking heeft op een opleiding tot beginnende beroepsuitoefening als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onderdeel a , van de wet in het schooljaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de vergoeding betrekking heeft, en deze uitkomst te delen door
d. een bij ministeriële regeling vast te stellen getal dat de minimaal na te streven verhouding weergeeft tussen enerzijds de in de onderdelen a en b , en anderzijds de in onderdeel c bedoelde aantallen, en deze uitkomst te vermenigvuldigen met
e. een bij ministeriële regeling vast te stellen getal lager of gelijk aan 1 dat ertoe strekt de invloed van die uitkomst op de hoogte van de vergoeding te beperken.
1.
De artikel H.3, tweede lid, onderdeel h, bedoelde gemiddelde personeelslast is het bedrag van de genormeerde personele middelen per formatieplaats voor elk van de personeelscategorieën.
2.
Onder personele middelen, bedoeld in het eerste lid, worden verstaan de middelen ten behoeve van de salarissen, overhevelingstoeslagen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen ten behoeve van personeel van de landelijke organen, alsmede de bijdragen tot hun pensioen en tot dat van hun nagelaten betrekkingen.
3.
De gemiddelde personeelslast wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.
1.
Onze Minister stelt het bedrag, bedoeld in artikel 3.62 a , tweede lid, van de wet, vast.
2.
Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de kosten voor nascholing aan het bevoegd gezag een gedeelte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.62 a , tweede lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
1.
De vergoeding voor de exploitatiekosten bestaat uit een eigenaarsvergoeding indien het bestuur van een landelijk orgaan eigenaar is of een gebruikersvergoeding.
2.
In afwijking van artikel 3.63 van de wet wordt bij ministeriële regeling voor wat betreft de eigenaarsvergoeding een bedrag per vierkante meter werkelijke vloeroppervlakte vastgesteld. Bij de berekening van de eigenaarsvergoeding neemt Onze Minister in aanmerking de kenmerken van het gebouw op 15 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop die vergoeding betrekking heeft.
3.
In afwijking van artikel 3.63 van de wet wordt de vergoeding van de exploitatiekosten voor wat betreft de gebruikersvergoeding, zoals onderscheiden in artikel 3.63, tweede lid, van de wet, berekend door:
a. het aantal normatieve leerovereenkomsten, bedoeld in artikel H.3, derde lid, onderscheiden naar de opleidingen, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de wet, te vermenigvuldigen met
b. een jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen normbedrag voor de in onderdeel a bedoelde opleidingen afzonderlijk, en
c. de uitkomst van de berekening, bedoeld in de onderdelen a en b , te vermenigvuldigen met de budgetfactor, bedoeld in artikel H.5, derde lid, en tenslotte
d. de uitkomst van de berekening, bedoeld in onderdeel c , te verhogen met een bedrag, gebaseerd op een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de op grond van artikel H.3 , met uitzondering van het tweede lid onderdelen f en g , berekende vergoeding voor de personeelskosten van het landelijk orgaan.
Artikel H.8a. Aanvullende vergoeding
Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden aan het bestuur van een landelijk orgaan een aanvullende vergoeding in de personeels- en exploitatiekosten toekennen.
Artikel H.9. Vaststelling vergoeding en vaststelling percentage van uitgaven t.b.v. personeel waarvan de kosten niet door het Rijk worden vergoed
De artikelen 3.64, tweede lid, aanhef en onderdelen a tot en met d , van de wet zijn niet van toepassing. Artikel 3.64, eerste lid, tweede lid, aanhef en onderdeel e juncto artikel 3.65, en artikel 3.64, derde lid, van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel H.10. Aftrekposten vergoeding
Artikel 3.66 van de wet is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in het derde lid voor "tenzij deze kosten worden veroorzaakt door een wijziging in de berekening van de grondslag van de omvang van de formatie" wordt gelezen: tenzij deze kosten worden veroorzaakt door wijzigingen in de berekening van de grondslag van de omvang van de formatie voor zover het de ratio’s en de kwalificatiefactor betreft, door vermindering van het aantal normatieve leerovereenkomsten bedoeld in artikel H.3, tweede lid, onderdeel a, of door vermindering van inkomsten uit activiteiten waarvan de personeelskosten niet door het Rijk worden vergoed.
Artikel H.11. Bevoorschotting
Artikel 3.67 van de wet is niet van toepassing.
1.
Onze Minister stelt de op grond van titel 2 van dit hoofdstuk vastgestelde bedragen voor de vergoeding van onderscheidenlijk de personeels-, nascholings- en exploitatiekosten jaarlijks als één bedrag beschikbaar en verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de kosten voor het personeel, voor de nascholing daarvan en voor de voorzieningen ten behoeve van de exploitatie aan het landelijk orgaan een gedeelte van dat bedrag.
2.
Onze Minister kan op het in het eerste lid bedoelde maandelijkse bedrag in mindering brengen een bedrag aan verwachte uitgaven als bedoeld in artikel 3.64, tweede lid, onderdeel e , van de wet.
Artikel H.13. Besteding vergoeding
In afwijking van artikel 3.70 van de wet wendt het bestuur de voor de personeels-, nascholings- en exploitatiekosten verleende vergoeding zodanig aan dat een behoorlijke uitoefening van de taken van het landelijk orgaan is verzekerd.
Artikel H.14. Verschaffen inlichtingen
Artikel 3.71 van de wet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel H.15. Inhoud van de administratie
Het bestuur draagt er zorg voor dat een overzichtelijke administratie op het orgaan beschikbaar is waarin gegevens zijn opgenomen omtrent:
a. de afgesloten leerovereenkomsten,
b. de duur van deze leerovereenkomsten,
c. de partijen bij de leerovereenkomsten,
d. de scholen waar de leerlingen het beroepsbegeleidend onderwijs volgen,
e. de betrokken leerbedrijven, en
f. de betrokken opleidingen voor middelbaar beroepsonderwijs en voor beroepsbegeleidend onderwijs.
Artikel H.16. Bewaren van de gegevens
De gegevens die in de administratie zijn opgenomen, blijven daarvan ten minste vijf jaren deel uitmaken.
Artikel H.17. Telling
Het bestuur stelt voor de toepassing van dit besluit de in artikel H.3, tweede lid, bedoelde aantallen vast.
1.
Binnen veertien dagen na afloop van de periode waarop de in artikel H.17 bedoelde telling betrekking heeft, zendt het bestuur aan Onze Minister een opgave van de met toepassing van artikel H.17 vastgestelde gegevens en van de overige gegevens die vereist zijn voor de vaststelling van de onderscheiden bedragen.
2.
Onze Minister kan voor de gegevensverstrekking, bedoeld in artikel H.18 alsmede voor de overige gegevens die het bestuur op verzoek van Onze Minister verstrekt modellen vaststellen. De modellen kunnen tevens betrekking hebben op de inhoud en inrichting van de administratie. Wanneer het bestuur afwijkt van de modellen zet het de gronden daartoe bij de gegevensverstrekking uiteen.
Artikel H.19. Opheffing
Het bestuur deelt een besluit tot opheffing van het landelijk orgaan onverwijld mede aan Onze Minister en de inspectie.
1.
Het bestuur dient een aanvraag voor een voorziening in de huisvesting of inventaris in bij Onze Minister voor 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor aanvang van de bekostiging van de voorziening wordt gewenst.
2.
Bij ministeriële regeling wordt een model vastgesteld voor een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Bij die regeling wordt tevens vastgesteld welke gegevens een aanvraag dient te omvatten.
3.
In bijzondere gevallen kan Onze Minister toestaan dat van het in het eerste lid bedoelde tijdstip wordt afgeweken.
4.
Onze Minister beslist voor 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor aanvang van de bekostiging van de voorziening wordt gewenst, op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
Artikel H.21. Vergoeding personeels- en exploitatiekosten
Onze Minister kan in bijzondere gevallen voorafgaand aan het vaststellen van de vergoeding voor de personeels- dan wel exploitatiekosten, een voorlopig bedrag vaststellen.
Artikel H.22. Verstrekking gegevens voor vergoeding van personeels- en exploitatiekosten
Ingeval in de gegevens waarvan bij de vaststelling van de vergoeding is uitgegaan, wijzigingen optreden, doet het bestuur daarvan onverwijld mededeling aan Onze Minister.
1.
De boekhouding van het landelijk orgaan is zodanig ingericht dat op doelmatige wijze informatie kan worden verkregen omtrent het gevoerde financieel beheer van het landelijk orgaan.
2.
Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
1.
Het onderhoudsprogramma, bedoeld in artikel 3.69, eerste lid, van de wet, bestrijkt een tijdvak van vijf jaren, te beginnen met het boekjaar waarvoor de begroting wordt vastgesteld.
2.
Het onderhoudsprogramma omvat een beschrijving van aard en omvang van de voorgenomen activiteiten voor instandhouding van de voorzieningen in de huisvesting, alsmede een raming van de daarvoor noodzakelijk geachte uitgaven en reserveringen.
1.
Het bestuur stelt jaarlijks tijdig voor het komende boekjaar een begroting vast. De begroting behelst een raming van de inkomsten en uitgaven van de instelling. In de begroting worden voldoende middelen uitgetrokken om een behoorlijke vervulling van de activiteiten waarvoor de bekostiging wordt verstrekt, redelijkerwijze mogelijk te maken.
2.
Uit de begroting blijken in elk geval de voorgenomen toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves.
1.
Het bestuur zendt Onze Minister jaarlijks voor 1 juli een jaarrekening over het afgelopen boekjaar. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring van een door het bevoegd gezag aangewezen accountant op grond van een onderzoek omtrent de getrouwheid van de jaarrekening.
2.
Ingeval in het verslagjaar een voorziening in de huisvesting als bedoeld in artikel 3.61 van de wet is gerealiseerd, voegt het bestuur aan de jaarrekening gegevens toe over de desbetreffende voorziening en een verklaring van een door het bestuur aangewezen deskundige op het gebied van de huisvesting, dat naar zijn oordeel de desbetreffende voorziening is gerealiseerd volgens de wettelijke voorschriften.
Artikel H.27. Model
Onze Minister kan voor de jaarrekening een model vaststellen. Wanneer het bestuur afwijkt van het model zet het de gronden daartoe in de jaarrekening uiteen.
Artikel H.28. Correctie
Indien uit het verslag of de verklaring van de accountant blijkt dat de omvang van de vergoeding uit ’s Rijks kas, waarop het verslag betrekking heeft, onjuist is vastgesteld dan wel de besteding daarvan niet rechtmatig was, kan Onze Minister tot uiterlijk één jaar na ontvangst van het verslag correcties aanbrengen op de vergoeding uit ’s Rijks kas. Onze Minister maakt het bestuur uiterlijk één jaar na ontvangst van het verslag bekend of en zo ja welke correcties hij aanbrengt.
Artikel H.29. Verrekening of uitbetaling van correcties
Een correctie wordt verrekend met de vergoeding waarop het landelijk orgaan over het eerstvolgende kalenderjaar aanspraak heeft of, indien de correctie strekt tot verhoging van de vergoeding, binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in artikel H.28, uitbetaald.
1.
Indien een landelijk orgaan wordt opgeheven of de aanspraak op bekostiging voor een landelijk orgaan verloren gaat, stort het bestuur het exploitatie-overschot terug in ’s Rijks kas.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder exploitatie-overschot verstaan:
a. het bedrag van de vergoedingen voor de personeels-en exploitatiekosten, verminderd met de uitgaven over het desbetreffende jaar, en
b. de reserveringen voorzover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten.
Artikel H.31. Sluiten van verzekering
Artikel 3.72, tweede lid, van de wet is niet van toepassing.
Artikel H.32. Invoering herziene bekostiging kalenderjaren 1994 en 1995
De op grond van de titels 2 en 3 berekende vergoeding voor het kalenderjaar 1994 en het kalenderjaar 1995 kan overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen voorschriften worden verhoogd dan wel verlaagd met het oog op een geleidelijke invoering van dit hoofdstuk.
Artikel I.2. Besluit vormingswerk voor jeugdigen
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
1.
[Wijzigt het Besluit van 16 december 1986 (Stb. 707), houdende aanwijzing van enige opleidingen voor lager en middelbaar beroepsonderwijs ingevolge artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs.]
2.
Het Eindexamenbesluit avondscholen m.e.a.o. wordt ingetrokken.
3.
Het Besluit van 20 juni 1986 ( Stb. 358) tot intrekking van enige eindexamenbesluiten en tot aanwijzing conform artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs van een aantal scholen en afdelingen voor beroepsonderwijs wordt ingetrokken.
Artikel I.5. Besluit bekostiging scholengemeenschappen WVO
Het Besluit bekostiging scholengemeenschappen WVO wordt ingetrokken. Artikel 2 blijft van toepassing ten aanzien van andere scholengemeenschappen dan bedoeld in de artikelen G.2 en G.3.
Artikel J.1. Overgangsbepaling lange programma’s leerlingwezen
Ten aanzien van programma's, waarvan op grond van artikel 18, vierde lid, van de Wet op het leerlingwezen de studiebelasting op 31 juli 1993 meer dan 7,5 uur gedurende 40 weken per schooljaar omvatte, blijft de beperking, dat een leerling ten hoogste voor een deeltijdequivalent kan tellen, neergelegd in artikel D.4, bij de vaststelling van het aantal deeltijdequivalenten buiten toepassing, maar geldt ten hoogste de op grond van artikel 18, vierde lid, vastgestelde studiebelasting als uitgangspunt voor de berekening van het aantal deeltijdequivalenten.
Artikel J.2. Wijziging artikel G.6
[Bevat wijzigingen in deze regelgeving.]
1.
Dit besluit, met uitzondering van hoofdstuk H, treedt in werking met ingang van 1 augustus 1993. Hoofdstuk H treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Indien hoofdstuk H na 1 augustus 1993 in werking treedt, werkt het terug tot en met 1 augustus 1993.
2.
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit W.C.B.O.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 6 juli 1993
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de zevenentwintigste juli 1993
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk A. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk B. Afdelingen
+ Hoofdstuk C
+ Hoofdstuk D. Bekostiging
+ Hoofdstuk E. Formatie B.B.O.
+ Hoofdstuk F. Formatie deeltijds M.B.O.
+ Hoofdstuk G
+ Hoofdstuk H. Bekostiging en spreiding landelijke organen
+ Hoofdstuk I. Wijzigingen andere besluiten
+ Hoofdstuk J. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht