Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2004. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2004.

Uitvoeringsvoorschriften t.a.v. de verklaringen omtrent het gedrag

Uitgebreide informatie
Besluit van 30 januari 1956, betreffende uitvoeringsvoorschriften ten aanzien van de verklaringen omtrent het gedrag
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 2 januari 1956, nummer U 15976, Directie Binnenlands Bestuur, Afdeling Bestuurszaken, mede namens Onze Minister van Justitie;
Gelet op de artikelen 19, derde lid, laatste volzin, en 20, tweede lid, laatste zinsnede, der Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag ( Stb. 1955, 395);
De Raad van State gehoord (advies van 17 januari 1956, no. 30);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 24 januari 1956, no. 16178, Directie Binnenlands Bestuur, Afdeling Bestuurszaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In afwijking van het bepaalde in artikel 20, tweede lid, eerste zinsnede, van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag , geschiedt de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag van een persoon die buiten Nederland verblijft en niet in een basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, doch onmiddellijk voorafgaand aan zijn vertrek in het persoonsregister van een gemeente was opgenomen, door de burgemeester van die gemeente.
Artikel 2
Het model van de verklaring omtrent het gedrag wordt als volgt vastgesteld:
a. Indien de betrokkene als ingezetene in een basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, als aangegeven in het bij dit besluit behorende model I;
b. Indien de betrokkene anders dan als ingezetene in een basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, als aangegeven in het bij dit besluit behorende model II;
c. Indien de betrokkene buiten Nederland verblijft en niet in een basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, doch onmiddellijk voorafgaand aan zijn vertrek in een gemeentelijk persoonsregister was opgenomen, als aangegeven in het bij dit besluit behorende model III.
d. In alle andere gevallen, als aangegeven in het bij dit besluit behorende model IV.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag in werking treedt.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 30 januari 1956
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Uitgegeven de achtentwintigste februari 1956.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht