Let op. Deze wet is vervallen op 1 mei 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 april 2009.

Voertuigreglement

Uitgebreide informatie
Besluit van 16 juni 1994, houdende uitvoering van de Wegenverkeerswet 1994
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 juli 1992, nr. RW 126565, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de Wegenverkeerswet 1994;
De Raad van State gehoord (advies van 11 maart 1993, nr. W09.92.0298);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juni 1994, nr. RW 176564, Hoofddirectie van de Waterstaat, Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende regelingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder:
a. 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: 24 GHz-kortbereikradarapparatuur als bedoeld in bijlage I, onder punt 2.1.13, van richtlijn 72/245/EEG;
a1. aanhangwagen: voertuig dat is bestemd om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld, met inbegrip van een oplegger; als aanhangwagen wordt voorts aangemerkt een dolly met een oplegger;
a2. aardopwarmingsvermogen: klimaatopwarmingsvermogen van een gefluoreerd broeikasgas ten opzichte van dat van koolstofdioxide als bedoeld in richtlijn 2006/40/EG;
b. achterlicht: licht dat, van de achterzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
c. achteruitrijlicht: licht, bestemd voor het verlichten van de weg achter het voertuig en voor het waarschuwen van de overige weggebruikers dat het voertuig achteruit rijdt of achteruit gaat rijden;
d. afsleepdolly: aanhangwagen, bestemd voor het dragen van één van de assen van een voertuig;
d1: airbag: een inrichting in motorvoertuigen, gemonteerd ter aanvulling van autogordels, die een systeem bevat dat bij een ernstige botsing van het voertuig automatisch een flexibel omhulsel opblaast dat door samendrukking van het daarin opgesloten gas de ernst van het contact van een of meer delen van het lichaam van een inzittende van het voertuig met de binneninrichting van de passagiersruimte beperkt;
e. ambulance: motorrijtuig, bestemd om te worden gebruikt voor ambulancevervoer als bedoeld in de Wet ambulancevervoer ( Stb. 1971, 369);
f. as: geheel van aslichaam met inbegrip van wielgeleidingselementen;
f1. ashefinrichting: een op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as of assen naar gelang van de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen;
g. asstel: combinatie van twee of meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan 1,80 m;
g1. autogordel: een geheel van banden met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee de gordel wordt ingetrokken;
g2. autonome aanhangwagen: aanhangwagen met minimaal twee assen, waarvan in ieder geval één gestuurd is, en die is uitgerust met een beweegbare trekinrichting die het trekkend voertuig verticaal met minder dan 100 kg belast; als autonome aanhangwagen wordt voorts aangemerkt een gekoppelde dolly met een oplegger;
h. bedrijfsauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouw- of bosbouwtrekker een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel q of een vierwielige bromfiets, en
1. ingericht voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, of
2. ingericht voor het vervoer van goederen, of
3. ingericht voor het uitvoeren van andere werkzaamheden, of
4. ingericht als kampeerauto;
in ieder geval wordt als bedrijfsauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als bedrijfsauto is aangeduid;
h1. begrafeniswagen: motorrijtuig, bestemd en speciaal uitgerust voor het vervoer van overledenen;
i. bermlicht: licht, bestemd voor het verlichten van de berm rechts voor het voertuig;
j. [vervallen;]
k. bestuurde as: as die rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;
l. bestuurd asstel: asstel dat rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;
l1: bevestigingspunten: de delen van de voertuigcarrosserie of van de zitplaatsconstructie of andere delen van het voertuig waaraan autogordels moeten worden vastgemaakt;
m. bromfiets:
a. motorrijtuig op twee wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm 3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig;
b. motorrijtuig op drie wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met:
1°. een motor met elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm 3 ,
2°. een motor met inwendige verbranding en een netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1° genoemde motoren, of
3°. een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW; dan wel
c. motorrijtuig op vier wielen, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h en een ledige massa van minder dan 350 kg, de massa van de batterijen in elektrische voertuigen niet inbegrepen, uitgerust met:
In ieder geval wordt als bromfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als bromfiets is aangeduid;
1°. een motor met elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm 3 ,
2°. een motor met inwendige verbranding en een netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1° genoemde motoren, of
3°. een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW.
n. bus: bedrijfsauto, ingericht en blijkens het kentekenbewijs bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen de bestuurderszitplaats niet meegerekend; als bus wordt in ieder geval aangemerkt een bus van één van de volgende categorieën:
klasse I: categorie bussen met een capaciteit van meer dan 22 passagiers, de bestuurder niet meegerekend, gebouwd met ruimte voor staande passagiers, zodat passagiers vaak kunnen in- en uitstappen;
klasse II: categorie bussen met een capaciteit van meer dan 22 personen, de bestuurder niet meegerekend, voornamelijk gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers en ontworpen voor het vervoer van staande passagiers in het gangpad of op een oppervlak dat niet groter is dan de ruimte voor twee dubbele zitplaatsen;
klasse III: categorie bussen met een capaciteit van meer dan 22 personen, de bestuurder niet meegerekend, uitsluitend gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers;
klasse A: categorie bussen met een capaciteit van ten hoogste 22 personen, de bestuurder niet meegerekend, gebouwd voor het vervoer van staande passagiers en tevens voorzien van zitplaatsen;
klasse B: categorie bussen met een capaciteit van ten hoogste 22 personen, de bestuurder niet meegerekend, gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers en zonder voorzieningen voor staande passagiers.
n1. certificaat van overeenstemming: document opgesteld door de fabrikant van een voertuig of van een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel van een voertuig, die houder is van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 70/156/EEG, in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor dat type voertuig of dat type niet-oorpronkelijke technische eenheid of onderdeel, waaruit blijkt dat eerstbedoeld voertuig of niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel overeenstemt met het type waarvoor deze goedkeuring is verleend;
n1a. CNG-installatie: het geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Compressed Natural Gas (CNG);
n2. contourmarkering: opvallende markering die dient om de horizontale en verticale dimensie van een voertuig aan te geven;
n3. dagrijlicht: een licht dat voorwaarts gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het overdag rijden beter zichtbaar te maken.
o. dimlicht: licht waarmee de weg vóór het voertuig wordt verlicht zonder dat hierdoor andere weggebruikers worden verblind of gehinderd;
p. dolly: aanhangwagen, bestemd voor het dragen van de voorzijde van een oplegger dan wel een deel van in de lengte ondeelbare lading;
p1. dubbele verdamper: klimaatregelingssysteem waarin één verdamper in de motorruimte en een andere in een andere ruimte van het voertuig is aangebracht, met dien verstande dat alle overige systemen worden beschouwd als systemen met één verdamper;
q. driewielig motorrijtuig: motorrijtuig op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 45 km/h of uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm 3 , niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouw- of bosbouwtrekker of een gehandicaptenvoertuig; onder driewielig motorrijtuig wordt mede verstaan een vierwielig motorrijtuig met een motor met een netto maximum vermogen van ten hoogste 15 kW, en met een ledige massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer, exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, niet zijnde een vierwielig motorrijtuig als bedoeld in onderdeel m;
q1. EG-goedkeuringsmerk: goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 92/61/EEG of artikel 8 van richtlijn 2002/24/EG;
q2. fabrikant: persoon of organisatie die verantwoordelijk is voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en die instaat voor de overeenstemming van de productie;
q3. frontbeschermingsinrichting: een afzonderlijke constructie die bedoeld is om het buitenoppervlak boven of onder de tot de originele uitrusting van het voertuig behorende bumper bij een botsing met een object te beschermen, met dien verstande dat hieronder niet worden begrepen constructies met een massa van minder dan 0,5 kg die uitsluitend bedoeld zijn ter bescherming van de lichten;
q4. Geconditioneerd voertuig: voertuig waarvan de vaste of mobiele bovenbouw speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur en waarvan de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik zijn;
q5. gedeeltelijke contourmarkering: contourmarkering die de horizontale dimensie van een voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn en de verticale dimensie door middel van een markering van de bovenhoeken;
q6. gefluoreerde broeikasgassen: fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolstoffen (PFK’s) en zwavelhexafluoride (SF6) zoals vermeld in bijlage A bij het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1998-170, 1999-110, 2005-1), en preparaten die deze stoffen bevatten, met uitzondering van stoffen waarvan de controle geschiedt uit hoofde van verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PbEG L 244);
r. gelede bus: bus bestaande uit twee of meer vaste delen die blijvend zijn verbonden door een scharnierende verbinding, waarover de passagiers zich van het ene deel naar het andere kunnen begeven;
s. gestuurde as: as die wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;
t. gestuurd asstel: asstel dat wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;
u. groot licht: licht dat de weg vóór het voertuig over een grote afstand verlicht;
v. handwagen met motorvermogen: motorrijtuig, hoofdzakelijk bestemd om te worden bestuurd door een voetganger;
v1. herbruikbaarheid: mogelijkheid om onderdelen van autowrakken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit beheer autowrakken opnieuw te gebruiken voor hetzelfde doel als waarvoor zij werden ontworpen;
v2. hoeklicht: licht dat wordt gebruikt voor aanvullende verlichting van het deel van de weg dat zich bij de voorhoek bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig gaat draaien;
w. hoofdgroeven: brede groeven in het middelste gedeelte van het loopvlak van een band, welk gedeelte ongeveer drievierde deel van de breedte van het loopvlak inneemt;
x. gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 m en niet is uitgerust met een motor, dan wel waarvan de door de constructie bepaalde maximum snelheid niet meer dan 45 km/h bedraagt indien het voertuig is uitgerust met een motor, en niet zijnde een bromfiets;
x1. inrichting voor indirect zicht: een inrichting om het aan het voertuig grenzende gebied waar te nemen dat niet rechtstreeks kan worden waargenomen, zijnde een spiegel, een camera-monitor of een andere inrichting die de bestuurder informatie over het indirecte gezichtsveld geeft;
y. kampeerauto: personenauto of bedrijfsauto, waarvan de constructie woonaccommodatie bevat die ten minste bestaat uit de volgende uitrusting:
1º. zitplaatsen en een tafel,
2º. slaapaccommodatie die met behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd,
3º. kookgelegenheid en
4º. opbergfaciliteiten,
welke vast in de woonafdeling zijn bevestigd, met dien verstande dat de tafel zodanig mag zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd;
z. kermis- en circusvoertuig: voertuig, niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat wordt gebruikt voor het kermis- of circusbedrijf;
z1: kinderbeveiligingssysteem: een geheel van onderdelen, eventueel bestaande uit een combinatie van riemen of flexibele componenten met een sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen, soms tevens voorzien van een zitje of botsingsscherm, dat kan worden bevestigd aan een motorvoertuig, met het oogmerk de kans op verwonding van de gebruiker bij een botsing of een abrupte vertraging van het voertuig te verminderen doordat het de bewegingsmogelijkheid voor het lichaam van de gebruiker beperkt;
z2: klapstoel: extra zitplaats om bij gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt;
z3. klimaatregelingssysteem: apparatuur die hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te doen dalen;
aa. lading: alle personen, dieren, goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en voertuiguitrustingen, het reservewiel daaronder niet begrepen;
ab. landbouw- of bosbouwtrekker: motorrijtuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens voor de land- of bosbouw, welk motorrijtuig kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders;
ab1. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T1: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van niet minder dan 1150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 1000 mm;
ab2. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T2: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van minder dan 1150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 600 mm, met dien verstande dat wanneer echter de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de landbouw- of bosbouwtrekker – ten opzichte van het wegdek gemeten –, gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van elke as, meer dan 0,90 bedraagt, de door de constructie bepaalde maximumsnelheid beperkt is tot 30 km/h;
ab3. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T3: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;
ab4. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T4: landbouw- of bosbouwtrekker voor speciale doeleinden op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h;
ab5. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T4.2: brede landbouw- of bosbouwtrekker categorie T4 die door zijn grote afmetingen wordt gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd is om grote landbouwarealen te bewerken;
ab6. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T5: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/h;
ac. lastdrager: constructie, met inbegrip van hulpmiddelen, die aan de bumper, op de trekhaak of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of driewielig motorrijtuig is aangebracht en bestemd is voor het vervoer van goederen;
ad. ledige massa: massa van het voertuig, in bedrijfsvaardige staat, met inbegrip van een half gevulde brandstoftank, reservedelen en gereedschappen, die tot de normale uitrusting behoren, maar zonder lading en zonder de bestuurder en andere personen, die met het voertuig worden vervoerd, met dien verstande dat in afwijking hiervan voor motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen, die in gebruik zijn genomen na 16 juni 1999, de ledige massa wordt bepaald met een lege brandstoftank;
ad1. lege massa in rijklare toestand: massa van een rijklare landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van de kantelbeveiligingsinrichting, zonder facultatieve accessoires, maar met koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, outillage en bestuurder;
ad2. lijnmarkering: opvallende markering die dient om de horizontale dimensie van een voertuig aan te geven door middel van een doorlopende lijn;
ae. loopvlak: deel van de band dat gemeten symmetrisch ten opzichte van het midden, 50 mm minder bedraagt dan de breedte in de maataanduiding van de band;
ae1. LPG-installatie: het geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Liquefied Petroleum Gas (LPG);
af. luchtband: band waarin zich in normale, bedrijfsvaardige toestand gas bevindt onder een hogere spanning dan de atmosferische;
ag. markeringslicht: licht dat op het breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt aangegeven;
ah. massa in bedrijfsklare toestand: massa van het voertuig met carrosserie, in bedrijfsklare toestand, met inbegrip van koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, reservewiel, gereedschap en bestuurder; voor het vaststellen van de massa moet de tank voor 90% zijn gevuld en wordt het gewicht van de bestuurder op 75 kg gesteld;
ai. massieve band: band zonder luchtkamers, geheel vervaardigd van een elastisch materiaal;
aj. mechanische koppelinrichting: alle onderdelen en inrichtingen op onderstellen, dragende gedeelten van de carrosserie en het chassis van voertuigen, waarmee het trekkend voertuig en het getrokken voertuig met elkaar kunnen worden verbonden; tevens behoren hiertoe vaste of demontabele onderdelen voor de bevestiging, afstelling of het gebruik van de bovengenoemde koppelinrichtingen;
aj1. meeneemheftruck: motorvoertuig met beperkte snelheid, zonder laadruimte, uitgerust met een hefinrichting waarvan het zwaartepunt van de te heffen last tussen de wielen ligt en dat zelfstandig voor laad- en losactiviteiten kan worden ingezet;
ak. metalen band: band waarvan het loopvlak geheel van vormvast materiaal is vervaardigd;
al. middenasaanhangwagen: aanhangwagen waarvan de trekinrichting een onbeweeglijk deel vormt, dan wel slechts in- en uitschuifbaar is, en waarbij, bij gelijkmatig verdeelde lading, het trekkend voertuig door de trekinrichting van de aanhangwagen met ten hoogste 10% van de toegestane maximum massa van de aanhangwagen wordt belast, met een maximum van 1000 kg;
am. mistlicht aan de achterzijde: licht dat het voertuig bij dichte mist aan de achterzijde beter waarneembaar maakt;
an. mistlicht aan de voorzijde: licht, bestemd voor een betere verlichting van de weg bij mist, sneeuwval, hevige regenval of stofwolken;
an1. mobiliteitshandicap: eigenschap welke het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijkt, bijvoorbeeld als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke handicap, meereizende kinderen of meegevoerde goederen;
an2. mogelijke nuttige toepassing: mogelijkheid om met of ten aanzien van onderdelen of materialen van autowrakken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit beheer autowrakken de toepasselijke handelingen, bedoeld in bijlage IIB van richtlijn 75/442/EEG, te verrichten;
ao. motorfiets: motorrijtuig op twee wielen, met of zonder zijspanwagen, alsmede een motorrijtuig op drie asymmetrisch geplaatste wielen, met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 45 km/h of uitgerust met een verbrandingsmotor met een cylinderinhoud van meer dan 50 cm3, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als motorfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als motorfiets is aangeduid;
ap. motorrijtuig met beperkte snelheid: motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan:
a. motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen en wel ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen;
b. motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen;
ap1. niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel: technische eenheid of onderdeel dat behoort tot een ander type dan waarvan het voertuig bij de goedkeuring oorspronkelijk was voorzien en dat uitsluitend mag worden gebruikt ter vervanging van die oorspronkelijke technische eenheid of dat oorspronkelijke onderdeel;
aq. ondeelbare lading: lading die ten behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico van schade meebrengt en die wegens haar afmetingen of massa niet kan worden vervoerd door een motorrijtuig, aanhangwagen of samenstel van voertuigen dat in alle opzichten aan dit besluit voldoet;
aq1. onderdeel: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de richtlijnen 70/156/EEG, 92/61/EEG, 2002/24/EG of 2003/37/EG moet voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt onafhankelijk van een type voertuig;
aq2. oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel: technische eenheid of onderdeel van het type waarvan het voertuig bij de typegoedkeuring of de uitbreiding daarvan is voorzien;
ar. oplegger: aanhangwagen die is bestemd om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld op zodanige wijze, dat een deel ervan op het motorrijtuig rust en dat een aanzienlijk deel van de massa van de oplegger en van zijn lading door het motorrijtuig wordt gedragen;
ar1. opvallende markering: inrichting die dient om een voertuig van de zij- of achterkant gezien meer zichtbaarheid te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichtbron bevindt;
as. parkeerlicht: licht, bestemd om de aanwezigheid van een geparkeerd voertuig aan te geven;
at. personenauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, een gehandicaptenvoertuig een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel q of een vierwielige bromfiets, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, of een kampeerauto; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als personenauto is aangeduid;
at1. recycleerbaarheid: mogelijkheid om onderdelen of materialen van autowrakken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit beheer autowrakken voor het oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden in een productieproces op te werken, met uitzondering van terugwinning van energie;
at2. referentiemassa: referentiemassa van het voertuig als bedoeld in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Unie van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (PbEG L 236);
au. remlicht: licht, bestemd om weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsrem bedient;
av. retroreflector: inrichting, bestemd om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten bevindt;
aw. richtingaanwijzer: licht, bestemd om andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het voornemen heeft naar links of naar rechts van richting te veranderen;
ax. richtlicht: licht waarvan de lichtbundel naar wens kan worden gericht;
ay. rijdend werktuig: bedrijfsauto of motorrijtuig met beperkte snelheid, ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen;
az. samenstel van voertuigen: trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens;
ba. stadslicht: licht dat, van de voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
ba0. taxi: motorrijtuig, bestemd om te worden gebruikt voor taxivervoer als bedoeld in de Wet Personenvervoer 2000 en dat blijkens het kentekenbewijs is ingericht als taxi;
ba1. technische eenheid: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de richtlijnen 70/156/EEG, 92/61/EEG, 2002/24/EG of 2003/37/EG moet voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt uitsluitend in samenhang met een of meer bepaalde typen voertuigen;
ba2. T100-bus: bus, ten aanzien waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs dan wel uit het kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 km/h;
bb. trekker: bedrijfsauto, voorzien van een koppeling, bestemd voor het voortbewegen van een oplegger;
bb1. verlicht transparant: verlichting op een voertuig dat uitsluitend informatie biedt over de bestemming of het gebruik van het voertuig, dan wel aanwijzingen weergeeft voor het overige wegverkeer;
bb2. vernieuwde banden: banden als bedoeld in ECE-reglement 108 en ECE-reglement 109;
bc. vervangingskatalysator: een katalysator of een samenstel van katalysatoren die bestemd is of zijn om een originele katalysator op een voertuig te vervangen en waarvoor als technische eenheid volgens de definitie in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van richtlijn 70/156/EEG of artikel 2, vijfde lid, van richtlijn 2002/24/EG typegoedkeuring kan worden verleend;
bc1. verwarmingssysteem op brandstof: verwarmingssysteem dat rechtstreeks op vloeibare of gasvormige brandstof werkt en geen gebruik maakt van de door de aandrijfmotor van het voertuig voortgebrachte afvalwarmte;
bd. voertuig: motorrijtuig, aanhangwagen, fiets, zijspanwagen, wagen of andere constructie, niet bestemd om langs spoorstaven te worden voortbewogen; onder een andere constructie wordt niet verstaan een kinderwagen, niet-gemotoriseerde rolstoel, kruiwagen of soortgelijke kleine constructie;
bd1. volledige contourmarkering: contourmarkering die de omtrek van het voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn;
bd2. vooruitkijkspiegel: een spiegel van klasse VI als bedoeld in bijlage I, punt 1.1.1.14 van richtlijn 2003/97/EG;
be. waarschuwingsknipperlicht: gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers, bestemd om aan te geven dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor andere weggebruikers;
bf. wagens: voertuigen, met uitzondering van motorrijtuigen, aanhangwagens, niet-gemotoriseerde gehandicaptenvoertuigen, fietsen en zijspanwagens, doch met inbegrip van handwagens met motorvermogen;
bg. werklicht: licht, bestemd voor het verlichten van een plaats waar werkzaamheden worden verricht;
bh. wet: Wegenverkeerswet 1994 ;
bi. wielbasis:
1. ten aanzien van vóór 1 april 1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste as, van het eerste samenstel van assen of van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart van het laatste samenstel van assen,
2. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen voertuigen, niet zijnde opleggers: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig,
3. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen opleggers: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen de verticale hartlijn van de koppelingspen en het hart van de laatste as;
bj. zelfsturende as: as die wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;
bk. zelfsturend asstel: asstel dat wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;
bl. zijmarkeringslicht: licht dat, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt;
bm. zijspanwagen: voertuig, afneembaar verbonden aan de zijkant van een fiets, bromfiets of motorfiets;
bn. zitbank: een constructie, die plaats biedt aan tenminste twee volwassenen;
bo. zitplaats: constructie die al dan niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig, die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon en die afhankelijk van de richting als volgt wordt aangeduid:
1. naar voren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de voorkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
2. naar achteren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de achterkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
3. zijdelings gerichte zitplaats: zitplaats die, gelet op haar gerichtheid ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig, niet voldoet aan de onderdelen 1 en 2;
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:
a. verordening 3821/85/EEG: verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370).
b. richtlijn 70/156/EEG: richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 24);
b1. richtlijn 70/220/EEG: richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76);
c. richtlijn 70/221/EEG: richtlijn nr. 70/221/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende reservoirs voor vloeibare brandstof en beschermingsinrichtingen aan de achterzijde van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 76);
d. richtlijn 70/222/EEG: richtlijn nr. 70/222/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de plaats en het aanbrengen van de achterste kentekenplaten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 76);
e. richtlijn 70/311/EEG: richtlijn nr. 70/311/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de stuurinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 133);
f. richtlijn 70/387/EEG: richtlijn nr. 70/387/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende deuren van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 176);
g. richtlijn 70/388/EEG: richtlijn nr. 70/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de geluidssignaalinrichting van motorvoertuigen (PbEG L 176);
h. richtlijn 71/127/EEG: richtlijn nr. 71/127/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 maart 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende achteruitkijkspiegels van motorvoertuigen (PbEG L 68);
i. richtlijn 71/320/EEG: richtlijn nr. 71/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 202);
j. richtlijn 72/245/EEG: richtlijn nr. 72/245/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 1972 betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring (elektromagnetische compatibiliteit (PbEG L 152);
k. richtlijn 74/60/EEG: richtlijn nr. 74/60/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1973 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (delen van het interieur met uitzondering van achteruitkijkspiegel(s), plaats van de bedieningsorganen, dak of rol- of schuifdak, rugleuning en achterzijde van de zitplaatsen) (PbEG L 38);
l. richtlijn 74/61/EEG: richtlijn nr. 74/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1973 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de inrichtingen ter beveiliging tegen het gebruik van motorvoertuigen door onbevoegden (PbEG L 38);
l1. richtlijn 74/151/EEG: richtlijn nr. 74/151/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 84);
l2. richtlijn 74/152/EEG: richtlijn nr. 74/152/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en de laadplatforms van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 84);
m. richtlijn 74/297/EEG: richtlijn nr. 74/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (gedrag van de stuurinrichting bij botsingen) (PbEG L 165);
m1. richtlijn 74/346/EEG: richtlijn nr. 74/346/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de achteruitkijkspiegels van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 191);
n. richtlijn 74/408/EEG: richtlijn nr. 74/408/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1974 met betrekking tot de zitplaatsen en de bevestiging en hoofdsteunen daarvan in motorvoertuigen (PbEG L 221);
o. richtlijn 74/483/EEG: richtlijn nr. 74/483/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de naar buiten uitstekende delen van motorvoertuigen (PbEG L 266);
o1. richtlijn 75/321/EEG: richtlijn nr. 75/321/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de stuurinrichting van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 147);
o2. richtlijn 75/322/EEG: richtlijn nr. 75/322/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de onderdrukking van radiostoringen veroorzaakt door motoren met elektrische ontstekingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 147);
o3. richtlijn 75/442/EEG: richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194);
p. richtlijn 75/443/EEG: richtlijn nr. 75/443/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de achteruitrijinrichtingen en de snelheidsmeter van motorvoertuigen (PbEG L 196);
q. richtlijn 76/114/EEG: richtlijn nr. 76/114/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 december 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de voorgeschreven platen en gegevens, en de plaats en wijze waarop zij op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan moeten worden aangebracht (PbEG 1976, L 24);
r. richtlijn 76/115/EEG: richtlijn nr. 76/115/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 december 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende bevestigingspunten voor veiligheidsgordels van motorvoertuigen (PbEG 1976, L 24);
r1. richtlijn 76/432/EEG: richtlijn nr. 76/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 122);
s. richtlijn 76/756/EEG: richtlijn nr. 76/756/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262);
t. richtlijn 76/757/EEG: richtlijn nr. 76/757/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende retroflectoren voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262);
u. richtlijn 76/758/EEG: richtlijn nr. 76/758/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG 27 september 1976, L 262);
v. richtlijn 76/759/EEG: richtlijn nr. 76/759/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende richtingaanwijzers van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262);
w. richtlijn 76/760/EEG: richtlijn nr. 76/760/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de achterkentekenplaatverlichting van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262);
x. richtlijn 76/761/EEG: richtlijn nr. 76/761/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende koplichten van motorvoertuigen voor groot licht en/of dimlicht, alsmede betreffende elektrische gloeilampen voor deze koplichten (PbEG L 262);
y. richtlijn 76/762/EEG: richtlijn nr. 76/762/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende mistlichten voor alsmede lampen daarvan, voor motorvoertuigen (PbEG L 262);
y1. richtlijn 76/763/EEG: richtlijn nr. 76/763/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de zitplaatsen voor meerijders op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 262);
y2. richtlijn 77/311/EEG: richtlijn nr. 77/311/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 maart 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 105);
z. richtlijn 77/389/EEG: richtlijn nr. 77/389/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake sleepinrichtingen voor motorvoertuigen (PbEG L 145);
z1. richtlijn 77/536/EEG: richtlijn nr. 77/536/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 220);
aa. richtlijn 77/538/EEG: richtlijn nr. 77/538/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de mistlichten achter van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 220);
ab. richtlijn 77/539/EEG: richtlijn nr. 77/539/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende achteruitrijlichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 220);
ac. richtlijn 77/540/EEG: richtlijn nr. 77/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende parkeerlichten van motorvoertuigen (PbEG L 220);
ad. richtlijn 77/541/EEG: richtlijn nr. 77/541/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen (PbEG L 220);
ae. richtlijn 77/649/EEG: richtlijn nr. 77/649/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 september 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het zichtveld van de bestuurder van motorvoertuigen (PbEG L 267);
af. richtlijn 78/316/EEG: richtlijn nr. 78/316/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters) (PbEG 1978, L 81);
ag. richtlijn 78/317/EEG: richtlijn nr. 78/317/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen voor het glasoppervlak van motorvoertuigen (PbEG 1978, L 81);
ah. richtlijn 78/318/EEG: richtlijn nr. 78/318/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende ruitewissers en ruitesproeiers van motorvoertuigen (PbEG 1978, L 81);
ai.   richtlijn 78/548/EEG: richtlijn nr. 78/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de verwarming van het interieur van motorvoertuigen (PbEG L 168), naar de tekst zoals deze luidde op 8 mei 2004;
aj. richtlijn 78/549/EEG: richtlijn nr. 78/549/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de wielafschermingen van motorvoertuigen (PbEG L 168);
aj1. richtlijn 78/764/EEG: richtlijn nr. 78/764/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 255);
ak. richtlijn 78/932/EEG: richtlijn nr. 78/932/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende hoofdsteunen van zitplaatsen van motorvoertuigen (PbEG L 325);
ak1. richtlijn 78/933/EEG: richtlijn nr. 78/933/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 325);
ak2. richtlijn 79/532/EEG: richtlijn nr. 79/532/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de onderdeelgoedkeuring van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 145);
ak3. richtlijn 79/533/EEG: richtlijn nr. 79/533/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de sleepinrichting en de achteruitrijinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 145);
ak4. richtlijn 79/622/EEG: richtlijn nr. 79/622/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (statische proeven; PbEG L 179);
ak5. richtlijn 80/720/EEG: richtlijn nr. 80/720/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1980 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de bedieningsruimte, de toegankelijkheid van de cabine alsmede deuren en ramen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 194);
al. richtlijn 80/780/EEG: richtlijn nr. 80/780/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1980 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende achteruitkijkspiegels van tweewielige motorvoertuigen, met of zonder zijspan, en de bevestiging ervan op deze voertuigen (PbEG L 229);
am. richtlijn 80/1268/EEG: richtlijn nr. 80/1268/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de emissie van kooldioxide en het brandstofverbruik van motorvoertuigen (PbEG L 375);
an. richtlijn 80/1269/EEG: richtlijn nr. 80/1269/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het motorvermogen van motorvoertuigen (PbEG L 375);
an1. richtlijn 86/297/EEG: richtlijn nr. 86/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 mei 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende aftakassen en de beveiliging daarvan bij landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 186);
an2. richtlijn 86/298/EEG: richtlijn nr. 86/298/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 mei 1986 betreffende kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde op land- of bosbouwsmalspoortrekkers (PbEG L 186);
an3. richtlijn 86/415/EEG: richtlijn nr. 86/415/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1986 betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 240);
an4. richtlijn 87/402/EEG: richtlijn nr. 87/402/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1987 betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigende kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (PbEG L 220);
an5. richtlijn 89/173/EEG: richtlijn nr. 89/173/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende bepaalde onderdelen en kenmerken van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 67);
ao. richtlijn 89/297/EEG: richtlijn nr. 89/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 april 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de zijdelingse afscherming (zijdelingse beschermingsinrichtingen) bij bepaalde motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 124);
ap. richtlijn 92/6/EEG: richtlijn nr. 92/6/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (PbEG L 57);
aq. richtlijn 92/21/EEG: richtlijn nr. 92/21/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende massa's en afmetingen van motorvoertuigen van categorie M1 (PbEG L 129);
ar. richtlijn 92/22/EEG: richtlijn nr. 92/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende veiligheidsruiten en materialen voor ruiten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 129);
as. richtlijn 92/23/EEG: richtlijn nr. 92/23/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende banden voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan alsmede betreffende de montage ervan (PbEG L 129);
at. richtlijn 92/24/EEG: richtlijn nr. 92/24/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende snelheidsbegrenzers of soortgelijke begrenzingssystemen voor bepaalde categorieën motorvoertuigen (PbEG L 129);
au. richtlijn 92/61/EEG: richtlijn nr. 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 225);
av. richtlijn 92/114/EEG: richtlijn nr. 92/114/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 betreffende de naar buiten uitstekende delen die zich vóór de achterwand van de cabine van motorvoertuigen van categorie N bevinden (PbEG L 409);
aw. richtlijn 93/14/EEG: richtlijn nr. 93/14/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende de reminrichting van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 121);
ax. richtlijn 93/29/EEG: richtlijn nr. 93/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 188);
ay. richtlijn 93/30/EEG: richtlijn nr. 93/30/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende de geluidssignaalinrichting van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 188);
az. richtlijn 93/31/EEG: richtlijn nr. 93/31/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende de standaard van motorvoertuigen op twee wielen (PbEG L 188);
ba. richtlijn 93/32/EEG: richtlijn nr. 93/32/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende het beveiligingssysteem voor passagiers van motorvoertuigen op twee wielen (PbEG L 188);
bb. richtlijn 93/33/EEG: richtlijn nr. 93/33/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende de inrichting ter beveiliging tegen het gebruik door onbevoegden van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 188);
bc. richtlijn 93/34/EEG: richtlijn nr. 93/34/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende de voorgeschreven opschriften op twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 188);
bd. richtlijn 93/92/EEG: richtlijn nr. 93/92/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 oktober 1993 betreffende de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen op twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 311);
be. richtlijn 93/93/EEG: richtlijn nr. 93/93/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 oktober 1993 betreffende de massa's en afmetingen van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 311);
bf. richtlijn 93/94/EEG: richtlijn nr. 93/94/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 oktober 1993 betreffende de plaats van voor de montage van de achterste kentekenplaat van twee- of driewielige motorvoertuigen (P.B. L 311);
bg. richtlijn 94/20/EG: richtlijn nr. 94/20/EG van het Europese Parlement en van de Europese Unie van 30 mei 1994 betreffende mechanische koppelinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens en de bevestiging van die inrichtingen aan deze voertuigen (PbEG L 195);
bh. richtlijn 95/1/EG: richtlijn nr. 95/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 2 februari 1995 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 52);
bi. richtlijn 95/28/EG: richtlijn nr. 95/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 inzake de verbrandingseigenschappen van bij de inwendige constructie van bepaalde categorieën motorvoertuigen gebruikte materialen (PbEG L 281);
bj. richtlijn 96/27/EG: richtlijn nr. 96/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 mei 1996 betreffende de bescherming van de inzittenden van motorvoertuigen bij zijdelingse botsingen en houdende wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 169);
bk. richtlijn 96/79/EG: richtlijn nr. 96/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1996 betreffende de bescherming van de inzittenden van motorvoertuigen bij frontale botsingen en houdende wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG) (PbEG 1997 L 18);
bl. richtlijn 97/24/EG: richtlijn nr. 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226);
bm. richtlijn 97/27/EG: richtlijn nr. 97/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juli 1997 betreffende de massa's en afmetingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 233);
bn. richtlijn 98/14/EG: richtlijn nr. 98/14/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1998 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 91);
bo. richtlijn 98/91/EG: richtlijn nr. 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 1998 betreffende motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 11);
bp. richtlijn 2000/7/EG: richtlijn nr. 2000/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de snelheidsmeter van twee- of driewielige motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 106);
bq. richtlijn 2000/40/EG: richtlijn nr. 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden van motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 203);
br. richtlijn 2001/56/EG: richtlijn 2001/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 inzake de verwarming van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad en tot intrekking van richtlijn 78/548/EEG van de Raad (PbEG L 292);
bs. richtlijn 2001/85/EG: richtlijn nr. 2001/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad en van richtlijn 97/27/EG (PbEG L 42);
bt. richtlijn 2002/24/EG: richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van richtlijn 92/61/EEG (PbEU L 124);
bu. richtlijn 2003/37/EG: richtlijn nr. 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PbEU L 171);
bv. richtlijn 2003/97/EG: richtlijn nr. 2003/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2003 (PbEG L 25) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de typegoedkeuring van inrichtingen voor indirect zicht en van voertuigen met deze inrichtingen, tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG en tot intrekking van Richtlijn 71/127/EEG;
bw. richtlijn 2003/102/EG: richtlijn nr. 2003/102/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 betreffende de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers voor en bij een botsing met een motorvoertuig en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 321);
bx. richtlijn 2005/55/EG: richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake typegoedkeuring van zware bedrijfsvoertuigen en motoren voor wat betreft hun emissies (Euro IV en V)(PbEU L 275);
bx1. richtlijn 2005/64/EG: richtlijn nr. 2005/64/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU L 310);
by. richtlijn 2005/66/EG: richtlijn nr. 2005/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende het gebruik van frontbeschermingsinrichtingen op motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU L 309);
bz. richtlijn nr. 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 (PbEU L 161) betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van de Europese Unie;
ca. richtlijn 2008/2/EG: richtlijn nr. 2008/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 24).
2.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:
a. ECE-reglement 104: VN/ECE-reglement nr. 104 met uniforme eisen betreffende de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens, behorende bij de overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen;
b. ECE-reglement 108: VN/ECE-reglement nr. 108 met uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van de productie van coverbanden voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan;
c. ECE-reglement 109: VN/ECE-reglement nr. 109 met uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van de productie van coverbanden voor bedrijfsvoertuigen en aanhangwagens daarvan.
1.
Voor de vaststelling van afmetingen van voertuigen die bij of krachtens dit besluit zijn voorgeschreven of toegestaan, wordt verstaan onder:
a. as: de horizontale lijn die loodrecht staat op het middenlangsvlak van het voertuig en gaat door het midden van één of meer wielen wanneer deze zich in de stand van rechtuitrijden bevinden;
b. breedte van een voertuig: de horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die evenwijdig lopen aan het middenlangsvlak van het voertuig en gaan door de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten;
c. hoogte van een voertuig: de verticale afstand tussen het wegdek en een horizontaal vlak dat gaat door het hoogst gelegen deel van het voertuig, gemeten op een horizontaal wegdek in de rijstand;
d. lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen: de horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die loodrecht staan op het middenlangsvlak van het voertuig of het samenstel van voertuigen en gaan door de uiterste voor- en achterzijde van het voertuig of het samenstel, gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten; een zonneklep die niet meer dan 0,20 m voor het voorste verticale vlak, zoals is bepaald bij een niet gemonteerde zonneklep, uitsteekt en die met eenvoudige middelen afneembaar is, wordt buiten beschouwing gelaten.
2.
Onverminderd het eerste lid worden bij de vaststelling van de afmetingen van bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, met uitzondering van aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers of achter motorrijtuigen met beperkte snelheid, die krachtens dit besluit zijn voorgeschreven of toegestaan, de door Onze Minister bij ministeriële regeling aan te wijzen delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten.
1.
De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden. Indien van fabriekswege de wielbasis links en rechts verschilt, wordt als wielbasis de gemiddelde waarde aangemerkt.
2.
De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in afdeling 18 van hoofdstuk 5, bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
1.
Voor de bepaling van het aantal wielen wordt een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd, aangemerkt als één wiel.
2.
In afwijking van het eerste lid worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.
1.
Voor de bepaling van het aantal lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die:
a. dezelfde functie vervullen,
b. licht van dezelfde kleur uitstralen, en
c. een verlichtingsinrichting vormen waarvan de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak van de kleinste rechthoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten kan worden beschreven.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid geldt voor lichten waarvoor een goedkeuring als bedoeld in richtlijn 76/756/EEG is vereist, tevens dat een dergelijke combinatie als één enkel licht is goedgekeurd.
3.
Het eerste lid, voorzover dit betrekking heeft op voertuigen die niet vallen onder richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG, en het tweede lid zijn niet van toepassing op groot licht, dimlicht en mistlichten aan de voorzijde.
Artikel 1.6
Met betrekking tot de verlichting moet voor de bepaling van de hoogte boven het wegdek en de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig, worden gemeten de kortste afstand vanaf de rand van het lichtdoorlatende gedeelte.
1.
De vermelding bij of krachtens dit besluit, voorzover daarbij niet anders is aangegeven, van een EEG-richtlijn omvat mede elke in het kader van de Europese Gemeenschappen tot stand gekomen richtlijn tot wijziging van die richtlijn. Het totstandkomen van een dergelijke richtlijn wordt door Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant .
2.
Een wijziging van een richtlijn als bedoeld in het eerste lid, treedt voor de toepassing van dit besluit in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij Onze Minister een eerder tijdstip van inwerkingtreding bepaalt. Indien een wijzigingsrichtlijn of een gewijzigde richtlijn de lidstaten verplicht tot dan wel de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bepalen van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van die wijzigingsrichtlijn respectievelijk gewijzigde richtlijn, wordt deze eveneens door Onze Minister bepaald.
3.
De in het eerste lid bedoelde bekendmaking vermeldt de vindplaats van de wijzigingsrichtlijn, het artikel of artikelonderdeel waarop de wijziging betrekking heeft, alsmede het in het tweede lid bedoelde tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn en in voorkomend geval het tijdstip van de toepassing van het in de desbetreffende bekendmaking daarbij te vermelden deelaspect van de wijzigingsrichtlijn of de gewijzigde richtlijn.
4.
Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de reglementen van de Economische Commissie voor Europa (ECE-Reglementen), met dien verstande dat Onze Minister zorg draagt voor de vertaling van deze gewijzigde reglementen en van de wijze van bekendmaking mededeling doet in de Staatscourant.
Artikel 1.8
Waar in hoofdstuk 3 wordt bepaald dat voertuigen, voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van bestuurders en passagiers moeten voldoen aan het bepaalde in een EEG-richtlijn, mag in plaats daarvan worden voldaan aan voorschriften die door de Raad van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van richtlijn 70/156/EEG als gelijkwaardig zijn erkend en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt.
Artikel 1.9
Indien van een voertuig het identificatienummer, bedoeld in de hoofdstukken 3 en 5, geheel of ten dele onleesbaar is geworden of teniet is gegaan, kan vanwege Onze Minister van Financiën een nieuw identificatienummer als bedoeld in richtlijn 76/114/EEG worden ingeslagen.
1.
Onder de datum waarop een voertuig in gebruik is genomen, wordt in dit besluit verstaan de datum van eerste toelating van het voertuig.
2.
Voor voertuigen waarvoor vóór 1 januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum van eerste toelating is vermeld, wordt als datum van eerste toelating beschouwd de op het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel I van het kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder "bijzonderheden" een bouwjaar is vermeld, wordt als datum van eerste toelating beschouwd 30 juni van dit bouwjaar.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze waarop de in het eerste lid genoemde datum van eerste toelating wordt bepaald.
1.
Het is met ingang van 1 oktober 2002 tot 20 oktober 2007 verboden nieuwe personenauto's die niet vergezeld gaan van een krachtens richtlijn nr. 70/156/EEG verleend certificaat van overeenstemming waaruit blijkt dat ter zake van autogordels en bevestigingssystemen wordt voldaan aan de eisen van richtlijn nr. 77/541/EEG zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 2000/3/EG van de Commissie van 22 februari 2000 (PbEG L 53) tot aanpassing aan de stand van de techniek van richtlijn nr. 77/541/EEG van de Raad betreffende veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, behoudens in geval een beroep wordt gedaan op artikel 8, tweede lid, van richtlijn nr. 70/156/EEG.
2.
Met ingang van 20 oktober 2007 is het verboden nieuwe personenauto’s of bedrijfsauto’s in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor wat betreft de installatie van veiligheidsgordels of beveiligingssystemen niet voldoen aan richtlijn 77/541/EEG en voorzover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s waarvoor krachtens artikel 2.2, eerste lid, onder a, goedkeuring is verleend en die voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen.
1.
Het is tot 9 november 2004 de fabrikant van een motorfiets, een driewielig motorrijtuig, een bromfiets of een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel van deze voertuigen verboden een voertuig, technische eenheid of onderdeel dat is gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn 92/61/EG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, zonder het voertuig, de technische eenheid of het onderdeel vergezeld te doen gaan van een certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel A, van die richtlijn.
2.
Het is met ingang van 9 november 2004 de fabrikant van een motorfiets, een driewielig motorrijtuig, een bromfiets of een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel van deze voertuigen verboden een voertuig, technische eenheid of onderdeel dat is gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn 92/61/EEG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, zonder het voertuig, de technische eenheid of het onderdeel vergezeld te doen gaan van een certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel A, van richtlijn 2002/24/EG.
3.
Het is met ingang van 9 november 2003 de fabrikant van een motorfiets, een driewielig motorrijtuig, een bromfiets of een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel van deze voertuigen verboden een voertuig, technische eenheid of onderdeel dat is gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn 2002/24/EG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, zonder het voertuig, de technische eenheid of het onderdeel vergezeld te doen gaan van een certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel A, van die richtlijn.
4.
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing indien de daar bedoelde technische eenheden of onderdelen zijn voorzien van een EG-goedkeuringsmerk overeenkomstig richtlijn 92/61/EG of richtlijn 2002/24/EG.
5.
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op fietsen met trapondersteuning, voorzien van een elektrische hulpmotor met een continu vermogen van maximaal 0,25 kW waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, en technische eenheden of onderdelen daarvan.
1.
Het is verboden nieuwe bromfietsen te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG.
2.
Het is verboden nieuwe technische eenheden of onderdelen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG.
3.
Het eerste en tweede lid zijn tot 1 december 2003 niet van toepassing op bromfietsen en technische eenheden of onderdelen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen ten aanzien waarvan een nationale typegoedkeuring is verleend.
4.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op fietsen met trapondersteuning, voorzien van een elektrische hulpmotor met een continu vermogen van maximaal 0,25 kW waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, en technische eenheden of onderdelen daarvan.
5.
Het eerste lid is niet van toepassing op bromfietsen ten aanzien waarvan een goedkeuring voor een individueel voertuig als bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994 is verleend of op bromfietsen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h en technische eenheden of onderdelen daarvan voor zover deze bestemd zijn om op deze bromfietsen te worden gemonteerd.
1.
Met ingang van 10 augustus 2003 is het verboden nieuwe bedrijfsauto's, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren indien deze niet voldoen aan de voorschriften van richtlijn 2000/40/EG.
2.
Met ingang van 10 augustus 2003 is het verboden beschermingsinrichtingen aan de voorzijde tegen klemrijden als bedoeld in richtlijn 2000/40/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren als technische eenheid, indien deze niet zijn goedgekeurd overeenkomstig richtlijn 2000/40/EG.
3.
Met ingang van 11 maart 2010 is het verboden nieuwe personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze wat betreft de bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden niet voldoen aan Richtlijn 70/221/EEG.
4.
Met ingang van 11 maart 2010 is het verboden beschermingsinrichtingen tegen klemrijden die bestemd zijn om aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens te worden gemonteerd, als technische eenheden in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet voldoen aan Richtlijn 70/221/EEG.
1.
Met ingang van 4 februari 2005 is het verboden nieuwe personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens die ter zake van banden niet voldoen aan richtlijn nr. 92/23/EEG, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
2.
Met ingang van 1 oktober 2009 is het verboden nieuwe banden, bestemd voor montage op personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens, die niet voldoen aan richtlijn nr. 92/23/EEG, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
3.
In afwijking van het tweede lid is het daarin bedoelde verbod voor banden van de klassen C1d en C1e als bedoeld in bijlage V, punt 2.4 en 4.2.1, van richtlijn nr. 92/23/EEG, van toepassing met ingang van 1 oktober 2010, respectievelijk 1 oktober 2011.
4.
Het is verboden vernieuwde banden, bestemd voor montage op personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens, waarvan het productieproces niet voldoet aan ECE-reglement 108 of 109, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
1.
Het is verboden veiligheidsruiten of materialen voor ruiten, bestemd voor montage op nieuwe personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens, die niet voldoen aan richtlijn 92/22/EEG, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor veiligheidsruiten en materialen voor ruiten:
a. bestemd voor montage op voertuigen waarop richtlijn 70/156/EEG niet van toepassing is of die met betrekking tot dit aspect van de toepassing van deze richtlijn zijn vrijgesteld;
b. die voldoen aan artikel 2, vierde lid van richtlijn nr. 2001/92/EG van de Europese Commissie van 30 oktober 2001 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 92/22/EEG van de Raad betreffende veiligheidsruiten en materialen voor ruiten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 291).
1.
Het is verboden om radarontvangstapparaten die geschikt zijn om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen, in te voeren, te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren.
2.
Het eerste lid geldt niet voor de apparaten die in Nederland worden ingevoerd en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt aangetoond dat de apparaten aansluitend worden uitgevoerd naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen.
1.
Met ingang van 9 mei 2005 is het verboden nieuwe personenauto's te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze zijn voorzien van een verwarmingssysteem dat niet voldoet aan richtlijn 2001/56/EG.
2.
Met ingang van 9 mei 2005 is het verboden verwarmingssystemen op brandstof voor personenauto's, bedrijfsauto's en aanhangwagens te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn 2001/56/EG.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen waarvoor krachtens artikel 2.2 een goedkeuring is verleend en deze voertuigen voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen.
1.
Met ingang van 25 mei 2007 is het verboden nieuwe personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg of nieuwebedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze wat betreft frontbeschermingsinrichtingen niet voldoen aan richtlijn 2005/66/EG, en, voor zover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG.
2.
Met ingang van 25 mei 2007 is het verboden frontbeschermingsinrichtingen die als technische eenheden bestemd zijn voor personenauto’s of bedrijfsauto’s als bedoeld in het eerste lid, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn 2005/66/EG.
3.
Met ingang van 31 december 2012 is het verboden nieuwe personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg en bedrijfsauto’s die van een personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 2500 kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van bijlage I van richtlijn 2003/102/EG.
4.
Met ingang van 1 september 2015 is het verboden nieuwe personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg en bedrijfsauto’s die van een personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 2500 kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan punt 3.2 van bijlage I van richtlijn 2003/102/EG.
1.
Het is met ingang van 1 januari 2005 verboden bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg of bussen te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren, indien de snelheidsbegrenzer of het ingebouwde snelheidsbegrenzingssysteem niet voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/24/EEG.
2.
Het is met ingang van 1 januari 2005 verboden snelheidsbegrenzers of ingebouwde snelheidsbegrenzingssystemen, bestemd voor het gebruik in bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg of in bussen, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren, indien deze niet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/24/EEG.
1.
Met ingang van 26 januari 2007 is het verboden nieuwe bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die ter zake van een inrichting voor indirect zicht niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
2.
Met ingang van 26 januari 2010 is het verboden nieuwe personenauto’s of nieuwe bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die ter zake van een inrichting voor indirect zicht niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
3.
Met ingang van 26 januari 2007 is het verboden nieuwe bussen die ter zake van een inrichting voor indirect zicht niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
4.
Met ingang van 26 januari 2007 is het verboden inrichtingen voor indirect zicht, bestemd voor montage op bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
5.
Met ingang van 26 januari 2010 is het verboden inrichtingen voor indirect zicht, bestemd voor montage op personenauto’s of op bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
6.
Met ingang van 26 januari 2007 is het verboden inrichtingen voor indirect zicht, bestemd voor montage op bussen, die niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren.
7.
Het vijfde en het zesde lid zijn niet van toepassing op inrichtingen voor indirect zicht bestemd voor voertuigen waarvoor krachtens artikel 2.2 een goedkeuring is verleend en welke voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen.
1.
Met ingang van 1 januari 2006, of 1 januari 2007 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft, is het verboden nieuwe bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en met een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van niet meer dan 1305 kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn 80/1268/EEG.
2.
Met ingang van 1 januari 2008, of 1 januari 2009 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft, is het verboden nieuwe bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en met een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van meer dan 1305 kg doch niet meer dan 3500 kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn 80/1268/EEG.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan tweeduizend per jaar wereldwijd en die zijn voorzien van een motortype waarvoor goedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2005/55/EG.
1.
Met ingang van 1 juli 2009 is het verboden nieuwe landbouw- of bosbouwtrekkers in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 2003/37/EG, en niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage III, van die richtlijn.
2.
Met ingang van 1 juli 2009 is het verboden nieuwe systemen, onderdelen of technische eenheden bestemd voor landbouw- of bosbouwtrekkers in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 2003/37/EG.
1.
Met ingang van 1 januari 2009 is het verboden nieuwe personenauto’s, bedrijfsauto’s en aanhangwagens in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor wat betreft elektromagnetische compatibiliteit niet voldoen aan de bijlagen I tot en met X van richtlijn 72/245/EEG, en, voor zover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG.
2.
Met ingang van 1 januari 2009 is het verboden nieuwe systemen, onderdelen en technische eenheden bestemd voor personenauto’s, bedrijfsauto’s en aanhangwagens in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor wat betreft elektromagnetische compatibiliteit niet voldoen aan de bijlagen I tot en met X van richtlijn 72/245/EEG.
3.
Met ingang van 1 juli 2013 is het verboden personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens die met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur zijn uitgerust in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren.
1.
Met ingang van 20 oktober 2007 is het verboden nieuwe personenauto’s of bedrijfsauto’s in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor wat betreft de zitplaatsen en de bevestigingen en hoofdsteunen daarvan, niet voldoen aan richtlijn 74/408/EEG en voorzover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s waarvoor krachtens artikel 2.2, eerste lid, onder a, goedkeuring is verleend en die voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen.
1.
Met ingang van 20 oktober 2007 is het verboden nieuwe personenauto’s of bedrijfsauto’s in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor wat betreft de bevestigingspunten voor veiligheidsgordels niet voldoen aan richtlijn 76/115/EEG en voorzover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s waarvoor krachtens artikel 2.2, eerste lid, onder a, goedkeuring is verleend en die voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen.
Artikel 1a.17
Met ingang van 15 juli 2010 is het verboden nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3500 kg in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing niet voldoen aan richtlijn 2005/64/EG.
Artikel 1a.18
In afwijking van artikel 1a.3, tweede lid, is het met ingang van 1 januari 2009 verboden vervangingskatalysatoren, die bestemd zijn om te worden geïnstalleerd in voertuigen waarvoor typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2002/24/EG, te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type als bedoeld in richtlijn 97/24/EG.
1.
Met ingang van 21 juni 2009 is het verboden nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren indien deze voertuigen wat betreft emissies van het klimaatregelingssysteem niet voldoen aan richtlijn 2006/40/EG en voor zover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG.
2.
Het eerste lid is tot en met 31 december 2016 niet van toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die voor zover daarin is voorzien, vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG en die zijn voorzien van:
a. een klimaatregelingssysteem met één verdamper voorzover de lekkagewaarden als bedoeld in richtlijn 2006/40/EG, voor het klimaatregelingssysteem niet meer dan 40 g gefluoreerde broeikasgassen per jaar bedragen;
b. een klimaatregelingssysteem met twee verdampers voorzover de lekkagewaarden als bedoeld in richtlijn 2006/40/EG, voor het klimaatregelingssysteem niet meer dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen per jaar bedragen.
Artikel 2.1
De in hoofdstuk 3 genoemde categorieën voertuigen, voertuigonderdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers dienen te zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg.
1.
Onze Minister kan bepalen dat goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3 voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen, voor:
a. voertuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG, artikel 15 van richtlijn 2002/24/EG of artikel 9 van richtlijn 2003/37/EG worden vervaardigd;
b. voertuigen waarvoor een goedkeuring voor een individueel voertuig wordt aangevraagd, als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet;
c. voertuigen die zijn vervaardigd voor een speciaal gebruiksdoel.
2.
Voor het verlenen van goedkeuring aan de voertuigen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt artikel 4 van richtlijn 70/156/EEG in acht genomen.
3.
Onze Minister kan bepalen dat voor voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan een of meer van de voorschriften van EG-richtlijnen kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in hoofdstuk 3 gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3 voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen.
4.
Onze Minister kan in de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, nadere eisen stellen waaraan het voertuig moet voldoen.
Artikel 2.3
In afwijking van het bepaalde in artikel 24 van de wet kunnen voertuigen op grond van een reeds verleende goedkeuring nog gedurende een periode van een jaar na het van kracht worden van zwaardere eisen, tot het verkeer op de weg worden toegelaten, mits deze goedkeuring:
a. een ingevolge richtlijn 70/156/EEG verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de voorwaarden, genoemd in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 70/156/EEG, en bijlage XII.B, eerste alinea, onder 1, bij richtlijn 70/156/EEG;
b. een ingevolge richtlijn 2002/24/EG verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 16, eerste lid, van richtlijn 2002/24/EG en bijlage VIII, onder a, bij richtlijn 2002/24/EG.
c. een op basis van nationale eisen verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de door Onze Minister gestelde voorwaarden.
Artikel 2.4
De afdelingen 4, 5 en 6 van hoofdstuk 3 zijn niet van toepassing op:
a. motorrijtuigen met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van ten hoogste 6 km/h;
b. motorrijtuigen die bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd;
c. motorrijtuigen die bestemd zijn voor gebruik door lichamelijk gehandicapten;
d. landbouw- of bosbouwtrekkers en andere motorrijtuigen die bestemd zijn voor de landbouw of daarmee vergelijkbare doeleinden;
e. motorrijtuigen met drie symmetrisch geplaatste wielen, waarvan een wiel aan de voorzijde en twee wielen aan de achterzijde, die voornamelijk zijn ontworpen voor gebruik buiten de wegen en voor vrijetijdsbesteding;
f. onderdelen of technische eenheden van de in de onderdelen a tot en met e bedoelde voertuigen voor zover deze niet bestemd zijn om op motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen gemonteerd te worden;
g. fietsen met trapondersteuning, voorzien van een elektrische hulpmotor met een continu vermogen van maximaal 0,25 kW waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen;
h. onderdelen of technische eenheden van de in onderdeel g bedoelde voertuigen.
1.
Kampeerauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in afdeling 2 met betrekking tot personenauto’s gestelde eisen.
2.
Kampeerauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in afdeling 3 met betrekking tot bedrijfsauto’s gestelde eisen.
1.
Personenauto’s met een verbrandingsmotor, met uitzondering van personenauto’s met een motor die wordt gevoed door al dan niet tot vloeistof verdicht gas, moeten voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in richtlijn 70/156/EEG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen, met uitzondering van de eisen, bedoeld in artikel 3.2.13.
2.
Personenauto’s met een andere dan een verbrandingsmotor moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 92/53/EEG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen, met uitzondering van de eisen, bedoeld in de artikelen 3.2.12, 3.2.13, eerste lid, 3.2.14, 3.2.15 en 3.2.16.
Artikel 3.2.2
Personenauto’s moeten van deugdelijke bouw en inrichting zijn.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/114/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat:
a. voor elke personenauto van hetzelfde merk verschillend is;
b. uit ten minste 3 letters of cijfers bestaat, welke minimaal 7 mm hoog zijn;
c. goed leesbaar op een vast voertuigdeel is ingeslagen.
1.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten voor wat betreft de lengte, de breedte en de hoogte voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/21/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
1.
De toegestane maximum last onder de assen en de toegestane maximum massa van personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/21/EEG.
2.
De last onder de assen van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mag niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last, en
b. 10 000 kg voor een niet-aangedreven as en 11 500 kg voor een aangedreven as.
3.
Op personenauto’s met meer dan twee assen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 is het bepaalde in artikel 3.3.9 van overeenkomstige toepassing.
4.
De toegestane maximum massa van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mag niet meer bedragen dan de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum massa.
1.
De toegestane maximum massa van samenstellen van een personenauto die in gebruik is genomen na 31 december 1995 en een aanhangwagen moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/21/EEG.
2.
De toegestane maximum massa van samenstellen van een personenauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1996 en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan de door de fabrikant van de personenauto voor het samenstel van voertuigen opgegeven toegestane maximum massa.
3.
De toegestane maximum massa van een door een personenauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1996 voort te bewegen aanhangwagen mag niet meer bedragen dan:
a. de daarvoor door de fabrikant van de personenauto opgegeven toegestane maximum massa, en
b. indien het een ongeremde aanhangwagen betreft, niet meer dan 750 kg en niet meer dan:
1°. de helft van de massa in bedrijfsklare toestand van de personenauto indien de personenauto in gebruik wordt genomen na 31 december 1994, of
2°. de helft van de ledige massa van de personenauto, vermeerderd met 50 kg, indien de personenauto in gebruik is genomen voor 1 januari 1995.
1.
Personenauto’s die zijn voorzien van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG.
2.
Van fabrieksmatig in serie vervaardigde complete personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten het brandstofreservoir alsmede de plaats van het originele brandstofreservoir van voertuigen voldoen aan de door de fabrikant van het voertuig gestelde eisen.
3.
Van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, mogen delen van het brandstofreservoir, met inbegrip van bevestigingssteunen en leidingen, in onbelaste toestand van het voertuig niet lager zijn gelegen dan 0,25 m boven het wegdek, tenzij de dragende delen van het chassis of de carrosserie lager zijn gelegen en voldoende bescherming bieden.
1.
Het brandstofsysteem van personenauto’s voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
2.
Personenauto’s die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.2.14
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Artikel 3.2.15
Personenauto’s moeten voor wat betreft geluidproduktie voldoen aan het bepaalde in het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen ( Stb. 1981, 741).
1.
Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het bepaalde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging ( Stb. 1990, 393).
2.
Personenauto’s met een verbrandingsmotor die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten voor wat betreft de wijze van meten van het brandstofverbruik voldoen aan het bepaalde in richtlijn 80/1268/EEG.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een achteruitrij-inrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 75/443/EEG. Met een snelheidsmeter wordt gelijkgesteld een controleapparaat dat voldoet aan het bepaalde in verordening 3821/85/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
3.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden.
1.
Personenauto’s moeten sneller kunnen rijden dan 25 km/h.
2.
Personenauto’s met een verbrandingsmotor als bedoeld in Bijlage I van richtlijn 80/1269/EEGdie in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 moeten voor betreft de wijze van meten van het motorvermogen voldoen aan het bepaalde in deze richtlijn.
1.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van banden die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG.
2.
Indien een personenauto als bedoeld in het eerste lid is voorzien van een reservewiel dat afwijkt van de overige wielen, moeten dat reservewiel en het weggedrag van het voertuig bij gebruikmaking van dat wiel voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG.
3.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 en voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van banden:
a. die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG, of
b. waarvan de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister vastgestelde tabel.
4.
Indien een personenauto als bedoeld in het derde lid is voorzien van een reservewiel dat afwijkt van de overige wielen, moeten dat reservewiel en het weggedrag van het voertuig bij gebruikmaking van dat wiel voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG.
5.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de montage van banden van personenauto’s als bedoeld in het derde lid.
1.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een stuurinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 71/320/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
De deuren, sloten en scharnieren van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG.
2.
Van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1971, moeten de scharnieren van opendraaiende zijdeuren aan de langszijden van het voertuig, met uitzondering van vouwdeuren, aan de voorzijde van de deuren zijn aangebracht. Bij dubbele deuren geldt dit voor de deurvleugel die het eerst wordt geopend. De andere deurvleugel moet kunnen worden vergrendeld.
Artikel 3.2.28
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft het gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/649/EEG.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van ruiten die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
2.
De voorruiten van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een ruitenwisserinstallatie en van een ruitensproeierinstallatie, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/318/EEG.
2.
Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
3.
Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
Artikel 3.2.31
Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van een installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. De bedoelde installatie van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/317/EEG.
1.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 25 januari 2006, voldoen wat inrichtingen voor indirect zicht betreft aan richtlijn 2003/97/EG.
2.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1994 doch voor 26 januari 2006, voldoen wat spiegels betreft aan richtlijn 71/127/EEG.
3.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel.
4.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het vereiste gezichtsveld op de weg niet wordt verkregen. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
5.
Spiegels als bedoeld in het derde en het vierde lid moeten voor wat betreft oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.2.33
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/316/EEG.
1.
Personenauto's, in gebruik genomen na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 2001/56/EG.
2.
Personenauto's, in gebruik genomen na 31 december 1994 doch voor 9 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 78/548/EEG.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 74/60/EEG en 74/297/EEG.
2.
Bij personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, mogen delen van het voertuig waaraan inzittenden zich wanneer zij door een plotselinge vertraging of stilstand van het voertuig naar voren worden geworpen, zouden kunnen stoten, niet zijn uitgevoerd met gevaarlijke scherpe delen of kanten, die het gevaar voor dan wel de ernst van verwondingen zouden kunnen vergroten.
3.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, voldoen terzake van de inrichting, sterkte en bevestiging van zitplaatsen en hoofdsteunen aan de volgende eisen:
a. indien zij in gebruik zijn genomen voor 20 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de naar voren gerichte zitplaatsen en hoofdsteunen daarvan aan de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG;
b. indien zij in gebruik zijn genomen na 19 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de zijdelings gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG en voor wat betreft de naar voren gerichte zitplaatsen en hoofdsteunen daarvan aan de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG.
4.
Bij personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten:
a. de zitplaatsen deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
b. verschuifbare zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld indien deze personenauto’s na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen;
c. verstelbare rugleuningen van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld indien deze personenauto’s na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen;
d. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch zijn vergrendeld indien deze personenauto’s na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen;
5.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1998 moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij zijdelingse botsingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 96/27/EG.
6.
Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1998, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij frontale botsingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 96/79/EG. Op verzoek van de fabrikant wordt deze eis ook toegepast ten aanzien van personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1998 en waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2500 kg of ten aanzien van personenauto’s die na 30 september 1998 in fasen worden gebouwd.
7.
Het bepaalde in het vijfde en het zesde lid is niet van toepassing op in fasen gebouwde personenauto’s die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan is vastgesteld voor kleine series als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG;
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 76/115/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
3.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995, moeten tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in het tweede lid bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
4.
De aanwezigheid van de in het tweede en derde lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, indien degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing te doen zijn.
5.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 77/541/EEG voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
6.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het tweede en derde lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/483/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid moeten uitstekende delen van bedoelde personenauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
4.
Het bepaalde in het tweede en derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
5.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG.
6.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van voorzieningen ter afscherming van de wielen, welke voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/549/EEG.
7.
De wielen van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten doelmatig zijn afgeschermd.
1.
Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 30 september 2005 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG.
2.
Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 31 augustus 2010 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG.
3.
Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die zijn voorzien van een frontbeschermingsinrichting en die in gebruik worden genomen na 24 november 2006, voldoen wat betreft de veiligheid van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers aan richtlijn 2005/66/EG.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die, wat de essentiële aspecten van carrosseriebouw en ontwerp voor de A-stijlen betreft, niet verschillen van voertuigtypen waarvoor voor 1 oktober 2005 een typegoedkeuring is verleend.
Artikel 3.2.38
De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen niet kunnen aanlopen.
Artikel 3.2.39
Personenauto’s moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. De bedoelde mogelijkheid moet voor personenauto"s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/222/EEG.
1.
Het klimaatregelingssysteem van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 20 juni 2008 is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van niet meer dan 150 en voldoet wat betreft emissies aan richtlijn 2006/40/EG.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor personenauto’s die in gebruik worden genomen voor 1 januari 2011 en die zijn voorzien een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, waarbij de lekkagewaarden voor een dergelijk systeem met één verdamper niet meer dan 40 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen en voor een systeem met twee verdampers niet meer dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft retroreflecterende voorzieningen, verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan aan richtlijn 76/756/EEG.
2.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
Artikel 3.2.41
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/759/EEG;
d. zijrichtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 76/759/EEG;
e. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
f. remlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, met dien verstande dat een derde remlicht slechts verplicht is indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2000.
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/760/EEG;
h. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG;
i. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/538/EEG;
j. een achteruitrijlicht dat voldoet aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
k. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
l. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van:
a. mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/762/EEG;
b. parkeerlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/540/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder dan 2,00 m;
c. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
e. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG;
f. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m;
g. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2000;
h. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG;
i. en extra achteruitrijlicht dat voldoet aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
j. twee hoeklichten die voldoen aan richtlijn 76/756/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen bovendien zijn voorzien van:
a. een richtlicht;
b. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
c. werklichten.
3.
Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
1.
Het richtlicht en het bermlicht van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen naar voren niet anders dan wit of geel licht stralen.
2.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
Artikel 3.2.50
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.2.51
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.2.41 en 3.2.46 dan wel krachtens artikel 3.2.40, tweede lid, is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De mechanische koppelinrichting, indien aanwezig, van een personenauto die in gebruik is genomen na 31 december 1995 en de bevestiging daarvan aan het voertuig moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG.
2.
De mechanische koppelinrichting, indien aanwezig, van een personenauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 1996 moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG of behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van de door hem bij de goedkeuring voorgeschreven identificatiekenmerken en zijn bevestigd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de personenauto is voorzien van een kogelkoppeling, moet worden voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die voldoet aan en is gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
2.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien an ten minste een hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder bedragen dan 70 decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet minder dan 93 decibel en niet meer dan 104 decibel, te meten op de door Onze Minister vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van 104 decibel geldt niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
3.
Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers er op attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
4.
Personenauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
Artikel 3.2.55
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van inrichtingen ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke inrichtingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/61/EEG.
Artikel 3.2.56
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de aanwezigheid van een sleepinrichting en de sterkte daarvan voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/389/EEG.
Artikel 3.2.62
Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 14 december 2008 voldoen wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing aan richtlijn 2005/64/EG.
Artikel 3.3.1
Bedrijfsauto’s moeten voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
1.
Een T100-bus voldoet aan de in deze afdeling en aan de ingevolge artikel 28, eerste lid, van de wet gestelde eisen met betrekking tot de toelating tot het verkeer op de weg van bussen, alsmede aan de bij ministeriële regeling voor T100-bussen vastgestelde eisen.
2.
Indien een bus bij keuring door de Dienst Wegverkeer voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen wordt, op verzoek van degene aan wie het kenteken voor de desbetreffende bus is opgegeven, door de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld een aantekening gemaakt op het kentekenbewijs en in het kentekenregister.
Artikel 3.3.2
Bedrijfsauto’s moeten:
a. van deugdelijke bouw en inrichting zijn;
b. voldoen aan de in hoofdstuk 5, afdeling 3, bedoelde permanente eisen.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/114/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat:
a. voor elke bedrijfsauto van hetzelfde merk verschillend is;
b. uit ten minste 3 letters of cijfers bestaat, welke minimaal 7 mm hoog zijn;
c. goed leesbaar op een vast voertuigdeel is ingeslagen.
Artikel 3.3.5
Het hart van de opleggerkoppeling van trekkers mag niet achter de achterste as van het voertuig zijn gelegen.
1.
Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 31 mei 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG.
2.
Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.2 van die richtlijn.
3.
Bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m, met uitzondering van bussen met twee assen die niet langer mogen zijn dan 13,50 m, bussen met meer dan twee assen die niet langer mogen zijn dan 15,00 m en gelede bussen die niet langer mogen zijn dan 18,75 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m, met uitzondering van geconditioneerde voertuigen, die niet breder mogen zijn dan 2,60 m; en
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
4.
Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, moeten rijdend naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.
5.
Rijdende werktuigen mogen niet langer of breder zijn dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is, met een maximum lengte van 20,00 m en een maximum breedte van 3,00 m.
6.
In afwijking van het eerste tot en met het derde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
7.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
Artikel 3.3.8
Onze Minister kan bij ministeriële regeling voor rijdende werktuigen regels vaststellen met betrekking tot de maximum bestreken baan.
1.
De last onder de as of assen van bedrijfsauto’s die na 31 december 1994 in gebruik worden genomen, mag niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last,
b. voor enige as: 10 000 kg voor een niet-aangedreven as en 11 500 kg voor een aangedreven as,
c. voor voertuigen met een asstel met twee niet-aangedreven assen:
1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11 000 kg te zamen,
2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16 000 kg te zamen,
3°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18 000 kg te zamen,
d. voor voertuigen met een asstel met twee assen waarvan 1 of 2 assen zijn aangedreven:
1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11 500 kg te zamen,
2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16 000 kg te zamen,
3°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m:
a. 18 000 kg te zamen,
b. 19 000 kg te zamen indien de aangedreven as is voorzien van banden in dubbele montage alsmede van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering,
c. 19 000 kg te zamen indien beide aangedreven assen zijn voorzien van banden in dubbele montage, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 9500 kg.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de last onder enige as van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan:
a. voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is,
b. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last, en
c. 12 000 kg per as.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de toegestane maximum last onder de as of assen van bedrijfsauto’s die niet in het eerste lid zijn genoemd dan wel die voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen.
1.
De toegestane maximum massa van bedrijfsauto’s alsmede de toegestane maximum massa van samenstellen van bedrijfsauto en aanhangwagen mogen niet meer bedragen dan:
a. 50 000 kg,
b. de door de fabrikant van de bedrijfsauto voor de bedrijfsauto onderscheidenlijk voor het samenstel van voertuigen opgegeven toegestane maximum massa,
c. vijf maal de toegestane maximum last onder de aangedreven as of assen,
d. de ten aanzien van het remsysteem van het trekkend motorrijtuig toegestane maximum massa, en
e. indien de bedrijfsauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, het vermogen van de motor, vastgesteld volgens richtlijn 80/1269/EEG, gedeeld door de factor 3,68 * 10-3kW/kg.
2.
De toegestane maximum massa van een door de bedrijfsauto voort te bewegen aanhangwagen mag niet meer bedragen dan:
a. de daarvoor door de fabrikant van de bedrijfsauto opgegeven toegestane maximum massa,
b. de daarvoor ten aanzien van de sterkte van de koppeling toegestane maximum massa,
c. de daarvoor ten aanzien van de sterkte en de bevestiging van de delen van het chassisraam waaraan de koppeling is bevestigd, toegestane maximum massa,
d. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van het trekkend motorrijtuig toegestane maximum massa,
e. de helft van de ledige massa van de bedrijfsauto met een maximum van 750 kg indien het een ongeremde aanhangwagen betreft, en
f. 3.500 kg indien het trekkende voertuig een bus betreft.
3.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid mag de toegestane maximum massa van een door een bedrijfsauto voort te bewegen geremde middenasaanhangwagen niet meer bedragen dan:
a. 24 000 kg,
b. de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, tenzij deze een toegestane maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg, of de bedrijfsauto als een terreinvoertuig overeenkomstig Bijlage II, deel A, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG kan worden aangemerkt,
c. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, voorzover de bedrijfsauto als een terreinvoertuig overeenkomstig Bijlage II, deel A, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG kan worden aangemerkt, met een maximum van 3 500 kg,
d. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsauto een toegestane maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg.
4.
In afwijking van het tweede lid mag de toegestane maximum massa van een door een bedrijfsauto met een zelfdragende carrosserie en met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3 500 kg voort te bewegen aanhangwagen niet meer bedragen dan de door de fabrikant van de bedrijfsauto opgegeven toegestane maximum massa.
5.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de toegestane maximum massa van een rijdend werktuig alsmede van een samenstel van een rijdend werktuig en een aanhangwagen meer bedragen dan 50 000 kg doch niet meer dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet meer dan 60 000 kg.
6.
Bij bedrijfsauto’s die zodanig zijn ingericht dat buiten de normaal aangedreven as of assen nog een of meer assen kunnen worden aangedreven, worden voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid deze incidenteel aangedreven as of assen als aangedreven as of assen aangemerkt mits de snelheid waarmee met ingeschakelde as of assen mag worden gereden, ten minste 60 km/h bedraagt.
1.
De last onder de bestuurde as of assen van bedrijfsauto’s mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig.
2.
Bussen die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen, moeten met betrekking tot hun stabiliteit voldoen aan het bepaalde in bijlage I van richtlijn 2001/85/EG.
3.
Gelede bussen die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen, moeten met betrekking tot richtingvastheid voldoen aan bijlage I van richtlijn 2001/85/EG.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de stabiliteit en de richtingvastheid als bedoeld in het tweede en derde lid.
1.
Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG.
2.
Van fabrieksmatig in serie vervaardigde complete bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten het brandstofreservoir alsmede de plaats van het originele brandstofreservoir voldoen aan de door de fabrikant van het voertuig gestelde eisen.
3.
Van bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, mogen delen van het brandstofreservoir, met inbegrip van bevestigingssteunen en leidingen, in onbelaste toestand van het voertuig niet lager zijn gelegen dan 0,25 m boven het wegdek, tenzij de dragende delen van het chassis of de carrosserie lager zijn gelegen en voldoende bescherming bieden.
1.
Het brandstofsysteem van bedrijfsauto’s voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
2.
Bedrijfsauto’s die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.3.14
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Artikel 3.3.15
Bedrijfsauto’s moeten voor wat betreft geluidproduktie voldoen aan het bepaalde in het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen ( Stb. 1981, 741).
1.
Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het bepaalde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging ( Stb. 1990, 393).
2.
De volgende bedrijfsauto’s voldoen wat betreft de wijze van meten van het brandstofverbruik aan richtlijn 80/1268/EEG:
a. bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van niet meer dan 1305 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2004, of na 31 december 2005 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft;
b. bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van meer dan 1305 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2006, of na 31 december 2007 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan tweeduizend per jaar wereldwijd en die zijn voorzien van een motortype waarvoor goedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2005/55/EG.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een achteruitrij-inrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 75/443/EEG. Met een snelheidsmeter wordt gelijkgesteld een controleapparaat dat voldoet aan het bepaalde in verordening 3821/85/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
3.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden.
4.
De volgende categorieën motorrijtuigen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/6/EEG en in richtlijn 92/24/EEG:
a. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen;
c. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
d. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen.
5.
In afwijking van het vierde lid mag de snelheidsbegrenzer van een bedrijfsauto of bus, die na 31 december 1987 doch vóór 1 januari 1994 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister goedgekeurde soort.
6.
De in het vierde lid bedoelde verplichting geldt niet voor:
b. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast:
1°. het gebruiksdoel zich verzet tegen het aanbrengen van een snelheidsbegrenzer;
2°. de door de constructie bepaalde maximumsnelheid minder bedraagt dan de in richtlijn 92/6/EEG voor het desbetreffende motorrijtuig voorgeschreven afstelsnelheid;
c. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, door de aanvrager van een kentekenbewijs aannemelijk wordt gemaakt dat het motorrijtuig gebruikt wordt:
1°. door een openbare dienst, uitsluitend binnen de bebouwde kom;
2°. voor wetenschappelijke proefnemingen op de weg.
1.
Bedrijfsauto’s moeten sneller kunnen rijden dan 25 km/h.
2.
Bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor als bedoeld in Bijlage I van richtlijn 80/1269/EEG die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 moeten voor wat betreft de wijze van meten van het motorvermogen voldoen aan het bepaalde in deze richtlijn.
1.
De ashefinrichting van bedrijfsauto's die in gebruik worden genomen na 31 maart 1983 dient, voorzover deze inrichting werkt door het optrekken van de wielen van de bodem of het neerlaten van de wielen op de bodem en de bedrijfsauto is voorzien van een samenstel van assen, zodanig te zijn uitgevoerd dat deze inrichting automatisch buiten werking wordt gesteld niet later dan nadat de aslast van een van de op het rijvlak rustende assen van dat samenstel de grootste voor deze as toegestane waarde heeft bereikt.
2.
In afwijking van het eerste lid mogen bedrijfsauto's die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 zijn voorzien van een ashefinrichting die voldoet aan het bepaalde in Bijlage IV, onderdeel 3, van richtlijn 97/27/EG.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van banden die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG. In afwijking hiervan mogen bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, zijn voorzien van banden waarvan de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister vastgestelde tabel.
2.
Het draagvermogen van de banden moet voldoende zijn voor het door de fabrikant van het voertuig opgegeven draagvermogen van de as waarop zij zijn gemonteerd.
3.
De banden moeten geschikt zijn voor de door de fabrikant van het voertuig opgegeven maximum snelheid die met het voertuig kan worden bereikt bij het door de fabrikant opgegeven draagvermogen.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de montage van banden.
1.
Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
Bedrijfsauto's die zijn voorzien van gasvering, en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een stuurinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 71/320/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
De deuren, sloten en scharnieren van bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 31 december 1994 en bestemd voor het vervoer van goederen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/387/EEG.
2.
Bestuurderscabines van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten indien de cabine door middel van een schot van het overige deel van de carrosserie is gescheiden, zowel aan de linker- als aan de rechterzijde over een uitgang beschikken met zodanige minimumafmetingen dat daarin een ellips kan worden beschreven met een korte as van 0,44 m en een lange as van 0,64 m.
3.
Een van de in het tweede lid genoemde uitgangen mag zijn vervangen door een gelijkwaardige uitgang in het dak of in de achterwand van de cabine.
4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op rijdende werktuigen.
5.
Bussen die in gebruik worden genomen na 12 februari 2004, moeten voorzien zijn van een carrosserie en inrichting welke voldoen aan hetgeen voor de onderscheiden klassen is bepaald in richtlijn 2001/85/EG.
Artikel 3.3.27a
Bussen van klasse I die in gebruik worden genomen na 12 februari 2004 alsmede bussen van een andere klasse dan klasse I die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen en voorzien zijn van technische voorzieningen ter verbetering van de toegankelijkheid voor personen met een mobiliteitshandicap, moeten voldoen aan bijlage VII van richtlijn 2001/85/EG.
Artikel 3.3.28
Bussen moeten voor wat betreft het gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
De ruiten van bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
2.
De voorruiten van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Bedrijfsauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2.
Bedrijfsauto's met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
3.
Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik worden genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
1.
Bedrijfsauto's met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
2.
Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik worden genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
1.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 25 januari 2006, voldoen wat inrichtingen voor indirect zicht betreft aan richtlijn 2003/97/EG.
2.
In afwijking van het eerste lid zijn de bepalingen voor vooruitkijkspiegels van toepassing met ingang van 26 januari 2007.
3.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel.
4.
In afwijking van het derde lid mogen voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel indien met de binnenspiegel het vereiste gezichtsveld op de weg wordt verkregen.
5.
Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, alsmede rijdende werktuigen, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een trottoirspiegel mits deze zodanig op het voertuig kan worden aangebracht dat in elke stand geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is bevestigd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt bij een belasting van het voertuig die overeenkomt met de toegestane maximum massa.
6.
Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, waarvan de linker- of rechterbuitenspiegel niet convex is, en voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg zijn voorzien van een breedtespiegel.
7.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, mogen met inachtneming van richtlijn 71/127/EEG zijn voorzien van meer spiegels dan in de voorgaande leden genoemd.
8.
De spiegels van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1994 doch voor 26 januari 2006, voldoen voor wat betreft constructie, plaatsing, verstelbaarheid, afmetingen en gezichtsveld op de weg aan richtlijn 71/127/EEG.
9.
De spiegels van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 januari 1995, voldoen voor wat betreft oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
10.
In afwijking van het achtste lid mogen bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 14 oktober 2002 doch voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een breedtespiegel die voor wat betreft verstelbaarheid, afmetingen en gezichtsveld voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.3.33
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/316/EEG.
Artikel 3.3.34
Bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 2001/56/EG.
1.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/297/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, voldoen terzake van de inrichting, sterkte en bevestiging van zitplaatsen aan de volgende eisen:
a. indien zij in gebruik zijn genomen voor 20 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de naar voren gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG;
b. indien zij in gebruik zijn genomen na 19 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de zijdelings en de naar voren gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG.
3.
Bedrijfsauto’s bestemd voor het vervoer van goederen en met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1998, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij zijdelingse botsingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 96/27/EG.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 76/115/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995 en die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
3.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995 en die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in het tweede lid bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister vastgestelde eisen.
4.
De aanwezigheid van de in het tweede en derde lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, indien degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing te doen zijn.
5.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 77/541/EEG voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
6.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het tweede en derde lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen die zich vóór de achterwand van de cabine bevinden, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/114/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
4.
Het bepaalde in het tweede en derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
5.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van trekkers, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG. Deze bepaling geldt niet voor voertuigen waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
6.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, met uitzondering van trekkers, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien zij hieromtrent voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. Deze bepaling geldt niet voor voertuigen waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde.
7.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten tussen de achterste vooras en de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG, alsmede achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
8.
In afwijking van het zevende lid moeten bedrijfsauto's met een maximum toegestane massa van meer dan 3 500 kg en die zijn uitgerust met meer dan drie assen ter zake van de zijdelingse afscherming voldoen aan door Onze Minister vastgestelde eisen.
9.
Op bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming tussen de achterste vooras en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEG voor bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12 000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing. Zij moeten voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
10.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1969 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
11.
De in het zevende, achtste, negende en tiende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor trekkers alsmede voor bedrijfsauto’s die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen.
12.
De wielen van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. De wielen van bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd.
13.
Bedrijfsauto's, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2003, moeten zijn voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden die voldoet aan richtlijn 2000/40/EG.
1.
Bedrijfsauto’s die van een personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 30 september 2005 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG.
2.
Bedrijfsauto’s die van een personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 31 augustus 2010 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG.
3.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, die zijn voorzien van een frontbeschermingsinrichting en die in gebruik worden genomen na 24 november 2006, voldoen wat betreft de veiligheid van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers aan richtlijn 2005/66/EG.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die, wat de essentiële aspecten van carrosseriebouw en ontwerp voor de A-stijlen betreft, niet verschillen van voertuigtypen waarvoor voor 1 oktober 2005 een typegoedkeuring is verleend.
Artikel 3.3.38
De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s mogen niet kunnen aanlopen.
Artikel 3.3.39
Bedrijfsauto’s moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. De bedoelde mogelijkheid moet voor bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/222/EEG.
1.
Het klimaatregelingssysteem van bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik worden genomen na 20 juni 2008, is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van niet meer dan 150 en voldoet wat betreft emissies aan richtlijn 2006/40/EG.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik worden genomen voor 1 januari 2011 en die zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, waarbij de lekkagewaarden voor een dergelijk systeem met één verdamper niet meer dan 40 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen en voor een systeem met twee verdampers niet meer dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft retroreflecterende voorzieningen, verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan, aan richtlijn 76/756/EEG.
2.
Het eerste lid is wat betreft retroreflecterende voorzieningen en extra richtingaanwijzers als bedoeld in artikel 30a, van het RVV 1990, niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende striping en de extra richtingaanwijzers, bedoeld in het tweede lid.
4.
In afwijking van het eerste lid moeten gelede bussen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005, aan de achterzijde van het voertuig zijn voorzien van niet-driehoekige dan wel driehoekige rode retroreflectoren.
5.
Indien het als gevolg van de constructie van een rijdend werktuig niet mogelijk is de zijrichtingaanwijzers en de zijretroreflectoren aan te brengen op de ingevolge het bepaalde in het eerste lid voorgeschreven plaats, moeten deze lichten en retroreflectoren zo ver mogelijk naar voren tegen de zijkanten van het voertuig zijn geplaatst met inachtneming van de toegestane maximum hoogte waarop deze lichten en retroreflectoren mogen worden geplaatst.
6.
De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende bij Richtlijn 76/761/EEG.
7.
Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
8.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG;
d. zijrichtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG;
e. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
f. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/760/EEG;
h. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
i. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/538/EEG;
j. achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/539/EEG;
k. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
l. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m; deze bepaling geldt niet voor chassiscabines;
m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
n. een markering aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor trekkers, voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede door Onze Minister aangewezen voertuigen waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, moeten gelede bussen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005, aan de achterzijde van het voertuig zijn voorzien van driehoekige dan wel niet-driehoekige rode retroreflectoren die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG.
3.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, zijn voorzien van een derde remlicht dat voldoet aan de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG.
4.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, niet zijnde bussen, zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
6.
Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig, bedoeld in het vierde lid, mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken.
7.
Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van:
a. mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/762/EEG;
b. parkeerlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/540/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m;
c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG, aangebracht op het breedste punt zo hoog mogelijk aan de achterzijde van het voertuig;
d. herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen deel van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, die voldoen aan het bepaalde in de onder c genoemde richtlijn, met uitzondering van de eisen ten aanzien van de minimum hoogte boven het wegdek;
e. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m of indien het een chassiscabine betreft;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
g. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
h. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m;
i. een richtlicht;
j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
k. werklichten;
l. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG;
m. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG;
n. een markering aan de achterzijde van een trekker, die voldoet aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg;
n. extra achteruitrijlichten die voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
o. hoeklichten die voldoen aan richtlijn 76/756/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
3.
Bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 10 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van:
a. opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, of
b. een lijnmarkering of contourmarkering, die voldoet aan en is aangebracht overeenkomstig ECE-reglement 104, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Supplement 2, van 28 februari 2003, betreffende uniforme eisen voor de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens.
4.
Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 9 juli 2008 mogen zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, voorzover deze niet reeds ingevolge artikel 3.3.41 verplicht zijn.
5.
Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
6.
Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig, bedoeld in het derde of vierde lid, mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken.
7.
Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant.
8.
Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping.
1.
De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
2.
Het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
3.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
Artikel 3.3.50
Bedrijfsauto's mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.3.51
Bedrijfsauto's mogen, onverminderd het in de artikelen 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.3.41 en 3.3.46 dan wel krachtens artikel 3.3.40, vijfde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
1.
Indien de bedrijfsauto in gebruik genomen is na 30 juni 1967 en is voorzien van een mechanische koppelinrichting voor het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting:
a. voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG, of
b. indien de bedrijfsauto voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van de door hem in de goedkeuring voorgeschreven identificatiekenmerken, en zijn bevestigd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel, moet worden voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
2.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg, moet de afstand van het laagste punt van de koppeling van het trekkend voertuig tot het wegdek ten minste een vijfde deel bedragen van de afstand van het laagste punt van die koppeling tot het hart van de achterste as van het trekkend voertuig.
3.
Indien voor het koppelen van voertuigen bijzondere constructies aan de voertuigen worden toegepast, moeten deze constructies voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
2.
Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van ten minste een hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder bedragen dan 70 decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet minder dan 93 decibel en niet meer dan 104 decibel, te meten op door Onze Minister vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van 104 decibel geldt niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
3.
Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers er op attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
4.
Bedrijfsauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
1.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg, met uitzondering van bussen, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van inrichtingen ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke inrichtingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/61/EEG.
2.
Indien bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, zijn voorzien van inrichtingen ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moeten deze inrichtingen voldoen aan richtlijn 74/61/EEG.
Artikel 3.3.56
Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de aanwezigheid van een sleepinrichting en de sterkte daarvan voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/389/EEG.
1.
Bussen
a. met een toegestane maximum massa van meer dan 5000 kg,
b. bestemd voor het vervoer van meer dan 22 passagiers, de bestuurder daaronder niet begrepen,
c. niet bestemd voor het vervoer van staande passagiers,
d. niet bestemd voor vervoer binnen één gemeente, en
e. in gebruik genomen na 25 oktober 1999, moeten voor wat betreft de verbrandingseigenschappen van bij de inwendige constructie gebruikte materialen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/28/EG.
2.
Bussen die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen, moeten voor wat betreft het gebruik van brandbaar materiaal binnen een straal van 100 mm van het uitlaatsysteem of een andere belangrijke warmtebron voldoen aan bijlage I van richtlijn 2001/85/EG.
1.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg die in gebruik worden genomen na 14 december 2008 voldoen wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing aan richtlijn 2005/64/EG.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de voertuigen, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van richtlijn 2005/64/EG.
1.
Motorfietsen moeten tot 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
2.
Motorfietsen moeten met ingang van 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
Artikel 3.4.2
Motorfietsen moeten van deugdelijke bouw en inrichting zijn.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van een constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/34/EEG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van:
a. een identificatienummer dat:
1°. voor elke motorfiets van hetzelfde merk verschillend is;
2°. uit ten minste 3 letters of cijfers bestaat, welke minimaal 5 mm hoog zijn;
3°. goed leesbaar op een vast voertuigdeel is ingeslagen, en
b. een merk of een fabrieksaanduiding.
3.
Motorfietsen die zijn voorzien van een identificatienummer dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/114/EEG voldoen aan het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 3.4.5
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten ter zake van maatregelen tegen het onbevoegd opvoeren voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft afmetingen en massa's voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/93/EEG.
2.
Motorfietsen zonder zijspanwagen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mogen niet breder zijn dan 1,00 m.
3.
Motorfietsen met zijspanwagen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mogen niet breder zijn dan 2,55 m.
Artikel 3.4.9
De toegestane maximum massa van motorfietsen mag niet meer bedragen dan de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum massa.
Artikel 3.4.12
Motorfietsen die zijn voorzien van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.4.13
Het brandstofsysteem van motorfietsen voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
Artikel 3.4.14
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.4.15
Motorfietsen moeten voor wat betreft geluidproductie voldoen aan het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen .
Artikel 3.4.16
Motorfietsen met een verbrandingsmotor die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging .
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 30 juni 2001 moeten zijn voorzien van een snelheidsmeter die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 2000/7/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
Artikel 3.4.18
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten voor wat betreft de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximum snelheid, het maximum koppel en het netto-maximum vermogen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/1/EG.
1.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van luchtbanden die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van banden waarvan de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister vastgestelde tabel, met dien verstande dat in afwijking hiervan motorfietsen met zijspanwagen mogen zijn voorzien van banden die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG, dan wel van banden overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG.
3.
Het draagvermogen van de banden, bedoeld in het tweede lid, moet voldoende zijn voor het door de fabrikant van het voertuig opgegeven draagvermogen van de as waarop de band is gemonteerd.
4.
De banden, bedoeld in het tweede lid, moeten geschikt zijn voor de door de fabrikant opgegeven maximum snelheid die met het voertuig kan worden bereikt bij het door de fabrikant opgegeven draagvermogen.
5.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de montage van de banden, bedoeld in het tweede lid.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 maart 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/14/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 april 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van spiegels die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van:
a. een linkerbuitenspiegel;
b. een rechterbuitenspiegel indien de maximum snelheid van het voertuig 100 km/h of meer bedraagt en het voertuig na 31 december 1994 in gebruik wordt genomen.
3.
De spiegels van motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten voor wat betreft constructie, plaatsing, verstelbaarheid, afmetingen en gezichtsveld op de weg voldoen aan het bepaalde in richtlijn 80/780/EEG.
4.
De linkerbuitenspiegel van motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 1 januari 1995, moet voor wat betreft afmetingen, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
Artikel 3.4.33
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995 moeten voor wat betreft de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/29/EEG.
Artikel 3.4.36
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995 moeten, indien een passagier kan worden vervoerd, zijn voorzien van een riem dan wel een of meer handgrepen voor deze passagier, welke moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/32/EEG.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
3.
De wielen van motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten deugdelijk zijn afgeschermd, overeenkomstig de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/94/EEG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de installatie van verlichting en lichtsignalen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG.
2.
De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3.
Het eerste lid is voor motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn voorzien van grote lichten, dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten, een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat en niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. richtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
d. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
e. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
f. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
g. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, moeten zijn voorzien van:
a. een groot licht en een dimlicht, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
b. richtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
c. een achterlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
d. een remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
e. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
f. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG.
Artikel 3.4.42
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, moeten zijn voorzien van:
a. een achterlicht, aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
b. een niet-driehoekige rode retroreflector, aan de achterzijde aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek, welke retroreflector voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, mogen zijn voorzien van:
a. mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
b. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. waarschuwingsknipperlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
b. een mistlicht aan de voorzijde van het voertuig, dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. een mistlicht aan de achterzijde van het voertuig, dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
d. waarschuwingsknipperlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
e. een of twee parkeerlichten;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
g. een witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, aangebracht op ten minste 0,35 m en ten hoogste 0,90 meter boven het wegdek;
h. een richtlicht;
i. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
j. werklichten.
3.
De motorfietsen, bedoeld in het tweede lid, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets die in gebruik wordt genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht, aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
b. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, aangebracht aan de uiterste buitenzijde van de zijspanwagen op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek; de op de motorfiets aangebrachte richtingaanwijzers aan de zijde van de zijspanwagen mogen dan niet functioneren;
c. een remlicht, aangebracht op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
d. een witte retroreflector aan de voorzijde van de zijspanwagen, aangebracht op ten minste 0,35 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek;
e. ambergele retroreflectoren, aangebracht aan elke zijkant van de zijspanwagen, op ten minste 0,35 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek;
f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen.
2.
Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
1.
Het richtlicht, het bermlicht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
3.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren en naar achteren niet anders dan ambergeel stralen.
4.
Het remlicht mag niet anders dan rood stralen.
Artikel 3.4.50
Motorfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.4.51
Motorfietsen mogen, onverminderd het in de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.4.41, 3.4.42, 3.4.46 en 3.4.47 dan wel krachtens artikel 3.4.40, vijfde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
Artikel 3.4.52
De mechanische koppelinrichting, indien aanwezig, van een motorfiets die in gebruik is genomen na 16 juni 1999 en de bevestiging daarvan aan het voertuig moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
1.
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/30/EEG.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van ten minste een hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder bedragen dan 70 decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet minder dan 93 decibel en niet meer dan 104 decibel, te meten op de door Onze Minister vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van 104 decibel geldt niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
3.
Motorfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de motorfiets of de zijspanwagen te voorkomen, alsmede van een geluidssignaal dat de bestuurder kenbaar maakt dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld.
4.
Motorfietsen mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
Artikel 3.4.55
Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995 moeten zijn voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke inrichting voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/33/EEG.
Artikel 3.4.57
Motorfietsen op twee wielen, die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995 moeten zijn voorzien van een standaard die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/31/EEG.
1.
Driewielige motorrijtuigen moeten tot 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
2.
Driewielige motorrijtuigen moeten met ingang van 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid zijn op driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen vóór 1 november 1995, de in afdeling 3 van dit hoofdstuk gestelde eisen van overeenkomstige toepassing.
4.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het derde lid bedoelde driewielige motorrijtuigen.
Artikel 3.5.2
Driewielige motorrijtuigen moeten van deugdelijke bouw en inrichting zijn.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn voorzien van een constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/34/EEG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van:
a. een identificatienummer dat:
1°. voor elk motorrijtuig van hetzelfde merk verschillend is;
2°. uit ten minste 3 letters of cijfers bestaat, welke minimaal 5 mm hoog zijn;
3°. goed leesbaar op een vast voertuigdeel is ingeslagen, en
b. een merk of een fabrieksaanduiding.
3.
Driewielige motorrijtuigen die voorzien zijn van een identificatienummer dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/114/EEG voldoen aan het bepaalde in het tweede lid.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft afmetingen en massa's voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/93/EEG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
Artikel 3.5.7
De afstand van de voorzijde van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, tot het hart van het stuur mag niet meer bedragen dan 3,50 m.
1.
De last onder enige as van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mag niet meer bedragen dan:
a. 2800 kg, en
b. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last.
2.
De toegestane maximum massa van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mag niet meer bedragen dan:
a. 3500 kg, en
b. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum massa.
1.
De toegestane maximum massa van samenstellen van een driewielig motorrijtuig dat in gebruik is genomen voor 1 november 1995, en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan de door de fabrikant van het driewielig motorrijtuig voor het samenstel van voertuigen opgegeven toegestane maximum massa.
2.
De toegestane maximum massa van een ongeremde aanhangwagen achter een driewielig motorrijtuig dat in gebruik is genomen voor 1 november 1995, mag niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het driewielig motorrijtuig opgegeven toegestane maximum massa van de aanhangwagen,
b. de helft van de ledige massa van dat driewielig motorrijtuig, en
c. 750 kg.
Artikel 3.5.11
De last onder de bestuurde as van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig.
1.
Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, en die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 mogen delen van het brandstofreservoir, met inbegrip van bevestigingssteunen en leidingen, in onbelaste toestand van het voertuig niet lager zijn gelegen dan 0,25 m boven het wegdek, tenzij de dragende delen van het chassis, het frame of de carrosserie lager zijn gelegen en voldoende bescherming bieden.
1.
Het brandstofsysteem van driewielige motorrijtuigen voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
2.
Driewielige motorrijtuigen die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
Artikel 3.5.14
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.5.15
Driewielige motorrijtuigen moeten voor wat betreft geluidproductie voldoen aan het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen .
Artikel 3.5.16
Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging .
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 30 juni 2001 moeten zijn voorzien van een snelheidmeter die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 2000/7/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van een snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
3.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 met een toegestane maximum massa van meer dan 1000 kg, dan wel met een ledige massa van meer dan 400 kg, moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden.
Artikel 3.5.18
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten voor wat betreft de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximum snelheid, het maximum koppel en het netto-maximum vermogen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/1/EG.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van luchtbanden die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 doch na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van banden overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG of van banden die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG, met dien verstande dat in afwijking hiervan driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, mogen zijn voorzien van banden waarvan de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister vastgestelde tabel.
3.
Het draagvermogen van de banden van driewielige motorrijtuigen als bedoeld in het tweede lid moet voldoende zijn voor het door de fabrikant van het voertuig opgegeven draagvermogen van de as waarop zij zijn gemonteerd.
4.
De banden, bedoeld in het tweede lid, moeten geschikt zijn voor de door de fabrikant opgegeven maximum snelheid die met het voertuig kan worden bereikt bij het door de fabrikant opgegeven draagvermogen.
5.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de montage van de banden, bedoeld in het tweede lid.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 maart 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/14/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 april 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
De ruiten van driewielige motorrijtuigen met een carrosserie die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
De ruiten van driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
3.
De voorruiten van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn voorzien van een ruitenwisserinstallatie en van een ruitensproeierinstallatie, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, die in gebruik worden genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999, alsmede driewielige motorrijtuigen met een voorruit, met een ledige massa van meer dan 400 kg, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
3.
Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
1.
Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen met een voorruit en met een gesloten carrosserie, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van spiegels die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. Deze eis geldt niet voor voertuigen:
a. waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg,
b. waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij van zijn zitplaats het achter hem gelegen weggedeelte kan overzien, en
c. die in gebruik zijn genomen vóór 27 november 1975.
3.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een binnenspiegel. Deze eis geldt niet voor voertuigen die voldoen aan de in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde voorwaarden.
4.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de verplichte binnenspiegel het vereiste gezichtsveld op de weg niet wordt verkregen. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
5.
De spiegels van driewielige motorrijtuigen als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid moeten voor wat betreft oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
Artikel 3.5.33
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995, moeten voor wat betreft de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/29/EEG.
1.
Driewielige motorrijtuigen met een carrosserie die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels overeenkomstig de eisen in richtlijn 76/115/EEG.
3.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995 en die zijn ingericht voor het vervoer van personen of die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels. Deze bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de zitplaats van de bestuurder en op naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover die zitplaatsen aan een portier grenzen. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister gestelde eisen.
4.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1995 en die zijn ingericht voor het vervoer van personen of die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten tevens zijn voorzien van bevestigingspunten voor autogordels voor alle andere naar voren gerichte zitplaatsen dan in het derde lid bedoeld. De bevestigingspunten moeten voldoen aan en zijn aangebracht volgens de door Onze Minister gestelde eisen.
5.
De aanwezigheid van de in het derde en vierde lid bedoelde bevestigingspunten is niet verplicht voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, indien degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast van oordeel is dat er in verband met de bouw of inrichting van het voertuig aanleiding bestaat de verplichting niet op het voertuig van toepassing te doen zijn.
6.
Driewielige motorrijtuigen met een carrosserie die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999 moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
7.
Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig de eisen in richtlijn 77/541/EEG voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien.
8.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het derde lid en het vierde lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 1999 mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid moeten uitstekende delen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
4.
Het bepaalde in het tweede en derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
5.
Op driewielige motorrijtuigen met twee wielen aan de achterzijde, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, zijn de eisen in richtlijn 70/221/EEG inzake de bescherming aan de achterzijde van overeenkomstige toepassing.
6.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van voorzieningen ter afscherming van de wielen overeenkomstig de eisen in richtlijn 78/549/EEG.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/94/EEG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995 moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de installatie van verlichting en lichtsignalen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995 moeten voor wat betreft de installatie van verlichting en lichtsignalen voldoen aan het gestelde in artikel 3.5.41, derde lid.
3.
De in de lichtarmaturen van driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
4.
Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
5.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 16 juni 1999, moeten zijn voorzien van grote lichten, dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten, een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat en niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van:
a. grote lichten en dimlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
b. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/758/EEG;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/759/EEG;
d. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/758/EEG;
e. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/758/EEG;
f. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/760/EEG;
g. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, moeten zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
b. twee dimlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 76/761/EEG;
c. twee stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG;
e. twee achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
f. twee remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/760/EEG;
h. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
4.
Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,50 m mogen in afwijking van het bepaalde in het derde lid, onderdelen a, b, c, e, f en h, zijn voorzien van:
a. één groot licht;
b. één dimlicht;
c. één stadslicht;
d. één achterlicht;
e. één remlicht;
f. één niet-driehoekige rode retroreflector.
1.
De in artikel 3.5.41, derde en vierde lid, bedoelde lichten en retroreflectoren moeten, met uitzondering van de kentekenplaatverlichting, niet lager dan 0,35 m en niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2.
De in artikel 3.5.41, derde en vierde lid, bedoelde lichten en retroreflectoren moeten, met uitzondering van de kentekenplaatverlichting, symmetrisch ten opzichte van het midden van het voertuig zijn aangebracht.
3.
De in artikel 3.5.41, derde lid, bedoelde grote lichten, dimlichten, stadslichten en niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten niet verder dan 0,40 m van de zijkanten van het voertuig zijn aangebracht.
4.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, achterlichten, remlichten en niet-driehoekige rode retroreflectoren, bedoeld in artikel 3.5.41, tweede, derde en vierde lid, moeten op een onderlinge afstand van ten minste 0,60 m zijn aangebracht, waarbij de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig niet meer dan 0,40 m mag bedragen.
5.
De in artikel 3.5.41, vierde lid, bedoelde lichten en retroreflector moeten in afwijking van het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid in het midden van het voertuig zijn aangebracht.
1.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn.
2.
De in artikel 3.5.41 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, mogen zijn voorzien van:
a. één of twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
b. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. één of twee achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of richtlijn 77/539/EEG;
d. een niet-driehoekige ambergele retroflector aan de zijkant van het voertuig die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 november 1995, mogen zijn voorzien van:
a. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
b. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
c. parkeerlichten, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m;
d. een of twee achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/539/EEG;
e. een zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig;
f. herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen deel van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG, met uitzondering van de eisen ten aanzien van de minimum hoogte boven het wegdek;
g. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
h. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG;
i. een richtlicht;
j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
k. werklichten.
3.
Driewielige motorrijtuigen als bedoeld in het tweede lid, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
4.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG.
1.
Indien één parkeerlicht is aangebracht, mag dit naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien twee parkeerlichten zijn aangebracht, moet het voorste wit en het achterste rood stralen.
2.
De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3.
Het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
4.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
1.
De mistlichten aan de voorzijde en de parkeerlichten moeten niet lager dan 0,25 m, niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek en niet verder dan 0,40 m van de zijkanten van het voertuig zijn aangebracht.
2.
De mistlichten aan de achterzijde moeten op een afstand van ten minste 0,10 m van het remlicht en niet hoger dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. De mistlichten aan de achterzijde moeten symmetrisch ten opzichte van het midden van het voertuig zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
3.
De witte retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0.40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
Artikel 3.5.50
Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
Artikel 3.5.51
Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.5.41 en 3.5.46 dan wel krachtens artikel 3.5.40, vierde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De mechanische koppelinrichting, indien aanwezig, van een driewielig motorrijtuig dat in gebruik is genomen na 16 juni 1999 en de bevestiging daarvan aan het voertuig moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Indien een driewielig motorrijtuig dat in gebruik is genomen voor 17 juni 1999 is voorzien van een mechanische koppelinrichting voor het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG of aan de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995, moeten zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/30/EEG.
2.
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 juni 1995, moeten zijn voorzien van ten minste een hoorn met vaste toonhoogte dan wel een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns. De geluidssterkte mag voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 oktober 1971 niet minder bedragen dan 70 decibel en niet meer dan 104 decibel, en voor voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 niet minder dan 93 decibel en niet meer dan 104 decibel, te meten op de door Onze Minister vastgestelde wijze. De maximum geluidssterkte van 104 decibel geldt niet voor hoorns die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/388/EEG.
3.
Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
4.
Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.
Artikel 3.5.55
Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995, moeten zijn voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke inrichting voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/33/EEG.
1.
Bromfietsen moeten tot 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
2.
Bromfietsen moeten met ingang van 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
Artikel 3.6.2
Bromfietsen moeten van deugdelijke bouw en inrichting zijn.
Artikel 3.6.3
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/34/EEG.
Artikel 3.6.5
Bromfietsen op twee wielen moeten ter zake van maatregelen tegen het onbevoegd opvoeren voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.6
Bromfietsen moeten voor wat betreft afmetingen en massa's voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/93/EEG.
Artikel 3.6.12
Bromfietsen die zijn voorzien van een brandstofreservoir, niet zijnde een reservoir voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.14
Bromfietsen moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.15
Bromfietsen moeten voor wat betreft geluidproductie voldoen aan het bepaalde in het Besluit geluidproduktie bromfietsen .
Artikel 3.6.16
Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het bepaalde in het Besluit typegoedkeuring bromfietsen luchtverontreiniging .
Artikel 3.6.17
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een snelheidsmeter die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 2000/7/EG.
Artikel 3.6.18
Bromfietsen moeten voor wat betreft de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximum snelheid, het maximum koppel en het netto-maximum vermogen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/1/EG.
Artikel 3.6.23
Bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.26
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/14/EEG.
Artikel 3.6.29
Bromfietsen op drie of vier wielen met een carrosserie moeten zijn voorzien van ruiten die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.30
Bromfietsen op drie of vier wielen met een voorruit moeten zijn voorzien van een ruitenwisserinstallatie en van een ruitensproeierinstallatie, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.31
Bromfietsen op drie of vier wielen met een voorruit en met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.32
Bromfietsen moeten wat betreft spiegels en de montage daarvan voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.33
Bromfietsen moeten voor wat betreft de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/29/EEG.
1.
Bromfietsen op drie of vier wielen met een carrosserie moeten wat betreft bevestigingspunten voor autogordels voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
2.
Bromfietsen op drie of vier wielen met een carrosserie moeten wat betreft autogordels voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3.
Bromfietsen op twee wielen moeten, indien een passagier kan worden vervoerd, zijn voorzien van een riem dan wel een of meer handgrepen voor deze passagier, welke moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/32/EEG.
Artikel 3.6.37
Bromfietsen op twee wielen zonder carrosserie en bromfietsen op drie of vier wielen moeten voor wat betreft de naar buiten uitstekende delen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.39
Bromfietsen moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/94/EEG.
Artikel 3.6.40
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG.
Artikel 3.6.41
Bromfietsen moeten dan wel mogen zijn voorzien van grote lichten, dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten en niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig overeenkomstig het bepaalde in richtlijnen 93/92/EEG en 97/24/EG.
Artikel 3.6.52
De mechanische koppelinrichting, indien aanwezig, van een bromfiets en de bevestiging daarvan aan het voertuig moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.6.54
Bromfietsen moeten zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/30/EEG, dan wel van een goed werkende bel indien het een bromfiets betreft met een motorvermogen van niet meer dan 0,5 kW en met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van niet meer dan 25 km/h.
Artikel 3.6.55
Indien een bromfiets is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke inrichting werkt op de stuurinrichting of op de overbrenging, moet deze inrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/33/EEG.
Artikel 3.6.57
Bromfietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van een standaard die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/31/EEG.
Artikel 3.7.1
Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg moeten voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen.
Artikel 3.7.2
Aanhangwagens moeten:
a. van deugdelijke bouw en inrichting zijn;
b. voldoen aan de in hoofdstuk 5, afdeling 12, bedoelde permanente eisen.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een constructieplaat en een identificatienummer, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/114/EEG.
2.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat:
a. voor elke aanhangwagen van hetzelfde merk verschillend is;
b. uit ten minste 3 letters of cijfers bestaat, welke minimaal 7 mm hoog zijn;
c. goed leesbaar op een vast voertuigdeel is ingeslagen.
Artikel 3.7.4
Op elk onderdeel dat tot een goedgekeurd type behoort, moeten de in de typegoedkeuring daarvan genoemde kenmerken gemakkelijk zichtbaar en duidelijk leesbaar aanwezig zijn.
Artikel 3.7.5
Onze Minister kan voor middenasaanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg regels vaststellen voor wat betreft het asstel, de soort koppeling, de dynamische verticale last onder de koppeling en de afstand van het hart van de koppeling tot het hart van het asstel.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 mei 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG.
2.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.1.2.
3.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen:
a. niet breder zijn dan 2,55 m, met uitzondering van geconditioneerde voertuigen die niet breder mogen zijn dan 2,60 m; en
b. niet hoger zijn dan 4,00 m.
4.
Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen niet langer zijn dan 12,00 m.
5.
Van opleggers die na 31 december 1994 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m.
6.
Van opleggers die na 31 december 1994 maar voor 22 juli 1999 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m.
7.
Van opleggers die voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt.
8.
Van aanhangwagens, met uitzondering van kermis- of circusvoertuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, mag bij het inrijden en vervolgens doorrijden van een cirkel met een straal van 12,50 m, waarbij het inrijden van de cirkel geschiedt met de buitenzijde van het samenstel van voertuigen langs de binnenzijde van de raaklijn aan de cirkel, en het doorrijden van de cirkel geschiedt over een hoek van 360 graden met de voorzijde van het samenstel van voertuigen langs de binnenzijde van de cirkel, de uitscheermaat van het samenstel van voertuigen niet meer dan 0,80 m bedragen en de bestreken baan niet meer dan 7,20 m bedragen. Deze bepaling geldt niet voor opleggers die voor 1 april 1983 in gebruik zijn genomen, waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt en die worden gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading.
9.
Het eerste en het tweede lid zijn voor wat betreft wendbaarheid niet van toepassing op kermis- of circusvoertuigen.
10.
In afwijking van het bepaalde in het vierde lid mogen:
a. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m, indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2 500 kg maar niet meer dan 3 500 kg;
b. middenasaanhangwagens die voor 1 juli 1967 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m.
11.
In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
12.
In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en zesde lid mag voor een kermis- of circusvoertuig de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.
13.
Bij de vaststelling van de afstand, bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid, worden markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten.
14.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
1.
Bij middenasaanhangwagens mag de last onder de koppeling:
a. alleen in neerwaartse richting zijn gericht;
b. niet meer bedragen dan de door de fabrikant van de aanhangwagen opgegeven toegestane maximum last onder de koppeling;
c. niet meer bedragen dan 10,0% van de toegestane maximum massa van de aanhangwagen en niet meer dan 1000 kg;
d. niet minder bedragen dan 1,0% van de toegestane maximum massa van de aanhangwagen, doch de last behoeft niet meer te bedragen dan 50 kg.
2.
De last onder de as of assen van aanhangwagens die na 31 december 1994 in gebruik worden genomen, mag niet meer bedragen dan:
a. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last,
b. voor enige as, 10 000 kg,
c. voor aanhangwagens met een asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen, indien de onderlinge afstand tussen de assen:
1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 11 000 kg te zamen,
2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16 000 kg te zamen,
3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18 000 kg te zamen,
d. voor aanhangwagens met een asstel met meer dan twee achter elkaar gelegen assen:
1°. indien de afstand tot de dichtstbij zijnde naastgelegen as van dat asstel minder bedraagt dan 1,30 m, 7 000 kg per as;
2°. indien de afstand tot de dichtstbij zijnde naastgelegen as van dat asstel 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8 000 kg per as, dan wel 9 000 kg per as indien het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering,
e. voor aanhangwagens met twee in elkaars verlengde gelegen enkele assen, 13 000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6500 kg,
f. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee in elkaars verlengde gelegen enkele assen, 16 000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8000 kg,
g. voor aanhangwagens met twee achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder e , waarbij de onderlinge afstand tussen de aslijnen:
1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 13 000 kg te zamen,
2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 17 000 kg te zamen,
3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 21 000 kg te zamen,
waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6 500 kg,
h. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder e , waarbij de onderlinge afstand tussen de aslijnen:
1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 16 000 kg te zamen,
2°. 1,00 m of meer bedraagt, 12 000 kg vermenigvuldigd met het aantal aslijnen,
waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8 000 kg,
i. voor aanhangwagens met meer dan twee achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder e , waarbij de onderlinge afstand tussen de aslijnen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal aslijnen vermenigvuldigd met 13 000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6500 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering,
j. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder e , waarbij de onderlinge afstand tussen de aslijnen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal aslijnen vermenigvuldigd met 16 000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8000 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de toegestane maximum last onder de as of assen van aanhangwagens die niet in het tweede lid zijn genoemd dan wel die voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen.
4.
De toegestane maximum massa van middenasaanhangwagens mag niet meer bedragen dan 12 000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering, mag de toegestane maximum massa niet meer bedragen dan:
a. 20 000 kg, of
b. 24 000 kg indien de middenasaanhangwagen is voorzien van drie assen.
1.
Van een meervoudige asconstructie van een aanhangwagen die in gebruik wordt genomen na 30 september 1974, mogen niet meer dan drie assen star zijn uitgevoerd, waarbij de afstand tussen de twee uiterste starre assen niet meer mag bedragen dan 2,80 m.
2.
Van een meervoudige asconstructie van een aanhangwagen die in gebruik is genomen na 30 september 1974 doch voor 1 januari 1995, mogen een of meer assen zelfsturend zijn uitgevoerd mits de toegestane maximum last onder de zelfsturende assen niet meer bedraagt dan 45,0% van de toegestane maximum last onder de meervoudige asconstructie.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een starre as verstaan een as waarvan de wielen niet gestuurd of zelfsturend zijn.
1.
De ashefinrichting van aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 maart 1983 dient, voorzover deze inrichting werkt door het optrekken van de wielen van de bodem of het neerlaten van de wielen op de bodem en de aanhangwagen is voorzien van een samenstel van assen, zodanig te zijn uitgevoerd dat deze inrichting automatisch buiten werking wordt gesteld niet later dan nadat de aslast van een van de op het rijvlak rustende assen van dat samenstel de grootste voor deze as toegestane waarde heeft bereikt.
2.
In afwijking van het eerste lid mogen aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 zijn voorzien van een ashefinrichting die voldoet aan het bepaalde in Bijlage IV, onderdeel 3, van richtlijn 97/27/EG.
1.
Assen van aanhangwagens moeten door de fabrikant van de as zijn voorzien van:
a. een merk- of fabrieksaanduiding;
b. een typeaanduiding;
c. een opgave van de maximale technisch toelaatbare aslast.
2.
De door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum aslast mag niet meer bedragen dan de opgave, bedoeld in onderdeel c van het eerste lid.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van banden die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/23/EEG. In afwijking hiervan mogen aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, zijn voorzien van banden waarvan de technische gegevens zijn opgenomen in een door Onze Minister vastgestelde tabel.
2.
Het draagvermogen van de banden moet voldoende zijn voor het door de fabrikant van het voertuig opgegeven draagvermogen van de as waarop zij zijn gemonteerd, bij een snelheid van 100 km/h.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de montage van banden.
1.
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers.
1.
Aanhangwagens die in gebruik genomen worden na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de stuurinrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/311/EEG.
2.
De stuurinrichting van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moet deugdelijk zijn.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de reminrichting voldoen aan het bepaalde in richtlijn 71/320/EEG.
2.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een reminrichting die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.7.29
De ruiten van aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.
Artikel 3.7.34
Aanhangwagens, in gebruik genomen na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 2001/56/EG.
1.
Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
5.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten voor wat betreft de bescherming aan de achterzijde, behoudens indien zij hieromtrent voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/221/EEG, voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens waarvan het gebruik zich naar het oordeel van degene die met de afgifte van kentekenbewijzen is belast, verzet tegen de aanwezigheid van een beschermingsinrichting aan de achterzijde, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
6.
Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten tussen de achterste vooras of de koppelingspen indien het een oplegger betreft, en de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG, alsmede achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
7.
Op aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, is ten aanzien van de zijdelingse afscherming tussen de achterste vooras of de koppelingspen indien het een oplegger betreft en de voorste achteras het in richtlijn 89/297/EEG voor aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 10 000 kg bepaalde van overeenkomstige toepassing. Zij moeten voorts achter de voorste achteras zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
8.
Onverminderd het bepaalde in het zesde en zevende lid moeten middenasaanhangwagens voor de voorste as zijn voorzien van zijdelingse afscherming die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
9.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1969 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
10.
De in het zesde, zevende, achtste en negende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor aanhangwagens die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen, alsmede voor aanhangwagens die speciaal zijn gebouwd voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading.
11.
De wielen van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. De wielen van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd.
Artikel 3.7.38
De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens mogen niet kunnen aanlopen.
1.
Aanhangwagens die in gebruik genomen worden na 31 december 1994, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 70/222/EEG.
2.
Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat.
1.
Aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft retroreflecterende voorzieningen, verlichting en lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan aan richtlijn 76/756/EEG.
2.
Het eerste lid is wat retroreflecterende voorzieningen betreft niet van toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende voorzieningen bedoeld in het tweede lid.
4.
De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende bij Richtlijn 76/761/EEG.
5.
Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen.
6.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van:
a. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,60 m;
b. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG;
c. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
d. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG;
e. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/760/EEG;
f. driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
g. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/538/EEG;
h. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
j. markeringslichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
k. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m;
l. een markering aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor door Onze Minister aangewezen aanhangwagens waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering;
m. achteruitrijlichten die voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG.
2.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
4.
Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig als bedoeld in het tweede lid, mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken.
5.
Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant.
1.
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van:
a. extra achteruitrijlichten die voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG;
b. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG, aangebracht op het breedste punt zo hoog mogelijk aan de achterzijde van het voertuig;
c. herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen deel van de zich aan de zijof achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, die voldoen aan het bepaalde in de onder b genoemde richtlijn, met uitzondering van de eisen ten aanzien van de minimum hoogte boven het wegdek;
d. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m;
e. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
f. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die zijn opgenomen in het lamphuis van andere lichten en die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG;
g. werklichten;
h. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG.
2.
Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode niet-driehoekige aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen.
3.
Aanhangwagens in gebruik genomen voor 10 juli 2008 mogen zijn voorzien van:
a. opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, of
b. een lijnmarkering of contourmarkering die voldoet aan en is aangebracht overeenkomstig ECE-reglement 104, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Supplement 2, van 28 februari 2003, betreffende uniforme eisen voor de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens.
4.
Aanhangwagens in gebruik genomen na 9 juli 2008 mogen zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, voorzover deze niet reeds ingevolge artikel 3.7.41 verplicht zijn.
5.
Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
6.
Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig als bedoeld in het derde of vierde lid mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken.
7.
Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant.
8.
Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping.
9.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende striping, bedoeld in het achtste lid.
Artikel 3.7.48
Het derde remlicht mag slechts rood stralen.
Artikel 3.7.51
Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.7.41 en 3.7.46 dan wel krachtens artikel 3.7.40, vierde lid, is voorgeschreven of toegestaan.
1.
De mechanische koppelinrichting van aanhangwagens in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet:
a. voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG, of
b. indien de aanhangwagen voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van de door hem in de goedkeuring voorgeschreven identificatiekenmerken,en zijn bevestigd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de oplegger is voorzien van een stuurwig, moet worden voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
2.
Middenasaanhangwagens waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 1500 kg en die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling.
3.
Indien voor het koppelen van voertuigen bijzondere constructies worden toegepast, moeten deze constructies voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen.
Artikel 3.7.53
Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken.
Artikel 3.7.54
Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 1 januari 1996, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG.
Artikel 3.8.1
Onze Minister stelt de eisen vast waaraan:
a. achterlichten voor fietsen en aanhangwagens achter fietsen,
b. niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens,
c. witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen,
d. ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen, en
e. rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek voor motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers, de daardoor voortbewogen aanhangwagens, alsmede wagens,
moeten voldoen.
Artikel 3.8.2
Uitlaatsystemen voor motorrijtuigen moeten voldoen aan het bepaalde in het Besluit uitlaatsystemen motorvoertuigen en bromfietsen ( Stb. 1985, 474).
1.
Mechanische koppelinrichtingen voor het koppelen van een aanhangwagen aan een personenauto of een bedrijfsauto moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG.
2.
Mechanische koppelinrichtingen voor het koppelen van een aanhangwagen aan een motorfiets, driewielig motorrijtuig of een bromfiets moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
3.
Luchtbanden voor motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
4.
Verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen voor motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
5.
Achteruitkijkspiegels voor motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
6.
Brandstoftanks voor motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
7.
Autogordels voor driewielige motorrijtuigen en bromfietsen op drie of vier wielen moeten, indien deze zijn voorzien van een gesloten carrosserie, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
8.
Ruiten, ruitenwissers, ruitensproeiers en ontdooiings- en ontwaseminrichtingen voor driewielige motorrijtuigen en bromfietsen op drie of vier wielen moeten, indien deze zijn voorzien van een voorruit en een gesloten carrosserie, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.8.4
Helmen voor bestuurders en passagiers van bromfietsen, motorfietsen en driewielige motorrijtuigen voldoen aan het bepaalde in het Warenwetbesluit motor- en bromfietshelmen .
1.
Beschermingsinrichtingen aan de voorzijde tegen klemrijden als bedoeld in artikel 3.3.37, dertiende lid, moeten voldoen aan richtlijn 2000/40/EG.
2.
Beschermingsinrichtingen tegen klemrijden die bestemd zijn om aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens te worden gemonteerd, waarvoor als technische eenheden een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen met ingang van 11 september 2007 aan Richtlijn 70/221/EEG.
1.
Materiaal dat bestemd is voor gebruik als opvallende markering of voor gebruik als retroreflecterend cijfer, of retroreflecterende letter of afbeelding, voldoet aan ECE-reglement 104.
2.
Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant.
Artikel 3.8.8
Banden bestemd voor montage op personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens moeten voldoen aan richtlijn nr. 92/23/EEG.
Artikel 3.8.9
Veiligheidsruiten of materialen voor ruiten, bestemd voor montage op personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens, moeten voldoen aan richtlijn nr. 92/22/EEG.
1.
De carrosserie van een bus van klasse I, II, III, A en B die in gebruik wordt genomen na 12 februari 2004, moet voldoen aan richtlijn 2001/85/EG.
2.
De carrosserie van een bus van klasse I, II, III, A en B die in gebruik wordt genomen na 12 februari 2004 en voorzien is van technische voorzieningen ter verbetering van de toegankelijkheid voor personen met een mobiliteitshandicap, moet voldoen aan bijlage VII van richtlijn 2001/85/EG.
1.
Een vervangingskatalysator bestemd om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 70/156/EEG, moet voldoen aan richtlijn 70/220/EEG.
2.
Een vervangingskatalysator bestemd om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2002/24/EG, moet voldoen aan richtlijn 97/24/EG.
Artikel 3.8.12
Verwarmingssystemen op brandstof voor personenauto's, bedrijfsauto's en aanhangwagens, voldoen aan richtlijn 2001/56/EG.
Artikel 3.8.13
Een snelheidsbegrenzer of ingebouwd snelheidsbegrenzingssysteem als bedoeld in artikel 1 van richtlijn 92/24/EEG, voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/24/EEG.
1.
Inrichtingen voor indirect zicht voor personenauto’s en bedrijfsauto’s voldoen met ingang van 26 januari 2006 aan richtlijn 2003/97/EG.
2.
In afwijking van het eerste lid voldoen vooruitkijkspiegels voor personenauto’s en bedrijfsauto’s met ingang van 26 januari 2007 aan richtlijn 2003/97/EG.
3.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een spiegel, bestemd om als vervangingsonderdeel te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 71/127/EEG.
Artikel 3.8.15
De systemen, onderdelen en technische eenheden, bedoeld in Bijlage II, hoofdstuk B, deel I, van richtlijn 2003/37/EG, waarvoor een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen aan het bepaalde in de op grond van Bijlage II, hoofdstuk B, deel I, van richtlijn 2003/37/EG bij het desbetreffende systeem, het onderdeel of de technische eenheid behorende bijzondere richtlijn.
Artikel 3.8.16
Systemen, onderdelen en technische eenheden bestemd voor personenauto’s, bedrijfsauto’s en aanhangwagens waarvoor een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen voor wat betreft elektromagnetische compatibiliteit aan de bijlagen I tot en met X van richtlijn 72/245/EEG.
Artikel 3.8.17
Frontbeschermingsinrichtingen bestemd voor personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg of bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, waarvoor als technische eenheden een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen met ingang van 25 november 2006 wat betreft de veiligheid van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers aan richtlijn 2005/66/EG.
Artikel 3.9
Voertuigen van de categorieën N en O als omschreven in artikel 2 en Bijlage II van Richtlijn 70/156/EEG, bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen, moeten, onverminderd de overige bepalingen van dit hoofdstuk, tevens voldoen aan de bepalingen van Richtlijn nr. 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 1998 betreffende motorvoertuigen en aanhangers daarvan bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en tot wijziging van Richtlijn nr.70/156/EEG betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangers daarvan.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2 en T3 voldoen met ingang van 1 juli 2005 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van richtlijn 2003/37/EG voor toelating tot het verkeer op de weg aan de in deze afdeling vermelde eisen.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorie T4.2 voldoen met ingang van 1 januari 2008 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg aan de in deze afdeling vermelde eisen.
3.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorie T5 voldoen met ingang van 1 juli 2005 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg aan de in deze afdeling vermelde eisen.
4.
Met een typegoedkeuring, bedoeld in het tweede of derde lid, wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Artikel 3.10.2
Landbouw- of bosbouwtrekkers zijn van deugdelijke bouw en inrichting.
Artikel 3.10.3
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de voorgeschreven platen aan richtlijn 89/173/EEG.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen wat betreft de afmetingen aan richtlijn 89/173/EEG.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorie T4.2:
a. voldoen wat betreft de lengte en de hoogte aan richtlijn 89/173/EEG;
b. zijn niet breder dan 3,00 m.
Artikel 3.10.9
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de massa in volbelaste toestand aan richtlijn 74/151/EEG.
Artikel 3.10.10
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de maximaal getrokken massa aan richtlijn 89/173/EEG.
Artikel 3.10.12
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft reservoirs voor vloeibare brandstof aan richtlijn 74/151/EEG.
Artikel 3.10.14
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de elektromagnetische compatibiliteit aan richtlijn 75/322/EEG.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de externe geluidsniveaus aan richtlijn 74/151/EEG.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de interne geluidsniveaus aan richtlijn 77/311/EEG.
Artikel 3.10.16
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes aan het Besluit typekeuring luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines .
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de achteruitrijinrichtingen aan richtlijn 79/533/EEG.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 die zijn voorzien van een snelheidsregulateur voldoen voor wat betreft deze snelheidsregulateur aan richtlijn 89/173/EEG.
Artikel 3.10.18
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T4.2 voldoen voor wat betreft de maximumsnelheid aan richtlijn 74/152/EEG.
Artikel 3.10.25
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de stuurinrichting aan richtlijn 75/321/EEG.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de reminrichting aan richtlijn 76/432/EEG.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de remverbinding met getrokken voertuigen aan richtlijn 89/173/EEG.
Artikel 3.10.27
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de bedieningsruimte en toegankelijkheid van de cabine aan richtlijn 80/720/EEG.
Artikel 3.10.28
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft het zichtveld aan richtlijn 2008/2/EG.
Artikel 3.10.29
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de ruiten aan richtlijn 89/173/EEG.
Artikel 3.10.30
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de ruitenwissers aan richtlijn 2008/2/EG.
Artikel 3.10.32
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de achteruitkijkspiegels aan richtlijn 74/346/EEG.
Artikel 3.10.33
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de installatie van bedieningsorganen aan richtlijn 86/415/EEG.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de zitplaats van de bestuurder aan richtlijn 78/764/EEG.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft zitplaatsen voor meerijders aan richtlijn 76/763/EEG.
3.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de kantelbeveiliging aan richtlijn 77/536/EEG en richtlijn 79/622/EEG.
4.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T2 en T5 voldoen voor wat betreft de kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde aan richtlijn 86/298/EEG.
5.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T2 en T5 voldoen voor wat betreft de kantelbeveiligingsinrichtingen aan de voorzijde aan richtlijn 87/402/EEG.
Artikel 3.10.36
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de bevestigingspunten van de veiligheidsgordels aan richtlijn 76/115/EEG.
Artikel 3.10.37
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de bescherming van de aandrijfelementen, uitstekende delen en wielen aan richtlijn 89/173/EEG.
Artikel 3.10.39
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de plaats en het aanbrengen van de achterste kentekenplaat aan richtlijn 74/151/EEG.
1.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen aan richtlijn 79/532/EEG.
2.
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen aan de richtlijn 78/933/EEG.
Artikel 3.10.52
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de mechanische koppelingen tussen de landbouw- of bosbouwtrekkers en getrokken voertuigen aan richtlijn 89/173/EEG.
Artikel 3.10.54
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de geluidssignaalinrichting aan richtlijn 74/151/EEG.
Artikel 3.10.56
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de sleepinrichtingen aan richtlijn 79/533/EEG.
Artikel 3.10.59
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft extra gewichten aan richtlijn 74/151/EEG.
Artikel 3.10.60
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de aftakassen aan richtlijn 86/297/EEG.
Artikel 3.10.61
Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft het laadplatform aan richtlijn 74/152/EEG.
Artikel 3.11.1
Het productieproces voor de vervaardiging van personenauto’s en bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3500 kg dient wat betreft de herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing te zijn goedgekeurd alvorens producten voortkomend uit dit productieproces worden toegelaten tot het verkeer op de weg.
Artikel 3.11.2
Het productieproces voor de vervaardiging van vernieuwde banden, bestemd voor montage op personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens, dient te zijn goedgekeurd alvorens producten voortkomend uit dit productieproces worden toegelaten tot het verkeer op de weg.
1.
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor motorfietsen, bromfietsen alsmede driewielige motorrijtuigen waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg.
2.
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, met uitzondering van taxi’s en bussen, waarvan de datum van eerste toelating voor 1 januari 1960 is gelegen.
Artikel 4.2
Artikel 72, eerste lid , van de wet geldt voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, niet zolang sinds de datum van eerste toelating van het voertuig nog geen jaar is verstreken.
Artikel 4.3
Artikel 72, eerste lid , van de wet geldt voor een motorrijtuig, waarvan de toegestane maximum massa niet meer dan 3500 kg bedraagt en dat is bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van personen waarop de Wet personenvervoer 2000 betrekking heeft, niet zolang sinds de datum van eerste toelating van het voertuig nog geen jaar is verstreken.
Artikel 4.4
Artikel 72, eerste lid , van de wet geldt voor ambulance’s niet zolang sinds de datum van eerste toelating van het voertuig nog geen jaar is verstreken.
Artikel 4.5
Artikel 72, eerste lid , van de wet geldt voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.4 bedoeld, niet zolang sinds de datum van eerste toelating van het voertuig nog geen drie jaren zijn verstreken, voor zover deze datum ligt voor 1 januari 2005.
Artikel 4.5a
Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.5 bedoeld, niet ten aanzien van:
a. motorrijtuigen met een verbrandingsmotor die al dan niet gedeeltelijk wordt gevoed door al dan niet tot vloeistof verdicht gas of diesel zolang sinds de datum van eerste toelating van het motorrijtuig nog geen drie jaren zijn verstreken;
b. motorrijtuigen, niet zijnde de motorrijtuigen als bedoeld in onderdeel a, zolang sinds de datum van eerste toelating van het motorrijtuig nog geen vier jaren zijn verstreken.
Artikel 4.6
Artikel 72, eerste lid , van de wet geldt niet voor een motorrijtuig of een aanhangwagen op de dag waarop dat voertuig naar aanleiding van de aanvraag van een keuringsrapport aan een keuring wordt onderworpen.
Artikel 4.6a
Artikel 72, eerste lid , van de wet geldt niet voor:
a. bij ministeriële regeling aangewezen motorrijtuigen en aanhangwagens:
1°. waarvoor een bijzonder kenteken als bedoeld in het Kentekenreglement is opgegeven,
2°. die een keuring als bedoeld in de artikelen 22 of 26 van de wet ondergaan en waarvoor een bij ministeriële regeling vastgesteld kenteken is opgegeven, of
3°. op de dag waarop zij overeenkomstig de bij ministeriële regeling vastgestelde voorschriften worden onderzocht in verband met de afgifte of wijziging van een kenteken- of registratiebewijs of met de teruggave van het voor dat motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs waarvan op grond van artikel 60 van de wet de overgifte is gevorderd;
b. bij ministeriële regeling aangewezen categorieën van rijdende werktuigen.
1.
Een motorrijtuig of een aanhangwagen mag gedurende twee maanden na het tijdstip waarop artikel 72, eerste lid , van de wet voor dat voertuig gelding verkrijgt, op de weg staan zonder dat voor dat voertuig een keuringsbewijs is afgegeven waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken.
2.
Een motorrijtuig of een aanhangwagen mag gedurende twee maanden na het tijdstip waarop de geldigheidsduur van een voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen afgegeven keuringsbewijs verstrijkt, op de weg staan zonder dat voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen een keuringsbewijs is afgegeven waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken.
Artikel 4.8
Artikel 72, eerste lid , van de wet geldt niet voor motorrijtuigen en aanhangwagens, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 62 van de wet is verleend.
1.
De aanvrager dient bij de aanvraag van een keuringsrapport deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs over te leggen, dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop de aanvraag betrekking heeft.
2.
Degene bij wie de aanvraag is ingediend, geeft het deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs na behandeling van de aanvraag terug aan de aanvrager.
1.
Degene die een keuringsrapport aanvraagt bij de Dienst Wegverkeer, stelt ter verkrijging daarvan het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de afgifte van het rapport wordt gevraagd, voor een keuring ter beschikking van een door de Dienst Wegverkeer met het verrichten van de keuring belaste functionaris, op een door deze bepaalde plaats en bepaald tijdstip.
2.
Degene die een keuringsrapport aanvraagt bij een ingevolge artikel 84 van de wet erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, stelt ter verkrijging daarvan het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de afgifte van het rapport wordt gevraagd, voor een keuring ter beschikking van een door die persoon met het verrichten van de keuring belaste functionaris op een door deze bepaalde plaats en bepaald tijdstip.
1.
De geldigheidsduur van een keuringsbewijs vangt aan met ingang van de dag van afgifte daarvan.
2.
Indien een keuringsbewijs wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop artikel 72, eerste lid , van de wet voor het betrokken voertuig gelding verkrijgt, vangt de geldigheidsduur van het keuringsbewijs aan met ingang van dat tijdstip, mits, voorzover artikel 72, eerste lid , van de wet vóór dat tijdstip op grond van een ingevolge een andere wet dan de wet afgegeven keuringsbewijs niet geldt, dat document voorafgaande aan de behandeling van de aanvraag wordt overgelegd.
3.
Indien een keuringsbewijs wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van een eerder voor het betrokken voertuig afgegeven keuringsbewijs verstrijkt, vangt de geldigheidsduur van het keuringsbewijs aan met ingang van dat tijdstip, mits vorenbedoeld eerder afgegeven keuringsbewijs voorafgaande aan de behandeling van de aanvraag wordt overgelegd.
1.
Een keuringsbewijs is geldig voor de duur van een jaar.
2.
In afwijking van het eerste lid is het keuringsbewijs geldig voor de duur van twee jaren indien het keuringsbewijs is afgegeven voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.5 bedoeld, en:
a. dat is uitgerust met een verbrandingsmotor die niet wordt gevoed door al dan niet tot vloeistof verdicht gas of diesel,
b. waarvan de datum van eerste toelating van het motorrijtuig ligt na 31 december 2004, en
c. waarvan gerekend vanaf de datum van eerste toelating op het moment van afgifte van het keuringsbewijs een termijn van zeven jaren nog niet is verstreken.
3.
In afwijking van het eerste lid is voorts het keuringsbewijs geldig voor de duur van twee jaren indien het desbetreffende keuringsbewijs is afgegeven voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.4 bedoeld en waarvan de datum van afgifte 30 jaren of meer ligt na de datum van eerste toelating van het motorrijtuig.
Artikel 4.11b
De afgifte van een keuringsbewijs geschiedt niet elektronisch.
Artikel 4.11c
De termijn bedoeld in artikel 91, tweede lid, van de wet waarbinnen tegen een beschikking tot afgifte van een keuringsbewijs bezwaar kan worden gemaakt bedraagt een jaar.
Artikel 4.12
Het verzoek om herkeuring, bedoeld in artikel 90 van de wet, wordt ingediend door op het keuringsrapport aan te tekenen dat om herkeuring wordt verzocht en deze aantekening te ondertekenen alsmede hiervan kennis te geven aan degene die het keuringsrapport heeft afgegeven. Laatstgenoemde doet hiervan onverwijld mededeling aan de Dienst Wegverkeer.
1.
De verzoeker legt voorafgaande aan de herkeuring aan de deskundige die door de Dienst Wegverkeer is aangewezen om de herkeuring te verrichten, de volgende bescheiden over:
a. deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen, waarop het verzoek betrekking heeft, en
b. het keuringsrapport.
2.
De in het eerste lid bedoelde deskundige geeft de daar bedoelde bescheiden na afloop van de herkeuring aan de verzoeker terug.
3.
De verzoeker mag bij de herkeuring aanwezig zijn.
Artikel 4.14
De Dienst Wegverkeer doet, indien een beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs is afgegeven door een erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan deze afschrift toekomen van het na de herkeuring afgegeven keuringsrapport.
1.
De verzoeker legt voorafgaande aan het in artikel 91 van de wet bedoelde deskundigenonderzoek aan de deskundige die door de Dienst Wegverkeer is aangewezen om het onderzoek te verrichten, de volgende bescheiden over:
a. deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het verzoek betrekking heeft, en
b. het keuringsbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het verzoek betrekking heeft.
2.
De in het eerste lid bedoelde deskundige geeft de daar bedoelde bescheiden na afloop van het onderzoek aan de verzoeker terug, met dien verstande dat het keuringsbewijs niet wordt teruggegeven indien de geldigheid van het voor het voertuig afgegeven keuringsbewijs vervalt overeenkomstig artikel 91, vierde lid, van de wet.
3.
De verzoeker mag bij het onderzoek aanwezig zijn.
Artikel 4.16
De Dienst Wegverkeer doet, indien de keuring op grond waarvan het keuringsrapport werd afgegeven is verricht door een erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, aan deze afschrift toekomen van de uitslag van het onderzoek.
1.
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:
a. niet deugdelijk van bouw of inrichting is, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert,
b. zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft, of
c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.
2.
Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de verplichte niet-driehoekige dan wel driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
3.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c , en het tweede lid, zijn op motorrijtuigen welke niet vallen onder een van de in de afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk genoemde categorieën motorrijtuigen, de in afdeling 2 van dit hoofdstuk vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Artikel 5.1.3
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de bepalingen of voorwaarden, welke ingevolge artikel 52, tweede lid, van de wet in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn opgenomen.
1.
Gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie, moeten voldoen aan de in afdeling 6 aan bromfietsen gestelde eisen, met dien verstande dat:
a. het bepaalde in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdelen a, c, d en e, geen toepassing vindt,
b. voor het in artikel 5.6.6 ter zake van de afmetingen bepaalde artikel 5.10.6 in de plaats treedt, en
c. de cylinderinhoud van de verbrandingsmotor van het gehandicaptenvoertuig niet meer dan 50 cm3 mag bedragen.
2.
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in de afdelingen 9 en 18, paragraaf 4, van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6 ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt.
Artikel 5.1.6
Het is de bestuurder van een motorrijtuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien in of aan het motorrijtuig een radarontvangstapparaat aanwezig is, dat geschikt is om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen.
1.
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde een bus, die in gebruik is genomen na 31 december 2011 en reeds vóór de datum van eerste ingebruikname van een klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
2.
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde een bus, welke is voorzien van een klimaatregelingssysteem, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, tenzij het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2018 en het klimaatregelingssysteem reeds dergelijke gassen bevat.
3.
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die is voorzien van een klimaatregelingssysteem waaruit een abnormale hoeveelheid koelvloeistof lekt, verboden dit klimaatregelingssysteem bij te vullen of te laten bijvullen met gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de noodzakelijke herstelling is voltooid.
Artikel 5.2.1
Personenauto’s moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport;
d. de kentekenplaten moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd;
e. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.
1.
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
2.
Onze Minister stelt regels vast inzake corrosie van de in het eerste lid bedoelde onderdelen alsmede de bevestiging daarvan.
Artikel 5.2.4
De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
Artikel 5.2.6
Personenauto's mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
1.
De last onder de assen van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten.
2.
De totale massa of de som van de aslasten van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De LPG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig;
b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak;
c. mag geen deuken vertonen.
3.
De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst en indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1994, niet op het dak zijn geplaatst.
4.
De volgende onderdelen moeten aanwezig zijn:
a. de veerveiligheid, die in de buitenlucht moet uitmonden;
b. de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd, dan wel een mengregelsysteem;
c. de gasdichte kast indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst;
d. de automatische inrichting ter begrenzing van de vullingsgraad indien het voertuig na 30 juni 1983 in gebruik is genomen;
e. de automatische afnameklep op de tank indien het voertuig na 31 december 1987 in gebruik is genomen;
f. het gasmengstuk dan wel een inspuitstuk;
g. de automatische afsluitklep.
5.
Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
6.
Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden.
7.
De in het vierde lid genoemde onderdelen moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8.
De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
9.
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
1.
Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De CNG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en
b. mag geen deuken vertonen.
3.
De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4.
Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar.
5.
Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte.
6.
Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter.
7.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8.
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9.
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
1.
Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Personenauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging ( Stb. 1990, 393). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4.
Personenauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen ( Stb. 1981, 741). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5.
Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Het geluidsniveau van de uitlaat wordt vastgesteld op een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6.
De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor:
a. niet meer dan 4,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 oktober 1986;
b. niet meer dan 3,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1986 doch voor 1 juli 2002;
c. niet meer dan 1,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas;
d. niet meer dan 0,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1985 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig is uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen;
e. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002.
7.
De afstelling van het stationaire mengsel van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, met uitzondering van personenauto’s die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, dient zodanig te zijn dat een door Onze Minister voor het desbetreffende type motorrijtuig aangewezen gehalte aan koolmonoxyde van de uitlaatgassen, uitgedrukt in % vol, bij het bij die aanwijzing aangegeven stationaire toerental, niet wordt overschreden. Bij de meting van het gehalte koolmonoxyde moeten de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Deze eis wordt alleen getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport en bij elke keuring ten behoeve van de afgifte of teruggave van een kentekenbewijs.
8.
De in het zevende lid bedoelde controle van de afstelling van het stationaire mengsel vindt bij personenauto’s die worden gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas en die in gebruik zijn genomen:
a. na 31 december 1993, of
b. na 31 december 1990 doch vóór 1 januari 1994, indien aan de typeaanduiding op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs de aanduiding S6, K6, S9, K9, U9, N9, E2 of N2 is toegevoegd,
plaats aan de hand van de afstel- en controlegegevens, vermeld op het op het voertuig aangebrachte symbool, bedoeld in artikel 3 a , tweede lid, van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging, dan wel aan de hand van de gegevens vermeld in het kentekenregister.
9.
Bij personenauto’s die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, dient het brandstofdoseringssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxyde van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Deze beoordeling vindt plaats op een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze.
10.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
11.
De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen.
12.
Bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1992 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn.
1.
De accu van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
1.
De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd.
2.
De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
Artikel 5.2.15
Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
1.
De onderdelen van de aandrijving van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
1.
De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
1.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
4.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
1.
De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen.
2.
Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
De wielbasis van personenauto's mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2.
Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen.
Artikel 5.2.22
De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan 15 mm verschillen.
Artikel 5.2.23
De spoorbreedte van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van personenauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De wielen van personenauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.
De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.
5.
De banden mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is.
6.
De banden op een as moeten dezelfde karkasstructuur hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32.
7.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
1.
Personenauto's moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Personenauto's moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers.
4.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
1.
De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
2.
Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.
3.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
4.
Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
5.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
6.
Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
7.
De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
8.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
9.
Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.
10.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid.
1.
Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren.
3.
Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt.
4.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
5.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
6.
Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.
7.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
8.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
9.
Remcylinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.
10.
Anti-blokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt.
11.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b , en het vijfde lid, onderdeel a .
1.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten indien het hydraulisch remsysteem niet is voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir, waarvan het vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, zijn voorzien van:
a. een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of
b. in geval van een gescheiden remsysteem een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra een van de kringen van het remsysteem faalt.
2.
De goede werking van het signaal van de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen worden gecontroleerd.
3.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
1.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N.
2.
Personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
3.
De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.
4.
Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras.
5.
In afwijking van het eerste lid moeten ambulances, kampeerauto's en begrafeniswagens met een maximum toegestane massa van meer dan 2500 kg waarvoor overeenkomstig richtlijn 98/14/EG, Bijlage XI, aanhangsel 1, een goedkeuring is verleend, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s 2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N.
6.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid.
1.
Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.
2.
De parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
3.
De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen.
1.
Indien de personenauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en is voorzien van een geheel afzonderlijk hulpremsysteem, moet:
a. het hulpremsysteem goed functioneren;
b. de remwerking redelijk gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn verdeeld.
Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2.
De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,6 m/s2 bedragen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
1.
De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
2.
Het slot en de scharnieren van de motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen.
3.
De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast.
4.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
1.
De voorruit en de zijruiten van personenauto’s mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
2.
Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
3.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2.
Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
Artikel 5.2.44
Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
1.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 25 januari 2010, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel.
2.
Indien met de in het eerste lid bedoelde binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
3.
Personenauto’s, in gebruik genomen voor 26 januari 2011, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en een binnenspiegel.
4.
De in het derde lid bedoelde personenauto’s zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
5.
De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor personenauto’s die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen.
6.
De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
7.
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
1.
Personenauto’s, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, zijn niet voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, personenauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving.
3.
De zitplaatsen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Bij personenauto’s die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten:
a. verschuifbare zitplaatsen in elke mogelijke stand automatisch zijn vergrendeld,
b. verstelbare rugleuningen van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld, en
c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het derde lid.
1.
Personenauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
2.
Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
3.
Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen.
4.
Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig.
5.
De in het tweede en derde lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels behoeven te zijn voorzien.
6.
Autogordels in personenauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
7.
De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
8.
De autogordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan.
9.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het zevende lid.
Artikel 5.2.47a
Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel voldoen aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Personenauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van personenauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto's:
a. moeten goed zijn afgeschermd;
b. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken;
c. mogen niet aanlopen.
5.
Een reservewielhouder die zich aan de buitenzijde van de personenauto bevindt, moet deugdelijk zijn bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat wiel goed zijn opgesloten.
6.
Geen deel van de buitenzijde van de personenauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
1.
Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 zijn niet voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
2.
Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien.
3.
Aan de in het eerste en tweede lid opgenomen eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.2.50
Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 24 mei 2008 in gebruik zijn genomen, zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Personenauto’s moeten zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen voldoen aan door Onze Minister gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan;
c. twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
i. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
j. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
k. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
l. een of twee achteruitrijlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
o. ten minste twee ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m;
p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat:
1º. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en
2º. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel h.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, worden twee extra remlichten aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd.
1.
Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten.
3.
Het eerste lid geldt niet voor personenauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en personenauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
1.
De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3.
De zijrichtingaanwijzers, bedoeld in artikel 5.2.51, onderdeel f, mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4.
De achterlichten en mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
5.
De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
6.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
7.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
8.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
1.
De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid.
6.
De retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
1.
Het dimlicht van personenauto’s moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid.
1.
Personenauto’s mogen zijn voorzien van:
a. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig;
b. parkeerlichten indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder dan 2,00 m;
c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig. Personenauto’s, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen ook zijn voorzien van twee extra richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig;
d. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen;
e. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn;
f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
g. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn en het voertuig breder is dan 1,80 m;
h. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
i. een richtlicht;
j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
k. werklichten;
l. een derde remlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2001, aangebracht zodanig dat:
1º. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en
2º. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.2.51, onderdeel h;
m. twee dagrijlichten;
n. een markering aan de achterzijde van het voertuig bestaande uit een rechthoekig bord dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende parallel lopende diagonale strepen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg;
o. verlichte transparanten.
2.
Lichten die ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.2.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen g onderscheidenlijk h van het eerste lid.
3.
Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
4.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel l, kunnen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd.
1.
Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
De mistlichten aan de voorzijde, het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, tenzij zij zijn ingebouwd in ambergeel stralende zijrichtingaanwijzers.
3.
De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4.
De zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
6.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
8.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
9.
Op de mistlichten aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.2.55, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
10.
De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.
11.
Verlichte transparanten zijn:
a. afzonderlijk geschakeld;
b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd;
c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd.
1.
Bij personenauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, en werklichten.
Artikel 5.2.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.2.63
Achteruitrijlichten van personenauto’s mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
1.
Personenauto’s mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Personenauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
3.
Het tweede lid is niet van toepassing op personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
Artikel 5.2.65
Personenauto’s mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.2.51, 5.2.52, 5.2.57 en in of krachtens artikel 5.2.58 is voorgeschreven of toegestaan.
Artikel 5.2.66
Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
1.
Indien een personenauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm:
a. moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen;
b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed functioneren en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.
2.
Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.3.68 en 5.3.70.
1.
Personenauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik, diefstal van of ongeoorloofde toegang tot het voertuig te voorkomen.
3.
Personenauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake tweetonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.
Artikel 5.3.1
Bedrijfsauto’s moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximum massa's die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport;
d. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport;
e. de kentekenplaten moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd;
f. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd.
1.
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bedrijfsauto’s mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
2.
Onze Minister stelt regels vast inzake corrosie van de in het eerste lid bedoelde onderdelen alsmede de bevestiging daarvan.
1.
De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd.
2.
De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de ondersteuning.
1.
Bedrijfsauto’s mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen:
a. bussen met twee assen niet langer zijn dan 13,50 m;
b. bussen met twee assen die in gebruik genomen zijn vóór 10 september 2003 tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m;
c. bussen met meer dan twee assen niet langer zijn dan 15,00 m;
d. gelede bussen niet langer zijn dan 18,75 m;
e. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m;
f. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
3.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b , mogen:
a. geconditioneerde voertuigen niet breder zijn dan 2,60 m;
b. rijdende werktuigen niet breder zijn dan 3,00 m.
4.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
1.
De last onder de assen van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten.
2.
De totale massa of de som van de aslasten van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De LPG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig;
b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak;
c. mag geen deuken vertonen.
3.
De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst en indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1994, niet op het dak zijn geplaatst.
4.
De volgende onderdelen moeten aanwezig zijn:
a. de veerveiligheid, die in de buitenlucht moet uitmonden;
b. de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd, dan wel een mengregelsysteem;
c. de gasdichte kast indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst;
d. de automatische inrichting ter begrenzing van de vullingsgraad indien het voertuig na 30 juni 1983 in gebruik is genomen;
e. de automatische afnameklep op de tank indien het voertuig na 31 december 1987 in gebruik is genomen;
f. het gasmengstuk dan wel een inspuitstuk;
g. de automatische afsluitklep.
5.
Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
6.
Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden.
7.
De in het vierde lid genoemde onderdelen moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8.
De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
9.
De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
1.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De CNG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en
b. mag geen deuken vertonen.
3.
De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4.
Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar.
5.
Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte.
6.
Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter.
7.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8.
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9.
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
1.
Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Bedrijfsauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging (Stb. 1990, 393). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4.
Bedrijfsauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen (Stb. 1981, 741). Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5.
De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor:
a. niet meer dan 4,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 oktober 1986;
b. niet meer dan 3,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1986 doch voor 1 juli 2002;
c. niet meer dan 1,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas;
d. niet meer dan 0,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1985 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig is uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen;
e. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002.
6.
De afstelling van het stationaire mengsel van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, met uitzondering van bedrijfsauto’s die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, dient zodanig te zijn dat een door Onze Minister voor het desbetreffende type motorrijtuig aangewezen gehalte aan koolmonoxyde van de uitlaatgassen, uitgedrukt in % vol, bij het bij die aanwijzing aangegeven stationaire toerental, niet wordt overschreden. Bij de meting van het gehalte koolmonoxyde moeten de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Deze eis wordt alleen getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport en bij elke keuring ten behoeve van de afgifte of teruggave van een kentekenbewijs.
7.
De in het zesde lid bedoelde controle van de afstelling van het stationaire mengsel vindt bij bedrijfsauto’s die worden gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas en die in gebruik zijn genomen na 1 juli 1997 plaats aan de hand van de afstel- en controlegegevens, vermeld op het op het voertuig aangebrachte symbool, bedoeld in artikel 3a, tweede lid, van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging, dan wel aan de hand van de gegevens vermeld in het kentekenregister.
8.
Bij bedrijfsauto’s die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, dient het brandstofdoseringssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Deze beoordeling vindt plaats op een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze.
9.
[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
10.
De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen.
11.
Bij bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn.
1.
De accu van bedrijfsauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van bedrijfsauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
1.
De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd.
2.
De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
3.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
1.
Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
2.
De volgende categorieën motorrijtuigen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer:
a. bedrijfsauto’s met een dieselmotor, met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
c. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen;
d. bussen met een dieselmotor, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
e. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
f. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen.
3.
De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld op:
a. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, niet meer dan 90 km/h kan bedragen;
b. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bussen niet meer dan 100 km/h kan bedragen;
c. maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft met een maximum massa van meer dan 10.000 kg, die voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen.
De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht.
4.
De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening.
5.
De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt niet voor:
b. motorrijtuigen die blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien.
6.
Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moet zijn voorzien van een controleapparaat als bedoeld in verordening 3821/85/EEG:
a. mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt;
b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd;
c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld;
d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening.
1.
De onderdelen van de aandrijving van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
4.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid.
1.
De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
1.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3.
De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen.
4.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid.
1.
De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen.
2.
Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2.
Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan:
a. 15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg;
b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg.
Artikel 5.3.22
De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan:
a. 15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg;
b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg.
Artikel 5.3.23
De spoorbreedte van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister.
1.
De wielen onderscheidenlijk velgen van bedrijfsauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen.
2.
De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.3.25
De wielnaven van bedrijfsauto’s moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.3.26
Stabilisatoren moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd en mogen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet te veel speling op de draaipunten vertonen.
1.
De wielen van bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.
De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en van T100-bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.
5.
De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is opsnijden toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding "REGROOVABLE" of door het teken "
", met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn.
6.
De banden op een as moeten dezelfde karkasstructuur hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32.
7.
De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde load-index mag niet kleiner zijn dan de load-index, behorende bij de maximum last per band van de in het kentekenregister vermelde aslast.
8.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
9.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het zevende lid.
1.
Bedrijfsauto's moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd.
3.
Bedrijfsauto's die zijn voorzien van gasvering, en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers.
4.
Schokdempers van bedrijfsauto's moeten deugdelijk zijn bevestigd.
5.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede en vierde lid.
1.
De bestuurde wielen van bedrijfsauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
2.
Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien.
3.
De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
4.
Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
5.
Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
6.
Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt.
7.
De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen.
8.
Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen.
9.
Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken.
10.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid.
1.
Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren.
3.
De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden.
4.
Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt.
5.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
6.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
7.
Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen.
8.
Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.
9.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
10.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
11.
Remcylinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.
12.
Anti-blokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt.
13.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b , het zesde lid, onderdeel a , het zevende lid.
1.
Bedrijfsauto’s met een hydraulisch remsysteem, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten indien het remsysteem niet is voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir, waarvan het vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, zijn voorzien van:
a. een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of
b. in geval van een gescheiden remsysteem, een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra een van de kringen van het remsysteem faalt.
2.
De goede werking van het signaal van de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen worden gecontroleerd.
3.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
Artikel 5.3.33
Bedrijfsauto’s met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimum druk is gedaald.
Artikel 5.3.34
Bedrijfsauto’s met een veerrem, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1975, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld.
1.
Bedrijfsauto’s met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van:
a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcylinders op iedere as, kunnen worden gemeten;
b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten;
c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1975.
2.
Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren.
3.
Bedrijfsauto’s met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op genoemde plaat.
4.
De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren.
1.
De slag van drukluchtremcylinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd.
2.
De slag van drukluchtremcylinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximum slag van de betrokken remcylinder.
1.
Bedrijfsauto’s met een tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,5 tot 8,5 bar, en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar.
2.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997 mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem ten behoeve van een aanhangwagen.
3.
Bij bedrijfsauto’s met een éénleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moet aan de aansluitkop de voorraaddruk van het remsysteem aanwezig zijn. Deze druk moet ten minste 5 doch niet meer dan 6 bar bedragen.
4.
Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1997 mogen niet zijn voorzien van een afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen.
5.
Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997 moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goedwerkende automatische afsluiters.
1.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, en bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N.
2.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N.
3.
Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
4.
De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.
5.
Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras.
6.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, derde en vijfde lid.
1.
Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt.
2.
De parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.
3.
De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen.
1.
Indien de bedrijfsauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en is voorzien van een geheel afzonderlijk hulpremsysteem, moet:
a. het hulpremsysteem goed functioneren;
b. de remwerking redelijk gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn verdeeld.
Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2.
De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen indien het een bedrijfsauto, niet zijnde een bus, betreft, en ten minste 2,2 m/s2 bedragen indien het een bus betreft. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
1.
De deuren en de laadbakkleppen van bedrijfsauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend.
2.
Het slot en de scharnieren van de motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen.
3.
De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast.
4.
Bedrijfsdeuren en nooddeuren van een stilstaande bus die na 12 februari 2004 in gebruik is genomen, moeten van binnen en van buiten kunnen worden geopend.
5.
Constructie en bedieningssysteem van een bedrijfsdeur van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, moet zodanig zijn dat een passagier niet door een deur verwond kan worden of bij het sluiten tussen de deur bekneld kan raken.
6.
Bedrijfsdeuren en nooddeuren van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004 die niet volledig zijn gesloten, dienen een verklikker te activeren die voor de bestuurder goed waarneembaar is.
7.
Noodluiken van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, dienen gemakkelijk van binnen en van buiten te kunnen worden geopend of verwijderd. De vrije doorgang mag daarbij niet worden belemmerd.
8.
Noodramen van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, moeten op geschikte wijze kunnen worden geopend met een als toereikend beschouwde voorziening. Een scharnierend noodraam dat niet duidelijk vanuit de bestuurderszitplaats zichtbaar is, dient te zijn uitgerust met een akoestische voorziening om de bestuurder te waarschuwen wanneer het raam niet volledig gesloten is.
9.
Nooduitgangen en de noodbedieningsinrichtingen van bedrijfsdeuren en van alle nooduitgangen van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, dienen als zodanig aan de binnen- en buitenzijde van het voertuig te zijn aangeduid, hetzij door een representatief symbool, hetzij door een duidelijk geformuleerd opschrift, en voorzien van duidelijke aanwijzingen over de bedieningswijze.
10.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het derde tot en met negende lid.
1.
Een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, moet voor wat betreft de binneninrichting voldoen aan de volgende eisen:
a. de toegang tot bedrijfsdeuren, nooddeuren en noodramen moet vrij zijn van obstakels en uitstekende voorwerpen die tot de inrichting behoren.
b. er moeten voorzieningen zijn om de bestuurder te beschermen tegen verblinding door en weerkaatsing van de binnenverlichting;
c. vormen van visueel vermaak voor passagiers moeten zich buiten het gezichtsveld van de bestuurder bevinden.
2.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
De voorruit en de zijruiten van bedrijfsauto’s mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
2.
Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen,
die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
3.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste lid.
1.
Bedrijfsauto's met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.
2.
Bedrijfsauto's met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
3.
Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie.
1.
Bedrijfsauto's met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
2.
Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
1.
Bedrijfsauto's moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel.
2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen voor 26 januari 2011, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel indien het gezichtsveld van de binnenspiegel zodanig is dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte, waarvan het midden in het verticale vlak door de lengte-as van het voertuig ligt, kan overzien vanaf een afstand van 60,00 m van de achterzijde van het voertuig tot aan de horizon over een breedte van 20,00 m.
3.
Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 25 januari 2010, zijn tevens voorzien van een binnenspiegel tenzij het gezichtsveld van deze spiegel niet zodanig is dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte, waarvan het midden in het verticale vlak door de lengteas van het voertuig ligt, kan overzien vanaf een afstand van 60,00 m van de achterzijde van het voertuig tot aan de horizon over een breedte van 20,00 m.
4.
De volgende bedrijfsauto’s zijn aan de rechterzijde tevens voorzien van een trottoirspiegel:
a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 7500 kg, in gebruik genomen voor 1 januari 2000;
b. rijdende werktuigen;
c. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999.
5.
De verplichting, genoemd in het vierde lid, geldt niet indien het onmogelijk is om op een bedrijfsauto een trottoirspiegel zodanig te monteren dat deze aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. geen enkel punt van de spiegel bevindt zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek, bij een belasting die overeenkomt met het maximale technisch toelaatbare gewicht; en
b. de spiegel is volledig zichtbaar vanaf de bestuurdersplaats.
6.
De volgende bedrijfsauto’s zijn tevens voorzien van een breedtespiegel:
a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, waarvan de linker- of rechterbuitenspiegel niet convex is en die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2000;
b. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999; en
c. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 7500 kg.
7.
De verplichting, genoemd in het zesde lid, geldt niet indien het voertuig is voorzien van een breedtespiegel waarmee wordt voldaan aan artikel 5.3.45a, eerste of tweede lid.
8.
De verplichtingen, genoemd in het vierde en zesde lid, gelden niet indien:
a. het voertuig is voorzien van andere inrichtingen voor indirect zicht, die zijn voorgeschreven door maatregelen van de lidstaten van de Europese Unie die voor de data, genoemd in de artikelen 2 en 5 van richtlijn nr. 2003/97/EG, in werking zijn getreden en waarmee minstens 95% van het in die richtlijn voor spiegels van klasse IV (breedtespiegels) en V (trottoirspiegels) voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau kan worden overzien;
b. het voertuig is voorzien van breedtespiegels en trottoirspiegels, waarmee minstens 95% voor een spiegel van klasse IV (breedtespiegels) en minstens 85% voor een spiegel van klasse V (trottoirspiegels) van het in richtlijn nr. 2003/97/EG voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau kan worden overzien;
c. het voertuig bij gebrek aan beschikbare en economisch haalbare technische oplossingen niet kan worden uitgerust met spiegels die voldoen aan de uitzondering, genoemd in onderdeel b, of aan de verplichtingen, genoemd in het vierde en het zesde lid, en het is voorzien van extra spiegels of andere inrichtingen voor indirect zicht, mits daarmee minstens 95% voor een spiegel van klasse IV (breedtespiegel) en minstens 85% voor spiegels van klasse V (trottoirspiegel) van het in richtlijn nr. 2003/97/EG voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau kan worden overzien.
9.
Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met frontstuur, met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, in gebruik genomen na 25 januari 2008, zijn tevens voorzien van:
a. een vooruitkijkspiegel dan wel een camera-monitorsysteem en
b. een breedtespiegel aan de bestuurderszijde.
10.
De vooruitkijkspiegel is zodanig aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag de bedrijfsauto niet van een vooruitkijkspiegel zijn voorzien en is geen andere inrichting voor indirect zicht vereist.
11.
In afwijking van het vierde lid is een trottoirspiegel niet vereist indien het daarvoor voorgeschreven gezichtsveld wordt verkregen door een combinatie van een vooruitkijkspiegel en een breedtespiegel.
12.
De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor bedrijfsauto's die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen.
13.
De spiegels en camera-monitorsystemen zijn deugdelijk bevestigd.
14.
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
15.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de gezichtsvelden van de verplichte spiegels en camera-monitorsystemen.
1.
Onverminderd artikel 5.3.45 zijn bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen of kampeerauto’s, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1977, voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden.
2.
In afwijking van het eerste lid zijn bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen of kampeerauto’s, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1977 en met een bestuurderszitplaats aan de rechterzijde van het voertuig, voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich links van het voertuig bevinden.
3.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor bedrijfsauto’s:
a. die in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen zijn geregistreerd, of
b. die voldoen aan de in de artikelen 2.9.15 en 2.9.16 van de Regeling permanente eisen vereiste gezichtsvelden voor voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1999.
4.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het eerste en tweede lid.
1.
Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en bussen behorende tot de klasse III of B als bedoeld in artikel 1.1, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, zijn niet voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, bedrijfsauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving.
3.
Het eerste lid is tot 21 oktober 2010 niet van toepassing op bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg behorende tot de klasse III of B als bedoeld in artikel 1.1, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal 10 plaatsen, met dien verstande dat deze zijdelings gerichte zitplaatsen, onverminderd artikel 5.3.47, zijn voorzien van een hoofdsteun en een tweepuntsgordel met oprolmechanisme.
4.
De zitplaatsen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld.
5.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het vierde lid.
1.
bedrijfsauto's, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, en T100-bussen moeten zijn voorzien van autogordels voor:
a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en
b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal 1.30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt.
2.
In afwijking van het eerste lid moeten:
a. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die na 30 september 2002 in gebruik zijn genomen, en
b. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
3.
Bedrijfsauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten voorzien zijn van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
4.
Bedrijfsauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen en die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten zijn voorzien van autogordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen.
5.
Het eerste tot en met het vierde lid is niet van toepassing op:
a. klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig;
b. bussen die zijn bestemd voor stadsgebruik;
c. bussen die beschikken over speciaal voor staande passagiers bedoelde plaatsen, en
d. voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels hoeven te zijn voorzien.
6.
Autogordels van bedrijfsauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
7.
De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
8.
De autogordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan.
9.
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het zevende lid.
Artikel 5.3.47a
Bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel voldoen aan bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen.
1.
Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4.
De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen en mogen niet aanlopen. De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto's in gebruik genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
5.
Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Deze verplichting geldt niet voor:
a. trekkers;
b. bedrijfsauto’s die blijkens een aantekening op het kentekenbewijs hiervan zijn uitgezonderd;
c. het gedeelte achter de achterste as van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg.
6.
Een reservewielhouder die zich aan de buitenzijde van de bedrijfsauto bevindt, moet deugdelijk zijn bevestigd. Indien in de houder een reservewiel is geplaatst, moet dat wiel goed zijn opgesloten.
7.
Geen deel aan de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
8.
De beweging van een intrekbare trede van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, mag geen letsel kunnen toebrengen aan passagiers of mensen buiten de bus.
9.
Bussen van klasse I in gebruik genomen na 12 februari 2004, moeten voorzien zijn van:
a. een deugdelijk functionerend knielsysteem tezamen met een deugdelijk functionerende lift of oprijplaat,
b. duidelijk gemarkeerde bedieningsinrichtingen voorzien van een verklikkerinrichting bij een aanwezige lift of oprijplaat,
c. een deugdelijke voorziening die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt, en
d. ten minste vier gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap, voorzien van handgrepen en dichtbij een geschikte bedrijfsdeur.
10.
Op bussen van een andere klasse dan klasse I, in gebruik genomen na 12 februari 2004 en die voorzien zijn van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor personen met een mobiliteitshandicap, is het vorige lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het aantal gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap voor bussen van klasse II en III ten minste twee bedraagt, en voor bussen van klasse A en B ten minste één. Een stoel die wordt ingeklapt wanneer hij niet wordt gebruikt, mag niet worden aangeduid als gereserveerde zitplaats.
11.
Voor bussen als bedoeld in het negende en tiende lid geldt, dat bussen van klasse I en II moeten zijn voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste een naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld en van merktekens voorzien voor andere passagiers met een mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze plaatsen moeten dicht bij een voor deze passagiers geschikte ingang geplaatst zijn.
12.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het vierde, vijfde en achtste tot en met elfde lid.
1.
Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen.
2.
De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m.
3.
Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 31 december 2004 mag de stootbalk niet meer dan 0,40 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor bedrijfsauto's, ingericht als betonmolen, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen.
4.
Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005 mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten.
5.
De stootbalk van bedrijfsauto's mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
Voor bedrijfsauto's die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m.
6.
De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
7.
De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen.
8.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
a. trekkers;
b. voertuigen die blijkens een aantekening in het kentekenbewijs van het bepaalde in het eerste lid zijn uitgezonderd.
9.
Bedrijfsauto's, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2004, moeten op deugdelijke wijze zijn voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden.
10.
De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen de punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,45 m bedragen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
11.
De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,40 m bedragen, waarbij voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden buiten beschouwing worden gelaten.
12.
De bescherminrichting mag:
a. niet breder zijn dan de breedte van het voertuig met inbegrip van de spatborden van de voorste as;
b. aan weerszijden niet meer dan 0,10 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten, of
c. aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan het voertuig gemeten over de uiterste punten van de instaptrede naar de bestuurderscabine.
13.
De beschermingsinrichting aan de voorzijde en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
14.
Het negende lid geldt niet voor:
a. bedrijfsauto's die blijkens een aantekening in het kentekenbewijs of blijkens gegevens in het kentekenregister de toegevoegde categorie-aanduiding« G» als beschreven in bijlage I, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG hebben;
b. bedrijfsauto's waarvan het gebruik blijkens een aantekening in het kentekenbewijs onverenigbaar is met het voldoen aan de voorschriften voor een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden.
15.
Het elfde en twaalfde lid zijn niet van toepassing op bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 7500 kg.
1.
Bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 zijn niet voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
2.
Het eerste lid is tot 1 januari 2017 niet van toepassing op bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien.
3.
Aan de in het eerste en tweede lid opgenomen eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
1.
Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 24 mei 2008 in gebruik zijn genomen, zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de bij regeling van Onze Minister gestelde eisen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op bussen.
1.
Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen voldoen aan door Onze Minister gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan;
c. twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen; voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
i. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
j. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, onderscheidenlijk twee driehoekige dan wel niet-driehoekige, rode retroreflectoren indien het een gelede bus betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005;
k. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
l. één of twee achteruitrijlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen; deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines;
o. niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; deze eis geldt niet voor trekkers, voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede door Onze Minister aangewezen voertuigen waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering.
2.
Onverminderd het eerste lid, voldoen begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, aan de door Onze Minister gestelde eisen.
1.
Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of licht.
3.
Het eerste lid geldt niet voor bedrijfsauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
1.
De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3.
De achterlichten en mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
6.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
7.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
8.
De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen.
1.
De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid.
6.
De retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid.
1.
Het dimlicht van bedrijfsauto’s moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
3.
Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid.
1.
Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van:
a. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig;
b. parkeerlichten, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m;
c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig. Bedrijfsauto’s, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen ook zijn voorzien van twee extra richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig;
d. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn;
e. twee herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m;
g. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
h. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn en het voertuig breder is dan 1,80 m;
i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen;
j. een richtlicht;
k. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig;
l. werklichten;
m. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.3.51, onderdeel h;
n. In afwijking van onderdeel m kunnen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0.15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd;
o. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg kunnen, in afwijking van onderdeel m, twee extra remlichten worden aangebracht;
p. twee dagrijlichten;
q. verlichte transparanten;
r. een markering aan de achterzijde van een trekker, die voldoet aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg.
2.
Lichten die ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen h onderscheidenlijk i van het eerste lid.
3.
Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
4.
Bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van een ambergele of witte lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele, witte of rode lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig.
5.
Bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van een ambergele of witte contourmarkering aan de zijkant van het voertuig of een ambergele, witte of rode contourmarkering aan de achterkant van het voertuig. Binnen de contourmarkering aan de zijkant van het voertuig mogen retroreflecterende letters of afbeeldingen zijn aangebracht, voorzover deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de contourmarkering uitmaken
6.
Ieder afzonderlijk deel van de lijn- en contourmarkering en van het materiaal voor de retroreflecterende letters of afbeeldingen binnen de contourmarkering is voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk.
7.
Bij regeling van Onze Minister worden voorschriften gesteld met betrekking tot de installatie van de lijn- en contourmarkering.
1.
Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
De mistlichten aan de voorzijde, het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, dan wel indien zij zijn ingebouwd in de zijrichtingaanwijzers, niet anders dan ambergeel stralen.
3.
De extra richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en herhalingswaarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4.
De zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit, en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
5.
De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen.
7.
Op de mistlichten aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.3.55, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.
8.
De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
9.
De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.
10.
Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
11.
Verlichte transparanten zijn:
a. afzonderlijk geschakeld;
b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd;
c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd.
1.
Bij bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig en werklichten.
3.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze of plaats van bevestiging van verlichte transparanten op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW.
Artikel 5.3.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
Artikel 5.3.63
Achteruitrijlichten van bedrijfsauto’s mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld.
1.
Bedrijfsauto’s mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Bedrijfsauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.3.65
Bedrijfsauto’s mogen onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 dan wel bij of krachtens artikel 5.3.51a is voorgeschreven of toegestaan.
1.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
Artikel 5.3.67
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm:
a. moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen;
b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed functioneren en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.
1.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van:
a. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen;
b. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46 mm bedragen;
c. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55 mm bedragen.
2.
De in het eerste lid bedoelde koppelingen moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen;
b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen;
c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen;
d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren;
e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen;
f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan;
g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn;
h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan.
1.
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag:
a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen;
b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van het bepaalde onder a , voor wat betreft de uiterste linker en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen;
c. de diepte van groeven langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.
Dit lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak.
2.
Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen.
4.
De sluit- en borginrichting moet goed functioneren.
Artikel 5.3.70
Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot bijzondere constructies voor het koppelen van voertuigen en andere koppelingen dan bedoeld in de artikelen 5.3.67, 5.3.68 en 5.3.69.
1.
Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
3.
Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
4.
Het derde lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.
6.
Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid.
Artikel 5.4.1
Motorfietsen moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens;
b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn;
c. het merk of de fabrieksaanduiding moet aanwezig zijn;
d. de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd;
e. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.
1.
Het frame of de zelfdragende constructie alsmede de voor- en achtervork van motorfietsen mag:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zijn doorgeroest;
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt benvloed.
2.
De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.4.4
Een aan een motorfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de motorfiets zijn bevestigd.
1.
Motorfietsen mogen:
a. niet langer zijn dan 4.00 m;
b. niet breder zijn dan 2.00 m;
c. niet hoger zijn dan 2.50 m.
2.
Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorrijtuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m.
1.
Alle onderdelen van het brandstofsysteem van motorfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen.
3.
De vulopening van het brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
1.
Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.4.9, voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen.
2.
De LPG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig;
b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak;
c. mag geen deuken vertonen.
3.
De volgende onderdelen moeten aanwezig zijn:
a. de veerveiligheid, die in de buitenlucht moet uitmonden;
b. de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd, dan wel een mengregelsysteem;
c. de gasdichte kast indien de tank in de zijspanwagen is geplaatst;
d. de automatisch inrichting ter begrenzing van de vullingsgraad;
e. de automatische afnameklep op de tank;
f. het gasmengstuk dan wel een inspuitstuk;
g. de automatische afsluitklep.
4.
De in het derde lid genoemde onderdelen moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
5.
De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
6.
De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
1.
Indien de motorfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.4.9, voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen.
2.
De CNG-tank:
a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en
b. mag geen deuken vertonen.
3.
Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar.
4.
Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
5.
Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter.
6.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
7.
De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8.
De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
1.
Motorfietsen moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
2.
Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3.
Motorfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 3 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen ( Stb. 1981, 741).
4.
Motorfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Het geluidsniveau van de uitlaat wordt vastgesteld op een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven wijze.
5.
Motorfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de in onderstaande tabel bij de onderscheiden cylinderinhouden telkens vermelde waarde:
Cylinderinhoud t/m Maximum toegestane waarde
80 cm 3 91 dB(A)
125 cm 3 92 dB(A)
350 cm 3 95 dB(A)
500 cm 3 97 dB(A)
750 cm 3 100 dB(A)
1000 cm 3 103 dB(A)
>1000 cm 3 106 dB(A)

Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van deze waarden.
1.
De accu van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De bedrading van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.4.13
De motor van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.4.15
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 1999 of na 16 juni 2003, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
Artikel 5.4.16
De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De assen van motorfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen.
2.
De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3.
De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4.
De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
Artikel 5.4.21
De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister.
Artikel 5.4.24
De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van motorfietsen mogen geen breuken, scheuren of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken.
1.
De wielen van motorfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden.
2.
De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3.
De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4.
De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,0 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.
5.
De banden mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is.
6.
Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
7.
De banden van motorfietsen in gebruik genomen voor 17 juni 1999 moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen omtrent geschiktheid en montage.
1.
Indien de motorfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken.
2.
De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
De voorvork moet zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien.
3.
De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen.
1.
Motorfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen:
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen.
2.
Het rempedaal onderscheidenlijk de remhandel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt.
3.
Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
4.
Remslangen mogen:
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren;
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
5.
Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn.
6.
Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.
7.
De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering.
8.
De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
9.
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.
1.
Motorfietsen, in gebruik genomen na 31 maart 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,9 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt;
b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,6 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt;
c. bij gebruik van de voorwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt;
d. bij gebruik van de achterwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt;
e. in geval van een gecombineerde reminrichting:
1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, dan wel ten minste 4,8 m/s2 bedraagt bij aangekoppelde zijspanwagen, en
2°. bij gebruik van de andere rem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt.
2.
Motorfietsen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s2;
b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s2 bedraagt;
c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s2 bedraagt.
3.
Motorfietsen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s2 bedraagt.
4.
Motorfietsen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op en droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
5.
De voor het gebruik van de remmen benodigde bedieningskracht mag bij motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, bij gebruik van een remhandel niet meer dan 200N en bij gebruik van een rempedaal niet meer bedragen dan:
a. 500 N, dan wel
b. 350 N indien de motorfiets na 31 maart 1997 in gebruik is genomen.
1.
Windschermen en stroomlijnkappen van motorfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren.
2.
Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 16 juni 2003, moeten zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.
2.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 2003, moeten zijn voorzien van:
a. een linker buitenspiegel;
b. een rechterbuitenspiegel indien de maximum snelheid van het voertuig 100 km/h of meer kan bedragen en het voertuig na 31 december 1996 in gebruik is genomen.
3.
De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4.
Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
1.
De zitplaats of zitplaatsen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
2.
Voetsteunen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
1.
Motorfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2.
De wielen onderscheidenlijk banden van motorfietsen mogen niet aanlopen en moeten goed zijn afgeschermd indien de motorfiets voor 17 juni 1999 in gebruik is genomen.
3.
Geen deel aan de buitenzijde van een motorfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
1.
Motorfietsen moeten zijn voorzien van:
a. een of twee grote lichten;
b. een of twee dimlichten;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van de motorfiets indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 december 1996; het licht van de richtingaanwijzers van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
d. een of twee stadslichten indien het voertuig na 31 oktober 1997 in gebruik is genomen;
e. een of twee achterlichten;
f. een of twee remlichten indien het voertuig in gebruik is genomen na 26 november 1975;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
h. een of twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
2.
Onverminderd het eerste lid, onderdeel c , mag, indien de motorfiets is voorzien van een zijspanwagen en in gebruik is genomen na 31 oktober 1997, de aan de motorfiets aangebrachte richtingaanwijzer aan de zijde van de zijspanwagen niet functioneren.
1.
Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten.
3.
Het eerste lid geldt niet voor motorfietsen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
Artikel 5.4.52
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, moeten zijn voorzien van:
a. een richtingaanwijzer aan de voorzijde en een richtingaanwijzer aan de achterzijde indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997;
b. een achterlicht;
c. een stadslicht indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997;
d. een remlicht indien de motorfiets in gebruik in genomen na 31 oktober 1997;
e. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het zijspan herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten.
3.
Het eerste lid geldt niet voor zijspanwagens gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en zijspanwagens in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
1.
De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4.
De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5.
De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
1.
De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten moeten goed werken.
2.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5.
De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd.
6.
De retroreflector mag geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7.
Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem.
1.
Het dimlicht van motorfietsen moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is:
1°. moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2°. mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte:
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2.
Het voor het dimlicht bestemde deel van de reflector mag zijn oorspronkelijke reflecterende werking niet in ernstige mate hebben verloren.
1.
Motorfietsen mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
b. een mistlicht aan de voorzijde van het voertuig;
c. een mistlicht aan de achterzijde van het voertuig;
d. waarschuwingsknipperlichten;
e. een of twee parkeerlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
f. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig;
g. een witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
h. een richtlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
i. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
j. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
k. verlichte transparanten.
2.
Lichten die ingevolge artikel 5.4.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.4.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen.
3.
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, mogen zijn voorzien van:
a. een stadslicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
b. richtingaanwijzers indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997 en waarschuwingsknipperlichten;
c. een remlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
d. een witte retroreflector aan de voorzijde van de zijspanwagen, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997;
e. een ambergele retroreflector aan elke zijkant van de zijspanwagen;
f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997.
2.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets die in gebruik is genomen voor 1 november 1997, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
1.
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op zijspanwagens in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
1.
Het mistlicht aan de voorzijde, het richtlicht, het bermlicht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen.
2.
De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
3.
De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4.
Het remlicht en het mistlicht aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen.
6.
Op het mistlicht aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.4.55, eerste tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
7.
Verlichte transparanten zijn:
a. afzonderlijk geschakeld;
b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd;
c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd.
Artikel 5.4.62
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt.
1.
Motorfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2.
Motorfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.4.65
Motorfietsen mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.4.51, 5.4.52, 5.4.57 of 5.4.58 dan wel bij of krachtens, de artikelen 5.4.51a, 5.4.52a, 5.4.57a of 5.5.58a is voorgeschreven of toestaan.
1.
Indien de motorfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging.
2.
Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm:
a. moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen;
b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed werken en moet de bevestiging van het kogelgedeelte nagenoeg spelingvrij zijn.
1.
Motorfietsen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
2.
Motorfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de motorfiets of de zijspanwagen te voorkomen, alsmede van een geluidssignaal dat de bestuurder kenbaar maakt dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld.
3.
Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
4.
Het derde lid is niet van toepassing op motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn.
6.
Motorfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoel