Artikel 51
Van het verbod in artikel 12 wordt vrijstelling verleend aan de rechthebbende op het visrecht in staatswateren met vaste vistuigen in een visvak, voor het vissen in dit visvak met die vistuigen waarop het visrecht betrekking heeft.
1.
Aan de vrijstelling, bedoeld in artikel 51, zijn de volgende voorschriften verbonden:
a. de vistuigen zijn boven het waterpeil voorzien van een bordje, waarop duidelijk leesbaar het letterteken en nummer van het vissersvaartuig is vermeld dan wel, voor zover zonder vaartuig wordt gevist, de naam en adresgegevens van de visser;
b. een fuik is voorzien van een deugdelijke keerwant met een maaswijdte van 14 centimeter, aangebracht in de voorste hoepel of voorste inkeling;
c. elke maas van iedere rand van het keerwant is dusdanig aan het basisnet van de fuik bevestigd, dat alle organismen in de fuik door de mazen van het keerwant heen moeten kunnen komen;
d. eidragende zeekreeften die zijn gevangen in de Oosterschelde, pas verschaalde zeekreeften die zijn gevangen in de Oosterschelde en zeekreeften die zijn gevangen in de Oosterschelde tussen 15 juli en de laatste donderdag van maart, worden onmiddellijk na de vangst teruggezet;
e. de vistuigen worden in spuikommen en havens minimaal 10 meter en in de overige visvakken minimaal 25 meter vanaf de scheidingslijn van 2 visvakken geplaatst, en
f. indien overeenstemming is bereikt met de rechthebbende op het visrecht in het naastgelegen visvak over de afstand waarop de vistuigen vanaf de scheidingslijn tussen de visvakken worden geplaatst, worden de vistuigen, in afwijking van het bepaalde in onderdeel e, minimaal de overeengekomen afstand vanaf de scheidslijn tussen de visvakken geplaatst.
2.
Onderdeel b is niet van toepassing op permanent onder water staande schietfuiken in de kustwateren, genoemd in artikel 2, tweede tot en met het zevende lid, van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970.
1.
Van het verbod in artikel 12 wordt voor de kustwateren vrijstelling verleend voor het gebruik voor de recreatieve visserij met vistuig van het type staand want.
2.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend voor één vistuig per persoon en geldt niet voor de gebieden bedoeld in bijlage 17 bij deze regeling.
3.
Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende voorschriften verbonden:
a. de netlengte van het vistuig bedraagt niet meer dan 100 meter, in de gebieden, bedoeld in bijlage 18 , en in andere gebieden niet meer dan 30 meter;
b. het vistuig is voorzien van drijvers en ligt bij laag water plat op de bodem;
c. degene die van de vrijstelling gebruik maakt heeft zijn voornemen hiertoe gemeld aan de gemeente binnen wiens grondgebied hij de recreatieve visserij, als bedoeld in het eerste lid, uitoefent;
d. het vistuig is boven elk heersend waterpeil voorzien van een markering waarop duidelijk leesbaar het nummer, bedoeld in vijfde lid, is vermeld.
4.
De melding, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, geschiedt per kalenderjaar en omvat de naam, het adres, de woonplaats en de geboortedatum van degene die voornemens is van de vrijstelling gebruik te maken.
5.
De gemeente verstrekt een uniek nummer aan degene die een melding als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, doet.
1.
Van het verbod, bedoeld in artikel 12a wordt, voor het grondgebied van de gemeenten, genoemd in bijlage 19, vrijstelling verleend voor het gebruik voor de recreatieve visserij van een vistuig per persoon van het type staand want, mits:
a. het een vistuig betreft
1°. met een maaswijdte van ten minste 105 millimeter, gestrekt gemeten;
2°. dat niet uit meerdere lagen netten bestaat;
3°. dat bestaat uit enkeldradig of tot één draad gewonden garen;
4°. met een lengte van ten hoogste 50 meter, gemeten langs de bovenpees van het net, en
5°. met een hoogte van ten hoogste 110 centimeter, gestrekt gemeten.
b. het net wordt verankerd aan de bodem, waarbij de bovenpees ten hoogste 65 centimeter boven de bodem aan de verankering wordt bevestigd;
c. het net wordt geplaatst tussen de hoog- en de laagwaterlijn;
d. het vistuig ten minste eenmaal per etmaal wordt geïnspecteerd en degene die vist bij de gemeente waar de visserij plaatsvindt in voorkomend geval opgave doet van de aantallen gevangen bruinvis en de plaats waar deze zijn gevangen.
2.
Op de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, zijn de voorwaarden bedoeld in artikel 52a, onderdelen c en d, van overeenkomstige toepassing.
3.
Artikel 52a, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Aanwijzingsbepalingen en administratieverplichtingen
+ Hoofdstuk 3. Verbodsbepalingen
- Hoofdstuk 4. Vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen
+ Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht