Vennootschapsbelasting, juridische fusie, algemene toestemming aan de inspecteur voor de afdoening van verzoeken om toepassing van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb
De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
Dit besluit vervangt het besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/3147M hetwelk een vervanging is van het besluit van 8 juli 1998, nr. DB98/1508M. De wijzigingen zijn de volgende.
- De algemene toestemming aan de inspecteur tot het afdoen van verzoeken juridische fusie is met een aantal situaties uitgebreid.
- De overige wijzigingen zijn redactioneel van aard en beogen slechts verduidelijking.
1.1. Inleiding
Een juridische fusie kan fiscaal geruisloos plaatsvinden als voldaan wordt aan de vereisten in het tweede lid van artikel 14b van de Wet Vpb. Deze vereisten houden in hetzelfde stelsel van winstbepaling, geen aanspraak op voorwaartse verliesverrekening en latere heffing verzekerd. Indien hieraan niet wordt voldaan, biedt het derde lid van artikel 14b de mogelijkheid de winst behaald als gevolg van het eerste lid desalniettemin buiten aanmerking te laten. Dit besluit ziet op situaties waarin niet aan de vereisten van het tweede lid wordt voldaan en begeleiding slechts op basis van het derde lid kan plaatsvinden. Voor de volledigheid merk ik op dat een fiscale begeleiding niet mogelijk is indien de juridische fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
Voor de vraag of een juridische fusie naar buitenlands recht van de faciliteit gebruik kan maken verwijs ik naar hetgeen hierover is opgemerkt in punt 2 van het toelichtende besluit 19 december 2000, nr. CPP2000/3131M. De Minister van Financiën kan, onder door hem te stellen voorwaarden, op gezamenlijk verzoek van de verdwijnende en de verkrijgende rechtsperso(o)n(en), de inspecteur toestaan de winst geheel of ten dele buiten aanmerking te laten. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Dit besluit bevat een algemene toestemming aan de inspecteur tot het namens mij afdoen van verzoeken om toepassing van artikel 14b, derde lid, van de Wet Vpb met betrekking tot juridische fusies, met uitzondering van de situaties genoemd in paragraaf 1.3.
Dit besluit bevat zowel een instructie tot de afdoening van verzoeken die onder de algemene toestemming vallen alsmede tot de afdoening van verzoeken die niet onder de algemene toestemming vallen.
1.2. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
- de Wet Vpb: de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ;
- het toelichtende besluit: het besluit van 8 juli 1998, nr. DB98/1507M, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 december 2000 , nr. CPP2000/3131M;
- de verdwijnende rechtspersoon: de verdwijnende rechtspersoon die in het kader van een juridische fusie zijn vermogensbestanddelen overdraagt;
- de verkrijgende rechtspersoon: de verkrijgende rechtspersoon die in het kader van een juridische fusie vermogensbestanddelen verkrijgt, eventueel op de voet van artikel 15 van de Wet Vpb verenigd met één of meer rechtspersonen;
- het fusietijdstip: het tijdstip van wanneer af de overgedragen vermogensbestanddelen worden geacht rechtstreeks voor rekening en risico van de verkrijgende rechtspersoon te komen;
- een fuserende rechtspersoon: de verdwijnende rechtspersoon, dan wel de verkrijgende rechtspersoon;
- onderneming: de vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten van de betreffende rechtspersoon.
1.3. Omvang algemene toestemming
Ik verleen de inspecteurs een algemene toestemming om namens mij te beslissen op alle verzoeken om toepassing van artikel 14b, derde lid, van de Wet Vpb, met uitzondering van de navolgende situaties:
a. op het fusietijdstip is voor één of meer van de fuserende rechtspersonen het Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001 van toepassing en op één of meer van de overige fuserende rechtspersonen is het Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars 2001 niet van toepassing;
b. op het fusietijdstip en/of in het jaar voorafgaand aan het fusietijdstip is voor één of meer van de fuserende rechtspersonen het Besluit beleggingsinstellingen van toepassing en op één of meer van de overige fuserende rechtspersonen is het Besluit beleggingsinstellingen niet van toepassing;
c. een fuserende rechtspersoon heeft een andere rechtsvorm dan een naar Nederlands recht opgerichte naamloze vennootschap, besloten vennootschap, coöperatie, vereniging op coöperatieve grondslag of stichting, die met haar gehele vermogen belastingplichtig is;
d. de inspecteur is van mening dat het verzoek
1. slechts kan worden ingewilligd onder het stellen van één of meer andere voorwaarden dan opgenomen in het besluit van 8 juli 1998, nr. DB98/1507M, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 december 2000 , nr. CPP2000/3131M en de aanvullende voorwaarde(n) zoals opgenomen in paragraaf 2.1.1, 2.1.2 en 2.1.3 van dit besluit;
2. moet worden afgewezen om een andere reden dan in dit besluit of in het toelichtende besluit is opgenomen, waarbij niet is voldaan aan de in de wet gestelde eisen of waarbij de heffing en invordering onvoldoende zijn verzekerd.
Zie verder onderdeel 3 voor de behandeling van verzoeken die niet vallen onder deze algemene toestemming.
1.4. Afdoeningstermijn
Beschikkingen dienen in beginsel binnen acht weken na ontvangst van het verzoek te worden afgegeven. Indien een beschikking niet binnen deze termijn kan worden afgegeven, stelt de inspecteur op grond van het bepaalde in artikel 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.
1.5. Juridische fusie en fiscale eenheid
Indien een verdwijnende rechtspersoon tot een fiscale eenheid behoort, leidt de juridische fusie in beginsel tot verbreking van de fiscale eenheid met terugwerkende kracht naar het begin van het boekjaar. De juridische fusie vindt daardoor plaats buiten fiscale eenheid. In deze situatie kan de juridische fusie derhalve volgens de instructies van dit besluit worden afgehandeld.
In het toelichtende besluit van 8 juli 1998, nr. DB98/1507M, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 december 2000 , nr. CPP2000/3131M, worden voorts nog een aantal situaties genoemd, zoals bijv. de juridische fusie binnen fiscale eenheid, waarvoor afzonderlijke regelingen gelden. Zie in dit verband paragraaf 6 van het desbetreffende besluit.
1.6. Indiening/doorzending verzoeken
De fuserende rechtspersonen moeten hun verzoek om toepassing van artikel 14b, derde lid, van de Wet Vpb vóór de civielrechtelijke juridische fusie schriftelijk indienen bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling voor de vennootschapsbelasting van de verdwijnende rechtspersoon. In het verzoek wordt aangegeven om welke reden artikel 14b, tweede lid, Wet Vpb niet van toepassing is. De inspecteur beoordeelt of hij het verzoek op grond van de in paragraaf 1.3 gegeven toestemming kan afdoen. Is dat niet het geval dan handelt hij overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.
2. Afdoening verzoeken die onder de algemene toestemming vallen
In de gevallen waarin de inspecteur op grond van de algemene toestemming het verzoek zelf kan afdoen, neemt hij zijn beslissing door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking, waarbij hij het volgende in acht neemt.
2.1. Het verzoek wordt ingewilligd
Indien het verzoek wordt ingewilligd, richt de inspecteur de beschikking in conform bijlage 1 , waarbij uitsluitend voorwaarden worden gesteld die overeenkomen met de voorwaarden, zoals gepubliceerd in besluit van 19 december 2000 , nr. CPP2000/3131M en de aanvullende voorwaarde(n) zoals opgenomen in paragraaf 2.1.1, 2.1.2 en 2.1.3.
2.1.1. Fuserende rechtspersonen zijn beleggingsinstellingen
Indien op zowel de verkrijgende rechtspersoon als op de verdwijnende rechtspersoon het Besluit beleggingsinstellingen van toepassing is, neemt de inspecteur de volgende voorwaarden op:
7. Eventuele over boekjaren vóór het fusietijdstip ontstane uitdelingstekorten van de verkrijgende rechtspersoon en de verdwijnende rechtspersoon worden binnen de in artikel 2, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingen gestelde termijn slechts verrekend met de voor uitdeling beschikbare winst voor zover die aan de desbetreffende maatschappij kan worden toegerekend. Deze toerekening vindt plaats door de voor uitdeling beschikbare winst of het uitdelingstekort van de verkrijgende rechtspersoon en de verdwijnende rechtspersoon telkenjare te berekenen alsof die maatschappijen zelfstandig belastingplichtig waren, met dien verstande dat slechts winst aan een maatschappij kan worden toegerekend voor zover deze als zodanig bij de verkrijgende rechtspersoon tot uitdrukking komt.
8. De verplicht uit te delen winst als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet Vpb van de verdwijnende rechtspersoon over het jaar dat eindigt op de dag voorafgaande aan het fusietijdstip wordt, voor zover die winst voor het fusietijdstip niet reeds is uitgedeeld, binnen 8 maanden na het fusietijdstip aan de aandeelhouders ter beschikking gesteld.
9. Deze beschikking vervalt indien de verkrijgende rechtspersoon op en direct na het fusietijdstip geen beleggingsinstelling is in de zin van het Besluit beleggingsinstellingen .
7. Artikel 9, eerste lid, onderdeel g (tot 1 januari 2002: onderdeel h), van de Wet Vpb vindt bij de verkrijgende rechtspersoon geen toepassing op winsten ontstaan door realisatie van stille reserves in vermogensbestanddelen, goodwill, alsmede op winsten uit fiscale reserves, welke voorafgaande aan het fusietijdstip tot het vermogen van de verdwijnende rechtspersoon behoorden.
2.1.3. Verkrijgende rechtspersoon is 9-1-h -coöperatie en verdwijnende rechtspersoon niet; verdwijnende rechtspersoon is tevens moeder van een fiscale eenheid
Indien bij de verkrijgende rechtspersoon artikel 9, eerste lid, onderdeel h (met ingang van 1 januari 2002: onderdeel g), van de Wet Vpb. van toepassing is en bij de verdwijnende, als moedermaatschappij in een fiscale eenheid opgenomen, rechtspersoon deze bepaling niet van toepassing is, neemt de inspecteur de volgende voorwaarde op:
7. Indien een verdwijnende rechtspersoon op de voet van artikel 15 van de Wet Vpb verenigd is geweest in een fiscale eenheid met een dochtermaatschappij vindt bij de verkrijgende rechtspersoon artikel 9, eerste lid, onderdeel g (tot 1 januari 2002: onderdeel h), van de Wet Vpb geen toepassing op winsten ontstaan door realisatie van stille reserves in vermogensbestanddelen, inclusief goodwill, die tijdens het bestaan van deze fiscale eenheid door de dochtermaatschappij zijn overgedragen aan de verdwijnende rechtspersoon en evenmin op winsten uit fiscale reserves welke betrekking hadden op de bedrijfsuitoefening van deze dochtermaatschappij, en wel tot ten hoogste het bedrag van de stille respectievelijk fiscale reserves op het tijdstip waarop de verdwijnende rechtspersoon in het bezit is gekomen van de aandelen in de dochtermaatschappij tot wier vermogen die stille of fiscale reserves behoorden.
2.2. Het verzoek wordt afgewezen
Indien het verzoek wordt afgewezen, richt de inspecteur de beschikking in conform bijlage 2 .
2.3. Het verzoek wordt ingewilligd onder het stellen van een afwijkend fusietijdstip
Indien de gevraagde terugwerkende kracht op grond van het gestelde in paragraaf 4 van het toelichtende besluit niet aanvaardbaar is, doch wel aan alle overige vereisten is voldaan, willigt de inspecteur het verzoek in bij een voor bezwaar vatbare beschikking, onder het stellen van een (ander) fusietijdstip dat blijkens het toelichtende besluit wel aanvaardbaar is. Voordat hij de beschikking afgeeft, stelt hij belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
3. Verzoeken die niet onder de algemene toestemming vallen
Indien het verzoek niet valt onder de in paragraaf 1.3 van dit besluit aan de inspecteur verleende toestemming tot het afdoen van verzoeken, zendt de inspecteur het verzoek met zijn ambtsbericht ingericht overeenkomstig bijlage 3 , binnen drie weken door naar Ministerie, Centrum voor proces- en productontwikkeling, Domein Winstbelastingen. Daar wordt het verzoek beoordeeld en een beschikking voorbereid. Vervolgens wordt de inspecteur, onder toezending van een concept-beschikking, toegestaan op het verzoek te beslissen. De inspecteur handelt verder overeenkomstig hetgeen hierna is vermeld.
a. Het verzoek wordt ingewilligd
Indien het verzoek wordt ingewilligd, geeft de inspecteur een voor bezwaar vatbare beschikking af conform de toestemming en de daarbij opgenomen voorwaarden. De voorwaarden worden als bijlage met de beschikking meegezonden.
b. Het verzoek wordt afgewezen
Indien het verzoek niet voor inwilliging vatbaar is, dan wijst de inspecteur het verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking af, onder vermelding van de door de staatssecretaris van Financiën aangegeven overwegingen.
4. Afhandeling beschikkingen
De bevoegde inspecteur stuurt, zowel voor de verkrijgende rechtspersoon als voor iedere in het verzoek vermelde verdwijnende rechtspersoon afzonderlijk, een afschrift van de beschikking aan de indieners van het verzoek. Tevens deponeert hij de beschikking in het dossier van de verkrijgende rechtspersoon en een afschrift van de beschikking in het dossier van de verdwijnende rechtspersoon. Voorts wordt aanbevolen kopieën van het fusievoorstel met de daarbij behorende toelichting en de fusieakte in de dossiers van de betreffende rechtspersonen te deponeren.
5. Bezwaar tegen een beschikking
Indien een belanghebbende een bezwaarschrift indient tegen de beschikking en het bezwaar betreft een geschil over een rechtsvraag waarop in de jurisprudentie of het uitvoeringsbeleid geen helder antwoord te vinden is, verzoek ik de inspecteurs in overleg te treden met B/CPP, Domein Winstbelastingen (conform het besluit van 21 juli 1995, nr. AFZ94/4519M zoals gewijzigd bij besluit van 26 januari 1998, nr. AFZ97/4609M, BNB1998/90).
6. Inwerkingtreding van deze regeling
Dit besluit wijzigt het besluit van 8 juli 1998, nr. DB98/1508M. Deze wijziging is van toepassing op juridische fusies waarbij de akte is verleden op of na 1 januari 2001 en waarbij geen fiscale terugwerking plaatsvindt naar een eerder gelegen tijdstip. Andere juridische fusies vallen onder de tekst van het besluit van 8 juli 1998, DB98/1508M, zoals gewijzigd bij besluit van 10 april 2000, nr. DB99/2754M.
7.1. Bijlagen
Bij dit besluit zijn de volgende bijlagen gevoegd:
1. inwilliging , waarbij uitsluitend voorwaarden worden gesteld die overeenkomen met de voorwaarden zoals gepubliceerd in besluit van 19 december 2000 , nr. CPP2000/3131M;
2. afwijzende beschikking ;
3. model ambtsbericht .
De bijlagen en de voorwaarden worden tevens opgenomen in het Modellenboek Ondernemingen.
7.2. Inlichtingen
Voor inlichtingen over fiscale begeleiding van juridische fusie kunnen belanghebbenden contact opnemen met de bevoegde inspecteur van de Belastingdienst, die zich zonodig verstaat met de Kennisgroep fusies en fiscale eenheden.
Inhoudsopgave
1. Algemeen
1.1. Inleiding
1.2. Begripsbepalingen
1.3. Omvang algemene toestemming
1.4. Afdoeningstermijn
1.5. Juridische fusie en fiscale eenheid
1.6. Indiening/doorzending verzoeken
2. Afdoening verzoeken die onder de algemene toestemming vallen
2.1. Het verzoek wordt ingewilligd
2.1.1. Fuserende rechtspersonen zijn beleggingsinstellingen
2.1.2. Verkrijgende rechtspersoon is 9-1-h -coöperatie 1) en verdwijnende rechtspersoon niet
2.1.3. Verkrijgende rechtspersoon is 9-1-h -coöperatie en verdwijnende rechtspersoon niet; verdwijnende rechtspersoon is tevens moeder van een fiscale eenheid
2.2. Het verzoek wordt afgewezen
2.3. Het verzoek wordt ingewilligd onder het stellen van een afwijkend fusietijdstip
3. Verzoeken die niet onder de algemene toestemming vallen
4. Afhandeling beschikkingen
5. Bezwaar tegen een beschikking
6. Inwerkingtreding van deze regeling
7. Diversen
7.1. Bijlagen
7.2. Inlichtingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht