Erfgoedwet
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Beheer van collecties
- Hoofdstuk 3. Aanwijzing als beschermd erfgoed
+ Hoofdstuk 4. Bescherming van erfgoed
+ Hoofdstuk 5. Archeologische monumentenzorg
+ Hoofdstuk 6. Internationale teruggave
+ Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
+ Hoofdstuk 8. Handhaving en toezicht
+ Hoofdstuk 9. Overgangsrecht
+ Hoofdstuk 10. Intrekken en wijzigen andere wetten
+ Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Geschiedenis-overzicht

Erfgoedwet



1.
Onze Minister kan ambtshalve besluiten een monument of archeologisch monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als rijksmonument. 
1.
Onze Minister kan ambtshalve besluiten een monument of archeologisch monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als rijksmonument. 
2.
Onze Minister vraagt over het besluit advies aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het monument of archeologisch monument zich bevindt. 
2.
Onze Minister vraagt over het besluit advies aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het monument of archeologisch monument zich bevindt. 
3.
Onze Minister vraagt over het besluit tevens advies aan gedeputeerde staten indien het monument of archeologisch monument zich bevindt buiten een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom. 
3.
Onze Minister vraagt over het besluit tevens advies aan gedeputeerde staten indien het monument of archeologisch monument zich bevindt buiten een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom. 
4.
Onze Minister besluit over aanwijzing van een kerkelijk monument na overleg met de eigenaar. 
4.
Onze Minister besluit over aanwijzing van een kerkelijk monument na overleg met de eigenaar. 
1.
Op de voorbereiding van het besluit over aanwijzing als rijksmonument is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 
1.
Op de voorbereiding van het besluit over aanwijzing als rijksmonument is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 
2.
Het college van burgemeester en wethouders adviseert binnen acht weken. 
2.
Het college van burgemeester en wethouders adviseert binnen acht weken. 
3.
Onze Minister neemt het besluit zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen zes maanden. 
3.
Onze Minister neemt het besluit zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen zes maanden. 
4.
De in het derde lid bedoelde termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. 
4.
De in het derde lid bedoelde termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. 
5.
Onze Minister zendt een exemplaar van zijn besluit aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het monument of archeologisch monument zich bevindt. 
5.
Onze Minister zendt een exemplaar van zijn besluit aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het monument of archeologisch monument zich bevindt. 
1.
Onze Minister houdt een register van de rijksmonumenten bij. 
1.
Onze Minister houdt een register van de rijksmonumenten bij. 
2.
Het rijksmonumentenregister kan door eenieder worden geraadpleegd. 
2.
Het rijksmonumentenregister kan door eenieder worden geraadpleegd. 
3.
Onze Minister schrijft in het register de monumenten en archeologische monumenten in, voor zover geen beroep tegen het besluit tot aanwijzing als rijksmonument is ingesteld of een beroep is afgewezen. 
3.
Onze Minister schrijft in het register de monumenten en archeologische monumenten in, voor zover geen beroep tegen het besluit tot aanwijzing als rijksmonument is ingesteld of een beroep is afgewezen. 
4.
Het rijksmonumentenregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van de rijksmonumenten. 
4.
Het rijksmonumentenregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van de rijksmonumenten. 
5.
Onze Minister zendt een afschrift van de inschrijving in het register aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het rijksmonument zich bevindt of, indien het rijksmonument zich niet bevindt op het grondgebied van een gemeente, aan het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht . 
5.
Onze Minister zendt een afschrift van de inschrijving in het register aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het rijksmonument zich bevindt of, indien het rijksmonument zich niet bevindt op het grondgebied van een gemeente, aan het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht . 
1.
Onze Minister kan ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het rijksmonumentenregister. 
1.
Onze Minister kan ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het rijksmonumentenregister. 
2.
Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het register van een rijksmonument zijn de artikelen 3.1 en 3.2 van overeenkomstige toepassing, tenzij dat rijksmonument als zodanig is tenietgegaan. 
2.
Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het register van een rijksmonument zijn de artikelen 3.1 en 3.2 van overeenkomstige toepassing, tenzij dat rijksmonument als zodanig is tenietgegaan. 
Artikel 3.5. Wijziging kadastrale aanduiding [Treedt in werking per 01-07-2016]
De bewaarder van het kadaster en de openbare registers doet binnen veertien dagen mededeling van een wijziging in de kadastrale aanduiding van een rijksmonument aan Onze Minister, die deze wijziging overneemt in het rijksmonumentenregister. 
Artikel 3.5. Wijziging kadastrale aanduiding
De bewaarder van het kadaster en de openbare registers doet binnen veertien dagen mededeling van een wijziging in de kadastrale aanduiding van een rijksmonument aan Onze Minister, die deze wijziging overneemt in het rijksmonumentenregister. 
Artikel 3.6. Openbare registers leidend [Treedt in werking per 01-07-2016]
Ingeval het rijksmonumentenregister niet gelijkluidend is aan een afschrift van dat register in de openbare registers, bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken , bepaalt het afschrift in de openbare registers of een monument of archeologisch monument wordt aangemerkt als rijksmonument. 
Artikel 3.6. Openbare registers leidend
Ingeval het rijksmonumentenregister niet gelijkluidend is aan een afschrift van dat register in de openbare registers, bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken , bepaalt het afschrift in de openbare registers of een monument of archeologisch monument wordt aangemerkt als rijksmonument. 
1.
Onze Minister kan ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het Nederlands cultuurbezit aan te wijzen als beschermd cultuurgoed. 
1.
Onze Minister kan ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het Nederlands cultuurbezit aan te wijzen als beschermd cultuurgoed. 
2.
Onze Minister kan ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het Nederlands cultuurbezit, aan te wijzen als beschermde verzameling. 
2.
Onze Minister kan ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het Nederlands cultuurbezit, aan te wijzen als beschermde verzameling. 
3.
Het besluit tot aanwijzing als beschermde verzameling gaat vergezeld van een algemene omschrijving van de beschermde verzameling en van een opsomming van de cultuurgoederen die tot de beschermde verzameling behoren. 
3.
Het besluit tot aanwijzing als beschermde verzameling gaat vergezeld van een algemene omschrijving van de beschermde verzameling en van een opsomming van de cultuurgoederen die tot de beschermde verzameling behoren. 
4.
Een cultuurgoed is: 
4.
Een cultuurgoed is: 
a. onvervangbaar indien er geen of nagenoeg geen ander of gelijksoortig cultuurgoed in goede staat in Nederland aanwezig is; 
a. onvervangbaar indien er geen of nagenoeg geen ander of gelijksoortig cultuurgoed in goede staat in Nederland aanwezig is; 
b. onmisbaar indien het een symboolfunctie, schakelfunctie of ijkfunctie heeft. 
b. onmisbaar indien het een symboolfunctie, schakelfunctie of ijkfunctie heeft. 
5.
Bij de aanwijzing als beschermde verzameling is het vierde lid van overeenkomstige toepassing. 
5.
Bij de aanwijzing als beschermde verzameling is het vierde lid van overeenkomstige toepassing. 
1.
In een spoedeisend geval kan Onze Minister bij het besluit tot aanwijzing als beschermde verzameling, in afwijking van artikel 3.7, derde lid , volstaan met een algemene omschrijving van de verzameling. 
1.
In een spoedeisend geval kan Onze Minister bij het besluit tot aanwijzing als beschermde verzameling, in afwijking van artikel 3.7, derde lid , volstaan met een algemene omschrijving van de verzameling. 
2.
Onze Minister stelt in een geval als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk na het besluit tot aanwijzing een opsomming vast van de cultuurgoederen die tot de verzameling behoren. 
2.
Onze Minister stelt in een geval als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk na het besluit tot aanwijzing een opsomming vast van de cultuurgoederen die tot de verzameling behoren. 
1.
Voor aanwijzing van een cultuurgoed als beschermd cultuurgoed of opneming van een cultuurgoed in de opsomming van een beschermde verzameling is toestemming van de eigenaar vereist indien deze: 
1.
Voor aanwijzing van een cultuurgoed als beschermd cultuurgoed of opneming van een cultuurgoed in de opsomming van een beschermde verzameling is toestemming van de eigenaar vereist indien deze: 
a. de vervaardiger van het cultuurgoed is of de erfgenaam van de vervaardiger; 
a. de vervaardiger van het cultuurgoed is of de erfgenaam van de vervaardiger; 
b. degene is die het cultuurgoed in Nederland heeft gebracht of die het binnen vijf jaar, nadat het in Nederland is gebracht, heeft verworven, of de erfgenaam van een van hen. 
b. degene is die het cultuurgoed in Nederland heeft gebracht of die het binnen vijf jaar, nadat het in Nederland is gebracht, heeft verworven, of de erfgenaam van een van hen. 
2.
Het eerste lid is ook van toepassing op de erfgenaam die het cultuurgoed anders dan door vererving heeft verkregen. 
2.
Het eerste lid is ook van toepassing op de erfgenaam die het cultuurgoed anders dan door vererving heeft verkregen. 
3.
Het eerste lid is alleen van toepassing op de erfgenaam gedurende dertig jaar of, voor zover het archiefbescheiden betreft, vijftig jaar na het overlijden van de erflater. 
3.
Het eerste lid is alleen van toepassing op de erfgenaam gedurende dertig jaar of, voor zover het archiefbescheiden betreft, vijftig jaar na het overlijden van de erflater. 
4.
Indien de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, onder b, een rechtspersoon is, is het eerste lid alleen van toepassing gedurende dertig jaar of, voor zover het archiefbescheiden betreft, vijftig jaar nadat die rechtspersoon het cultuurgoed in Nederland heeft gebracht, of de eigendom van het cultuurgoed binnen vijf jaar, nadat het in Nederland is gebracht, heeft verworven. 
4.
Indien de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, onder b, een rechtspersoon is, is het eerste lid alleen van toepassing gedurende dertig jaar of, voor zover het archiefbescheiden betreft, vijftig jaar nadat die rechtspersoon het cultuurgoed in Nederland heeft gebracht, of de eigendom van het cultuurgoed binnen vijf jaar, nadat het in Nederland is gebracht, heeft verworven. 
5.
Het terugbrengen naar Nederland van een cultuurgoed dat zich tijdelijk buiten Nederland heeft bevonden, geldt niet als het in Nederland brengen, bedoeld in het eerste lid, onder b. 
5.
Het terugbrengen naar Nederland van een cultuurgoed dat zich tijdelijk buiten Nederland heeft bevonden, geldt niet als het in Nederland brengen, bedoeld in het eerste lid, onder b. 
1.
Onze Minister gaat niet over tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of als beschermde verzameling indien een cultuurgoed als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid , een verzameling of een deel daarvan: 
1.
Onze Minister gaat niet over tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of als beschermde verzameling indien een cultuurgoed als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid , een verzameling of een deel daarvan: 
a. berust onder iemand die tijdelijk zijn woonplaats naar Nederland verplaatst; 
a. berust onder iemand die tijdelijk zijn woonplaats naar Nederland verplaatst; 
b. door een niet-ingezetene wordt uitgeleend voor tijdelijke tentoonstelling in Nederland; of 
b. door een niet-ingezetene wordt uitgeleend voor tijdelijke tentoonstelling in Nederland; of 
c. wegens hiermee vergelijkbare omstandigheden naar het oordeel van Onze Minister niet in Nederland thuishoort. 
c. wegens hiermee vergelijkbare omstandigheden naar het oordeel van Onze Minister niet in Nederland thuishoort. 
2.
Onze Minister gaat niet eerder dan een jaar nadat de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, zich niet meer hebben voorgedaan over tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of als beschermde verzameling. 
2.
Onze Minister gaat niet eerder dan een jaar nadat de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, zich niet meer hebben voorgedaan over tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of als beschermde verzameling. 
1.
Onze Minister houdt een register van de beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen bij. 
1.
Onze Minister houdt een register van de beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen bij. 
2.
Het register kan door een ieder worden geraadpleegd, met uitzondering van de gegevens over de eigenaar of verblijfplaats van een beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling. 
2.
Het register kan door een ieder worden geraadpleegd, met uitzondering van de gegevens over de eigenaar of verblijfplaats van een beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling. 
3.
Het register bevat in ieder geval voor een: 
3.
Het register bevat in ieder geval voor een: 
a. beschermd cultuurgoed: beschrijving en motivering van de aanwijzing; 
a. beschermd cultuurgoed: beschrijving en motivering van de aanwijzing; 
b. beschermde verzameling: algemene omschrijving, opsomming van de cultuurgoederen die behoren tot de verzameling en motivering van de aanwijzing van de verzameling. 
b. beschermde verzameling: algemene omschrijving, opsomming van de cultuurgoederen die behoren tot de verzameling en motivering van de aanwijzing van de verzameling. 
1.
Onze Minister kan een besluit tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of als beschermde verzameling ambtshalve wijzigen of intrekken. 
1.
Onze Minister kan een besluit tot aanwijzing als beschermd cultuurgoed of als beschermde verzameling ambtshalve wijzigen of intrekken. 
2.
Onze Minister kan ambtshalve verbeteringen van feitelijke aard aanbrengen in de beschrijving van een beschermd cultuurgoed, de algemene omschrijving van een beschermde verzameling of de opsomming van de beschermde cultuurgoederen die behoren tot een beschermde verzameling. 
2.
Onze Minister kan ambtshalve verbeteringen van feitelijke aard aanbrengen in de beschrijving van een beschermd cultuurgoed, de algemene omschrijving van een beschermde verzameling of de opsomming van de beschermde cultuurgoederen die behoren tot een beschermde verzameling. 
Artikel 3.13. Aanwijzing als ensemble [Treedt in werking per 01-07-2016]
Onze Minister kan ambtshalve besluiten een rijksmonument tezamen met cultuurgoederen aan te wijzen als ensemble, indien het geheel van rijksmonument en de cultuurgoederen in onderlinge samenhang van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is. 
Artikel 3.13. Aanwijzing als ensemble
Onze Minister kan ambtshalve besluiten een rijksmonument tezamen met cultuurgoederen aan te wijzen als ensemble, indien het geheel van rijksmonument en de cultuurgoederen in onderlinge samenhang van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is. 
1.
Onze Minister houdt een informatiesysteem van aangewezen ensembles bij dat is gekoppeld aan het rijksmonumentenregister. 
1.
Onze Minister houdt een informatiesysteem van aangewezen ensembles bij dat is gekoppeld aan het rijksmonumentenregister. 
2.
Het informatiesysteem kan door een ieder worden geraadpleegd. 
2.
Het informatiesysteem kan door een ieder worden geraadpleegd. 
3.
Het informatiesysteem bevat voor een opgenomen ensemble in ieder geval een algemene omschrijving, een opsomming van het rijksmonument en, voor zover de eigenaar daarmee heeft ingestemd, de cultuurgoederen die behoren tot het ensemble en de motivering van de aanwijzing van het ensemble. 
3.
Het informatiesysteem bevat voor een opgenomen ensemble in ieder geval een algemene omschrijving, een opsomming van het rijksmonument en, voor zover de eigenaar daarmee heeft ingestemd, de cultuurgoederen die behoren tot het ensemble en de motivering van de aanwijzing van het ensemble. 
1.
Onze Minister kan een besluit tot aanwijzing als ensemble ambtshalve wijzigen of intrekken. 
1.
Onze Minister kan een besluit tot aanwijzing als ensemble ambtshalve wijzigen of intrekken. 
2.
Onze Minister kan ambtshalve verbeteringen van feitelijke aard aanbrengen in de beschrijving van het ensemble. 
2.
Onze Minister kan ambtshalve verbeteringen van feitelijke aard aanbrengen in de beschrijving van het ensemble. 
1.
De gemeenteraad kan een erfgoedverordening vaststellen. 
1.
De gemeenteraad kan een erfgoedverordening vaststellen. 
2.
De verordening ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed gelegen binnen de desbetreffende gemeente, dat van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. 
2.
De verordening ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed gelegen binnen de desbetreffende gemeente, dat van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. 
3.
Het college van burgemeester en wethouders houdt een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij. 
3.
Het college van burgemeester en wethouders houdt een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij. 
1.
Provinciale staten kunnen een erfgoedverordening vaststellen. 
1.
Provinciale staten kunnen een erfgoedverordening vaststellen. 
2.
De verordening ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed geheel of gedeeltelijk gelegen binnen de desbetreffende provincie, dat van bijzonder belang is voor die provincie vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. 
2.
De verordening ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed geheel of gedeeltelijk gelegen binnen de desbetreffende provincie, dat van bijzonder belang is voor die provincie vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. 
3.
Gedeputeerde staten houden een provinciaal erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij. 
3.
Gedeputeerde staten houden een provinciaal erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij. 
Artikel 3.18. Aanwijzing als cultuurgoed UNESCO-verdrag 1970 en Richtlijn 2014/60 /EU [Treedt in werking per 01-07-2016]
Als cultuurgoederen als bedoeld in artikel 6.1, onder c, en artikel 2, onder 1, van Richtlijn 2014/60 /EU van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PbEU 2014, L 159) worden voor Nederland aangewezen: 
Artikel 3.18. Aanwijzing als cultuurgoed UNESCO-verdrag 1970 en Richtlijn 2014/60 /EU
Als cultuurgoederen als bedoeld in artikel 6.1, onder c, en artikel 2, onder 1, van Richtlijn 2014/60 /EU van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PbEU 2014, L 159) worden voor Nederland aangewezen: 
a. beschermde cultuurgoederen; 
a. beschermde cultuurgoederen; 
b. cultuurgoederen als bedoeld in artikel 4.22 . 
b. cultuurgoederen als bedoeld in artikel 4.22 .