Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2005. U leest nu de tekst die gold op -.

Uitvoeringsbesluit WIK

Uitgebreide informatie
Besluit van 5 juni 1998, houdende uitvoering van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Uitvoeringsbesluit WIK)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 1997, nr. 97.005930;
Gelet op de artikelen 4, onder b, 6, eerste lid, onder b, 9, vierde lid, 16, vierde lid, 17, zesde lid, en 19, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars;
De Raad van State gehoord (advies van 24 december 1997, nr. W12.97.0776);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 juni, Directie Bijstandszaken, nr. BZ/VOL/98/11.576;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WIK: Wet inkomensvoorziening kunstenaars ;
b. uitkering: de uitkering op grond van de WIK ;
c. inlichtingenverplichting: de verplichting, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel c, van de WIK;
d. fraudebedrag: het brutobedrag dat ten onrechte als uitkering is verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.
1.
Het bruto-inkomen of de bruto-omzet, bedoeld in de artikelen 4, onderdeel b, en 6, eerste lid, onderdeel b, van de WIK, bedraagt € 1 089, dat door de kunstenaar:
a. die uitkering aanvraagt, moet zijn verworven in het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt aangevraagd;
b. aan wie uitkering is verleend, telkens moet zijn verworven in het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt ontvangen.
2.
Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt naar evenredigheid verlaagd indien de kunstenaar gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, doch ten minste gedurende een aaneengesloten periode van 28 dagen, wegens ziekte of deelname aan beroepskwalificerende scholingsactiviteiten geen werkzaamheden als kunstenaar heeft verricht.
3.
Voor het vaststellen van de periode van ziekte, bedoeld in het tweede lid, worden perioden van ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
4.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt voor de kunstenaar, bedoeld in artikel 4, onderdeel c, van de WIK, het bedrag, bedoeld in het eerste lid, in het eerste kalenderjaar waarin uitkering is verleend op nihil gesteld.
1.
De als beroepskosten in aanmerking te nemen normbedragen, bedoeld in artikel 10a van de WIK, worden gesteld op:
a. € 4 538 per jaar voor een scheppend kunstenaar;
b. € 2 269 per jaar voor een andere dan een scheppend kunstenaar.
2.
De in het eerste lid genoemde berdragen worden naar evenredigheid verlaagd indien de kunstenaar slechts gedurende een gedeelte van een kalenderjaar recht op uitkering heeft.
Artikel 4
Burgemeester en wethouders nemen bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WIK de bepalingen van dit besluit in acht, onverminderd artikel 16, tweede en derde lid, van de WIK.
Artikel 5
De gedragingen, bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de WIK, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1. eerste categorie:
a. het zich niet als kunstenaar doen inschrijven bij de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen;
b. het niet binnen de door burgemeester en wethouders daartoe gestelde termijn aan de inlichtingenverplichting voldoen;
2. tweede categorie:
a. het niet voldoen aan een verplichting die door burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 15, eerste lid, van de WIK aan de uitkering verbonden is;
b. het zich niet naar vermogen inspannen om met werkzaamheden als kunstenaar zelfstandig in het bestaan te voorzien.
1.
De weigering, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WIK, wordt vastgesteld op:
a. vijf procent van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
b. tien procent van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie.
2.
De periode van weigering van de uitkering, genoemd in het eerste lid, wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.
1.
Indien de kunstenaar beschikt over een in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf die tevens voor de uitoefening van het beroep wordt gebruikt, wordt voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, van de WIK, de vermogenswaarde vastgesteld op een bedrag gelijk aan 20% van de waarde in het economisch verkeer van de woning of het bijbehorend erf verminderd met de daarop drukkende schulden. Op de vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf is artikel 10b van overeenkomstige toepassing.
2.
Indien de kunstenaar beschikt over bezittingen anders dan de in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf, die tevens voor de uitoefening van het beroep worden gebruikt, wordt voor de toepassing van artikel 2, tweede lid van de WIK, de vermogenswaarde vastgesteld op een bedrag gelijk aan 50% van de waarde in het economisch verkeer van de bezittingen verminderd met de daarop drukkende schulden.
Artikel 10b
De vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de WIK, vindt plaats door een taxateur die door burgemeester en wethouders in overeenstemming met de kunstenaar wordt aangewezen of door een gemeentelijk taxateur.
1.
Aan de geldlening onder verband van hypotheek, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de WIK, worden in elk geval de voorwaarden, genoemd in de artikelen 10d en 10e, verbonden.
2.
De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.
1.
De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vangt aan na de periode van tien jaar, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de WIK, of zoveel eerder als de termijn van vier jaar, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de WIK is verstreken.
2.
De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vindt maandelijks plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
3.
Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld.
4.
Bij een inkomen van de belanghebbende en zijn gezin als bedoeld in artikel 31 van de Wet werk en bijstand dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in de paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd.
5.
Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
6.
Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van de belanghebbende en zijn gezin komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen van de belanghebbende.
7.
Indien de belanghebbende en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
1.
Indien door toepassing van artikel 10d, derde tot en met vijfde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
2.
De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met drie procent.
3.
Indien de belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
4.
Indien de belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
5.
Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.
1.
Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 10e, vierde lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost.
2.
Bij verkoop van de woning kunnen burgemeester en wethouders wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aarde van de belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders als belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
3.
Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voorzover de opbrengst daartoe toereikend is, aan de belanghebbende in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 2a, eerste lid, onder b, van de WIK, bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht.
4.
Indien bij de verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.
Artikel 10g
Aan de belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.
Artikel 10h
Het bedrag, bedoeld in artikel 8, vierde lid, is gelijk aan twaalf maal het bedrag voor gehuwden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, van de WIK.
Artikel 11
Recht op uitkering op grond van de WIK bestaat, indien de belanghebbende woonplaats heeft in:
1. de provincie Groningen: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen;
2. de provincie Friesland: jegens het burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden;
3. de provincie Drenthe: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Assen;
4. de provincie Gelderland: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem;
5. de provincie Flevoland: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Almere;
6. de provincie Utrecht: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;
7. de provincie Zeeland: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg;
8. de provincie Limburg: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht;
9. de gemeenten Bathmen, Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle;
10. de gemeenten Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo (O), Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede;
11. de gemeenten Alkmaar, Andijk, Anna Paulowna, Beemster, Bergen, Castricum, Den Helder, Drechterland, Edam-Volendam, Enkhuizen, Graft-De Rijp, Harenkarspel, Heerhugowaard, Heiloo, Hoorn, Landsmeer, Langedijk, Medemblik, Niedorp, Noorder-Koggenland, Obdam, Oostzaan, Opmeer, Purmerend, Schagen, Schermer, Stede Broec, Texel, Venhuizen, Waterland, Wervershoof, Wester-Koggenland, Wieringen, Wieringermeer, Wognum, Wormerland, Zaanstad, Zeevang, Zijpe: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar;
12. de gemeenten Aalsmeer, Bennebroek, Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Uitgeest, Uithoorn, Velsen, Zandvoort: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem;
13. de gemeenten Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Ouder-Amstel: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam;
14. de gemeenten Blaricum, Bussum, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp, Wijdemeren: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum;
15. de gemeenten Alkemade, Alphen aan den Rijn, Bodegraven, Boskoop, Delft, Den Haag, Gouda, Hillegom, Jacobswoude, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Liemeer, Lisse, Midden-Delfland, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Reeuwijk, Rijnsburg, Rijnwoude, Rijswijk, Sassenheim, Ter Aar, Valkenburg, Vlist, Voorhout, Voorschoten, Waddinxveen, Warmond, Wassenaar, Westland, Zederik, Zoetermeer, Zoeterwoude: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag;
16. de gemeenten Alblasserdam, Albrandswaard, Barendrecht, Bergambacht, Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, Bernisse, Binnenmaas, Bleiswijk, Brielle, Capelle aan den IJssel, Cromstrijen, Dirksland, Dordrecht, Giessenlanden, Goedereede, Gorinchem, Graafstroom, 's-Gravendeel, Hardinxveld-Giessendam, Hellevoetsluis, Hendrik-Ido-Ambacht, Korendijk, Krimpen aan den IJssel, Leerdam, Liesveld, Maassluis, Middelharnis, Moordrecht, Nederlek, Nieuw-Lekkerland, Nieuwerkerk aan den IJssel, Oostflakkee, Oud-Beijerland, Ouderkerk, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Schoonhoven, Sliedrecht, Spijkenisse, Strijen, Vlaardingen, Westvoorne, Zevenhuizen-Moerkapelle, Zwijndrecht: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;
17. de gemeenten Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem, Zundert: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Breda;
18. de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Waalwijk: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg;
19. de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, 's-Hertogenbosch, Heusden, Landerd, Lith, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oss, Schijndel, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode, Uden, Veghel, Vught: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch;
20. de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonk, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Gerwen en Nederwetten, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven.
1.
De verplichtingen van burgemeester en wethouders, die samenhangen met de uitvoering van de WIK , gaan voor zover die betrekking hebben op activiteiten, waarmee voor de inwerkingtreding van het Besluit van 3 december 2003 (Stb. 509) tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WIK in verband met het terugbrengen van het aantal centrumgemeenten alsmede technische wijziging van een aantal andere besluiten in verband met de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand een aanvang is gemaakt en die na die datum worden voortgezet, over naar burgemeester en wethouders van de gemeente met toepassing van voornoemd besluit.
2.
Aanvragen en de daaruit voortvloeiende verplichtingen die op de dag van inwerkingtreding van het in het eerste lid bedoelde besluit aanhangig zijn bij een gemeente die met toepassing van voornoemd besluit niet meer als gemeente is aangewezen die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de WIK worden in afwijking van het eerste lid afgehandeld door de gemeente die voor inwerkingtreding van genoemd besluit verantwoordelijk was voor de uitvoering van de WIK .
3.
Aanvragen en de daaruit voortvloeiende verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, die na een periode van 13 weken na inwerkingtreding van het in het eerste lid bedoelde besluit nog aanhangig zijn bij een gemeente die voor inwerkingtreding van voornoemd besluit verantwoordelijk was voor de uitvoering van de WIK gaan in de stand waarin zij zich dan bevinden over op de gemeente die na inwerkingtreding van genoemd besluit verantwoordelijk is voor de uitvoering van de WIK .
4.
Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij burgemeester en wethouders aanhangige bezwaarschriften.
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WIK.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 juni 1998
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven achttiende juni 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Definities
+ § 2. Inkomenseisen en beroepskosten
+ § 3. Maatregelen
+ § 4
+ § 4a. Vaststelling vermogenswaarde bezittingen, met zowel een zakelijk als een privé karakter, noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar.
+ § 4b. Krediethypotheekregeling WIK
+ § 5. Gebiedsindeling
+ § 5a. Overgangsrecht
+ § 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken