Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2012. U leest nu de tekst die gold op -.

Uitvoeringsbesluit WWIK

Uitgebreide informatie
Besluit van 23 december 2004, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Uitvoeringsbesluit WWIK)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 oktober 2004, nr. W&B/URP/04/70890;
Gelet op de artikelen 2, vijfde lid, 7, vijfde lid, 8, aanhef en onderdeel b, 10, tweede en derde lid, 11, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, 13, vijfde lid, 17, tweede lid, 18, vierde lid, 21, tweede lid, 22, vijfde lid, 23, eerste lid, 40, tweede, zevende en achtste lid, en 43, derde en vierde lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars;
De Raad van State gehoord (advies van 6 december 2004, nr. W12.04.0510/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 december 2004, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/URP/04/85553;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WIK: Wet inkomensvoorziening kunstenaars , zoals deze luidde op 31 december 2004;
b. WWIK: Wet werk en inkomen kunstenaars ;
c. uitkering: uitkering op grond van de WWIK .
Artikel 2. Periodiciteit beroepsmatigheidstoets
De beoordeling of de kunstenaar gedurende de periode, bedoeld in artikel 8, aanhef en onderdeel b, van de WWIK dan wel artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de WWIK als kunstenaar werkzaam is geweest, betreft de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de kalendermaand waarin uitkering wordt aangevraagd, dan wel waarin het onderzoek plaatsvindt, bedoeld in artikel 11 van de WWIK.
1.
Voor kunstenaars aan wie nog niet eerder uitkering op grond van de WIK of de WWIK is verleend, bedraagt het bruto-inkomen, bedoeld in artikel 8, aanhef en onderdeel b, van de WWIK, na vermindering met de in aanmerking te nemen beroepskosten, bedoeld in artikel 17 van de WWIK, € 1.200,–.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder de in aanmerking te nemen beroepskosten, bedoeld in artikel 17 van de WWIK, verstaan de directe kosten die uitsluitend kunnen worden toegerekend aan het met werkzaamheden als kunstenaar verworven inkomen in de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de kalendermaand waarin uitkering wordt aangevraagd.
1.
De in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK genoemde bedragen worden naar evenredigheid verlaagd, indien de kunstenaar geen werkzaamheden als kunstenaar heeft verricht gedurende een gedeelte van de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan respectievelijk de dertiende, vijfentwintigste of zevenendertigste uitkeringsmaand wegens ziekte of deelname aan door de adviserende instelling of het college aangeboden beroepskwalificerende scholing van tenminste een aaneengesloten periode van vier weken.
2.
Voor het vaststellen van de periode van ziekte, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3.
Het college kan de kunstenaar die, als gevolg van op de ontwikkeling van de beroepspraktijk gerichte activiteiten die het verwerven van inkomen hebben belemmerd, niet kan voldoen aan de eis, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK, gedurende de totale looptijd van de WWIK eenmalig op zijn verzoek ontheffing van die eis verlenen. De kunstenaar doet hiertoe zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed verzoek aan het college.
4.
De ontheffing, bedoeld in het derde lid, wordt niet verleend, indien het niet hebben voldaan aan de van toepassing zijnde eis, bedoeld in artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel b, van de WWIK, het gevolg is van het naar het oordeel van het college onverantwoord handelen of nalaten van de kunstenaar.
artikel 11, eerste lid, van de WWIK van Uitvoeringsbesluit WWIK">
Artikel 5. Progressie-eis na eerdere beëindiging van de uitkering op grond van artikel 11, eerste lid, van de WWIK
De kunstenaar wiens uitkering op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK is beëindigd en die uitkering aanvraagt, heeft na afloop van de periode, bedoel in artikel 10, vijfde lid, van de WWIK, recht op uitkering als wordt voldaan aan de van toepassing zijnde eis, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK over de twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de kalendermaand waarin uitkering wordt aangevraagd.
1.
Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK, wordt op de omzet en het bruto-inkomen verworven over de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan de 13e, 25e of 37e uitkeringsmaand de volgende beroepskosten in mindering gebracht:
a. de vaste kosten, afgeleid uit de jaarrekening van het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de betreffende eis wordt getoetst;
b. de variabele kosten, afgeleid uit de jaarrekening van het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de betreffende eis wordt getoetst, naar het percentage dat zij uitmaken van de in die jaarrekening opgenomen omzet.
2.
Indien de kunstenaar geen jaarrekening kan overleggen over het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de betreffende eis wordt getoetst, dan wel aantoont dat de toepassing van het eerste lid geen recht doet aan de werkelijke kosten over de van toepassing zijnde periode, bedoeld in het eerste lid, wordt de opgave van de kunstenaar in aanmerking genomen, voorzover deze naar het oordeel van het college aannemelijk is.
1.
Voor de toepassing van de artikelen 15 en 16 van de WWIK wordt over de omzet of bruto-inkomsten van de kunstenaar een bedrag van € 3.408,– als beroepskosten in aanmerking genomen.
2.
Indien bij de toepassing van het eerste lid het bruto-inkomen van de kunstenaar uitkomt op een negatief bedrag, wordt het inkomen op nihil gesteld.
3.
Indien in de situatie, bedoeld in het tweede lid, de kunstenaar aantoont dat de werkelijke beroepskosten de omzet en het bruto-inkomen overstijgen, worden in afwijking van het tweede lid, de resterende meerkosten in mindering gebracht op het bruto-inkomen van zijn echtgenoot.
4.
Indien de kunstenaar aantoont dat zijn werkelijke beroepskosten hoger zijn dan het in het eerste lid genoemde bedrag worden deze werkelijke kosten in aanmerking genomen bij de omzet of het bruto-inkomen van de kunstenaar en het bruto-inkomen van zijn echtgenoot.
5.
Bij de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WWIK, worden het bedrag, bedoeld in het eerste lid, en de werkelijke beroepskosten, bedoeld in het derde en vierde lid, verlaagd naar evenredigheid van de in aanmerking te nemen periode, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WWIK.
1.
Indien de kunstenaar beschikt over een in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf die tevens voor de uitoefening van het beroep wordt gebruikt, wordt voor de toepassing van artikel 7, vijfde lid, van de WWIK, de vermogenswaarde vastgesteld op een bedrag gelijk aan 20% van de waarde in het economisch verkeer van de woning met het bijbehorend erf verminderd met de daarop drukkende schulden. Op de vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf is artikel 10 van toepassing.
2.
Indien de kunstenaar beschikt over bezittingen anders dan de in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf, die tevens voor de uitoefening van het beroep worden gebruikt, wordt 50% van de waarde in het economisch verkeer van de bezittingen verminderd met de daarop drukkende schulden aangemerkt als vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar.
1.
Voor de toekenning van de waarde van de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, van de WWIK, wordt uitgegaan van de waarde die is toegekend op grond van de Wet waardering onroerende zaken .
2.
In afwijking van het eerste lid kan de waarde van de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, van de WWIK, worden vastgesteld door een taxateur die door het college in overeenstemming met de kunstenaar wordt aangewezen.
Artikel 11. Voorwaarden geldlening
De voorwaarden, bedoeld in de artikelen 12 en 13, worden in elk geval verbonden aan de geldlening onder verband van hypotheek of verpanding, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de WWIK, en opgenomen in de hypotheekakte of de akte tot verpanding.
1.
De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek of verpanding vangt aan na de periode van tien jaar, bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WWIK, of zoveel eerder als de termijn van vier jaar, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WWIK, is verstreken.
2.
De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek of verpanding vindt maandelijks plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
3.
Het college stelt het maandbedrag van de aflossing vast aan de hand van het inkomen, bedoeld in paragraaf 3.4 van de Wet werk en bijstand, en de noodzakelijke, voor rekening van de kunstenaar en zijn gezin komende, bijzondere bestaanskosten. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, wijzigt het college het maandbedrag van de aflossing.
4.
Bij een inkomen van de kunstenaar en zijn gezin als bedoeld in het derde lid dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in de paragrafen 3.2 en 3.3 van de Wet werk en bijstand, wordt geen aflossing gevergd.
5.
Indien de kunstenaar en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig zijn in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
1.
Indien door toepassing van artikel 12, derde of vierde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
2.
De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke rente, verminderd met drie procent.
3.
Indien de kunstenaar naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
4.
Indien de kunstenaar naar het oordeel van het college geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
5.
Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.
1.
Bij verkoop van de woning dan wel bij vererving van de woning na het overlijden van de kunstenaar of, indien het een echtpaar betreft, na het overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 13, vierde lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost.
2.
Indien bij de verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.
Artikel 15. Opgave lening en rente
Aan de kunstenaar of langstlevende echtgenoot, bedoeld in artikel 14, eerste lid, wordt, telkens na afloop van een kalenderjaar, een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.
Artikel 16. Centrumgemeenten
Recht op uitkering op grond van de WWIK bestaat, indien de kunstenaar woonplaats heeft in:
a. de provincie Groningen: jegens het college van de gemeente Groningen;
b. de provincie Friesland: jegens het college van de gemeente Leeuwarden;
c. de provincie Drenthe: jegens het college van de gemeente Assen;
d. de provincie Gelderland: jegens het college van de gemeente Arnhem;
e. de provincie Flevoland: jegens het college van de gemeente Lelystad;
f. de provincie Utrecht: jegens het college van de gemeente Utrecht;
g. de provincie Zeeland: jegens het college van de gemeente Middelburg;
h. de provincie Limburg: jegens het college van de gemeente Maastricht;
i. de gemeenten Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle: jegens het college van de gemeente Zwolle;
j. de gemeenten Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo (O), Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden: jegens het college van de gemeente Enschede;
k. de gemeenten Alkmaar, Andijk, Anna Paulowna, Beemster, Bergen, Castricum, Den Helder, Drechterland, Edam-Volendam, Enkhuizen, Graft-De Rijp, Harenkarspel, Heerhugowaard, Heiloo, Hoorn, Koggenland, Landsmeer, Langedijk, Medemblik, Niedorp, Oostzaan, Opmeer, Purmerend, Schagen, Schermer, Stede Broec, Texel, Waterland, Wervershoof, Wieringen, Wieringermeer, Wormerland, Zaanstad, Zeevang, Zijpe: jegens het college van de gemeente Alkmaar;
l. de gemeenten Aalsmeer, Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Uitgeest, Uithoorn, Velsen, Zandvoort: jegens het college van de gemeente Haarlem;
m. de gemeenten Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Ouder-Amstel: jegens het college van de gemeente Amsterdam;
n. de gemeenten Blaricum, Bussum, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp, Wijdemeren: jegens het college van de gemeente Hilversum;
o. de gemeenten Alphen aan den Rijn, Bodegraven, Boskoop, Delft, Den Haag, Gouda, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Lisse, Midden-Delfland, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Reeuwijk, Rijnwoude, Rijswijk, Teylingen, Vlist, Voorschoten, Waddinxveen, Wassenaar, Westland, Zoetermeer, Zoeterwoude: jegens het college van de gemeente Den Haag;
p. de gemeenten Alblasserdam, Albrandswaard, Barendrecht, Bergambacht, Bernisse, Binnenmaas, Brielle, Capelle aan den IJssel, Cromstrijen, Dirksland, Dordrecht, Giessenlanden, Goedereede, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Hellevoetsluis, Hendrik-Ido-Ambacht, Korendijk, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Leerdam, Liesveld, Maassluis, Middelharnis, Moordrecht, Nederlek, Nieuw-Lekkerland, Nieuwerkerk aan den IJssel, Oostflakkee, Oud-Beijerland, Ouderkerk, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Schoonhoven, Sliedrecht, Spijkenisse, Strijen, Vlaardingen, Westvoorne, Zederik, Zevenhuizen-Moerkapelle, Zwijndrecht: jegens het college van de gemeente Rotterdam;
q. de gemeenten Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout,Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem, Zundert: jegens het college van de gemeente Breda;
r. de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Waalwijk: jegens het college van de gemeente Tilburg;
s. de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, 's-Hertogenbosch, Heusden, Landerd, Lith, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oss, Schijndel, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode, Uden, Veghel, Vught: jegens het college van de gemeente 's-Hertogenbosch;
t. de gemeenten Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonk, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Gerwen en Nederwetten, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre: jegens het college van de gemeente Eindhoven.
1.
De kunstenaar die in of voor het jaar 2004 een uitkering heeft ontvangen op grond van de WIK , heeft in het jaar 2005 recht op uitkering op grond van de WWIK , indien hij in het jaar 2004 een omzet of bruto-inkomen uit kunst van € 1.089,– heeft verworven.
2.
Voor de kunstenaar aan wie op grond van het eerste lid uitkering is verleend en de kunstenaar die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WWIK uitkering op grond van de WIK is verleend, geldt dat de beoordeling van het recht op uitkering in het daaropvolgende jaar plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de WWIK, zijnde niet meer dan in voornoemd artikel genoemd bedrag van € 2.800,–.
3.
Voor de kunstenaar die na de beoordeling van het bruto-inkomen, bedoeld in het eerste en tweede lid, recht op uitkering heeft, geldt voor de volgende beoordelingsperiode van twaalf kalendermaanden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWIK de naast hogere inkomenseis, bedoeld in voornoemd artikel.
4.
Voor de kunstenaar, bedoeld in het eerste lid, geldt dat het in het eerste lid genoemde bedrag naar evenredigheid wordt verlaagd indien de kunstenaar gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, doch ten minste gedurende een aaneengesloten periode van vier weken, wegens ziekte of deelname aan beroepskwalificerende scholingsactiviteiten geen werkzaamheden als kunstenaar heeft verricht.
5.
Voor het vaststellen van de periode van ziekte, bedoeld in het vierde lid, worden perioden van ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
6.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de kunstenaar, bedoeld in artikel 8, aanhef en onderdeel c, van de WWIK, het bedrag bedoeld in het eerste lid op nihil gesteld, indien het jaar 2004 het eerste kalenderjaar is waarin uitkering werd verleend op grond van de WIK .
Artikel 28. Inwerkingtredingsbepaling
Dit besluit treedt met uitzondering van de artikelen 22 en 27 in werking met ingang van 1 januari 2005. Artikel 22 treedt in werking met ingang van 1 april 2005. Artikel 27 treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 29. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit WWIK.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 23 december 2004
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,
Uitgegeven de negenentwintigste december 2004
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ § 1. Definities
+ § 2. Voorwaarden werkzaamheden als kunstenaar
+ § 3. Inkomenseisen en beroepskosten
+ § 4
+ § 5. Vaststelling vermogenswaarde bezittingen, met zowel een zakelijk als een privé karakter, noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar
+ § 6. Regeling krediethypotheek en verpanding WWIK
+ § 7. Gebiedsindeling
+ § 8. Wijziging andere algemene maatregelen van bestuur
+ § 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken