Erfgoedwet
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Beheer van collecties
+ Hoofdstuk 3. Aanwijzing als beschermd erfgoed
- Hoofdstuk 4. Bescherming van erfgoed
+ Hoofdstuk 5. Archeologische monumentenzorg
+ Hoofdstuk 6. Internationale teruggave
+ Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
+ Hoofdstuk 8. Handhaving en toezicht
+ Hoofdstuk 9. Overgangsrecht
+ Hoofdstuk 10. Intrekken en wijzigen andere wetten
+ Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Geschiedenis-overzicht

Erfgoedwet



Artikel 4.1. Begripsbepaling [Treedt in werking per 01-07-2016]
In deze paragraaf wordt verstaan onder handeling: handeling als bedoeld in artikel 4.4, onder a tot en met g . 
Artikel 4.1. Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt verstaan onder handeling: handeling als bedoeld in artikel 4.4, onder a tot en met g . 
Artikel 4.2. Mededelingsplicht eigenaar [Treedt in werking per 01-07-2016]
De eigenaar van een beschermd cultuurgoed deelt degene aan wie hij het cultuurgoed vervreemdt of aan wie hij met betrekking tot het cultuurgoed rechten verleent vooraf mee dat het cultuurgoed is aangewezen als beschermd cultuurgoed. 
Artikel 4.2. Mededelingsplicht eigenaar
De eigenaar van een beschermd cultuurgoed deelt degene aan wie hij het cultuurgoed vervreemdt of aan wie hij met betrekking tot het cultuurgoed rechten verleent vooraf mee dat het cultuurgoed is aangewezen als beschermd cultuurgoed. 
Artikel 4.3. Medewerking aan toezicht [Treedt in werking per 01-07-2016]
Degene die een beschermd cultuurgoed onder zich heeft, toont het desgevraagd aan de inspecteur en meldt deze onverwijld de vermissing of het tenietgaan van het cultuurgoed. 
Artikel 4.3. Medewerking aan toezicht
Degene die een beschermd cultuurgoed onder zich heeft, toont het desgevraagd aan de inspecteur en meldt deze onverwijld de vermissing of het tenietgaan van het cultuurgoed. 
Artikel 4.4. Verbod op handeling zonder melding [Treedt in werking per 01-07-2016]
Zonder voorafgaande schriftelijke melding aan de inspecteur is het verboden een beschermd cultuurgoed: 
Artikel 4.4. Verbod op handeling zonder melding
Zonder voorafgaande schriftelijke melding aan de inspecteur is het verboden een beschermd cultuurgoed: 
a. te verplaatsen; 
a. te verplaatsen; 
b. in veiling te brengen; 
b. in veiling te brengen; 
c. te vervreemden; 
c. te vervreemden; 
d. te bezwaren; 
d. te bezwaren; 
e. te verhuren; 
e. te verhuren; 
f. in bruikleen te geven; of 
f. in bruikleen te geven; of 
g. bij boedelscheiding aan een niet-ingezetene toe te delen. 
g. bij boedelscheiding aan een niet-ingezetene toe te delen. 
1.
Gedurende zes weken na de verzending van de melding, bedoeld in artikel 4.4 , is een handeling verboden zonder de toestemming van de inspecteur of van Onze Minister, tenzij die melding alleen het voornemen tot verplaatsing binnen Nederland betreft. 
1.
Gedurende zes weken na de verzending van de melding, bedoeld in artikel 4.4 , is een handeling verboden zonder de toestemming van de inspecteur of van Onze Minister, tenzij die melding alleen het voornemen tot verplaatsing binnen Nederland betreft. 
2.
Indien een handeling strekt tot het buiten Nederland brengen van een beschermd cultuurgoed, kan alleen Onze Minister toestemming geven. 
2.
Indien een handeling strekt tot het buiten Nederland brengen van een beschermd cultuurgoed, kan alleen Onze Minister toestemming geven. 
1.
Indien Onze Minister binnen de termijn, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid , bij degene die de melding heeft gedaan schriftelijk bedenkingen tegen de handeling heeft aangevoerd, is die handeling verboden. 
1.
Indien Onze Minister binnen de termijn, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid , bij degene die de melding heeft gedaan schriftelijk bedenkingen tegen de handeling heeft aangevoerd, is die handeling verboden. 
2.
De bedenkingen kunnen alleen zijn gegrond op de overweging dat er gevaar is voor het verlies van het beschermd cultuurgoed voor het in Nederland aanwezige cultuurbezit. 
2.
De bedenkingen kunnen alleen zijn gegrond op de overweging dat er gevaar is voor het verlies van het beschermd cultuurgoed voor het in Nederland aanwezige cultuurbezit. 
1.
Onze Minister kan bij het aanvoeren van bedenkingen meedelen dat het verbod niet geldt voor zover aan de handeling uitvoering wordt gegeven met inachtneming van door hem daarbij gestelde voorschriften. 
1.
Onze Minister kan bij het aanvoeren van bedenkingen meedelen dat het verbod niet geldt voor zover aan de handeling uitvoering wordt gegeven met inachtneming van door hem daarbij gestelde voorschriften. 
2.
De voorschriften strekken alleen ter voorkoming van het verlies van het beschermd cultuurgoed voor het in Nederland aanwezige cultuurbezit. 
2.
De voorschriften strekken alleen ter voorkoming van het verlies van het beschermd cultuurgoed voor het in Nederland aanwezige cultuurbezit. 
1.
Indien Onze Minister geen bedenkingen heeft aangevoerd, is een handeling na een jaar na de verzending van de melding opnieuw verboden. 
1.
Indien Onze Minister geen bedenkingen heeft aangevoerd, is een handeling na een jaar na de verzending van de melding opnieuw verboden. 
2.
Onze Minister bevestigt desgevraagd binnen acht dagen schriftelijk dat hij geen bedenkingen heeft tegen een handeling, indien de termijn, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid , is verstreken zonder dat hij bedenkingen heeft aangevoerd. 
2.
Onze Minister bevestigt desgevraagd binnen acht dagen schriftelijk dat hij geen bedenkingen heeft tegen een handeling, indien de termijn, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid , is verstreken zonder dat hij bedenkingen heeft aangevoerd. 
3.
Indien Onze Minister eerder aangevoerde bedenkingen intrekt, is een handeling na een jaar na de intrekking opnieuw verboden. 
3.
Indien Onze Minister eerder aangevoerde bedenkingen intrekt, is een handeling na een jaar na de intrekking opnieuw verboden. 
1.
Onze Minister geeft op een geschikte wijze en in ieder geval door plaatsing in de Staatscourant kennis van de bedenkingen die hij met betrekking tot een beschermd cultuurgoed heeft aangevoerd tegen: 
1.
Onze Minister geeft op een geschikte wijze en in ieder geval door plaatsing in de Staatscourant kennis van de bedenkingen die hij met betrekking tot een beschermd cultuurgoed heeft aangevoerd tegen: 
a. vervreemding; 
a. vervreemding; 
b. toedeling aan een niet-ingezetene; of 
b. toedeling aan een niet-ingezetene; of 
c. verplaatsing naar de buiten Nederland gelegen vaste woonplaats van de eigenaar. 
c. verplaatsing naar de buiten Nederland gelegen vaste woonplaats van de eigenaar. 
2.
De kennisgeving vermeldt het beschermd cultuurgoed, de handeling, bedoeld in het eerste lid, en de bedenkingen. 
2.
De kennisgeving vermeldt het beschermd cultuurgoed, de handeling, bedoeld in het eerste lid, en de bedenkingen. 
3.
De kennisgeving bevat geen gegevens over betrokken partijen of over de verblijfplaats van het beschermd cultuurgoed. 
3.
De kennisgeving bevat geen gegevens over betrokken partijen of over de verblijfplaats van het beschermd cultuurgoed. 
1.
Gedurende zes weken na de publicatie in de Staatscourant kunnen mogelijke kopers van het beschermd cultuurgoed zich aanmelden bij Onze Minister. 
1.
Gedurende zes weken na de publicatie in de Staatscourant kunnen mogelijke kopers van het beschermd cultuurgoed zich aanmelden bij Onze Minister. 
2.
Onze Minister geeft een aanmelding onverwijld door aan de eigenaar van het beschermd cultuurgoed. 
2.
Onze Minister geeft een aanmelding onverwijld door aan de eigenaar van het beschermd cultuurgoed. 
3.
Na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid, gelden bedenkingen als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid , als een aanbod van de Staat tot aankoop van het beschermd cultuurgoed op de in de artikelen 4.13 en 4.14 geregelde wijze. 
3.
Na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid, gelden bedenkingen als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid , als een aanbod van de Staat tot aankoop van het beschermd cultuurgoed op de in de artikelen 4.13 en 4.14 geregelde wijze. 
4.
Het aanbod geldt drie maanden. 
4.
Het aanbod geldt drie maanden. 
5.
Op schriftelijk verzoek van de eigenaar kan het moment van de aanvang van het aanbod worden uitgesteld. 
5.
Op schriftelijk verzoek van de eigenaar kan het moment van de aanvang van het aanbod worden uitgesteld. 
6.
Onze Minister en de eigenaar kunnen de termijn, bedoeld in het vierde lid, in onderling overleg verlengen. 
6.
Onze Minister en de eigenaar kunnen de termijn, bedoeld in het vierde lid, in onderling overleg verlengen. 
Artikel 4.11. Uitzondering bij voorschriften [Treedt in werking per 01-07-2016]
De artikelen 4.9 en 4.10 zijn niet van toepassing indien Onze Minister bij het aanvoeren van bedenkingen een mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid . 
Artikel 4.11. Uitzondering bij voorschriften
De artikelen 4.9 en 4.10 zijn niet van toepassing indien Onze Minister bij het aanvoeren van bedenkingen een mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid . 
Artikel 4.12. Opschorten termijn [Treedt in werking per 01-07-2016]
De in artikel 4.10, vierde lid , bedoelde termijn wordt opgeschort, zolang over een aanbod van de Staat tot aankoop van een beschermd cultuurgoed: 
Artikel 4.12. Opschorten termijn
De in artikel 4.10, vierde lid , bedoelde termijn wordt opgeschort, zolang over een aanbod van de Staat tot aankoop van een beschermd cultuurgoed: 
a. bij de rechtbank Den Haag een procedure als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid , aanhangig is; of 
a. bij de rechtbank Den Haag een procedure als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid , aanhangig is; of 
b. tussen de Staat en de eigenaar een overeenkomst tot arbitrage bestaat. 
b. tussen de Staat en de eigenaar een overeenkomst tot arbitrage bestaat. 
Artikel 4.13. Minister treedt in onderhandeling [Treedt in werking per 01-07-2016]
Onze Minister treedt onverwijld na aanvang van de termijn, bedoeld in artikel 4.10, vierde lid , met de eigenaar in onderhandeling over de koopprijs en de overige verkoopvoorwaarden. 
Artikel 4.13. Minister treedt in onderhandeling
Onze Minister treedt onverwijld na aanvang van de termijn, bedoeld in artikel 4.10, vierde lid , met de eigenaar in onderhandeling over de koopprijs en de overige verkoopvoorwaarden. 
1.
Indien de onderhandelingen, bedoeld in artikel 4.13 , niet tot overeenstemming leiden, wordt de prijs op verzoek van een van de partijen vastgesteld door de rechtbank Den Haag, tenzij de eigenaar te kennen geeft af te zien van de handeling of Onze Minister de daartegen aangevoerde bedenkingen intrekt. 
1.
Indien de onderhandelingen, bedoeld in artikel 4.13 , niet tot overeenstemming leiden, wordt de prijs op verzoek van een van de partijen vastgesteld door de rechtbank Den Haag, tenzij de eigenaar te kennen geeft af te zien van de handeling of Onze Minister de daartegen aangevoerde bedenkingen intrekt. 
2.
Alvorens te beslissen vraagt de rechtbank advies aan deskundigen. 
2.
Alvorens te beslissen vraagt de rechtbank advies aan deskundigen. 
3.
De griffier zendt een afschrift van het deskundigenadvies aan de verzoeker en de wederpartij, die binnen een door de rechter te bepalen termijn hun opmerkingen over het advies bij de griffie kunnen indienen. 
3.
De griffier zendt een afschrift van het deskundigenadvies aan de verzoeker en de wederpartij, die binnen een door de rechter te bepalen termijn hun opmerkingen over het advies bij de griffie kunnen indienen. 
4.
Tegen beschikkingen op grond van dit artikel staat uitsluitend beroep in cassatie open. 
4.
Tegen beschikkingen op grond van dit artikel staat uitsluitend beroep in cassatie open. 
1.
Binnen een maand nadat de koopprijs ingevolge artikel 4.14 onherroepelijk is vastgesteld, kan Onze Minister aan de eigenaar meedelen van het aanvoeren van bedenkingen af te zien en kan de eigenaar aan Onze Minister meedelen van het verrichten van de gemelde handeling af te zien. 
1.
Binnen een maand nadat de koopprijs ingevolge artikel 4.14 onherroepelijk is vastgesteld, kan Onze Minister aan de eigenaar meedelen van het aanvoeren van bedenkingen af te zien en kan de eigenaar aan Onze Minister meedelen van het verrichten van de gemelde handeling af te zien. 
2.
Indien aan het eerste lid geen uitvoering wordt gegeven, geldt de vastgestelde koopprijs als overeengekomen tussen partijen. 
2.
Indien aan het eerste lid geen uitvoering wordt gegeven, geldt de vastgestelde koopprijs als overeengekomen tussen partijen. 
1.
Onze Minister vergoedt desgevraagd uitgaven van een belanghebbende voor zover het nut daarvan is teniet gedaan door bedenkingen die zijn aangevoerd op grond van artikel 4.6 . 
1.
Onze Minister vergoedt desgevraagd uitgaven van een belanghebbende voor zover het nut daarvan is teniet gedaan door bedenkingen die zijn aangevoerd op grond van artikel 4.6 . 
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de bedenkingen hebben geleid tot aankoop door de Staat van het desbetreffende beschermd cultuurgoed of een dergelijke aankoop achterwege is gebleven vanwege de aankoop door een derde. 
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de bedenkingen hebben geleid tot aankoop door de Staat van het desbetreffende beschermd cultuurgoed of een dergelijke aankoop achterwege is gebleven vanwege de aankoop door een derde. 
3.
Onze Minister vergoedt geen uitgaven die wegens de mogelijkheid dat bedenkingen zouden worden aangevoerd redelijkerwijs achterwege hadden moeten blijven. 
3.
Onze Minister vergoedt geen uitgaven die wegens de mogelijkheid dat bedenkingen zouden worden aangevoerd redelijkerwijs achterwege hadden moeten blijven. 
1.
Een voorgenomen besluit tot vervreemding van een cultuurgoed of een verzameling wordt door Onze Minister, gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders bekendgemaakt op een door Onze Minister aangewezen wijze. 
1.
Een voorgenomen besluit tot vervreemding van een cultuurgoed of een verzameling wordt door Onze Minister, gedeputeerde staten of het college van burgemeester en wethouders bekendgemaakt op een door Onze Minister aangewezen wijze. 
2.
De bekendmaking bevat in elk geval een beschrijving van het cultuurgoed of de verzameling, een motivering van de voorgenomen vervreemding en een mededeling of advies wordt gevraagd als bedoeld in artikel 4.18 . 
2.
De bekendmaking bevat in elk geval een beschrijving van het cultuurgoed of de verzameling, een motivering van de voorgenomen vervreemding en een mededeling of advies wordt gevraagd als bedoeld in artikel 4.18 . 
3.
Voor zover geen advies wordt gevraagd als bedoeld in artikel 4.18 , kan een ieder gedurende zes weken na de dag van bekendmaking van het voornemen bij Onze Minister, gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders zienswijzen indienen over de vraag of het cultuurgoed of de verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is en onvervangbaar en onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit. 
3.
Voor zover geen advies wordt gevraagd als bedoeld in artikel 4.18 , kan een ieder gedurende zes weken na de dag van bekendmaking van het voornemen bij Onze Minister, gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders zienswijzen indienen over de vraag of het cultuurgoed of de verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is en onvervangbaar en onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit. 
4.
Gedurende de termijn, bedoeld in het derde lid, wordt niet overgegaan tot vervreemding van het cultuurgoed of de verzameling. Na deze termijn worden ingediende zienswijzen door Onze Minister, gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders beoordeeld en wordt zo nodig alsnog advies gevraagd als bedoeld in artikel 4.18 . 
4.
Gedurende de termijn, bedoeld in het derde lid, wordt niet overgegaan tot vervreemding van het cultuurgoed of de verzameling. Na deze termijn worden ingediende zienswijzen door Onze Minister, gedeputeerde staten onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders beoordeeld en wordt zo nodig alsnog advies gevraagd als bedoeld in artikel 4.18 . 
Artikel 4.18. Advies bij vervreemding cultuurgoed of verzameling [Treedt in werking per 01-07-2016]
Over een besluit tot vervreemding van een cultuurgoed of verzameling wordt door Onze Minister, gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders of het bevoegde orgaan van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon advies gevraagd aan een commissie van onafhankelijke deskundigen, indien: 
Artikel 4.18. Advies bij vervreemding cultuurgoed of verzameling
Over een besluit tot vervreemding van een cultuurgoed of verzameling wordt door Onze Minister, gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders of het bevoegde orgaan van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon advies gevraagd aan een commissie van onafhankelijke deskundigen, indien: 
a. redelijkerwijs kan worden vermoed dat het cultuurgoed of de verzameling bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis heeft en onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit; en 
a. redelijkerwijs kan worden vermoed dat het cultuurgoed of de verzameling bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis heeft en onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit; en 
b. vervreemding wordt overwogen aan een andere partij dan de Staat, een provincie, een gemeente, of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon. 
b. vervreemding wordt overwogen aan een andere partij dan de Staat, een provincie, een gemeente, of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon. 
Artikel 4.19. Reikwijdte advies [Treedt in werking per 01-07-2016]
De commissie adviseert over de vraag of de voorgenomen vervreemding een cultuurgoed of verzameling betreft van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dat of die onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit. 
Artikel 4.19. Reikwijdte advies
De commissie adviseert over de vraag of de voorgenomen vervreemding een cultuurgoed of verzameling betreft van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dat of die onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit. 
1.
De commissie bestaat uit ten minste drie leden, de voorzitter inbegrepen. 
1.
De commissie bestaat uit ten minste drie leden, de voorzitter inbegrepen. 
2.
De deskundigheid van de commissie ziet mede op de specifieke eigenschappen van het cultuurgoed of de verzameling waarover om advies wordt gevraagd. 
2.
De deskundigheid van de commissie ziet mede op de specifieke eigenschappen van het cultuurgoed of de verzameling waarover om advies wordt gevraagd. 
3.
De leden verrichten anders dan uit hoofde van het lidmaatschap van de commissie geen werkzaamheden voor de betrokken publiekrechtelijke rechtspersoon. Ook anderszins hebben deze leden geen belangen of functies waardoor de onafhankelijkheid van hun inbreng of het vertrouwen in die onafhankelijkheid in het geding kan zijn. 
3.
De leden verrichten anders dan uit hoofde van het lidmaatschap van de commissie geen werkzaamheden voor de betrokken publiekrechtelijke rechtspersoon. Ook anderszins hebben deze leden geen belangen of functies waardoor de onafhankelijkheid van hun inbreng of het vertrouwen in die onafhankelijkheid in het geding kan zijn. 
Artikel 4.21. Verplichting om Minister te informeren [Treedt in werking per 01-07-2016]
Indien het advies van de commissie de strekking heeft dat het een cultuurgoed of verzameling betreft van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dat of die onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit, wordt daarvan, onder toezending van een afschrift van het advies, aan Onze Minister melding gedaan door gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders of het bevoegde orgaan van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon ten minste dertien weken voordat wordt overgegaan tot vervreemding aan een andere partij dan de Staat, een provincie, gemeente of andere publiekrechtelijke rechtspersoon. 
Artikel 4.21. Verplichting om Minister te informeren
Indien het advies van de commissie de strekking heeft dat het een cultuurgoed of verzameling betreft van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dat of die onvervangbaar en onmisbaar is voor het Nederlands cultuurbezit, wordt daarvan, onder toezending van een afschrift van het advies, aan Onze Minister melding gedaan door gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders of het bevoegde orgaan van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon ten minste dertien weken voordat wordt overgegaan tot vervreemding aan een andere partij dan de Staat, een provincie, gemeente of andere publiekrechtelijke rechtspersoon. 
1.
Het is verboden een cultuurgoed dat deel uitmaakt van een openbare collectie die is vermeld in de inventarislijst van een museum, een archief of een vaste collectie van een bibliotheek, en waarvan de Staat of een ander openbaar lichaam eigenaar is, buiten Nederland te brengen zonder dat de eigenaar daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven. 
1.
Het is verboden een cultuurgoed dat deel uitmaakt van een openbare collectie die is vermeld in de inventarislijst van een museum, een archief of een vaste collectie van een bibliotheek, en waarvan de Staat of een ander openbaar lichaam eigenaar is, buiten Nederland te brengen zonder dat de eigenaar daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven. 
2.
Indien de eigenaar zich daarover niet verklaart, kan zijn toestemming op verzoek van een belanghebbende worden vervangen door een vergunning van Onze Minister. 
2.
Indien de eigenaar zich daarover niet verklaart, kan zijn toestemming op verzoek van een belanghebbende worden vervangen door een vergunning van Onze Minister. 
3.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt ook voor een cultuurgoed dat deel uitmaakt van: 
3.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt ook voor een cultuurgoed dat deel uitmaakt van: 
a. een inventarislijst van cultuurgoederen van cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis waarvan een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, of een ander genootschap op religieuze grondslag eigenaar is; 
a. een inventarislijst van cultuurgoederen van cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis waarvan een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, of een ander genootschap op religieuze grondslag eigenaar is; 
b. een openbare collectie die is vermeld in de inventarislijst van een museum, een archief of een vaste collectie van een bibliotheek, en waarvan de eigendom berust bij een privaatrechtelijke rechtspersoon die in overwegende mate wordt gefinancierd door subsidie die door de Staat of een ander overheidslichaam wordt verstrekt, en die door Onze Minister voor de toepassing van dit verbod is aangewezen; 
b. een openbare collectie die is vermeld in de inventarislijst van een museum, een archief of een vaste collectie van een bibliotheek, en waarvan de eigendom berust bij een privaatrechtelijke rechtspersoon die in overwegende mate wordt gefinancierd door subsidie die door de Staat of een ander overheidslichaam wordt verstrekt, en die door Onze Minister voor de toepassing van dit verbod is aangewezen; 
c. de lijst van museale cultuurgoederen van de Staat, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid . 
c. de lijst van museale cultuurgoederen van de Staat, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid . 
4.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt bovendien voor: 
4.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt bovendien voor: 
a. rijksmonumenten en onderdelen daarvan; 
a. rijksmonumenten en onderdelen daarvan; 
b. onrechtmatig opgegraven archeologische vondsten; en 
b. onrechtmatig opgegraven archeologische vondsten; en 
c. archiefbescheiden en onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 1, onder c, onder 1 tot en met 3, van de Archiefwet 1995 , die ouder zijn dan vijftig jaar. 
c. archiefbescheiden en onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 1, onder c, onder 1 tot en met 3, van de Archiefwet 1995 , die ouder zijn dan vijftig jaar. 
5.
Artikel 4.3 is van overeenkomstige toepassing. 
5.
Artikel 4.3 is van overeenkomstige toepassing. 
1.
Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister of van een andere bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 116/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen (PbEU 2009, L 39), cultuurgoederen die behoren tot een categorie, vermeld in bijlage I van genoemde verordening, uit te voeren buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. 
1.
Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister of van een andere bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 116/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen (PbEU 2009, L 39), cultuurgoederen die behoren tot een categorie, vermeld in bijlage I van genoemde verordening, uit te voeren buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. 
2.
Onze Minister kan bepalen dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt voor oudheidkundige voorwerpen ouder dan honderd jaar, die afkomstig zijn van opgravingen en vondsten op het land en in de zee dan wel van oudheidkundige locaties, indien deze cultuurgoederen: 
2.
Onze Minister kan bepalen dat het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt voor oudheidkundige voorwerpen ouder dan honderd jaar, die afkomstig zijn van opgravingen en vondsten op het land en in de zee dan wel van oudheidkundige locaties, indien deze cultuurgoederen: 
a. van beperkt archeologisch of wetenschappelijk belang zijn; 
a. van beperkt archeologisch of wetenschappelijk belang zijn; 
b. niet rechtstreeks afkomstig zijn van opgravingen, vondsten en archeologische locaties in een lidstaat van de Europese Unie; en 
b. niet rechtstreeks afkomstig zijn van opgravingen, vondsten en archeologische locaties in een lidstaat van de Europese Unie; en 
c. zich legaal op de markt bevinden. 
c. zich legaal op de markt bevinden.