Erfgoedwet
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Beheer van collecties
+ Hoofdstuk 3. Aanwijzing als beschermd erfgoed
+ Hoofdstuk 4. Bescherming van erfgoed
+ Hoofdstuk 5. Archeologische monumentenzorg
+ Hoofdstuk 6. Internationale teruggave
+ Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
- Hoofdstuk 8. Handhaving en toezicht
+ Hoofdstuk 9. Overgangsrecht
+ Hoofdstuk 10. Intrekken en wijzigen andere wetten
+ Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Geschiedenis-overzicht

Erfgoedwet



1.
De ambtenaren, bedoeld in de artikelen 8.3 en 8.4 , zijn bevoegd: 
1.
De ambtenaren, bedoeld in de artikelen 8.3 en 8.4 , zijn bevoegd: 
a. met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner; of 
a. met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner; of 
b. te vorderen dat de bewoner hun beschermde cultuurgoederen, museale cultuurgoederen van de Staat of cultuurgoederen als bedoeld in artikel 4.22 , artikel 4.23 of hoofdstuk 6 , die in de woning aanwezig zijn, toont. 
b. te vorderen dat de bewoner hun beschermde cultuurgoederen, museale cultuurgoederen van de Staat of cultuurgoederen als bedoeld in artikel 4.22 , artikel 4.23 of hoofdstuk 6 , die in de woning aanwezig zijn, toont. 
2.
Voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van hoofdstuk 6 zijn de toezichthouders bevoegd: 
2.
Voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van hoofdstuk 6 zijn de toezichthouders bevoegd: 
a. ruimten en voorwerpen te verzegelen, voor zover dat voor de uitoefening van de in artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde bevoegdheden redelijkerwijs noodzakelijk is; of 
a. ruimten en voorwerpen te verzegelen, voor zover dat voor de uitoefening van de in artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde bevoegdheden redelijkerwijs noodzakelijk is; of 
b. zo nodig met behulp van de sterke arm de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht uit te oefenen. 
b. zo nodig met behulp van de sterke arm de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht uit te oefenen. 
1.
Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling die museale cultuurgoederen van de Staat beheert, verstrekt desgevraagd de inlichtingen die de toezichthouders, bedoeld in artikel 8.3 , voor de uitoefening van het toezicht nodig hebben. 
1.
Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling die museale cultuurgoederen van de Staat beheert, verstrekt desgevraagd de inlichtingen die de toezichthouders, bedoeld in artikel 8.3 , voor de uitoefening van het toezicht nodig hebben. 
2.
Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling verleent de toezichthouders toegang tot de museale cultuurgoederen van de Staat in beheer en verleent hen desgevraagd inzage in alle daartoe bijgehouden administraties, documenten en andere informatiedragers. 
2.
Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling verleent de toezichthouders toegang tot de museale cultuurgoederen van de Staat in beheer en verleent hen desgevraagd inzage in alle daartoe bijgehouden administraties, documenten en andere informatiedragers. 
3.
De toezichthouders melden hun bevindingen aan Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling en geven daarbij zo nodig aan welke voorzieningen naar hun oordeel dienen te worden getroffen ten behoeve van het beheer. 
3.
De toezichthouders melden hun bevindingen aan Onze Minister wie het aangaat, een college van staat of een instelling en geven daarbij zo nodig aan welke voorzieningen naar hun oordeel dienen te worden getroffen ten behoeve van het beheer. 
4.
De toezichthouders leggen periodiek een samenvatting van de bevindingen, bedoeld in het derde lid, over aan Onze Minister. 
4.
De toezichthouders leggen periodiek een samenvatting van de bevindingen, bedoeld in het derde lid, over aan Onze Minister. 
5.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een instelling die op grond van artikel 2.8 is belast met de zorg voor het beheer van andere cultuurgoederen. 
5.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een instelling die op grond van artikel 2.8 is belast met de zorg voor het beheer van andere cultuurgoederen. 
1.
De ambtenaren, bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, onder a en b , zijn belast met het op verzoek van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte opsporen van een door die staat in het verzoek omschreven roerende zaak die krachtens de nationale wetgeving van die staat een cultuurgoed is in de zin van artikel 2, onder 1, van Richtlijn 2014/60 /EU van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PbEU 2014, L 159), mits die zaak in de zin van die richtlijn op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van die staat is gebracht. 
1.
De ambtenaren, bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, onder a en b , zijn belast met het op verzoek van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte opsporen van een door die staat in het verzoek omschreven roerende zaak die krachtens de nationale wetgeving van die staat een cultuurgoed is in de zin van artikel 2, onder 1, van Richtlijn 2014/60 /EU van het Europees parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PbEU 2014, L 159), mits die zaak in de zin van die richtlijn op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van die staat is gebracht. 
2.
Een wijziging van Richtlijn 2014/60 /EU gaat voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. 
2.
Een wijziging van Richtlijn 2014/60 /EU gaat voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.