Vennootschapsbelasting en dividendbelasting, behandeling van verzoeken om zekerheid vooraf in de vorm van een Advance Tax Ruling (ATR)
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit vervangt het besluit van 11 augustus 2004, nr. IFZ 2004/125M. In dit besluit wordt het voorgaande besluit geactualiseerd.
1. Inleiding
In dit besluit worden de procedures beschreven die dienen te worden gevolgd teneinde een advance tax ruling te kunnen afgeven. Een advance tax ruling geeft zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van een voorgenomen transactie of samenstel van transacties.
AWR: Algemene wet inzake rijksbelastingen
Wet VPB: Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Wet DB: Wet op de dividendbelasting 1965
ATR: Advance tax ruling. De term ATR is gereserveerd voor het geven van zekerheid vooraf voor de onder 3 van dit besluit genoemde situaties.
BFB: Besluit Fiscaal Bestuursrecht
2. Organisatie
Het verzoek tot afgifte van een ATR dient te worden gericht aan de competente inspecteur, waarbij de verzoeker tegelijkertijd een kopie verstuurd aan het APA-/ATR team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam). Om de coördinatie van de uitvoering te waarborgen legt de inspecteur in de hierna genoemde situaties het verzoek om zekerheid vooraf voor aan het APA-/ATR-team van de Belastingdienst/ Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) voor een bindend advies. Waar nodig stemt het APA-/ATR-team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) het verzoek af met de relevante kennisgroepen of coördinatiegroepen om de eenheid van beleid en uitvoering te waarborgen.
3. Bindend advies
De inspecteur dient de volgende verzoeken tot zekerheid voor bindend advies voor te leggen:
i. verzoeken om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor tussenhoudsters in internationale verhoudingen en voor tophoudsters voor zover geen van de dochtermaatschappijen van de betreffende tophoudster ondernemingsactiviteiten in Nederland uitoefent;
ii. verzoeken om zekerheid vooraf ten aanzien van internationale structuren waarbij hybride financieringsvormen of hybride rechtsvormen betrokken zijn;
iii. verzoeken om zekerheid vooraf over het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een vaste inrichting in Nederland of de BES eilanden van een daarbuiten gevestigd lichaam, als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel a, van de Wet VPB;
iv. verzoeken om zekerheid vooraf over de toepassing van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet VPB (aanmerkelijk belangregeling);
v. verzoeken om zekerheid vooraf over het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een vaste inrichting op de BES eilanden van een op Aruba, Curaçao of Sint Maarten gevestigd lichaam, als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel c, van de Wet VPB;
vi. verzoeken om zekerheid vooraf over de toerekening van aandelen in een vennootschap aan een vaste inrichting gelegen in Nederland of de BES eilanden;
vii. verzoeken om zekerheid vooraf over het antwoord op de vraag of er sprake is van een Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 17a van de Wet VPB; en
viii. verzoeken om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting voor coöperaties.
4. Het verzoek
Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het concrete geval zal door de (mogelijke) belastingplichtige in ieder geval de volgende informatie verstrekt dienen te worden aan de Belastingdienst.
a. een gedetailleerde beschrijving van de feiten en van de voorgenomen rechtshandelingen waarvoor het verzoek geldt;
b. de lichamen en de vaste inrichtingen die hierbij betrokken zijn;
c. de andere Staat of de andere Staten landen waarop de feiten en de voorgenomen rechtshandelingen van het verzoek betrekking hebben;
d. informatie met betrekking tot de wereldwijde organisatiestructuur en geschiedenis van het concern (waaronder informatie over de uiteindelijke gerechtigdheid tot het vermogen van verzoeker); en
e. de boekjaren waarvoor het verzoek wordt gedaan.
5. Duur
De verzoeker zal in eerste instantie aan dienen te geven voor welke termijn het redelijk is goedkeuring vooraf te geven. Hierbij kan in beginsel worden gedacht aan een periode van vier tot vijf jaren. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld denkbaar bij langlopende contracten.
Na afloop van de overeengekomen periode zal op verzoek van belastingplichtige opnieuw worden bezien of onder dezelfde voorwaarden een nieuwe ATR kan worden overeengekomen.
6. Beoordeling van het verzoek
De Belastingdienst zal bij de beoordeling van het verzoek rekening houden met alle relevante feiten en omstandigheden die samenhangen met de transactie(s) waarvoor zekerheid vooraf wordt gevraagd.
7. Vaststellingsovereenkomst
Om de gevolgen van de ATR vast te leggen zal de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek sluiten met het verzoekende lichaam. De Belastingdienst dient daarbij de kaders voor vaststellingsovereenkomsten, zoals opgenomen in het BFB , in acht te nemen. In het BFB is een procedure opgenomen met betrekking tot de verslaglegging van een negatieve beslissing op een verzoek om zekerheid vooraf. In dit kader wordt het volgende opgemerkt. In de oriënterende fase kan nog niet worden gesproken van overleg zoals bedoeld in het BFB. Er is eerst sprake van een overleg waarvan een verslag moet worden opgemaakt als het voorliggende verzoek vrijwel past binnen de kaders van het bestaande beleid waarbinnen ATR’s worden overeengekomen. De beslissing van de inspecteur om in dat specifieke geval geen vaststellingsovereenkomst te sluiten wordt schriftelijk meegedeeld aan belanghebbende. In die gevallen wordt een verslag opgesteld, zoals bedoeld in het hiervoor genoemde besluit.
De vaststellingsovereenkomst zal in ieder geval de volgende elementen bevatten:
a. de namen en adressen van de (mogelijke) lichamen voor welke de overeenkomst geldt;
b. de feiten, rechtshandelingen en boekjaren voor welke de overeenkomst geldt;
c. een beschrijving van de fiscale gevolgen;
d. een vastlegging van de relevante voorwaarden waarop de overeenkomst is gebaseerd;
e. hoe wordt omgegaan met veranderingen in feitelijke omstandigheden;
f. indien van toepassing, de overeengekomen behandeling van aanverwante belastingzaken;
g. de voorwaarden waaraan het lichaam dient te voldoen zodat de overeenkomst geldig blijft tezamen met procedures die er voor zorgen dat het lichaam aan die voorwaarden blijft voldoen;
h. de bepaling dat de vaststellingsovereenkomst direct zijn geldigheid verliest als zich een relevante wetswijziging voordoet (indien een overgangsregeling is getroffen op grond waarvan de vaststellingsovereenkomst voor een deel of het geheel van de resterende looptijd in stand zou kunnen blijven, vervalt de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst na afloop van de termijn die in de overgangsregeling is gesteld, dan wel aan het einde van de looptijd van de vaststellingsovereenkomst);
i. de verklaring van verzoeker dat niet een beroep zal worden gedaan op één van de uitzonderingsclausules van artikel 14, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen ten aanzien van de in de vaststellingsovereenkomst begrepen informatie, waardoor mogelijke geschillen op dit punt tussen de Belastingdienst en verzoeker worden voorkomen;
j. indien sprake is van verzoeken die betrekking hebben op de toepassing van de deelnemingsvrijstelling: de bepaling dat verzoeker de kostprijs van de deelneming of deelnemingen waarvoor een ATR wordt gevraagd met ten minste 15% eigen vermogen zal financieren of heeft gefinancierd; en
k. de looptijd van de ATR.
8. Geen zekerheid vooraf
In het BFB zijn de algemene kaders aangegeven waarbinnen de Belastingdienst kan weigeren zekerheid vooraf te verstrekken. Daarnaast worden in het besluit nr. DGB 2014/3101 specifieke situaties weergegeven waarin geen zekerheid vooraf wordt verstrekt. De betreffende besluiten zijn van overeenkomstige toepassing bij het afsluiten van ATR’s.
Verzoeken om zekerheid vooraf over de in onderdeel 3 genoemde onderwerpen van tussenhoudsters en tophoudsters in internationale structuren worden slechts in behandeling genomen indien:
a. het verzoekende lichaam voldoet aan alle in de bijlage bij de besluit opgenomen vereisten op het gebied van de reële aanwezigheid, tenzij de aard van de bepaling waarover zekerheid wordt gevraagd, daar niet mee verenigbaar is; of
b. het concern waartoe het verzoekende lichaam behoort, in Nederland operationele activiteiten uitoefent of hier concrete plannen voor heeft.
Onder ‘een concern’ wordt in dit verband verstaan: de belastingplichtige tezamen met de met hem verbonden lichamen, bedoeld in artikel 10a, vierde lid, in verbinding met het zesde lid, van de Wet VPB, en de met hem verbonden natuurlijke personen, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid van de Wet VPB. In het geval een Nederlands lichaam bestuurder is van het lichaam waarvoor zekerheid vooraf gevraagd wordt, dienen beide lichamen te voldoen aan alle in de bijlage opgenomen vereisten op het gebied van de reële aanwezigheid.
9. Publicatie ATR
Het beleid dat ten grondslag ligt aan de afgesloten dan wel – onder omstandigheden – niet tot stand gekomen ATR’s zal worden gepubliceerd met inachtneming van het BFB tenzij sprake is van reeds eerder gepubliceerd beleid. De publicatie zal bestaan uit een samenvatting die alle elementen dient te bevatten die bepalend zijn voor het gevoerde beleid.
10. Vangnetbepalingen in bilaterale regelingen ter voorkoming van dubbele belasting
Op grond van het besluit van 16 december 2013 , nr. IFZ/2013/229, is het APA-/ATR team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) gemandateerd om, namens de in die regelingen bedoelde bevoegde autoriteit in Nederland, te beslissen op verzoeken over de toepassing van de zogenoemde vangnetbepaling in de ‘limitation on benefitsbepaling’ opgenomen in Nederlandse bilaterale regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, zoals bij voorbeeld artikel 26, zevende lid, van het belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika, of vergelijkbare bepalingen opgenomen in (het protocol bij) de belastingverdragen met Bahrein, Hong Kong, Japan en Koeweit.
Het verzoek tot het nemen van een dergelijke beslissing dient rechtstreeks te worden gericht aan het APA-/ATR team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam), waarbij de verzoeker tegelijkertijd een afschrift verstuurt aan de ten aanzien van het verzoekende lichaam competente inspecteur en het APA-/ATR team daarover in het verzoek wordt geïnformeerd. Een dergelijke beslissing heeft niet het karakter van een ATR. De procedures volgens de desbetreffende regeling ter voorkoming van dubbele belasting gelden onverkort, waarbij het APA-/ATR team van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) handelt als de bevoegde autoriteit in Nederland.
11. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
12. Intrekking oude besluiten
Dit besluit vervangt het besluit van 11 augustus 2004 , nr. IFZ2004/125M, dat hierbij wordt ingetrokken.
De
Staatssecretaris
Lid van het managementteam Belastingdienst
Inhoudsopgave
1. Inleiding
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
2. Organisatie
3. Bindend advies
4. Het verzoek
5. Duur
6. Beoordeling van het verzoek
7. Vaststellingsovereenkomst
8. Geen zekerheid vooraf
9. Publicatie ATR
10. Vangnetbepalingen in bilaterale regelingen ter voorkoming van dubbele belasting
11. Inwerkingtreding
12. Intrekking oude besluiten
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht