Let op. Deze wet is vervallen op 3 maart 2007. U leest nu de tekst die gold op 2 maart 2007.

Vennootschapsbelasting, fiscale eenheid; bijzondere aandelen; bezitseis

Uitgebreide informatie
Vennootschapsbelasting, fiscale eenheid; bijzondere aandelen; bezitseis
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) (tekst vanaf 1 januari 2003) dient de moedermaatschappij de juridische en economische eigendom te bezitten van ten minste 95 percent van de aandelen in het nominaal gestorte aandelenkapitaal van de dochtermaatschappij. Bovendien dient, indien een dochtermaatschappij verschillende soorten aandelen heeft, de moedermaatschappij op grond van artikel 2 van het Besluit fiscale eenheid 2003 (Besluit) de juridische en economische eigendom te bezitten van ten minste 95 percent van elke soort aandelen in het nominaal gestorte kapitaal.
Op grond van artikel IV, derde lid, van de Wet van 11 december 2002, Stb. 618 (herziening regime fiscale eenheid) dient de belastingplichtige, ook als hij verzoekt om toepassing van het tweede lid van voormeld artikel (overgangsregeling), op het tijdstip waarop voormelde wet op hem van toepassing wordt, te voldoen aan het bepaalde in artikel 15, eerste lid, Wet Vpb (tekst 2003) en artikel 2 Besluit.
Vorenbedoelde bepalingen kunnen tot de volgende twee probleempunten leiden:
I. Het bepaalde in artikel 2 Besluit kan ertoe leiden dat met ingang van het tijdstip waarop voormelde Wet herziening regime fiscale eenheid op belastingplichtige van toepassing wordt, een tot dat tijdstip bestaande fiscale eenheid verbreekt, ondanks het feit dat (nog steeds) aan het bezitsvereiste van het tot dat tijdstip geldende fiscale-eenheidsregime wordt voldaan.
II. Het bepaalde in artikel 2 Besluit kan ertoe leiden dat na inwerkingtreding van de Wet herziening regime fiscale eenheid een fiscale eenheid niet tot stand kan komen dan wel verbreekt, ondanks het feit dat bij voorbaat vaststaat dat, onafhankelijk van de hoogte van de door de dochtermaatschappij in een jaar te behalen winst, zo’n niet in het bezit van de moedermaatschappij zijnd bijzonder (soort-)aandeel, in verhouding tot het nominale aandelenkapitaal, in geen enkel jaar meer recht kan geven op de winst en het vermogen van de dochtermaatschappij dan de in het bezit van de moedermaatschappij zijnde (andere) aandelen afzonderlijk.
Ik heb met betrekking tot deze twee in de praktijk geconstateerde probleempunten in dit besluit een tweetal goedkeurende regelingen getroffen.
Regeling I
Ingeval door het bepaalde in artikel 2 Besluit een bestaande fiscale eenheid verbreekt op het tijdstip waarop de Wet van 11 december 2002, Stb. 681, op belastingplichtige van toepassing wordt, wordt op verzoek toegestaan dat vanaf dat tijdstip voor het (voort)bestaan van de fiscale eenheid in de zin van artikel 15 Wet Vpb niet het bepaalde in artikel 2 Besluit van toepassing is, maar de volgende bepaling:
‘Indien een dochtermaatschappij verschillende soorten aandelen heeft, dienen de in het bezit van de moedermaatschappij zijnde aandelen in de dochtermaatschappij niet minder recht te geven op het vermogen en de winst van de dochtermaatschappij dan overeenkomt met 99% van dat vermogen en die winst’.
Voormelde bepaling blijft gelden tot het einde van het tweede boekjaar dat volgt op vorenbedoeld tijdstip, doch – indien dat eerder is – uiterlijk tot het tijdstip dat wel wordt voldaan aan artikel 2 Besluit.
Ingeval bij het einde van het tweede boekjaar nog niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2 Besluit, blijft, indien binnen zes maanden na afloop van vorenbedoelde periode wél wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2 Besluit, de hiervoor opgenomen bepaling van toepassing tot het tijdstip waarop wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2 Besluit.
Voor de volledigheid merk ik op dat ook wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2 Besluit indien sprake is van een situatie die valt onder Regeling II (zie hierna).
De goedkeuring heeft bij boekjaar is kalenderjaar tot gevolg:
dat de fiscale eenheid in stand blijft tot en met 31 december 2004 (het tijdstip waarop het tweede boekjaar eindigt dat volgt op het tijdstip waarop de Wet van 11 december 2002, Stb. 681, op belastingplichtige van toepassing wordt);
dat de fiscale eenheid verbreekt op 1 januari 2005, tenzij al eerder dan wel uiterlijk op 30 juni 2005 (binnen zes maanden na 31 december 2004) alsnog wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2 Besluit.
Toestemming voor de inspecteur om dergelijke verzoeken in te willigen, mits het verzoek wordt ingediend vóór 1 april 2005.
Ik verleen hierbij de inspecteur toestemming op een gezamenlijk verzoek van de moedermaatschappij en de desbetreffende dochtermaatschappij(en) vorenbedoelde goedkeuring te verlenen. Een concept voor de te verlenen goedkeuring is opgenomen in de bij dit besluit gevoegde bijlage.
De verzoeken om toepassing van vorenbedoelde regeling moeten worden ingediend vóór 1 april 2005. Op de keuze voor toepassing van de goedkeuring in plaats van de tekst van artikel 2 Besluit kan niet worden teruggekomen.
Voor de volledigheid merk ik op dat verzoeken, die worden ingediend ná 1 april 2005 niet voor een inwilliging in aanmerking komen.
Tenslotte merk ik op dat de goedkeuring ook kan worden verleend als bij de aanslagregeling is uitgegaan van een ontvoeging doordat niet aan artikel 2 Besluit werd voldaan, en de aan de (afzonderlijk belastingplichtige) moeder- en/of dochtermaatschappij opgelegde aanslag reeds onherroepelijk vast zou staan. De goedkeuring dient echter alleen te worden verleend nadat moedermaatschappij en dochtermaatschappij ermee hebben ingestemd dat de vaststaande aanslagen worden herzien.
Regeling II
Deze regeling heeft betrekking op de situatie dat een dochtermaatschappij verschillende soorten aandelen heeft, en de moedermaatschappij wel de juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95 percent van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van de dochtermaatschappij, maar niet de juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95 percent van elke soort aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van de dochtermaatschappij.
Ik keur goed dat voor de toepassing van artikel 2 Besluit de niet in het bezit van de moedermaatschappij zijnde (bijzondere) aandelen geacht worden te behoren tot dezelfde soort als de wel in het bezit van de moedermaatschappij zijnde (andere) aandelen, mits die bijzondere aandelen een gerechtigdheid tot de winst en het vermogen van de dochtermaatschappij hebben die niet hoger kan zijn dan de gerechtigdheid tot de winst en het vermogen van de andere aandelen, beide in verhouding tot het nominaal gestorte kapitaal van de desbetreffende aandelen.
Onder de goedkeuring vallen bijvoorbeeld de bijzondere aandelen waaraan zeggenschapsrechten, benoemingsrechten of daarmee vergelijkbare rechten zijn verbonden (prioriteitsaandelen). Dit betekent dat die bijzondere aandelen geen belemmering hoeven te zijn voor de vorming van een fiscale eenheid, indien althans de moedermaatschappij voldoet aan het bezitsvereiste van artikel 15, eerste lid, Wet Vpb.
Niet onder de goedkeuring vallen de bijzondere aandelen, waarbij de (afwijkende) gerechtigdheid tot de winst is uitgedrukt in een bepaald (preferent dan wel een cumulatief preferent) percentage (vaak – in afwijking van de andere aandelen – gekoppeld aan de nominale waarde van de bijzondere aandelen).
Een zodanige winstgerechtigdheid kan er bijvoorbeeld toe leiden dat, in een jaar waarin de dochtermaatschappij een geringe winst behaalt, die gehele winst toekomt aan de aandeelhouders van deze bijzondere aandelen. Naar mijn mening is het toestaan van een fiscale eenheid in zo’n situatie niet verenigbaar met de reden die ten grondslag ligt aan de invoering van artikel 2 Besluit.
Indien echter sprake is van één bijzonder (prioriteits)aandeel met een symbolische nominale waarde (1 Euro), en de winstgerechtigdheid niet meer bedraagt dan 10 percent van die symbolische nominale waarde, keur ik goed dat dit aandeel ook geen aparte soort vormt, mits aan de overige voorwaarden van de hiervoor opgenomen goedkeuring wordt voldaan.
Regeling II zal in het Besluit fiscale eenheid 2003 worden opgenomen.
Door Regeling II hebben vraag 2 en antwoord 2 in het besluit van 23 oktober 2003, nr. CPP2003/1917M, hun belang verloren.
Inhoudsopgave
Regeling I
Regeling II
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht