Let op. Deze wet is vervallen op 19 juli 2006. U leest nu de tekst die gold op 18 juli 2006.

Uitvoeringsbesluit Zeebrievenwet 1926

Uitgebreide informatie
Besluit van 13 april 1927, tot uitvoering van artikel 13 der Zeebrievenwet 1926, houdende vaststelling van voorschriften ter verkrijging van tijdelijke vergunningen tot het voeren van de Nederlandse vlag
Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Overwegende, dat het ter uitvoering van artikel 13 der Zeebrievenwet 1926 noodig is regelen te stellen, voor zooveel de verkrijging van tijdelijke vergunningen tot het voeren van de Nederlandsche vlag betreft;
Op de voordracht van Onze Ministers van Waterstaat, van Justitie, en van Buitenlandsche Zaken van 8 Februari 1927, La. E, Afdeeling Vervoer- en Mijnwezen, van 8 Februari 1927, 1ste Afdeeling C, n°. 918, en van 8 Februari 1927, Directie van Economische Zaken, n°. 4198;
Den Raad van State gehoord (advies van 8 Maart 1927, n°. 13);
Gelet op het nader rapport van voornoemde Ministers van 19 Maart 1927, n°. 391, Afdeeling Vervoer- en Mijnwezen, van 29 Maart 1927, 1ste Afdeeling C, n°. 932, en van 6 April 1927, n°. 9983, Directie van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
vast te stellen de navolgende bepalingen:
1.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "schepen, waarbij overwegend Nederlandsche belangen zijn betrokken":
I. voor zooveel zeeschepen betreft:
a. Nederlandsche zeeschepen in den zin van het Wetboek van Koophandel , ten aanzien van welke echter niet kan worden voldaan aan de voorschriften ter verkrijging van een zeebrief;
b. schepen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd;
II. voor zooveel riviervaartuigen betreft:
a. vaartuigen, waarvan de eigendom voldoet aan de vereischten, in artikel 311 van het Wetboek van Koophandel voor Nederlandsche zeeschepen gesteld;
b. vaartuigen, welke voor ten minste twee derde gedeelte toebehooren aan Nederlanders, buiten Nederland gevestigd.
2.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "Onze Minister" de met de uitvoering van de Zeebrievenwet 1926 belaste Minister.
1.
De door Ons aangewezen Nederlandsche consulaire ambtenaren of andere Nederlandsche autoriteiten kunnen, op aanvrage van belanghebbenden, tijdelijke vergunningen tot het voeren van de Nederlandsche vlag afgeven, voor een daarin aangegeven gebied, voor schepen, waarbij overwegend Nederlandsche belangen zijn betrokken en welke alleen voor rivier- en kustvaart buiten Nederland worden gebruikt, op vertoon van bewijsstukken daarvan, zoomede van door de aanvragers af te leggen verklaringen nopens het bedrijf waarin de schepen zullen worden gebezigd. Bij twijfel moeten zij de bewijsstukken ter beoordeeling overleggen aan Onzen Minister.
2.
Indien eene vergunning wordt gewenscht voor een vaargebied, dat de grenzen van den ambtskring van de bevoegde Nederlandsche autoriteit overschrijdt, wordt door deze vooraf overleg gepleegd met Onzen Minister.
3.
Het formulier van de tijdelijke vergunning wordt door Onzen Minister vastgesteld.
Artikel 3
De vergunningen vervallen:
a. door het verloop van één jaar na den dag van afgifte;
b. wanneer het schip niet meer voldoet aan de in artikel 1 bedoelde vereischten omtrent den eigendom;
c. wanneer de naam van het schip is veranderd;
d. door gebruik van het schip tot kaapvaart, zeeroof, slavenhandel, smokkelhandel, spionnage of ander bedrijf, waarvoor de vergunning niet is afgegeven;
e. wanneer het schip wordt gesloopt, vergaat of door zeeroovers of vijanden wordt genomen.
Wanneer echter de termijn, onder a bedoeld, gedurende de reis verstrijkt, blijft de vergunning van kracht tot de terugkomst van het schip ter plaatse waar het tehuis behoort, doch niet langer dan drie maanden.
1.
De vervallen vergunning wordt door den eigenaar van het schip, of, indien zij onder den kapitein berust, door dezen met de eerste gelegenheid ingezonden aan de autoriteit, die de vergunning heeft afgegeven, behoudens het geval, voorzien bij artikel 15, laatste lid, van de Zeebrievenwet 1926.
2.
Wanneer het schip wordt gesloopt, vergaat of wordt genomen of de vergunning ten gevolge van vervreemding van het schip gedurende de reis vervalt, geschiedt de inzending van de vervallen vergunning door tusschenkomst van den naastbijzijnden Nederlandschen diplomatieken, consulairen of kolonialen ambtenaar.
3.
De oorzaak van het vervallen van de vergunning wordt bij de inzending opgegeven.
4.
Voor de ingezonden vergunning wordt den eigenaar of kapitein desverlangd een bewijs van ontvangst uitgereikt.
1.
In de gevallen, bedoeld in artikel 3, onder a en c, kan, op aanvraag van den rechthebbende, eene nieuwe vergunning worden uitgereikt. Deze aanvraag, met de vervallen vergunning in te zenden, moet vergezeld gaan van de in artikel 2 bedoelde bewijsstukken.
2.
Eene nieuwe vergunning kan op bovenstaanden voet mede worden uitgereikt, wanneer voldoende blijkt, dat de vroegere buiten schuld der belanghebbenden is verloren gegaan of niet kan worden overgelegd.
1.
Wanneer van eene op den voet van dit besluit verleende tijdelijke vergunning tot het voeren van de Nederlandsche vlag misbruik wordt gemaakt of gegrond vermoeden bestaat, dat zoodanig misbruik zal worden gemaakt, wordt die vergunning terstond buiten werking gesteld door Onzen Minister of door den naastbijzijnden Nederlandschen diplomatieken, consulairen of kolonialen ambtenaar.
2.
Bovendien kan de Nederlandsche autoriteit, die eene tijdelijke vergunning heeft afgegeven, deze te allen tijde intrekken.
Artikel 7
Niet nakoming van het bepaalde bij artikel 4, eerste, tweede of derde lid, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de Zeebrievenwet 1926.
Artikel 8
De vergunningen, verleend voor en nog geldig op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, blijven geldig totdat zij zouden zijn vervallen volgens de bepalingen van de wet van 28 Mei 1869 ( Staatsblad n°. 96), zooals die laatstelijk is gewijzigd.
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.
Onze Ministers van Waterstaat, van Justitie en van Buitenlandsche Zaken zijn, ieder voor zooveel hem aangaat, belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en aan den Raad van State in afschrift medegedeeld zal worden.
Het Loo, den 13den April 1927
De Minister van Waterstaat,
De Minister van Justitie,
De Minister van Buitenlandsche Zaken,
Uitgegeven den negenden Mei 1927.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken