Besluit van 22 oktober 2001 tot vaststelling van een eenmalige uitkering en tot wijziging van enige besluiten in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode van 1 augustus 2000 tot en met 30 september 2001
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 10 juli 2001, nr. P/2001004578;
Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet en artikel 12, van de Militaire ambtenarenwet 1931;
De Raad van State gehoord (advies van 1 oktober 2001, nr. W07.0331/II);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 16 oktober 2001, nr. P/2001006881;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
[Wijzigt het Algemeen militair ambtenarenreglement.]
Artikel II
[Wijzigt het Besluit dienstreizen defensie.]
Artikel III
[Wijzigt het Besluit personenchauffeurs defensie.]
Artikel IV
[Wijzigt het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie.]
Artikel V
[Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement Defensie.]
Artikel VI
[Wijzigt het Inkomstenbesluit militairen.]
Artikel VII
[Wijzigt de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht.]
Artikel VIII
[Wijzigt de Regeling ziektekostenvoorziening defensiepersoneel.]
Artikel IX
[Wijzigt de Toelageregeling afschaffing tariefbeloning defensie.]
Artikel X
[Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit militairen.]
Artikel XI
Toekenning van een eenmalige uitkering over 2000 aan het defensiepersoneel
A. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. militair:
de militaire ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 die is aangesteld bij het beroepspersoneel, alsmede de geestelijk verzorger die in burgerlijke openbare dienst is aangesteld om bij de krijgsmacht doorlopend werkzaam te zijn.
b. betrokkene:
1. de militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die op 1 december 2000 in werkelijke dienst was;
2. de burgerlijke ambtenaar defensie die aanspraak heeft op een salaris volgens bijlage B dan wel artikel 7a van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie en die op 1 december 2000 in dienst van het Ministerie van Defensie was;
3. de burgerlijke ambtenaar defensie, bedoeld in artikel 1, derde lid, van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie die op 1 december 2000 in dienst van het Ministerie van Defensie was;
4. de gewezen militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die op 1 december 2000 in het genot is van wachtgeld, als bedoeld in artikel 22 van het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel, dan wel een uitkering op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen ;
5. de gewezen burgerlijke ambtenaar defensie die aanspraak had op salaris volgens bijlage B dan wel artikel 7a van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie en die op 1 december 2000 in het genot is van wachtgeld, als bedoeld in artikel 22 van het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel, dan wel van een uitkering op grond van het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie .
c. berekeningsbasis:
1. de over de maand december 2000 genoten bezoldiging volgens hetgeen daaronder wordt verstaan in het Inkomstenbesluit militairen ;
2. het over de maand december 2000 genoten salaris volgens hetgeen daaronder wordt verstaan in het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie ;
3. het wachtgeld of de uitkering welke over de maand december 2000 op grond van een van de onder b, 4 en 5 genoemde besluiten is genoten na toepassing van de bij of krachtens die besluiten geldende vermindering wegens inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.
B. De betrokkene, bedoeld in onderdeel A, onder b, 1 tot en met 3, heeft aanspraak op een eenmalige uitkering ter grootte van 12,96% van de voor hem geldende berekeningsbasis.
C. De betrokkene, bedoeld in onderdeel A, onder b, 4 en 5, heeft aanspraak op een eenmalige uitkering ter grootte van 12% van de voor hem geldende berekeningsbasis.
D. De eenmalige uitkering als bedoeld onder B en C heeft geen algemeen karakter en wordt niet gerekend tot de bezoldiging of het salaris in de zin van de bezoldigingsvoorschriften. De eenmalige uitkering maakt evenmin deel uit van de bij het vaststellen van de pensioengrondslag bedoeld in artikel C1 van de Algemeen militaire pensioenwet in beschouwing te nemen inkomsten en emolumenten, waarop de gewezen militair aanspraak had of zou hebben gehad.
Artikel XII. Overgangsbepalingen
A. In afwijking van de artikelen 54d, tweede lid, en artikel 54e, derde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement en artikel 30da, tweede lid, en artikel 30db, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, dient een aanvraag voor een tijdelijke verlenging of verkorting van de arbeidsduur van het rooster voor het resterende deel van het kalenderjaar 2001 vóór 15 mei 2001 te zijn ingediend bij de commandant of het bevoegd gezag.
B. In afwijking van artikel I, onderdeel J, geldt ten aanzien van het eerste en tweede lid van artikel 71a van het Algemeen militair ambtenarenreglement voor de periode van 1 juni 2001 tot 1 juli 2001 het volgende:
1. Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor iedere acht uren vakantieverlof die hem niet zijn verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar boven afgerond. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.
2. Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor iedere acht uren teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar beneden afgerond.
C. In afwijking van artikel I, onderdeel R, geldt ten aanzien van het eerste en tweede lid van artikel 80b van het Algemeen militair ambtenarenreglement voor de periode van 1 juni 2001 tot 1 juli 2001 het volgende:
1. Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor iedere acht uren vakantieverlof die hem niet zijn verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar boven afgerond. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.
2. Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor iedere acht uren teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar beneden afgerond.
D. In afwijking van artikel III, onderdeel B, wordt het maandbedrag in artikel 5 van het Besluit personenchauffeurs defensie voor de periode 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 bepaald op: f 259,–.
E. In afwijking van artikel IV, onderdeel B, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 7a van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie voor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de volgende salarisschaal:
  Schaal 1 Schaal 2
0 f 2 671,– f 2 729,–
J21 f 2 404,– f 2 456,–
J20 f 2 137,– f 2 183,–
J19 f 1 870,– f 1 910,–
J18 f 1 603,– f 1 637,–


F. In afwijking van artikel IV, onderdeel G wordt in artikel 22, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie voor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 het minimumbedrag van de vakantieuitkering bepaald op: f 274,18.
G. In afwijking van artikel IV, onderdeel I, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie voor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlage 6 bij dit besluit.
H. In afwijking van artikel IV, onderdeel B, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 7a van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de volgende salarisschaal:
  Schaal 1 Schaal 2
0 f 2 721,– f 2 781,–
J21 f 2 449,– f 2 503,–
J20 f 2 177,– f 2 225,–
J19 f 1 905,– f 1 947,–
J18 f 1 633,– f 1 669,–


I. In afwijking van artikel V, onderdeel E, vervalt in artikel 66 het vierde lid, zoals dat luidde op 31 december 2000, voor de periode van 1 januari 2001 tot de datum van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel E.
J. In afwijking van artikel VI, onderdeel D, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 5a van het Inkomstenbesluit militairen voor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de volgende salarisschaal:
diensttijd matr3/sld matr2/sld1
J18 f 1 710,– f 1 745,–
J19 f 1 995,– f 2 036,–
J20 f 2 280,– f 2 327,–
J21 f 2 565,– f 2 618,–
02 f 2 850,– f 2 909,–
03 f 2 884,– f 2 951,–


K. In afwijking van artikel VI, onderdeel K, wordt in artikel 14, tweede lid, van het Inkomstenbesluit militairen voor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 het minimumbedrag van de vakantieuitkering bepaald op: f 274,18.
L. In afwijking van artikel VI, onderdeel P, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlagen A en B van het Inkomstenbesluit militairen voor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlagen 7 en 8 bij dit besluit.
M. In afwijking van artikel VI, onderdelen Q en R, gelden ten aanzien van de tabellen 1 tot en met 3 opgenomen in bijlage C van het Inkomstenbesluit militairen voor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de tabellen opgenomen als bijlagen 9 tot en met 11 bij dit besluit.
N. In afwijking van artikel IV, onderdeel I, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlage 12 bij dit besluit.
O. In afwijking van artikel VI, onderdeel D, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 5a van het Inkomstenbesluit militairen voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de volgende salarisschaal:
diensttijd matr3/sld matr2/sld1
J18 f 1 742,– f 1 778,–
J19 f 2 033,– f 2 075,–
J20 f 2 323,– f 2 371,–
J21 f 2 614,– f 2 668,–
02 f 2 904,– f 2 964,–
03 f 2 939,– f 3 008,–


P. In afwijking van artikel VI, onderdeel K, wordt in artikel 14, tweede lid, van het Inkomstenbesluit militairen voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 het minimumbedrag van de vakantieuitkering bepaald op: f 279,39.
Q. In afwijking van artikel VI, onderdeel P, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlagen A en B van het Inkomstenbesluit militairen voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlagen 13 en 14 bij dit besluit.
R. In afwijking van artikel VI, onderdelen Q en R, gelden ten aanzien van de tabellen 1 tot en met 3 opgenomen in bijlage C van het Inkomstenbesluit militairen voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de tabellen opgenomen als bijlagen 15 tot en met 17 bij dit besluit.
S. In afwijking van artikel VII, onderdeel B, geldt ten aanzien van artikel 2, eerste lid, van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 het volgende:
1. Aan de militair, die voor onbepaalde tijd wordt aangesteld bij het beroepspersoneel, kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels een premie worden toegekend, die gelijk is aan ten hoogste 20% van de bezoldiging van een kapitein van de Koninklijke landmacht met voor verhoging tellende diensttijd van 18 jaren, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting.
T. In afwijking van artikel VII, onderdeel C, geldt ten aanzien van artikel 3, tweede lid, van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 het volgende:
2. De premie is ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan het onder a tot en met d genoemde percentage van de bezoldiging met voor verhoging tellende diensttijd van 18 jaren behorende bij de rang die één rang hoger is dan de rang die verbonden is aan de functie waarvoor hij bij aanstelling is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting, te weten:
a. bij een verplichting van vier jaar of langer: 25%;
b. bij een verplichting van drie tot vier jaar: 23%;
c. bij een verplichting van twee tot drie jaar: 21%;
d. bij een verplichting van minder dan twee jaar: 20%.
Artikel XIII. Slotbepalingen
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, met dien verstande dat:
a. artikel I, onderdeel Y, terugwerkt tot en met 1 januari 1999;
b. artikel III, onderdeel A, terugwerkt tot en met 1 juni 1999;
e. artikel I, onderdeel Z; en artikel VIII, terugwerken tot en met 1 maart 2001;
g. artikel I, onderdelen C t/m F, M en U; artikel V, onderdelen B t/m E; en artikel VII, onderdeel D, terugwerken tot en met 1 juli 2001;
h. artikel I, onderdelen A en B; en artikel VI, onderdeel I, in werking treden met ingang van 1 januari 2002.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 oktober 2001
De Staatssecretaris van Defensie,
Uitgegeven de zesde november 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Artikel VII
Artikel VIII
Artikel IX
Artikel X
Artikel XI
Artikel XII. Overgangsbepalingen
Artikel XIII. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht